Recensie van Blijven en weggaan - Ineke Holzhaus

Het nu van het gedicht

Ineke Holzhaus
Blijven en weggaan
Uitgever: Azul Press
2016
ISBN 9789492401090
€ 15
56 blz.

Met de bundel Blijven en weggaan verzilverde Ineke Holzhaus de Hofvijverpoëzieprijs van de stichting ‘Vrienden van de Hofvijver’, die om de twee jaar wordt uitgereikt. Zij won hem in 2015. Aan de hand van een opgegeven thema werd gevraagd een gedichtencyclus van minstens vijf gedichten in te sturen. Het werk van de prijswinnaar werd dan in een bundel gepubliceerd. Het thema van 2015 was: ‘Op het duin’. Ineke Holzhaus won met haar cyclus ‘De tuin van Nolde’.
Ze las de gedichten voor in het Europahuis in Den Haag aan de Hofvijver. Ik was er bij. Sommige gedichten lenen zich goed voor een auditieve beoordeling, sommige ook niet. Ik had, al luisterend, wat moeite een relatie te leggen tussen het duin en de tuin. Ondanks mijn hoop op nader begrip als ik over de tekst zou beschikken, is dat bij lezing toch ook niet gelukt. Het is overigens wel een mooie cyclus, waarbij de dichteres zich inleeft in het leven van de Duitse expressionistische schilder die in de jaren dertig van de vorige eeuw klem zat in de in Duitsland aanstormende ‘Nieuwe Tijd’. Ineke zal zich ook niet gerealiseerd hebben, dat zij de laatste winnares van de prijs was. Het bestuur van de stichting stopt namelijk met de poëziewedstrijd, waarmee dit sympathieke initiatief, waarbij het om een gedichtencyclus ging, een, zover ik weet unieke prijsvraag in ons taalgebied, bijgeschreven kan worden in de literatuurgeschiedenis.
De bundel heeft vijf onderdelen: ‘Blijven en weggaan’, ‘Op het Duin’ (waarin een viertal Haagse gedichten deze Haagse recensent verblijdden), ‘De tuin van Nolde’ (de bekroonde cyclus), ‘Je bent los’, ‘Meer tuinen’ en tenslotte ‘Blauw plastic zakje’.
De poëzie van Ineke Holzhaus is zeer zintuiglijk. Ze neemt scherp waar en legt die waarneming vast in het gedicht, waardoor haar gedichten worden tot een persoonlijk hier en nu. Haar taalgebruik is eenvoudig, vol kleur en soms is er een ritmische muzikaliteit die het lezen aangenaam maakt. Dit viel mij op in het eerste gedicht van de bundel: ‘Wandeling’:

Alleen als je vroeg opstaat kun je de stad
in haar tederste staat begroeten, tingrijs
violet bijna, stil water als ijs, voor de lichtzinnige

draaikont zich verkleedt tot kleverig lunapark
kakelbont feest, bezopen en onbeschaamd naakt…

Mensen en herinneringen zijn belangrijk voor haar, evenals verwijzingen naar beeldende kunstenaars en dichters. In een van de Haagse gedichten, ‘Aan de haven’, stelt zij de lezer op de proef door te verwijzen naar een drietal dichters die ze met initialen aangeeft: ‘Je kunt nog niet in een tram zitten naar zee/ zonder aan eerdere ritten te denken en aan R.C. / die ze triest en traag heeft genoemd, de gele // wagens naar de haven …’ En even verderop: ‘en denk hoe M.N. voor dag en dauw een tram / door zijn sonnetten stuurde…’
Uiteraard probeer je de namen van de dichters te raden. Ik werd verderop op het verkeerde been gezet doordat ze ook nog verwees naar ‘versregels van de schrijver B.B. die zich / de vorm van de wolken beter herinnerde / dan het gezicht van zijn geliefde.’
Gelukkig geeft ze de ‘oplossing’ in de bladzijde ‘aantekeningen’.

Het is niet alleen om de nieuwsgierigheid te bevredigen, dat ik aanraad de bundel aan te schaffen. Wat mij ook opvalt is dat de bundel liefdevol is. De personen die in de diverse onderdelen voorkomen worden scherp, maar liefdevol getekend. Zo schrijft ze over haar opa een paar prachtige regels: ‘Klompen, schrale ochtend, corduroy / vouwen in zijn knieholten gesleten, hij is / je naam niet vergeten uit de vele op weg / naar zijn Eden, schepping tussen vaart en sloten…’
Zo kijkt ze ook naar haar oma, naar haar moeder, naar kunstenaars als Rothko en Giovanna Garzoni, ze kijkt ze naar landschappen waar ze zich mee verbonden voelt, naar geliefden, naar gebeurtenissen. Ze creëert met haar kleurrijke taal een poëtische, maar ook menselijke werkelijkheid, waarin ze haar eigen plaats weergeeft ten opzichte van datgene wat ze beschrijft in het hier en nu van het gedicht.

Een enkel woord nog over de cyclus, waarmee ze de wedstrijd won en die in feite de basis van deze bundel vormt. Volgens de flaptekst gaat het om de cyclus ‘Als op een duin’. In de bundel heet de verzameling ‘De tuin van Nolte’. Alles wat hiervoor gezegd is over de kwaliteiten van haar poëzie geldt voor deze vijf gedichten. De aandacht, de liefdevolle benadering, de kleurrijke taal: ze zijn allemaal aanwezig.

De dichteres bezoekt Seebüll, vlakbij de Deense grens, waar het huis ligt waar de schilder Emil Nolde en zijn vrouw woonden. ‘Het is nog stil, de bussen komen later’, zegt een vrouwenstem: ‘u hebt het goede jaargetijde uitgekozen’. De vrouw blijkt de vrouw van Nolde te zijn, met wie de dichter een fictieve dialoog aangaat. Ze wijst op: ‘de krakend blauwe luchten / noordelijke stapelwolken, cumuli / daar hield hij van vanwege het contrast / hoewel ook de storm hem dierbaar was-‘. Ze tekent de harde streek: ‘er wordt een zekere hardheid van ons / verwacht, van planten, vogels, de bewoners.’

Ze deed de tuin, zegt ze. Die tuin moet een feest van kleur en vorm geweest zijn. Ik citeer het hele gedicht.

Ik wiedde grassen, netels, klaver
juffertjes in ’t groen waren hem te bleek
hoewel zijn ogenblauw – kijk maar binnen
naar zijn zelfportret – het bloemblauw
in haar venushaar benaderde; zijn blik
geschrokken ijs. Ik doe de tuin, nou ja ik deed.

Ik koos de irissen en dubbele violen, dahlia’s
in tinten die hem naar het zuiverst rood
deden grijpen of blauw, hij kneep het Pruisisch
zo de tube uit – hier is de zee zei hij en hier
de gele lucht die wegdreef als hij ernaar keek
maar die hij razend schilderend achterhaalde.

Van zeer nabij beschrijft zij de politieke verwarring die zich van de schilder en ook van haar meester maakt in de stad: ‘Ze sloegen het roet af van de stad / de losgeslagene, waar in de danslokalen / geamputeerde soldaten hun ijzeren kruis / schudden, de loopgraven wegdronken-‘.

Het contact met het nieuwe regime wordt weergegeven in een niet rijmend sonnet, waarin eerst de keuze wordt gemaakt voor ‘het zuivere licht, het noorden, het onvermengde blonde volk…’, maar uiteindelijk ontzegt ‘de vereerde leider met geheven hand’ hem ‘linnen, verf, papier, vernis’. Na dit strakke vers komt het laatste van de vijf gedichten uit de cyclus waarin duidelijk wordt dat het een fictieve dialoog is: haar stem klinkt ‘ijler nu, verdwenen bijna’. De verwarring slaat ook in de vorm toe. Noldes vrouw vraagt de dichteres: ‘weet u nog wat u ziet wanneer u / straks verward zijn atelier ingaat?’ om daarna te concluderen ‘schoonheid verslaat goed en kwaad.’ Dan is ze weg. De cyclus eindigt met het beeld dat aansluit op het begin als ‘een buslading vrouwen met Noorse / wandelstok en drie verloren heren..’ haar tegemoet komt. De laatste regels geven stof tot nadenken: ‘ik verwissel mijn zonnebril voor de gewone / om naar zijn werk te kijken door ongetint glas’.

Misschien was een geïllustreerde uitgave van alleen deze cyclus erg mooi geweest, tekst en fraaie illustraties zouden zeker volstaan hebben. Dan hadden we wel dit buitengewoon fraaie boekje met de mooie overige gedichten gemist.

***
Ineke Holzhaus (1951) is dichter, schrijver, theatermaker en poëziedocent. Ze publiceerde bundels als Waar je was (2011) en Bovengronds (2014). In 2015 won zij de HofvijverPoëzieprijs. Ze woont een groot deel van het jaar in het mooie oude Berry in Frankrijk, waar ze ongetwijfeld ‘zeer rijke uren’ beleeft.

Recensie van Warhoofds gekkenwerk - Alain Delmotte

Also sprach Wirrkopf

Alain Delmotte
Warhoofds gekkenwerk
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401344
€ 15
66 blz.

Warhoofds gekkenwerk verschilt van alles wat ik de laatste jaren aan poëzie heb gelezen. Alleen daarom al vind ik de bundel verfrissend, maar dat is niet het enige: hij is ook goed. Al bij het eerste gedicht schoot ik in de lach, maar een light verse-bundel is het niet, integendeel. En ik zeg ‘gedicht’, maar klopt dat eigenlijk wel? Dat is nog maar de vraag. Onder de titel van de bundel staat wat je kunt verwachten: ‘Prozastukken, prozagedichten, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire, hyperbolen.’ En of dat allemaal klopt, is ook nog maar de vraag. Ik kom daar nog op terug, maar houd nu in ieder geval de bladspiegel van de bundel aan. Het eerste gedicht uit de eerste afdeling, waarin Warhoofd zijn zelfportret schetst:

1

Hij is bedreven in het nooit au sérieux worden genomen. Dat er met
hem geen rekening wordt gehouden, hij smeekt erom, het is zijn
zegen.

Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak. Plichtsgetrouw
behoort zich te laten bedotten tot zijn dagelijkse taken.

Koste wat kost kickt hij op zich uitgerangeerd voelen.

Kunstzinnig en deskundig in gekkenwerk trekt hij weloverwogen
meestal aan het kortste eind.

Dat hij vandaag alweer geen gehoor kan vinden, maakt zijn dag
goed. Maakt zijn dag af.

Warhoofd houdt ons een lachspiegel voor – Buster Keaton is een van de personen die voorafgaand aan de bundel worden bedankt- , maar het is wel een ongemakkelijke spiegel. Door zijn omkering maakt hij de onzekerheid duidelijk van iedereen die ook maar enigszins ambitieus is.
Warhoofd wordt grimmig in de tweede afdeling: ‘Zeg eens wonden’, met als ondertitel ‘Warhoofds vragen voor een interview met de wonden.’ Gedicht 4: ‘Beschikken jullie over een wil of voeren jullie, op bevel van een zelf / verzonnen hogerhand, in het wilde weg uit? // Hopen jullie ook op roem en op een eeuwig leven? Is blijvend smeulen jullie hoger doel?’
Na allerlei vermakelijk leed eindigt hij uiteindelijk in de hel, die verdacht veel op onze wereld lijkt. Dat heeft wel iets van een ironische Umwertung aller Wirte, net als veel gedichten uit andere afdelingen. Het laatste gedicht van deze afdeling vind ik hilarisch:

10

Om te concluderen.

Eerlijkheidshalve: de hel valt minder ‘kinky’ uit dan je had verwacht.

Redelijkerwijs: de hel geeft minder blijk van boosaardigheid dan
waarop een mens had kunnen rekenen.

Daarom, dierbaren, stelt ook de hel teleur: ze stemt hoopvol.

Of is dat nu net haar venijnigste kwaad?

We zijn er nog niet. Een van de meest intrigerende zinnen uit Warhoofds gekkenwerk staat in de verantwoording: ‘Elke feitelijk bewezen gelijkenis met bestaande personen is een risico dat te wijten zou kunnen zijn aan de moeder van alle toeval: het misverstand.’ Als er zou staan: ‘elke gelijkenis’ zou ik de zin beschouwen als een wat plagerige disclaimer. Maar dat staat er niet. Er staat: elke feitelijk bewezen gelijkenis en de schrijver houdt ook nog eens een slag om de arm: een risico dat te wijten zou kunnen zijn aan het misverstand. Maar hoe zit het dan wel? Misschien zo: de woorden ‘bestaande personen’ staan voor dichters in het algemeen. Het kan natuurlijk zijn dat individuele dichters zo goed aan dat beeld voldoen dat ze daarmee samenvallen; dat kun je natuurlijk bewijzen, maar het is desondanks een misverstand te denken dat hij of zij dat werkelijk is.
Misschien moet je het beeld zelfs ruimer opvatten dan dichters in het algemeen. Weliswaar komt het dichterschap in enkele afdelingen expliciet ter sprake (‘Uitverkoop van dichterlijke werken. // Woorden. Grote woorden, grote hopen woorden, hopeloos holle / woorden, hun prijs niet waard – // ’), maar in afdelingen als ‘Funeral sentences’ en ‘Posthuum’ kan het ook gaan om een beeld van iedereen, van ‘Elckerlyc’. (NB: let op dat ‘Posthuum’, met ‘h’. Moet je lezen: ‘posthumaan’ i.p.v. ‘na de dood’? Een grappig verschil in nuance.)

Maar zeker is dit allemaal niet. Delmotte laat doorschemeren dat wat wij voor de werkelijkheid aanzien niet meer is dan een beeld van die werkelijkheid. De warhoofdigheid krijgt daarmee een filosofische lading: wij lijden daar allemaal aan, het is een onderdeel van de menselijke staat. De werkelijkheid is onkenbaar.
De wijze waarop Delmotte de bundel karakteriseert – zie het begin van deze recensie – kan daar ook op wijzen. Als die toelichting er niet had gestaan, had ik voetstoots aangenomen dat het om gedichten gaat: er zijn acht afdelingen van ongeveer gelijke lengte, met teksten zoals boven geciteerd. De afdelingen worden gevolgd door een langere tekst, die in eerste instantie aandoet als proza, ook door de mooie ondertitel: ‘Warhoofd improviseert een toespraak en heft zonder morsen het glas’. (De titel zelf luidt: ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’).
Maar kun je de gedichten beschouwen als prozagedichten in plaats van gedichten? Ik denk het wel: de bladspiegel is helemaal gevuld. Of als notities? Ook. Schetsen? Ja. Het is maar net hoe je het bekijkt en dat is precies de bedoeling, denk ik. Een prachtbundel.

***
Dichter, criticus, essayist en redacteur Alain Delmotte (Kortrijk, 1957) publiceerde onder meer Warhoofd (2002), Lieve Wislawa – Onderschrift 2 (2003), Verstekelingen – Onderschrift 3 (2006), Existential figures (bij tekeningen van Ine Lammers, 2008), Voorstander zijn (2008) en Uit de lucht gegrepen (2013).

Recensie van Binnenplaats - Joost Baars

Een veelbesproken debuut

Joost Baars
Binnenplaats
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261877
€ 16,99
89 blz.

Joost Baars is hoog op het schild gehesen. Met zijn debuutbundel mocht hij aanschuiven bij VPRO boeken. Piet Gerbrandy besprak Binnenplaats in De Groene. ‘Vol overdonderende regels’, liet Ellen Deckwitz zich ontvallen in NRC Handelsblad.

In het interview dat Yvonne Broekmans met hem voor Meander had, las ik een aantal uitspraken die mij direct nieuwsgierig maakten naar zijn werk. Een jaar of zes geleden gooide Baars alle gedichten die hij tot dan toe had geschreven weg, “omdat ik het gemaakt had in het verlangen dat ‘men’ het goed zou vinden. In plaats van tegen ‘men’ ging ik tegen ‘niemand’ spreken, dus zonder te impliceren dat ik iets wist over de toehoorder.” Verfrissend om te lezen, maar ook buitengewoon waar. Poëzie schrijven is in de eerste plaats een gesprek met jezelf, schrijven wat je moet schrijven. Baars biecht op, dat de eerste afdeling van de bundel ontstond, doordat hij niet zozeer tegen zichzelf, maar tegen de binnenplaats onder zijn balkon was gaan praten: “Dat is natuurlijk een tot mislukken gedoemde conversatie. Je kunt dan twee dingen doen. Je kunt zeggen: nou, dat was dwaasheid, laat ik er maar mee ophouden en iets nuttigs gaan doen. Je kunt ook koste wat kost in de conversatie blijven. Dan komt vanzelf de gedachte dat je het eigenlijk tegen iemand of iets anders hebt. In die reeks is dat de ‘Jij’. Met hoofdletter.”

het geritsel van bomen is
niet het geritsel van bomen.

het is Jouw stem. het geritsel
dat altijd hetzelfde is, is niet

altijd hetzelfde. het opent me,
dringt bij me binnen, naar de

plek waar Jij hoort, waar Jij blijkt
te ontbreken. daar hoor ik

Je vredig woedende neren, niet
het geritsel, maar het geritsel

dat het geritsel doet klinken,
uit een plek in mij die niet klinkt,

waar de taal waarmee ik dit zeg
niet bestaat, totdat Jij het zegt,

waar Jij wordt geboren in het geritsel
van het geritsel van het geruis-

loze ritselen, en mij erin maakt.

Binnenplaats is niet alleen de omsloten tuin waar de dichter vanaf zijn balkon over uitkijkt. In het woord ‘binnenplaats’ klinkt ook iets door van het innerlijk, van de diepste kern. Het geritsel in bovenstaand gedicht doet denken aan de verschijning van God aan Elia op de berg Horeb. God verschijnt daar niet in een windvlaag, niet in een aardbeving, niet in het vuur, maar in ‘het gefluister van een zachte bries’ (1 Koningen 19:12, NBV 2004). De hoofdletter van ‘Jij’ valt des te meer op, omdat de dichter verder wel interpunctie, maar geen hoofdletters gebruikt. ‘Jij’ is een paradoxale, mystieke aanwezigheid: ‘ik heb Jou gezocht en Jij hebt mij / gevonden. wat is het // dat Je in mij zoekt?’. ‘Wij kunnen Hem niet beschrijven, maar alleen aanspreken; ons leven is een existentiële dialoog met het eeuwige Jij’, schreef de befaamde joodse godsdienstfilosoof Martin Buber in Ich und Du (1923). Baars’ gesprek met de binnenplaats staat in deze traditie. Het is een naar binnen gericht gesprek, dat aanklopt op de gesloten deur van het onkenbare: ‘maar ook hoezeer ik Jou niet ken, / al geef ik Je een plaats in dit // gedicht, al geef ik Je een naam, / Je blijft een vraag waarop ik // van mijn tenen tot mijn kruin / een antwoord schuldig blijf.’ Grappig is, dat de binnenplaats tegelijkertijd ook gewoon een binnenplaats blijft met bomen, barbecueënde buren en een rondvliegende parkiet. En: ‘er loopt een katje in Je rond. / ze lijkt naar iets te zoeken, // houdt dan stil. ik haal haar aan, / maar als ze opkijkt, oogt ook zij // verloren wat ze daar niet vond.’

De tweede afdeling, ‘Meer dan aan elkaar’, bevat een aantal losse gedichten, waarin evenals in de eerste afdeling eens sterk filosofische inslag aanwezig is. Een aantal gedichten draagt de naam van bekende schrijvers of kunstenaars: ‘Tom Waits’ (hilarisch), ‘Karl Marx’ (mij ontgaat het verband) en ‘Emily Dickinson’ (surrealistisch). Door de bundel heen loopt een thema dat in elk interview en elke recensie aan bod komt, en dat ik daarom hier slechts kort aanstip: de hartaanval die zijn vrouw bijna fataal werd (zie afbeelding voorkant). De bundel opent met een weergave van deze gebeurtenis in ‘Kosmologie van het tapijt’. In het gedicht ‘Werner Herzog’ beschrijft de dichter hoe alleen hij van het ziekenhuis naar huis loopt. Het ziekenhuis zelf komt in het volgende gedicht aan bod:

de slaap, zegt remco
is een ontroering
jij weet beter
de slaap is ontglippen
doodstil verzinken
in een matras
je adem
de tik
de piep van de hartmonitor
steeds verder buiten gehoor
dat is de slaap

in de nacht
als je hem roept
doet hij een po
onder je billen
haalt hem weer weg
doet hem eronder
haalt hem weer weg
geduldig
spreken zijn handen
hun tactiele tekst
op je huid

ont-roer, beroert remco

zo kan het dat
je ontslaapt
uit het niets
uit het niets
je ontwaakt
terug
aan de huid
van het leven
dat zich schaamt
en verder gaat
en zich soms schaamt

Dit gedicht is een verhaal apart. Uitgever en schrijver kennen het een belangrijke plaats toe: de eerste strofe staat afgedrukt in de webwinkel van Van Oorschot. Het gedicht begint verrassend: ‘de slaap, zegt remco / is een ontroering’. Verbazing. Campert dichtte immers: ‘De dood is een ontroering’, de slotregel van zijn beroemde gedicht ‘Poëzie is een daad…’ Waarom zou Remco zichzelf verkeerd citeren? Ik bedacht me dat het misschien een woordspeling was, dat er op de afdeling waar de vrouw van Baars na haar hartaanval verpleegd werd een verpleegkundige was die Remco heette. De aantekeningen achterin de bundel bevestigen dit, maar melden ook dat het gedicht van Baars geschreven is naar een gedicht van Bert Schierbeek. Wanneer we dit gedicht eindelijk gevonden hebben (uit: De deur, 1972), begrijpen we ook ‘het leven / dat zich schaamt’ uit de laatste strofe. Schierbeek schrijft ‘zo is het / dat ik me schaam / dat ik nog leef / en mij schaam / en verder leef / en mij soms schaam’. Schierbeek schrijft in dit gedicht over de dood van zijn vrouw bij een auto-ongeluk. De schaamte van de achterblijver. Baars echter liet weten, dat zijn vrouw haar hartaanval overleefd heeft. Hoe meer ik me in zijn gedicht verdiep, hoe geforceerder het aandoet. Wat wordt bedoeld met ‘de slaap (…) / is een ontroering’? En wat moeten we met ‘het leven / dat zich schaamt / en verder gaat’? Baars schreef een variatie op een gedicht van Schierbeek, dat op zijn beurt weer sterk schatplichtig is aan een gedicht van Campert. Baars draagt het gedicht op ‘aan Remco en zijn collega-verpleegkundigen op de hartbewaking van het OLVG in Amsterdam’. Misschien had hij het beter daarbij kunnen laten.

Ik kon me er nauwelijks toe zetten de derde afdeling te lezen. Het betreft vertalingen van de negentiende-eeuwse dichter Gerard Manley Hopkins. We krijgen het Engelse origineel niet te lezen, en dat is jammer, want nu valt moeilijk te beoordelen wat van Hopkins is, en wat Baars hieraan heeft toegevoegd. De gedichten vertonen taal- en vormtechnisch een forse stijlbreuk ten opzichte van de rest van de bundel. Heel anders dan bijvoorbeeld bij Jean Pierre Rawie, bij wie zijn vertalingen veelal als vingeroefeningen voor zijn eigen werk gelezen kunnen worden.

De laatste afdeling heet ‘Dal van Spoleto’. Dankzij het boek van Hélène Nolthenius begon bij mij direct het belletje van Franciscus van Assisi te rinkelen. Baars schetst in deze afdeling een aantal vogelportretten. Soms spreekt hij, net als de heilige, de vogels toe. Op andere momenten spreken de vogels juist tegen de beschouwer. De eerste gedichten zijn licht van toon, maar de vogels worden steeds meer aanleiding voor cultuurkritische beschouwingen (‘of kunnen wij samen vervliegen, / wij drijvende stadsrekwisieten, // op ander soort habitat aan?’).

Binnenplaats is een geweldig en omvangrijk debuut. De onderzoekingen uit de eerste afdeling zijn spannend en intiem, en nodigen uit tot herlezen en herkauwen. Met de vele motto’s en verwijzingen toont Baars nadrukkelijk zijn belezenheid. Vaak geheel overbodig. Zo zou het bijvoorbeeld veel subtieler zijn geweest om de laatste afdeling gewoon ‘Binnenplaats 2’ te noemen. De vogels komen immers aanvankelijk gewoon zijn binnenplaats op vliegen. En dat er vanuit deze waarnemingen gaandeweg iets anders ontstaat, mag de lezer toch ook wel zelf bedenken?

Verzamelsite

De oudste laag van Meander bestaat uit de gedichten die van najaar 1995 tot en met voorjaar 1998 op de site zijn gezet.  Het zijn 232 gedichten van 67 inzenders.
Deze verzameling gedichten werd in 1998 als de zogenaamde Verzamelsite een onderdeel van onze website. Na verloop van tijd kregen we nogal wat verzoeken van inzenders om hun gedichten van onze site te halen. Ze schreven inmiddels heel andere gedichten of dichtten helemaal niet meer.  Daarom hebben we na een paar jaar besloten dit gedeelte van de site af te sluiten.
De afbeelding laat de voorpagina van de Verzamelsite zien.

Behalve van de 67 inzenders vinden we hierop ook de namen van de allereerste redactieleden van Meander. Sommige redacteuren hadden toen nog niet eens internet, zodat ik schriftelijk en telefonisch contact met hen moest onderhouden. Het was een mooie tijd, maar gelukkig hoeft het nu niet meer zo.

Elk van de 67 inzenders had een eigen gedeelte op de website. Voor velen van hen maakte ik een aparte afbeelding. Zoals deze voor Hans Hamburger. Dat moet erg bewerkelijk zijn geweest.

Rob de Vos

Gedichten

door Anouk Smies (1975)

GEBOORTEVRAAG

Pijn die gezellig is gemaakt
noemt men kunst
Op een kromme fiets
door de stad crossen
Van achter de zonsopkomst scheppen

Vissen buiten de rand
van de nacht,
de sterren Petrischaaltjes
rond het brein

Salueren tegen loze gedachten
Niet doen aan traag
maar ademen zonder te denken
aan het hortende, stuitende
Vergeten wiens schuld jij moet zijn

MIJN FAVORIETE DOOD

De dood
heeft met niets iets te maken
Hij hult zich in
chiffon
Groene zeep

De casemanager van mijn organen
schrijft geen poëzie
Interesseert zich niet voor
vuurvliegen, orgasmen
palindromen

Ik wil een dood die zo betrokken is
dat hij bij rigor mortis
de kleurverschuiving in mijn huid
al aan zag komen
De pandjesbaas van het Nee

Ik wil sterven
zoals anderen
flessen werpen, zonder spatje hoop
dat ze ergens aan gaan komen

Maar toch de reis naar zee

LIEFDE KRIOELT

Je kan als mens dusdanig
met een andere mensachtige
verbonden raken
dat het neusbot luchtbrug wordt
De teennagels plagiaat

Je denkt dat je gezicht gestolen is
want in de machine van de liefde lurkt een twijfel
Het schimmige springplankje
van een mot. Een aanzet tot brie

Je trekt Lucebertiaans
aan het koord van de zon
Plast op een plee van poëzie
tot het krioelen onder je onstopbaar begint
Je vergist je in de bacterie

Uit: Anouk Smies. Wie heeft een middelpunt nodig
Uitgeverij Stichting Opwenteling. ISBN 9789063381608