Recensie van Kwaad gesternte - Hannah van Binsbergen

Woorden met een toekomst

Hannah van Binsbergen
Kwaad gesternte
Uitgever: Atlas Contact
2016
ISBN 9789025447816
€ 19,99
64 blz.

Toen ik de debuutbundel Kwaad gesternte van Hannah van Binsbergen voor de eerste keer gelezen had, was ik even totaal van de wereld. Waarom ik onder de indruk was, is niet zo eenvoudig uit te leggen: gemakkelijk te begrijpen poëzie is het niet, hier en daar lijkt zij zichzelf tegen te spreken, er is bij de hoofdpersoon zowel sprake van agressie als van weerloosheid, en door vrijwel de hele bundel heen: angst voor de dood. In het gedicht ‘Aan de rand van stadsvernieuwingen’ dacht ik de muis tegen te komen uit ‘Niemand is onsterfelijk’ van Simone de Beauvoir, maar laat ik mij niet af laten leiden door bronnen en verwijzingen: elke dichter staat op de schouders van vele, misschien wel talloze anderen. Wat mij vooral trof was ‘de echtheid’ van haar dichterschap. Zij is zonder enige twijfel een natuurtalent. En dat is zeldzaam.

Haar taalbeheersing is overtuigend. Zij weet haar materie zo te plooien, dat er ogenschijnlijk met het grootste gemak verschillende interpretatielagen bloot komen te liggen, zonder dat Van Binsbergen epateert met haar vondsten, inzichten, duidingen. Een voorbeeld. Het titelgedicht ‘Kwaad gesternte’ begint zo: ‘Het is woensdag en ik mag een harnas kiezen dat geweld/ op afstand houdt, in alliantie met de Vijanden van Vernedering./ Als ik mijn benen weer bij elkaar doe, word ik moeier en moeier;/ ik kan wachten in mijn wapenrusting of het rokje dat hij mooi vond, hij/ zal niet komen. Ik bijt hem, hij moet het afleren. (..)’. Het open houden van haar benen is van vitaal belang voor haar. In de derde strofe van het gedicht schrijft ze: ‘(..) Het harnas dat ik kies zal hopelijk mijn geur verhullen./ Als ik mijn benen bij elkaar doe, is alles verloren (..).’ Intimiteit tot op zekere hoogte. De noodzaak iemand, haar minnaar in haar leven toe te laten; in haar lichaam. Zij put haar kracht uit haar vrouwelijkheid, maar o, wat maakt die haar kwetsbaar, zelfs wanneer hij niet aanwezig is; de minnaar die haar eventueel kwaad zou kunnen doen, die haar met zijn afwezigheid al vernedert. Haar onmacht: in gedachten bijt ze hem. Dat zal hem leren.. Dan gaat zij nog een stap verder: ‘(..) Mijn harnas klinkt me vast aan dit moment, waar iets herinnerd/ en iets beloofd wordt en dit gesternte staat boven mijn hele generatie.(..)’. ‘Het is woensdag’ begon het gedicht. Dat acute gevoel van kwetsbaarheid, van geharnast te moeten zijn, ondanks het verlangen iemand aan zich te binden, de behoefte om bemind te worden, met het belangrijkste middel dat ze daartoe bezit: ‘Als ik mijn benen weer [de cursivering is van mij] bij elkaar doe’, schrijft zij in de eerste strofe, ‘word ik moeier en moeier'; het leven wordt zwaarder. In de derde strofe: ‘Als ik mijn benen bij elkaar doe is alles verloren.’ Zij wil de prijs betalen, maar niet ten koste van alles: ze wil zich niet gebruikt voelen, niet vernederd worden. Terecht een kwaad gesternte: de onontkoombare bedreiging van je integriteit. Haar remedie is een pijnlijke: ogen dicht, benen open. De laatste regel van dit gedicht luidt: ‘Zolang ik mijn ogen niet open, lig ik in zijn armen.’ Het is een vlucht naar binnen. Geweldig hoe zij dit pijnlijke dilemma in zulke indringende verzen weet te vangen.

Ik doe haar tekort. Compleet en niet uiteengerafeld zijn de gedichten rijker dan deze fragmenten doen vermoeden. Het eerste, titelloze gedicht van de bundel:

Nu iedereen met me meekijkt kan ik eindelijk beginnen
te groeien naar de markt. Ze weten allemaal waar ik mee bezig
ben en vinden het niks: de tijd dat de postbode de arme
burger achternazat, de tijd dat de goede postbode
symbool stond voor de dood, hebben we toegestaan
te transformeren tot de nadagen van een hippe planeet.
Ik hoef mijzelf niet meer te dwingen een gezicht op te
zetten om naar buiten te gaan. Al mijn gezichten zijn bekend,
gezien in medische catalogi, besproken in ondergrondse
correspondenties, beproefd in het gebruik. Ik wil eruit
maar nergens ben ik veilig, mijn geweten is iets lichts
geworden nu ik mijzelf altijd moet zien en zien hoe ik door
iedereen gezien word. Sinds de tijd dat de PTT het embleem
was van de dood is veel vergeten dat herinnerd had moeten
blijven, nu te lezen in levende archieven verspreid over
Europa. Ik steek mijn hand door de brievenbus, voel voor het eerst
het afscheid van mijn onverstuurde brieven.

‘(..) mijn geweten is iets lichts/ geworden nu ik mijzelf altijd moet zien en zien hoe ik door/ iedereen gezien word. (..)’. Alsof je niets meer te verbergen hebt, zoveel lijken de mensen van je te weten, zo worden ze overspoeld met beelden en feitjes die met de binnenkant, het innerlijk waar Hannah van Binsbergen het doorlopend over heeft, weinig te maken hebben. Hoe meer feiten er over je bekend worden, hoe meer je van jezelf blootgeeft (wat blijkbaar steeds gemakkelijker gaat), hoe meer je daarachter lijkt te verdwijnen. Al haar gezichten zijn bekend: zij wil eruit, maar nergens is zij veilig. Daarvan getuigen ook de onverstuurde brieven: contact zoeken, maar terug schrikken voor het risico afgewezen te worden. Ze denkt te weten hoe anderen haar zien en voelt zich gedoemd om te blijven wie zij in de ogen van anderen is. Alleen op deze wijze hoort ze bij ‘de anderen’.

Vroeger had ik iets

het was niet groot maar groot genoeg om niet verwacht te worden
het was taai en zorgde dat ik met een schoon geweten
die rooie op zijn bek kon slaan
niemand die het zag
hij zou het nooit vertellen en niemand zou mij ooit geloven
(zo onwaarschijnlijk was het niet, ik was een half hoofd groter
en duizend keer slechter opgevoed)

ik kies Julia
ik kies ervoor om op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat niet
enkel in mijn handen ligt
mijn voorkeur hebben mannen die op apen lijken boven
mannen die op honden lijken
ik kies ervoor om terug te gaan naar voorhistorische debatten
ik kies de dood die mij voorspeld is door een sticker
te aanvaarden met een beetje waardigheid
ik kies ervoor om daarna op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat
niet enkel in mijn handen ligt

het was mijn eerste vuistgevecht
een dag tevoren had ik wel een jongen voor zijn scheen geschopt
ik was niet trots
nu wel

ik kijk hem aan – het is nu zes jaar later –
en zie dat hij het meer verdient dan ooit maar vroeger had ik iets
wat net buiten mijn handen lag en dingen voor me deed die niemand zag

Ik ‘kies de dood die mij voorspeld is door een sticker/ te aanvaarden met een beetje waardigheid/ ik kies ervoor om daarna op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat/ niet enkel in mijn handen ligt/’ In het gedicht ‘Jonge rokers’ is er een verwijzing naar Sint Franciscus, in het gedicht ‘Nu is ook nu’ heeft zij het over ‘echte wassen kaarsen, of de plastic novenen'; in bovenstaand gedicht lees ik een verwijzing naar de opstanding der doden, waarna, volgens de Bijbel, de mensen door Jezus geoordeeld zullen worden. Sporen van het religieuze zijn er wel meer in de bundel te vinden, maar nergens met zoveel humor.

Het overkwam mij vaker dat ik in de lach schoot. Onder andere toen ik ‘Nu is ook nu’ las: ‘u vraagt me wat vrijheid is? Vakantie.’ In ‘Waar het bloeit en blijft bloeien 4′ bij: ‘Ze zeggen dat ledematen tot op zekere hoogte vervangbaar zijn; die dingen gaan in je hoofd zitten.’ In ‘Aan de rand van stadsvernieuwingen’ bij: ‘Iedereen denkt dat ik in Lyon ben, maar ik ben hier; afgezien van de leugen is dat geen schande.’

Veel van haar zinnen zetten zich als aforismen vast in je hoofd: ‘niemand slaat die zich niet geslagen weet’ en ‘de dood is wat hij is: een militaire fictie’ beide uit ‘Waar het bloeit en blijft bloeien’. ‘Jong te sterven is een utopie’ uit ‘Aan mijn dokter’. Uit het gedicht ‘Baudelaire': ‘Dit is verlies: het beeld behouden dat een ander bij je achterliet.’ In het daarop volgende gedicht ‘Verhaal in drie feesten': ‘Persoonlijkheid is beter weten waar jij ophoudt dan een ander.’

Kwaad gesternte is een zeer complexe en complete bundel. Er zijn zoveel verbindingen tussen de gedichten onderling, dat je je er in kunt blijven verdiepen. Maar het is en blijft poëzie. Los van alle betekenissen en bijbetekenissen die je mag ontsluieren, is er een gevoelslaag die je wezenlijk kan raken, en waardoor ik na de eerste lezing even totaal van de wereld was.

Het gedicht ‘Waar het bloeit en blijft bloeien 4′ begint met: ‘Deze woorden hebben geen toekomst.’ en eindigt met: ‘Morgen bel ik hem op met een nieuwe zin/ die woorden van mij hebben geen toekomst. Mijn lichaam/ is fantastisch.’ Aan alles komt een eind, maar haar woorden hebben wel toekomst; ze hebben mijn wereld verrijkt en planten zich voort.

***

Hannah van Binsbergen (1993) is dichter en filosoof. Kwaad gesternte is haar debuut. Ze publiceerde gedichten in verschillende literaire tijdschriften en las haar poëzie op podia in Nederland en Vlaanderen.

‘Het schrijven blijft mijn basis’

 

Max Greyson (1988) is een dichter, prozaschrijver en spoken word performer uit Antwerpen.

Allereerst gefeliciteerd met je debuutbundel die in oktober bij de Arbeiderspers zal gaan verschijnen. Kun je iets meer zeggen over de titel ‘Waanzin went niet’?
Dank je. De titel is er gekomen nadat ik het gelijknamige gedicht schreef. Er zit heel wat tegenstrijdigheid in de bundel, en dat vond ik het best verwoord in deze titel.

Hoe kwam het contact met de uitgever tot stand?
Na mijn tweede plaats op het NK Poetry Slam in 2015 was jurylid Ilja Leonard Pfeijffer enthousiast over mijn gedichten. Hij zei enkele heel mooie dingen en daarna heeft hij me bij Peter Nijssen van de Arbeiderspers geïntroduceerd.

Je bent een gedreven dichter die – hoe jong dan ook – een duidelijk plaats inneemt. Je slaat ons om de oren met je gedichten. Wil je bovenal confronteren?
Confrontatie is niet mijn grootste drijfveer, maar het is wel een goede voedingsbodem om iets op gang te brengen. Een gedicht moet op de een of andere manier kritisch zijn en een perspectief bieden. Natuurlijk hoeft niet alles een recensie van de maatschappij te zijn, het kan ook in de vorm van zelfkritiek of een observatie die door de dichtvorm vanzelf een kritische gedachte in gang zet. Daar houd ik van.

Waar komt het cynisme vandaan? Is er nog hoop voor de mensheid?
Laat ons deze kwestie bij koffie of bier bespreken.

Is de wereld maakbaar?
Alles is maakbaar, denk ik. Maar het toeval wil dan weer dat niets in onze eigen handen ligt.

Je begon als tiener met de teksten van Jacques Brel – een en al passie. Wat trok je in hem zo aan?
Ja, Brel, schitterend. Hij had de gave om uiterst precies mensen in hun naakte zelf te zetten. Hij gebruikte nooit een woord te veel en verhief het alledaagse tot iets magisch. Dat bewonder ik nog steeds, want ik betrap mezelf erop dat ik vaak de tegenovergestelde beweging maak in mijn gedichten. En daarnaast natuurlijk zijn stem en zijn overgave. Weinigen slagen erin zich zo bloot te geven als Brel.

Je deed min of meer per ongeluk mee aan het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam (2015) en liet in de finale slechts één dichter voorgaan (Daan Zeijen won terwijl het publiek jou verkoos). De eindstrijd was een combinatie van ‘homo-erotiek en verbale agressie’ stond er in het Poëzie Slam Blog. Heeft dat nog iets te maken met Brel?
Neen, het heeft niets met Brel te maken. Het was een ingeving van het moment. In de finale is er een battle van dichter tegen dichter, en ik zie vaak dat de poëzie dan op het achterplan raakt en dat de scherpe en gevatte regels het halen van de beelden. Ik wilde mijn eigenheid bewaren en heb toen voor iets minder confronterende gedichten gekozen, hoewel het uiteraard even goed publieksmennerij was, het blijft een spektakel en dat moet je eer aandoen.

Is de vorm belangrijk? De klank of het ritme van je werk? Is al je werk geschikt om te slammen? Had je niet liever willen zingen?
De vorm is alles, denk ik. Zo schrijf ik althans, vanuit de taal, de klank, het ritme ontstaat er inhoud. Sommige gedichten uit de bundel zijn zeker geschikt voor het podium, maar dan wel op een andere manier dan teksten die ik specifiek schrijf om op te voeren. Het verschil zit hem misschien in de complexiteit van de beelden, en bepaalde regels die op het podium een lach of ontroering kunnen teweegbrengen, doen dat vaak op papier niet. In het geval van de bundel, zijn die regels gesneuveld. En ja, het liefst had ik gezongen.

In Tzum werd gesproken over je humor en perfectie van je performance. Hoe heb je geleerd zo makkelijk op te treden?
Ik ben niet meteen een geboren podiumbeest. Het heeft tot mijn twintigste geduurd voor ik een eerste keer met eigen teksten voor een publiek stond. Maar sindsdien kan ik er niet meer mee ophouden, en na zeven jaar zal die ervaring me wel beter hebben gemaakt, vermoed ik. Het gaat ook om plezier hebben in wat je doet, zo verras je jezelf.

Je trok rond als ‘spoken word performer’ op diverse podia, ook in het buitenland. Doe je dit nog steeds? Word je uitgenodigd voor festivals? Of richt je je nu vooral op het schrijven?
Ik ben nog steeds lid van een internationaal ensemble dat muziektheatervoorstellingen maakt en ze opvoert in het buitenland, en dat is telkens weer een prachtige ervaring. Ik zou er niet mee kunnen stoppen omdat het erg dicht bij mijn hart ligt.
Het gebeurt wel dat een festival me vraagt om op te treden, maar dat is vaak in een bepaalde context, zoals in de literatuurtent op Lowlands, jammer genoeg vragen ze me niet voor een main stage, dat blijft de ultieme droom als het om performen gaat. Slammen doe ik minder, omdat ik na enkele jaren de meeste podia ken en ook de wedstrijdvorm me iets minder aanspreekt dan vroeger.
Het schrijven blijft mijn basis. Het is de reden dat ik op een podium sta. Niettemin is de afwisseling van schrijven en performen een ideale manier om creatieve uitdagingen te vinden.

Zijn er voorwaarden waarbinnen je schrijft of is het elke keer de emotie die je aanstuurt?
Het is zelden de emotie. Doorgaans is het de taal die me aanstuurt. Een beeld, een groep woorden die een bepaald ritme heeft, soms is een spreekwoord al genoeg om een gedicht in gang te zetten.

Je schrijft ook proza. Veel ‘nieuwe’ gedichten/dichters zijn prozaïsch. Wat is voor jou het verschil tussen beide vormen? Hoe bereik je daarin je publiek?
Er is een groot verschil, al is moeilijk te zeggen wat dat precies is. Ik zie mezelf niet als een prozaïsch dichter. Wanneer ik proza schrijf is het verhaal en de spanning erg belangrijk, je moet een boeiende narratief ontwikkelen. Wanneer ik gedichten schrijf zijn het klank, ritme en beeld die het overwicht hebben. Ik vind beide vormen moeilijk te combineren, ook voor mezelf. Op dagen dat ik proza schrijf, zal ik zelden de goede toon te pakken krijgen voor een gedicht.

Het ‘kom hier zodat ik je kus’ waarmee je het gedicht Uitgelekt eindigt, heeft Griet Op De Beeck van je ‘gestolen’? (Kom hier dat ik u kus) Of was het andersom. Heb je – naast Brel – andere duidelijke invloeden?
Het is een courant gebruikte uitdrukking in Antwerpen. Ik denk niet dat we elkaar op dat vlak van diefstal kunnen beschuldigen. Invloeden komen daarentegen van overal. Misschien nog het meest uit de muziek. Het is een lange lijst, en elke dag zou ik andere schrijvers, muzikanten en filmmakers noemen die me die dag hebben geïnspireerd.

Gedichten

door Max Greyson (1988)

Ochtendspits

Met de zon komt klapwiekend ook het mensdom op
uit spuigaten kruipen de bochelvrouwen, de joggers
en de bloggers en iets later ook de draaideurmannen
buikademhalend in een luchtbel van airco en Hugo Boss

Op dit uur zijn er nog geen hipsters of dichters te bespeuren
ook geen Japanners, zij liggen slapend te glimlachen
in een bed kaarsrecht als een selfiestick

Djingelend en djangelend nadert het peloton
tweewielende snelheidshelden, zichzelf voorrang zwerend
met bellen en vervloekingen alsof ze een religie vormen

Klonters pendelaars en pelgrims komen uit stations gebraakt
een commune biobruinebroodjesvolk bestrijkt de stad
doorweekte jassen hangen van schouders af, zweten natte dromen uit

Iedereen valt over iedereen, de hangende jeugd voorop
ze kriskrast en wirwart en houdt geen halt voor passanten
wachten op sacramenten is niet van deze tijd

In koffiehuizen malen ze vingers tot melkschuim
en gutsen er figuren mee, een sponzig hart of zwanenhals
onstuimig als liefde in een mok gegoten en aangelengd

De vuilnisvreters zijn gepasseerd, het rot is keurig
uit het frame geveegd, de ongelovigen verslapen erin hun roes
her en der schuilt nog een dakloze voor het licht

Zondagskind

Iedereen wil ooit wel eens een keel oversnijden
zoals er altijd de onweerstaanbare drang bestaat
om een vingernagel net iets te ver te scheuren
tot je begint te bloeden als een rund

Daarover spraken we, en we spanden onze buikspieren
om uit te maken wie van ons de zwaarste herinnering kon tillen
we geloofden dat sterk zijn aangeboren was zoals grote oren

We dachten dat je in een zandbak gelijk wat kon begraven
zelfs een broertje
dat het zand gestaag iedere holte van zijn lijf zou vullen
zodat we nu, elf jaar later, een opgezette versie hadden
om op te hangen naast grootmoeder bij de trap

Nu we weer in de zandbak staan, ditmaal zonder aftelversjes
en we de spelregels van schaar steen papier zijn vergeten
spannen we onze buikspieren en lachen om het hardst
terwijl we graven naar broertjes, spijkers en een hamer

Ieder afsterven begint bij een uiteinde en kruipt naar binnen
zeg ik omdat elke strijd oneerlijk is
want wie op een dinsdag is geboren, is een leven lang miserabel
en wie ’s zondags, buldert zich een hernia

Stamkroeg

De koffie loopt door, brandt zwarte gaten in mijn kop
ik brouw witte wolken uit gesprekken aan de toog
de ene klaagt zijn tanden bloot, de ander leest de krant
en verzamelt klontjes suiker in zijn broekzakken

Luchtbellen zijn te ondraaglijk om door te slikken
voor Bernard die zich De Tijd laat noemen
zijn grijze haren dwarrelen hem achterna

Naast me zit een meisje dat nooit zichzelf is
zichzelf te worden in een handspiegel
ze is een zenuwachtig spitsuur, sprekend in claxons
haar trillende linkerbeen houdt ons in leven
en als wederdienst luisteren we naar haar schallen
dat met de dag meer en meer op spreken gaat lijken
verdriet verdrinken is moeilijk in een Masala Chai latte

Uit: Max Greyson (2016). Waanzin went niet. Uitgeverij De Arbeiderspers

Recensie van Fiat Lux - Stijn Vranken

Al dat schijnen zit u blijkbaar diep in het bloed

Stijn Vranken
Fiat Lux
Uitgever: De Bezige Bij
2016
ISBN 9789023499152
€ 22,99
144 blz.

‘Fiat Lux’ was het thema dat Stijn Vranken verbond aan zijn stadsdichterschap van Antwerpen. De woorden zijn ontleend aan het scheppingsverhaal: er zij licht. Meer nog dan zijn licht laten schijnen over ontwikkelingen in de stad wilde Vranken met zijn poëzie licht brengen: verlichting, hoop, culturele verdieping en verheffing, al zal hij dit waarschijnlijk veel te grote woorden vinden. Voor hem stond het plezier in de poëzie voorop, een plezier waarbij hij de Antwerpse bevolking graag wilde betrekken. Zoals hij in het openingsgedicht (‘Spat onder stroom’) over Antwerpen en haar bewoners zegt: ‘Al dat schijnen zit u blijkbaar diep in het bloed’.
Antwerpen heeft een rijke traditie waar het gaat om stadsdichters. Vanaf 2003 traden achtereenvolgens Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert, Joke van Leeuwen, Peter Holvoet-Hanssen en Bernard Dewulf aan als dichter van de havenstad. Stijn Vranken was stadsdichter in de jaren 2014-2015. Zijn opdracht was, om gedurende 24 maanden twaalf gedichten te schrijven over wat er reilt en zeilt in Antwerpen, over grootse gebeurtenissen of kleine voorvallen. Over wat hem trof in het dagelijkse Antwerpse leven.
Twaalf gedichten is natuurlijk een bescheiden productie, maar het stadsdichterschap bestaat niet uit dit dozijn gedichten alleen. Daarom is het boek FIAT LUX waarmee Stijn Vranken zijn stadsdichterschap voor Antwerpen afsluit geen doorsnee poëziebundel. Van elk gedicht schetst Vranken de aanleiding en de ontstaansgeschiedenis. Veelal betrof het opdrachten of verzoeken om bestaande activiteiten met een passend gedicht te ondersteunen. Bijvoorbeeld een gedicht voor het sociale stadsproject de burendag, een bijdrage voor het jaarlijkse festival Noorderlicht in de oude Antwerpse wijk Seefhoek, waar de dichter al ruim tien jaar woont, of een gedicht bij het urnenveld, het nieuwe ecologische gedeelte van de begraafplaats Ruggeveld te Deurne. Mooi ook is het project VrijSPRAAK, een poëzietraject in de Antwerpse gevangenis ‘de Begijnenstraat’. Hierbij werd o.a. gevangenen gevraagd naar hun lievelingsgedichten en werd de gevangenisbibliotheek door een publiciteitsactie royaal uitgebreid. Het project was al zo mooi en intensief, dat Vranken afzag van het schrijven van een gelegenheidsgedicht. Een bescheiden opstelling die hem siert.
De stijl van de gedichten is zeer gevarieerd. Traditioneel (bijv. in het trouwboekje van de stad), eigentijds (het gedicht voor de verdwenen Antwerpse Bask Hodei Egiluz), origineel (een smartlap over de Seefhoek) en zelfs zeer experimenteel (voor de overzichtstentoonstelling van de Antwerpse kunstenaar/uitvinder Panamarenko).
Zoals eerder opgemerkt beperkt Vranken zich in zijn boek geenszins tot het op elegante wijze opdienen en toelichten van zijn dozijn stadsgedichten. Vooral het hoofdstuk over het gedicht voor het Antwerpse vervoersbedrijf De Lijn ontspoort volledig. In een droog humoristische stijl schetst hij de achtergrond en realisatie van dit uitzonderlijke project. ‘Alles kan en mag’ had de directeur hem gemaild. Dus Vranken vond dat er een keer iets anders moest gebeuren dan een gedicht op een tram schilderen, of gedichten in bushokjes plaatsen.‘Een carte blanche van dit formaat mag je niet slechts half uitspelen’. Tenslotte komt hij op een briljant idee: ‘Waarom geen intieme literaire en muzikale optredens programmeren in een tot podiumcafé omgebouwde tram en zo door de stad rijden?’ Ach, je hebt alleen maar een oude tram nodig, die je met een stel enthousiastelingen moet verbouwen. ‘O ja, en dan moest er natuurlijk ook nog een stadsgedicht geschreven worden’. Je zou het bijna vergeten. Maar dan blijkt na weken klussen dat er iets goed fout is. Het is een Gentse tram, en die past niet onder de grond (in de zgn. premetrotunnels), aldus het hoofd technische dienst van De Lijn. Ach, dan blijven we toch boven de grond, mompelt de dichter.

Bovengronds en onderweg

ach, vraag me niet waarheen de rit
is het nog ver, hoe lang duurt dit
en gaan we heen of eerder weer
ik zeg het u, ik weet het niet
dit is gewoon de weg, meneer
naar wat we altijd zijn geweest
een even licht als donker spoor
dat dus (zo blijkt uit vorig vers)
echt niemand iemand wijzen kan
een cirkel dralend om zijn doel
een omweg van begin tot eind
allez roulez! – kom hier meneer
en blijf bij voorkeur levenslang
niet iets dat iemand zomaar vindt
maar overal en zichtbaar zoek
hier bovengronds en onderweg

‘Een gedicht dat lijkt te gaan over een rit met Tram DE LUX, maar dat uiteraard gaat over úw leven. Zoals elk gedicht trouwens.’ schrijft Vranken in één van de weinige opmerkingen uit het boek waarin dieper op de inhoud van zijn poëzie wordt ingegaan. Het hoofdstuk gaat vergezeld van enkele foto’s en zelfs een heuse werktekening van deze oorspronkelijk uit Gent afkomstige tram die in Antwerpen een tweede leven kreeg. En die ook dit voorjaar weer elke twee weken door de stad reed met een wisselende bezetting van muzikanten, auteurs en dichters, met spijs en drank en niet te vergeten een dankbaar publiek.
FIAT LUX is een goed voorbeeld van wat in de onlangs verschenen essaybundel Dichters van het nieuwe millennium het ‘multimediale karakter’ van de hedendaagse poëzie wordt genoemd. Het is een aanstekelijk relaas over twee jaar stadsdichterschap, waarin Vranken ook zijn prozatalenten toont, van kritisch beschouwend tot ironisch en humoristisch. In elk hoofdstuk bespeelt hij een ander register, waarbij we zelfs lezend in het koude Holland steeds meer vertrouwd raken met Antwerpen en haar inwoners.

***

Stijn Vranken (1974) is een Antwerps dichter en performer. Hij is medeoprichter van De Sprekende Ezels, een maandelijks terugkerende poëzieavond in Antwerpen, Brussel, Leuven, Turnhout en Gent. Vranken schrijft ook teksten voor het theater, die hij deels zelf uitvoert. Als dichter debuteerde hij in 2008 met Vlees mij!
Meer informatie over Stijn Vranken en het stadsdichterschap van Antwerpen is te vinden op de website Antwerpen Boekenstad.

Recensie van Vaarwel en beste wensen. Poëzie en Polemieken - Pasolini

Meestal boeiend, soms ergerlijk en een enkele keer stuitend

Pasolini
Vertaler: Piet Joostens
Vaarwel en beste wensen. Poëzie en Polemieken
Uitgever: Polis
2016
ISBN 9789463101189
€ 19,95
193 blz.

Pasolini (1922 – 1975) is bij velen alleen bekend als een van de grote Italiaanse cineasten, maar hij was tevens schrijver van een omvangrijk oeuvre dat bestaat uit poëzie, proza, toneel, scenario’s, essays en artikelen.
Piet Joostens is de inleider en samensteller van Vaarwel en beste wensen, een keuze uit zijn poëzie en polemieken. Hij heeft ook de vertaling op zich genomen. De bundel eindigt met het beruchte interview, een paar uur voor Pasolini werd vermoord en dat de schrijnende, door hemzelf bedachte titel ‘We lopen allemaal gevaar’ heeft.
Ik beperk me tot de poëzie, die ongeveer de helft van de bundel beslaat.

Ik kan me voorstellen dat Pasolini’s poëzie juist in deze tijd weer aandacht trekt, omdat hij verwantschap toont met veel hedendaagse dichters. Hij is geëngageerd, zowel in engere (politieke) als in ruimere zin en soms heel vrij in zijn vorm. Hij reflecteert op de houding die hij als dichter en intellectueel in de samenleving moet innemen en op maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. Zijn houding als intellectueel kun je met een paradox formuleren: hij kiest ervoor een onafhankelijk buitenstaander te zijn die toch graag politiek actief is. Hij schopt als marxist tegen heilige rechtse huisjes, maar ook tegen linkse en schrikt er niet voor terug de paus te prijzen. Hij is ongrijpbaar en dat wordt hem niet in dank afgenomen. Het gevolg is een isolement dat hem zwaar valt, wat soms leidt tot een tenenkrommende, verongelijkte pathetiek. In ‘Charter (vuil)’ uit 1969 laat hij een spreker aan het woord die sterk op hemzelf lijkt: ‘Iemand moet op zijn ellendige schouders / toch een kruis dragen [‘shit’ en andere onleesbare woorden, / cfr. supra] / Je reputatie kwijtraken voor wat dubbelzinnige heiligheid: / bah! / Iemand, de Onaanraakbare, / moet toch onder de korsten zitten’.

Gaandeweg gunt hij zich een steeds grotere vormvrijheid, zonder afstand te nemen van de traditie, waarvan hij een hartstochtelijk pleitbezorger is. In de jaren zestig ziet hij die met lede ogen teloorgaan. Over de linkse, langharige jongeren schreef hij in ‘De poëzietraditie’ (1969) onder meer: ‘[ze kenden] de poëzietraditie niet / ze hadden er slechte ervaringen mee omdat die niet / realistisch glimlachte en voor hen dus ontoegankelijk bleef.’ Met hun ‘lange jassen en fantasiesjaals’ vormden zij een verwende, ‘onfortuinlijke generatie’. Hij spreekt hen sarcastisch aan: ‘Boeken, oude boeken, zag je voorbij komen / als bezittingen van een oude vijand / je vond het je plicht niet te zwichten / voor al die uit vergeten onrecht ontstane schoonheid’.
In een gedicht als ‘Transhumaniseren en organiseren’ (1969) zie je de vormvrijheid die hij zich toestaat. Het geeft de indruk van in stukjes gehakt proza: ‘Ik verraad een pact van trouw – aan mijn idealistische zelf – / omdat het me juister lijkt me te schikken naar het pact van / trouw / met de arbeiders en hun Partij, / die is zoals zij dat willen.’ (De PCI is de in 1991 opgeheven Partito Comunista Italiano.) Dat hernieuwde lidmaatschap – hij was in 1949 uit de partij gezet vanwege een zogenoemd ‘homoseksueel zedenschandaal’ – komt er overigens niet.

Hij was ook een lyrisch dichter, zeker in zijn vroegere gedichten. ‘Het gehuil van de graafmachine’ (1956), het eerste gedicht van een cyclus, telt 26 terzinen. Het speelt voor een deel in Trastevere, een wijk in Rome, waarin de ‘ik’ het leven leerde kennen. Een mooi, weemoedig gedicht. De eerste vijf regels:

‘Alleen liefhebben, alleen kennen
is belangrijk, niet liefgehad hebben,
niet gekend hebben. Het is beklemmend

te leven van een uitgebrande
liefde. De ziel stopt met groeien.
( … )

Hij kijkt terug op wie hij vroeger was. Ook toen was de liefde vaak onbereikbaar. De laatste acht regels:

( … )
Jongens en mannen keren
onder achtergebleven lampenslingers

terug naar hun buurten, banen zich een weg
door de duisternis en de rotzooi, flanerend
zoals toen ik nog helemaal doordrongen was

van het echte liefhebben, zoals toen ik
nog echt wilde begrijpen. En net als toen
gaan ze er zingend vandoor.

Soms vind ik Pasolini ergerlijk en in de uitleg bij het lange gedicht ‘De PCI aan de jongeren!!’ (1968) een enkele keer zelfs ronduit stuitend. In het gedicht zelf hekelt hij de deelnemers aan de studentenrevolte in Rome op sarcastische wijze, in de hoop hen de ogen te openen. De kans daarop acht hij echter klein.
Die opstanden vonden overal in West-Europa plaats. De bekendste was die in Parijs, die leidde tot felle straatgevechten, stakingen op zeer uitgebreide schaal en het uitschrijven van verkiezingen door Charles de Gaulle (die door hem glorieus werden gewonnen). Net als in Frankrijk wilden de Italiaanse studenten samen met de arbeiders een heroïsche strijd tegen het kapitalisme voeren. Volgens Pasolini waren zij echter bourgeoiskinderen die geen flauw benul hadden van de klassenstrijd, in tegenstelling tot hemzelf natuurlijk.
Het gedicht wordt gevolgd door een lange ‘Apologie’, die Pasolini in 1972 schreef, maar door Joosten direct na dit gedicht is geplaatst. Een uitleg was nodig, vond Pasolini, want zijn gedicht werd niet begrepen: de ironie en zelfironie werden niet gezien, staaltjes van ars retorica gingen langs de lezers heen en misverstanden waren het gevolg. Hij stelt onder andere dat hij in zijn jeugd de bourgeoisie – het meest gebruikte woord in deze bundel – nog door de ogen van de arbeiders en boeren kon zien en een heldhaftige strijd voerde die veel van hem vergde. En dan volgt een weerzinwekkende zin: ‘Welnu, mijn persoonlijke ik (de uitsluiting die ikzelf als jongeman te verduren had, veel wreder nog dan die waarmee bijvoorbeeld een zwarte of een Jood te maken krijgt) en mijn publieke ik (de oorlog en het fascisme, die mijn ogen voor het leven hebben geopend – al die ophangingen, al die folterpraktijken!) zijn al te zeer getraumatiseerd door de bourgeoisie, en mijn haat voor haar is stilaan pathologisch geworden.’ In het eerste tussenzinnetje laat hij zien dat zijn fascistische opvoeding duidelijke sporen heeft achtergelaten. Zonder zich daarvan bewust te zijn schrijft hij in het tweede tussenzinnetje dat het fascisme zijn ogen heeft geopend. Kan zijn, maar hij was zeer bijziend. Anachronistisch zijn mijn opmerkingen niet: ook in 1972 kon dat soort denigrerende opmerkingen niet door de beugel.

De lezer moet het doen zonder bronteksten. Dat vind ik wel jammer, omdat je, ook als je zoals ik het Italiaans niet machtig bent, de gedichten hardop zou kunnen lezen om een idee te krijgen van ritme en muzikaliteit. En enkele keer twijfel ik aan de vertaling als ik een grammaticaal incorrecte zin lees als: ‘ik wil hier een fascist toespreken / nog voor ik (of hij) te veraf ben.’ Desondanks is Vaarwel en beste wensen een welkome uitgave, omdat die een vollediger beeld geeft van de schrijver, dichter en intellectueel die Pasolini was.