Interview met Dorien de Wit

De grens tussen woord en beeld

 

Dorien de Wit (’s-Hertogenbosch 1980) is beeldend kunstenaar, dichter en schrijver. Ze publiceerde gedichten en kort proza in Hollands Maandblad en Tortuca. Bij dit laatste tijdschrift was zij een aantal jaren redacteur. In 2010 was zij een jaar lang medewerker bij Meander Magazine. Momenteel volgt zij een opleiding aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.

Je bent beeldend kunstenaar en volgde een opleiding aan de kunstacademie AKV|St. Joost in Breda en aansluitend aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ben je je pas naderhand voor poëzie gaan interesseren of was deze belangstelling er altijd al?
Als kind was ik een hartstochtelijk lezer. Elke week ging ik naar de bibliotheek bij ons in het dorp om weer met een nieuwe stapel boeken thuis te komen. Mijn interesse voor poëzie ontstond ergens in mijn studententijd. Tijdens een festival zag ik optredens van onder andere Tjitske Jansen en Tsead Bruinja en ik geloof dat ik vanaf dat moment de poëzie ingezogen werd.

Wanneer werd het schrijven van gedichten een serieuze bezigheid voor jou?
In de loop van mijn studie aan de kunstacademie gebruikte ik steeds vaker taal als basis voor bijvoorbeeld video’s en installaties. Tijdens mijn vervolgstudie aan het Sandberg Instituut groeide het verlangen om mijn teksten ook op zichzelf te laten bestaan, los van mijn beeldend werk. Wat deze teksten precies voor vorm hadden, of het gedichten, aantekeningen of verhaaltjes waren, maakte mij niet uit. Een redacteur van een literair tijdschrift reageerde eens op mijn inzending met de vraag of ik mijn tekst wilde herzien en een keuze wilde maken tussen poëzie en proza, maar ik vond het juist bevrijdend om me daar niet mee bezig te houden. In de beeldende kunst is het naar mijn idee veel gebruikelijker om te spelen met de vorm en context van wat je maakt. Die manier van denken en kijken past bij mij.
Het Sandberg Instituut was een heel vrije opleiding waar je als student zelf veel invloed had. Ik kreeg de ruimte om docenten te benaderen niet alleen voor mijn beeldend werk maar ook voor mijn teksten. Vanaf die tijd ben ik er serieuzer mee bezig, al lag het zwaartepunt toch vaak bij het ontwikkelen van mijn beeldend werk en exposeren.
En graag relativeer ik dit laatste ook direct, want bij het schrijven (en dit geldt ook voor tekenen of andere manieren van ‘maken’) is het voor mij essentieel dat ik er ook niet tè serieus mee om moet gaan. Het moet oprecht zijn maar nooit plechtig. Om tot nieuwe dingen te komen, heb ik het nodig om mijn fascinaties te volgen en nog niet te denken aan consequenties en resultaten.
Mijn drijfveer is niet zozeer dat ik iets maak omdat ik iets wil laten zien. Ik maak iets om ergens achter te komen, om iets te onderzoeken, voor mezelf.

Je bent momenteel bezig met een opleiding aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Hoe ben je ertoe gekomen deze opleiding te gaan doen?
Het schrijven werd steeds belangrijker voor me en ik zocht een manier om me hierin verder te ontwikkelen en mijn horizon te verbreden. De diversiteit aan visies en stijlen, niet alleen onder docenten maar ook onder medestudenten werkt voor mij heel stimulerend. Het is bovendien erg leuk en leerzaam om mensen te ontmoeten die met hetzelfde bezig zijn.

Je was in 2010 werkzaam als redacteur bij Meander. Wat vond je leuk aan het werk en hoe kijk je terug op deze tijd?
Ik was medewerker van de rubriek De Dichter, waarvoor ik de meer gevestigde dichters interviewde. Ik vond dit ontzettend leuk omdat ik hierin mijn nieuwsgierigheid kon volgen. In de keuze van dichters streefde ik naar een gevarieerde keuze, maar ik volgde hierbij grotendeels mijn persoonlijke interesse. De interviews maar ook de voorbereiding hiervan waren achteraf gezien een hele fijne manier om mijzelf door een stukje van het Nederlandse poëzielandschap te loodsen.

Welke beeldende kunstenaars en dichters hebben je het meest geïnspireerd en waarom?
Dat zijn er veel! Als ik me probeer te beperken tot enkele namen dan is dat in de beeldende kunst Mark Manders, een kunstenaar die aanvankelijk schrijver wilde worden. Op het moment dat hij begon aan zijn boek ‘zelfportret als gebouw’ bleek echter dat wat hij wil vertellen zich beter toonde via voorwerpen en beelden die hij in een ruimte plaatst. Zijn werk is poëzie in beeld. Dit geldt wat mij betreft ook voor een kunstenaar als Henk Visch.
De essays en columns van Maria Barnas en Pam Emmerik over beeldende kunst vind ik ook erg inspirerend. En natuurlijk de essays van Charlotte Mutsaers. Haar ernstige en oprechte speelsheid is uniek en als ik haar lees hoop ik daar altijd weer een vleugje van mee te krijgen.
Wat poëzie betreft heb ik een voorliefde voor klare taal en lees ik op dit moment vooral hedendaagse dichters als Wim Brands, K. Michel, Annemieke Gerrist, Martin Reints en Lans Stroeve. Ook houd ik van de betoverende Zbigniew Herbert, van het surrealisme van Henri Michaux en ben ik fan van Georges Perec. Lydia Davis vind ik trouwens ook altijd verfrissend. Als ik een paar bladzijden heb gelezen is het alsof mijn hoofd van binnen een frisse douche heeft gehad.

Hoe ontstaat bij jou het idee voor een gedicht of een tekening of video. Ervaar je het als twee verschillende disciplines of is er soms ook sprake van overlap?
Er is veel overlap in thematiek en in de vragen die ik stel. De uitingsvorm verschilt en dit betekent deels ook dat het publiek (van de kunstwereld en literaire wereld) verschilt. Voor mij kunnen een publicatie in Hollands Maandblad en een video die ik toon in een expositie volledig met elkaar verbonden zijn. Toch is het goed mogelijk dat degenen die oog hebben voor het een, van het andere geen weet hebben. Dat vind ik ook helemaal niet erg. Misschien is alles wat ik maak familie van elkaar. Een gedicht is verwant aan een verhaal, het verhaal aan een tekening, die weer verwant is aan een video. Voor mij maakt het allemaal deel uit van hetzelfde geheel.

Wat is er bij jou het eerst een woord of een beeld?
Tijdens mijn opleiding heb ik me dit vaak afgevraagd en ik schreef hier uiteindelijk mijn afstudeerscriptie over. Volgens mij is er geen strakke grens tussen woord en beeld. In ons denken zijn woord en beeld op heel complexe wijze met elkaar verbonden. Beelddenken is in de neuropsychologie al een achterhaald begrip. Letters zijn vormen en om te kunnen lezen moet je deze vormen in je op kunnen nemen en interpreteren. Zowel woorden als beelden bieden de mogelijkheid om de verbeelding te prikkelen. Beelden nodigen uit om een verhaal te bedenken, om naar woorden te zoeken, woorden geven de ruimte om beelden op te roepen. En uiteindelijk is er volgens mij altijd sprake van een intensieve wisselwerking tussen woord en beeld.

Wat zijn je projecten of plannen voor de toekomst?
Ik werk aan gedichten en kort proza. Het zou natuurlijk het mooist zijn als een selectie hiervan in een bundel samenkomt. De komende tijd zou ik hier ook meer mee naar buiten willen treden. Ik ben geen slammer, maar het voordragen van mijn poëzie geeft het ook weer een nieuwe dimensie.
In de kunst heb ik verschillende samenwerkingsprojecten en daarnaast werk ik nu aan een audiowandeling. Dit is voor mij een heel mooie manier om mijn tekstuele en beeldende kant samen te laten komen. Bezoekers kunnen via hun eigen smartphone tijdens de wandeling naar door mij geschreven audiofragmenten luisteren. Ik hoop hiermee dat de bezoeker het landschap op een nieuwe, andere manier gaat bekijken. Voor mij is het interessant dat mijn tekst loskomt van de letters op een A4 en ruimtelijk wordt. Deze gaat een interactie aan met de omgeving en de blik van de bezoeker. Dit vraagt ook weer een andere manier van schrijven.
Het project is dit voorjaar klaar en hier te volgen. Vorig jaar maakte ik een audiowandeling voor Park Frankendael in Amsterdam: ‘Waar je bent’. Deze kun je nog steeds volgen.

Gedichten

door Dorien de Wit (1980)

Ik probeer in mijn droom

mijn droom te verklaren
terwijl ik door het naaldbos loop
waarin ik zojuist ontwaak

mijn familie is veranderd in een roedel
dieren en ik ben een psychotherapeut of
boswachter en nog een keer word ik

wakker op een feestje waar iemand me vertelt
dat er laatst een acteur overleed tijdens een sterfscène

het personage leeft nog schijnt

als ik niet kan slapen kijk ik op YouTube naar filmpjes van
gebouwen die worden opgeblazen

eerst een stofwolk, dan zakt het gebouw in de grond
in mijn hoofd speel ik ze achterstevoren af

zodat ze weer opstaan

Tegenover mij

zit een jongen met een maquette
op schoot, het gebouw

gekanteld rust op zijn benen. Door het raam
zie ik hoe het landschap langs ons schuift terwijl
de trein stilstaat.

Kan het dat wij gezien datum en tijd
schuin door het heelal zweven en dat alles

zo langzaam mee schuift dat ik
het niet zie. Ik kijk door een raam
van het gebouw op zijn schoot

zie een kamer en een deur horizontaal. Soms
weet ik niet waar ik ben. Zou het kunnen
dat ik van binnen kantel als ik het gebouw
in gedachten rechtzet?

oversteek

je staat op de rand van de stoep
alsof je op de rand van een klif staat

niet wetende of overgave
een beweging naar voren of achteren is

je hebt een koffer in je hand, maar eigenlijk
houd je je daaraan vast

terwijl je wiebelt op je benen
niet als twijfel maar een teken
van de ander die in je aanwezig is

iemand die in spiegelbeeld in je lichaam beweegt
iemand die een reserveleven maakt
voor als het eerste mislukt

ik dwaal in mijn huis van kamer naar kamer
want ik hoorde iemand zeggen

bewegen is een vorm van denken
ik probeer het te vergeten als ik zit

waar ik niet aan denk bestaat niet
weg hek bushalte grasveld bomen
horizon

zodra ik buiten stilhoud benoem ik
wat ik zie

het is onmogelijk
de wolken

rustig voorbij te laten glijden en
tegelijkertijd al het andere
op zijn plek te houden

Signalementen 2016 / 1

Peter van Lier e.a., Op de breuklijn van het ijs

In Op de breuklijn van het ijs schreven elf dichters reacties op fragmenten uit het dagboek van Hidde Dirks Kat, een nauwelijks bekende Amelandse walvisvaarder die in de winter van 1777 en 1778 schipbreuk leed voor de kust van Groenland: ‘Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te zien of te vinden. Wij stonden hoopeloos op het geweldig stootend ijs, in vreeze, om ieder oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden.’ Een deel van de bemanning werd na een barre tocht gered door zeer gastvrije Inuits.
In de bundel zijn bijzondere tekeningen opgenomen van beeldend kunstenaar Egbarta Veenhuizen in Oost-Indische inkt en pastel.
Een van de gedichten is van Bartie Laverman. Hij schreef in het Fries en Nederlands ‘De Oanspielder’ (‘De aanspoeler’) over een man die zich van de inmiddels geredde groep bemanningsleden had afgescheiden en in zijn gedicht in Ierland lijkt te zijn aangekomen. De eerste strofe: ‘wij fûnen him / op de rotsen fan West / de oanspielder / ús grutte blonde noardman / mei hillich wetter / en whiskey / brochten wij him stadichoan / bij sûp en stût’ (‘bij zinnen’).

Egbarta Veenhuizen en fotograaf Dolph Kessler hebben de tentoonstelling buro HDK 2018 ingericht. Deze aantrekkelijke bundel is een onderdeel van het project.

***
Peter van Lier e.a. (2016). Op de breuklijn van het ijs. Mauritsheech Publishers, 33 blz. € 10,-

 

Charles Bukowski, Katers en poezen

Mocht ik in de toekomst als onhanteerbare oude man met niet meer dan een half plankje boeken in een verpleeghuis worden opgeborgen, dan zou Bukowski daarbij zitten. Het doet me daarom veel plezier dat er een boek is verschenen met onbekende gedichten en een aantal korte tot zeer korte stukken proza. De meeste gedichten zijn nooit in bundels verschenen en als dat wel het geval is, wijken de hier opgenomen manuscriptversies zo sterk af dat ze als nieuw kunnen worden beschouwd. Andere verschenen in tijdschriften met een oplage van maximaal 300 exemplaren. Katten en poezen heet de bundel, maar het gaat niet om lieflijke gedichten. Zijn lievelingsdieren zijn ondoorgrondelijk, altijd uit op seks, soms genadeloze jagers en vechtersbazen, soms schuw en vrijwel altijd mooi en vertederend. Maar ook raken ze gewond, verongelukken.

Bukowski laat zien dat zij het leven op een superieure, coole wijze leven. Ze wekken ook zijn humor op. Als hij zit te schrijven, maken een paar kittens ‘kreukels en piepkleine gaatjes’ in het papier. Vervolgens ‘springen ze in de grote doos met brieven die ik van / mensen krijg / maar ze beantwoorden ze niet, ze zijn / zindelijk.’ De kwaliteit is wisselend – zoals vaker, maar bij hem is dat een van zijn charmes – maar ook in deze bundel toont hij zich een onnavolgbaar meester. Zie bijvoorbeeld het gedicht ‘Ik ben geboren om met rozen te leuren langs de lanen van de doden’. De schijnbaar terloopse laatste regel, geeft een wending die keihard aankomt. Hij beschrijft vechtende katten. De verliezer ‘rende weg stond stil krabde aan zijn oor / tikte naar een strootje in de lucht en / schoot weg verslagen plannen smedend terwijl / een witte (een andere) langs de / andere kant van het hek achter een / sprinkhaan aan zat terwijl iemand / Kennedy doodschoot.’

Moet ik nog meer zeggen?

De bundel is uitstekend vertaald door Gerda Baardman.

***
Charles Bukowski (2016). Katers en poezen. Vertaald uit het Amerikaans door Gerda Baardman. Lebowski Publishers, 144 blz. € 17,50

 

Maja Panajotova, Landschap van een man

Maja Panajotova (1951) is in Vlaanderen bekender dan in Nederland. Ze verhuisde in 1981 van Bulgarije naar Vlaanderen. Naast dichter is ze vertaler en docent Bulgaarse taal- en letterkunde bij de universiteiten van Gent en Leuven. In 1983 debuteerde ze in het Nederlands met haar bundel Verzwegen alibi en in 1988 verscheen Sofia blijft een mysterie. Haar nieuwe bundel, Landschap van een man, is een bloemlezing uit de voorgaande bundels en bevat ook nieuw werk.
Ze is altijd hartstochtelijk van Bulgarije blijven houden: ‘Neem me, Sofia, / in jouw omhelzing van gele stenen, / want jij bent het centrum van mijn wereld. / Parijs is een minnaar voor enkele nachten, / en Brussel – een flirt, voor even.’
Aanvankelijk heeft ze moeite met de nieuwe taal (‘Wat ik denk en voel zit opgesloten / binnen de kille muren van een vreemde taal.’) en dat is aanvankelijk ook te zien: een aantal gedichten maakt een indruk van vertalingen, maar al snel had ze de beschikking over een rijk arsenaal van woorden, constructies en beelden. Ze heeft ook een eigen stem. Neem de volgende strofe uit ‘De vrouw 1’, uit een korte cyclus van vier gedichten – of ze hier een speciale vrouw beschrijft, de vrouw in het algemeen, of dat er sprake is van sarcasme laat de dichter in het midden. Het is aan de lezer.

Ze kan zich ’s ochtends geven
aan de gast,
zoals de bloem aan de zon,
’s middags haar man
tussen haar benen drukken,
en zich ‘s avonds ontfermen
over hem, die gek van liefde is.
En ondertussen: koken en wassen
en toegewijd zijn.
Dag in dag uit
bemind en misbruikt en begeerd zijn.

Liefde, dood en het verglijden van de tijd spelen een belangrijke rol in haar werk – net als bij vele anderen en je moet van goeden huize komen om niet in clichés te vervallen. Dat overkomt haar niet.

***
Maja Panajotova (2016). Landschap van een man. Uitgeverij P, 79 blz. € 18,00

 

Hugues C. Pernath, Exodus. Geïllustreerd door Lies van Gasse

Exodus is de graphic poem die beeldend kunstenares en dichter Lies van Gasse (1983) heeft gemaakt van de cyclus van vijf gedichten die Hugues C. Pernath in 1970 liet verschijnen in een kleine bibliografische uitgave. Ze volgt de tekst letterlijk, maar weet die door haar tekeningen te verbinden aan actuele problemen zoals de vluchtelingenstroom. Het schitterende resultaat is te zien op haar site. Een inleiding van Joris Gerits gaat aan de graphic poem vooraf en de cyclus zelf is daarna opgenomen.
Pernath droeg Exodus op aan de Joodse Myra, zijn tweede vrouw. De dichter verbindt de bijbelse exodus zowel aan het lot van de Joden in de vernietigingskampen als aan zijn persoonlijke vertrek uit ongelukkige herinneringen naar een leven met zijn geliefde vrouw. Dat lijkt theatraal, maar omdat de dichter zijn leven tot een voorbeeld weet te maken van het universele lot van de mens, doet dat niet zo aan.
In de inleiding beperkt Gerits zich tot een parafrasering van de cyclus en enige biografische gegevens. Dat is begrijpelijk, want de poëzie van Pernath is tamelijk hermetisch en als Gerits daarop in zou gaan, werd de inleiding wel erg lang. Maar wie enige moeite doet, dringt in de cyclus door en dat is zeer de moeite waard.

***
Hugues C. Pernath (2016). Exodus. Geïllustreerd door Lies van Gasse. Poëziecentrum Gent, 64 blz. € 19,95

 

Fiet van Beek, Vierende lijnen

Vierende lijnen is de debuutbundel van Fiet van Beek (1959). De gedichten zijn toegankelijk, helder en het meest aantrekkelijk voor lezers die niet in de eerste plaats gericht zijn op de vorm. Ze spelen zich veelal af in de directe leefomgeving van de dichter, wat te zien is aan titels als ‘Buurvrouw’, ‘Dorp’ en ‘Woonerf’. Dat wil niet zeggen dat haar poëzie braaf is. Haar gedichten kunnen gaan over angst, ergernis of afkeer, zoals van een zich voornaam voordoende vrouw die zich nog steeds gedraagt als femme fatale, maar onherroepelijk ‘passé’ is: ‘Diep decolleté prikkelt / alleen nieuwsgierigheid / naar welk verleidelijks / zij ooit heeft kunnen etaleren.’ Over eenzaamheid schrijft zij zo: ‘In het interbellum / tussen Kerst en Oud en Nieuw / beweeg ik mij naar het station / voor het geval er een trein vertrekt.’ Een aantal gedichten gaat over verloren liefdes, het leed van een scheiding en ook de gêne die daarmee gepaard gaat. In ‘Weerzien’ beschrijft de dichter een paar dat beseft dat hun liefde voorbij, of in ieder geval op haar retour is:

de dag
dat we het jong van een buizerd zagen
dons op het nest
een grazende ree
in bedeesde avondzon
sporen
van een das

we op een bankje zaten
als vanouds
stokbrood aten
zalm tomaten rucola
bevroren
dranken dronken
een raaf hoorden krassen
en niet zeiden wat we dachten

Die raaf doet het hem in dit gedicht.

***
Fiet van Beek (2016). Vierende lijnen. Uitgeverij Anderszins, 60 blz. € 15,00

 

Martin van de Vijfeijke, Een eigen hoofd

Een eigen hoofd is een bundel met light verse, maar – volgens de tekst op het achterplat – dat is vaak schijn. Zo’n gedicht is ‘Kerstverhaal’, waarin Jezus acceptabel wordt verklaard als vluchteling. Immers: ‘Herodes is uit op kindermoord’. Een vlucht naar Egypte ligt voor de hand: opvang in de regio. ‘Maar komt nu ook / de rest van Bethlehem en Judea / met heel zijn kinderschaar?’ Of het gedicht ‘Onderwijsklimaat’: ‘Het regent academici. / Het druppelt loodgieters. // De minister van onderwijs / verklaart in een interview: / ‘Ik neem elke dag / een zware loodgieterstas / mee naar huis.’ // Bij elke lekkage / bel ik de minister.’
Helaas staan er in de bundel teveel gedichten die het bij een lichtelijk beschonken gezelschap ongetwijfeld goed zullen doen, maar op papier te mager zijn. Zo heeft Drs. P. nooit de P. C. Hooftprijs gekregen, maar in een zeker café wel de ‘P. Hoofdprijs’. Voor zeugma’s schrikt hij niet terug: ‘Verlaat flitsend langs de Zuidas / gewapend met smartphone en laptop / komen forenzen aan en hogerop.’ Verwijzingen zijn niet sterk. In Bloems regels ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten / Voor de rechtvaardiging van een bestaan’ vervangt hij ‘gedichten’ door ‘kinderen’. Een echtgenote klaagt over een man met ‘een leesplank voor zijn kop’ – dat is wel weer aardig – en constateert: ‘Mij heeft hij uit en hij wil mij niet herlezen’. De regel ‘Mijn vrouw is een mooi boek / maar ik heb het uit’ uit de Kronkel van Carmiggelt is veel sterker.

Light verse blijft een lastig genre.

***
Martin van de Vijfeijke (2016). Een eigen hoofd. Reeks ‘Open’, uitgeverij Kontrast, 78 blz. € 15,00

Gedichten

Mieke van Zonneveld (1989) publiceerde enkele gedichten in Liter, De Tweede Ronde, Das Magazin en poëzieperiodiek Avantgaerde. In 2013 won zij met haar gedicht ‘Nee’ de Turing gedichtenwedstrijd. In haar debuutbundel Leger, die in januari verschijnt bij De Bezige Bij, dicht zij over de breekbare scheidslijn tussen liefde en eenzaamheid, ziekte en gezondheid, geloof en wanhoop, en over het verlangen te worden ingebed.
 

Acute promyelocyten leukemie

Nog nooit zo stug geworteld in de grond als toen ik dreigde
los te schieten, mijn dromen teruggebracht tot een verlangen naar
remissie. Hangend aan prognoses zonk ik weg in zwarte
gaten en verwachtte hemelkoren. Ik repeteerde een herrijzenis
en leerde twijfel in de kiem te smoren.

Ik dank mijn leven aan een reeks toevalligheden. Wat als
ik die avond was gaan slapen, wat als ik mijn hoofd die nacht
te hard had neergelegd, wat als atra-pillen nog niet waren
ontdekt? Ik dacht:

de hel is feloranje als de vloeistof in dit zakje, het brandt
onbedaarlijk in mijn aderen. Maar tranen moeten teruggedrongen
want er komen mensen om een onverschrokken meisje
te bewonderen. ‘Hoe gaat het?’ ‘Het gaat goed.
Ik ben nog steeds niet doodgebloed.’ Ik dacht:

dit bange vallen wordt maar beter niet alleen beleefd, één
vingerknip en weg ben ik, zo lang als toeval het beschikt.
Dit zinneloze tuimelen wordt beter niet beleefd.
Al is het maar een parabool, al daal ik nooit te diep,
het gat is zwart en ik zo bang, zo godvergeten ziek. 

Zelfportret als klaproos

nec meum respectet, ut ante, amorem,
qui illius culpa cecidit velut prati
ultimi flos, praeter eunte postquam
tactus aratrost.

(Catullus, carmen xi)

‘Ze noemt je,’ zegt hij, ‘Lilith in habijt, de sluipwesp
die ik huisvest en de slang die mij verleidt.
Als God jou tot de orde roept, span jij Hem
als een tam paard voor jouw kar
en de straat ligt geplaveid met echtgenotes.’

Dat ik niet uit mijn lijst breek en dit stilleven
tegenspreek. Dat ik de betere beelden verzwijg.

Barsten in een slakkenhuis van calciumcarbonaat
een sok op een bergtop, een handschoen op straat
een bloem benoemd tot onkruid en dan resoluut gemaaid.

Wil

Hij vraagt wat wil je dan, drijft me op
een kale kansel om een helder antwoord.

Als een plakbandrol zonder begin sta ik
te zwijgen in zijn gezicht. Tegen de tijd

dat ik antwoorden knutsel, heeft hij
zijn hielen gelicht. Hij tikt spaties

in mijn script, maakt soms hele aktes wit
en vraagt dan om de blauwdruk van mijn wil.

Mag het ook een negatief zijn, lieverd?
De glimlach die ik oefen in de spiegel?

Ik mis je achter nevelen van wit en ben zo
blij dat jij mijn sluier mooi vindt. Wat

win ik dan als ik hem voor je oplicht?

Uit: Mieke van Zonneveld. Leger. Uitgeverij Bezige Bij. ISBN 9789023442790 (nog niet verschenen)
Recensie van Waanzin went niet - Max Greyson

Met één stap uit de pas

Max Greyson
Waanzin went niet
Uitgever: De Arbeiderspers
2016
ISBN 9789029510509
€ 17,99
80 blz.

Max Greyson (1988) behaalde de tweede plaats bij het NK Poetry Slam 2015. Zelf noemt hij zich dichter, prozaschrijver en spoken word performer. Sinds 2011 treedt hij geregeld op in diverse internationale, interdisciplinaire muziektheatervoorstellingen. Hij debuteerde oktober jongstleden bij de Arbeiderspers, uitgever van onder anderen Esther Jansma, Hester Knibbe en Ilja Leonard Pfeijffer (winnaars van de VSB-Poëzieprijs in respectievelijk 1999, 2015 en 2016). Nog vóór dit debuut werden al gedichten van hem opgenomen in de dit jaar verschenen bloemlezingen Dichters uit de bundel, de moderne Nederlandstalig poëzie in 400 gedichten en De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten.

‘Hij schuwt het engagement niet, de wereld niet en de liefde nog minder’, wordt ons beloofd op de achterkant van de bundel. Op dat engagement kom ik nog terug. Wanneer je de voorkant van de bundel bekijkt is al direct duidelijk dat liefde en erotiek op de eerste plaats komen. Of liever gezegd: op plaats één, twee en drie. De eerste drie afdelingen van de bundel laten zich lezen als de geschiedenis van een liefde. Het doet denken aan De ziekte van jij (1988), waarin Joost Zwagerman in lyrische en gedreven stijl de opkomst en ondergang van een liefde beschrijft, met veel aandacht voor erotische details.

Greyson gebruikt diverse metaforen om de liefde de beschrijven. Mooi is de natuurmetafoor uit ‘Ze praat in haar slaap en ik luister’: ‘Nooit zal ik je ontbossen, nooit zal ik iets rooien / in je hoofd vol wild groeiende nimfen / die in elk holst van de nacht hun toverspreuken / door de kamer laten waaien alsof ze de herfst ontbieden’. Soms weet hij clichés niet te vermijden, alsof hij de eerste schrijver is die ontdekt dat ‘gedicht’ meerdere betekenissen heeft: ‘Ik heel het ding dat alleen maar pijnen kan / met mijn pennenstreken mijn pogingen / tot het dichten van de putten in je heuvellijf’ (‘Geen put raakt ooit gedicht’).

De dichter lijkt te houden van een acrobatische vorm van erotiek, getuige ook de illustratie op de voorkant. Meerdere zinnen verwijzen naar dit bijzondere standje: ‘Haast niets laat zich nog aarden in een gedicht / ik wil onze onmetelijkheid in een of ander continuüm beschrijven’ (‘Afdwalen’); ‘Wanneer we ontwaken in een boog / van negentig graden, met onze tenen in een kramp’ (‘Mal’); ‘we verzinnen liever kromme figuren voor elkaar’ (‘Stijlfiguren’). En voor wie nu nog niet doorheeft waar hij op doelt, legt de schrijver het er in ‘Blik op oneindig’ behoorlijk dik bovenop: ‘Altijd maken we lussen / vormen een op bed liggende acht / met onze armen en vingers verslingerd / in een wirwar van huid en haar / die nog net geen kluwen is (…) Altijd zijn we nietig en klein / soms weten we bijna zeker dat we onmetelijk zijn’.

De tweede afdeling heet ‘Tussen waan en zin’. De titel is een variatie op de titel van de bundel. Vreemd genoeg komt dit niet terug in deze afdeling, terwijl we in de eerste afdeling al lazen ‘zo ontbloten we de deinende aarzeling / tussen ons in, als tussen waan en zin’ (‘Storm in een glas water’), en de laatste afdeling het titelgedicht ‘Waanzin went niet’ bevat. Al vanaf de eerste regel tekent de neergang in de liefde zich af: ‘De laatste tijd tel je niet meer de kussen en orgasmes / je berekent de invalshoek van het licht / van een knipoog bij het slapengaan (‘Mal’). Het vuur lijkt gedoofd. Mooi wordt deze verwijdering weergegeven in een gedicht uit de derde afdeling, dat ook door Pfeijffer werd opgenomen in zijn bloemlezing:

Schrijverskoppel

Een woord als bitterzoet mag hier niet staan, zegt ze
terwijl ze thee zet met bouillonblokjes
en jongleert met haar oogbollen

Ze zegt darling, kill your darlings, darling
terwijl ze schaterlachend foto’s van de muren trekt
rondjes door de kamer rent, huilen juicht en andersom
en ik zeg ja mijn lief, maar enkel als

Ik zie hoe ze een gniffel in haar oksel houdt
de trap op holt, een boodschap in spiegelschrift
op de spiegel schrijft, de trap af treuzelt
en in het deurgat wacht tot ik met haar mee naar boven zal gaan

Woorden als vlechten of libel horen hier niet, zegt ze
terwijl ze wijst naar de kat die water uit de vissenkom likt
binnen een week liggen de guppy’s voor het rapen

Zo’n onbegrijpelijke gedachtesprong aan het eind van een gedicht is natuurlijk helemaal hip, en wordt vaak voor diepzinnig of origineel aangezien.

In afdeling vier, ‘Laat ons struikelen’, wordt de blik naar buiten gericht, op het leven in de grote stad. Eerder in Meander konden we het gedicht ‘ Ochtendspits’ al lezen, met de volgende regels: ‘Djingelend en djangelend nadert het peloton / tweewielende snelheidshelden, zichzelf voorrang zwerend / met bellen en vervloekingen alsof ze een religie vormen’. Het gedicht deed mij denken aan het nummer ‘Big City’ van Tol Hansse (1977): ‘Hare Krishna’s op de dam / Douwen in je hand een brieffie / Hoe je happy leven kan / Zo te zien en volgens mij / Zijn ze zelf niet zo blij’. Greyson mist echter de humor van Hansse. ‘Ochtendspits’ is een opsomming van rake observaties, kunstig verwoord met veel binnenrijm en neologismen, maar wat moeten we ermee? De dichter blijft zelf nadrukkelijk buiten schot. Net zoals in de meeste andere gedichten over het grootstedelijke leven neemt hij niet echt deel, engageert hij zich niet, maar blijft hij buitenstaander. Daardoor weten zijn observaties mij niet echt te raken: ‘Troepen meeneemmensen dromen kortstondig genot / op een plein vergeven van goedaardigheid en bedelaars / van een schaamteloos spektakel dat wemelt tussen kerk en kluis / terwijl ik bezink tot op de bodem van mijn waarschijnlijkheden / gelukkig wist het stof de sporen uit’ (‘Stad op stelten’).

De vijfde afdeling, ‘Beelden’, is de meest geëngageerde van de bundel. Vier gedichten die verhalen van een bezoek aan Israël, de confrontatie met de tegenstellingen aldaar. In ‘Kinderspel’ twee portretten, van Yacoub en Jakob, of hoe het voortslepende conflict hen met de paplepel wordt ingegoten.

Van veel gedichten vermoed ik, dat ze het beter op het podium doen dan op papier. Greyson gebruikt vaak binnenrijm als springplank voor associaties. Misschien leuk om te volgen als je in de zaal zit, maar niet altijd tegen herlezing bestand. Ook schuwt hij woordspelingen niet: ‘Voor en achter mij gaan verstilde gezichten voorbij in lichte kooien’ (‘Stad op stelten’). Zowel de gedichten als de regels zijn vaak lang, wat het moeilijker maakt de essentie van het gedicht te vatten. Een krachtige retorische techniek is die van de opsomming, van de repetitio. Het laatste gedicht uit de bundel is opgenomen in de eerder dit jaar verschenen bloemlezing Dichters uit de bundel. Het toont ons zowel de sterke kanten van deze dichter, als ook zijn valkuilen:

Laat ons

Laat ons niet de torteldansers worden
de avond bedrijven in een schaamrood waas
niet in te nauwe schoenen en een volgspot

Laat ons niet balletterig op onze tippen lopen
in een rechte rimpel
niet poppenspelen aan een lijntje

Laat ons geen korsetten spannen
terwijl jij staat te springen en ik trek terug
niet met geheven handen langs elkaar schuiven

Maar laat ons regenval voorspellen
terwijl ik zaai en jij vergeet te oogsten
laat ons ploeteren in de moe bevruchte grond

Laat ons wiegen met onze hoepelende heupen
ons heden verdraaien in rok en rol
kwistig onze kralen verstrooien als geliefden

Laat ons struikeldansen in de ochtendkroeg
met lege glazen de nacht bezweren
en soepel in de toekomst verdrinken, met één stap uit de pas

*

Dichters uit de bundel, de moderne Nederlandstalig poëzie in 400 gedichten . Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens. Marmer, Baarn, 2016.
bespreking op Meander
overzicht op De Nederlandse Poëzie Encyclopedie

De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten. Samenstelling Ilja Leonard Pfeijffer. Prometheus, Amsterdam, 2016.
bespreking op Meander
overzicht op De Nederlandse Poëzie Encyclopedie

Zie verder