Gedichten

door Liesbeth Aerts (1970), Truus Roeygens (1964), Karim Schelkens (1977)

Truus Roeygens (1964)

Poëzie is het bevoelen van de gravure, het omsingelen van letters, het vormen van groepen, het infiltreren, het vechten en tegelijk het onzedig paraderen op het witte blad. Niets is meer ambigu of sluit beter aan bij wie ik ben.

Ook de ziel moet je oefenen

(1)
Als, de wind hijgt van het harde waaien
duikt een mus in haar veertjes

de zon gaat uit, de spiegelkast draagt jouw kleren,
het bed slaapt de hele nacht door

alles wijst erop dat je overspellig bent,
dus, verwijst de dichter door voor verhandeling

of, je staat in de roze reflecterende driehoek,
loopt gevaar op de 100 meter

dan is dit de juiste trap
zelfs de donkerste wolk komt

in druppels naar beneden

en, er is nog altijd de andere zij
waarop men zich kan keren:

(2)
Nu heb je mij, en het lukt beslist,
zegt ze,
waarbij haar tong zich tot de punt strekt
in het lenig wereldje van mond,
haar rijstblauwe ogen
vallen ons niet af, de balk in evenwicht

Gelijk het laken overvliegt,
als een witte pelikaan,

duiken naar het begin, doe je het best,
doet ze,
van een licht verouderde rug,
delven van longen
uit zwarte bezwete gangen
een mond die in sporen openspat

Onze vermande hand,

Liefde is meestal
de conditie

(3)
er is geen bezemwagen
voor wie –zoals wij– achterloopt
op het hart

ook de ziel moet je oefenen

zonder botten te breken:
de harde kaft van brein
–wervelende midden–
uitademen langs de lange ribbenkast

met water en brood
kunnen we al de honger stillen
van het rosé kuiken in onze hand

 

Liesbeth Aerts (1970)

Poëzie is een unieke vorm van communicatie.
Een noodzakelijke vorm van communicatie.

tweesprong

Ik maak me zorgen om de tuin die gekrompen is, het huis dat soms dichtklapt, dan weer open, zeeanemoon. We halen gierend de lucht naar binnen.

Je houdt van rechte hoeken en een zuivere draaibeweging met constante snelheid en trekkracht.
Als je me de kamer uitslingert, is dat slechts perceptie, zeg je,
een gevoel dat jij loslaat en ik maar door tuimel.

Misschien ben ik het die zich achterover gooit,
het touw uit je vuisten rukt
tot het zich een weg sliert door je vlees.
Je gooit je handen open, hinkt me achterna
met vooruitgestoken nek.

Zie hoe de kamer vertraagd in vrije val stort.

optie a

Wij hangen in het luchtledige,
losgekoppeld en absoluut vrij
en kijken niet begrijpend achterom
alsof het lichtjaren geleden
en niemand zich nog de warmte herinnert.

optie b

Met geklauw van oude leeuwen
weerstaan we het absolute, zuigende
niets en besteden lichtjaren aan het
terugvinden van stukken verhaal,
verloren gewaande avonden
en in het diepste wormgat verstopte plukjes hoop.

We drijven alles naar een afgesproken punt
- onze toewijding aandoenlijk
en te midden het puin stappen we
opnieuw een kamer af,
bepalen diepte en hoe breed
mijn vertrouwen vanaf nu zal zijn.
Haast even lang als jouw liefde.

Karim Schelkens (1977)

Poëzie is een tweede long voor me. Schrijven doe ik sowieso veel, maar naast het academische genre geeft dichtkunst de ruimte om in een streng kader de taal te kneden en te vormen op een manier die slechts daarin kan. Dichten is daarmee een vorm van vrijheid, opgelucht ademhalen en iets uitdrukken over onze moeilijke maar boeiende tijd.

Dochter/Parijs

Zandkorrels slijten
de ogen van tijd
en triomf in de stad
gaat gebukt onder bogen.

’s Nachts wordt het killer
dan dromen de kinderen
het landgoed van morgen
nog zonder geraas.

Ik zink door de lakens
de vloer in de nacht
tel uren van waken
haar krullen
en staar.

Gedichten

Alex Gentjens (1969)

Poëzie is mijn natuurlijke uitlaatklep, mijn manier van leven. Zonder woorden kan ik niet leven. Een dag niet geschreven, is een dag niet geleefd.

Ik heb de dagen

Ik heb de dagen aan de takken te drogen gehangen
Dat kan, nu het herfst is, wel zeven maanden duren
Ik heb, nu gij weg zijt gegaan, getafeld met uw uren
En ze zeiden dat ze zonder u nog nooit waren vervangen

En ze verslikten zich in avontuurlijke gezangen
Gij weet waarschijnlijk wel dat ik voor heter vuren
Heb gestaan, toch konden zij niet lang meer duren
Zij werden wijs van onuitputtelijk verlangen

Zo hebben wij, sinds gij weg zijt gegaan, geen reden
Om te blijven, uw dagen vallen langzaam naar beneden
Gij hebt geen een idee hoe lang mijn lid nog kan verstijven

En weet dat, wanneer gij terug zult zijn gegaan
Wij hier niet langer in het licht kunnen gaan staan
En wij van voren af aan dit gedicht zullen herschrijven

Anthony Roegiers (1992)

Voor mij is het schrijven van gedichten bijna even potsierlijk als sporten : je maakt het jezelf onnodig lastig in de hoop iets langer te leven.

SONNET

De tiener met de boog zei : “Sapristi !
Ze zit met veer en meetlat tussen ’t oor,
te mijm’ren over vierkantswortel pi.
Ja, uren afgezonderd gaat ze door,
bedolven in verfomfaaid rolpapier,
ze leest geschriften vol met rijmerij.
Maar ik verkies juweel en weeldesier,
en oefen yoga in een bergvallei.”
In zijn vingers gistt’ een lampig dampje
hetwelk hij als een stroomstootbal wegzond,
wijl hij smoesde : “boekenwurm ik stamp je.”
De Aegisdraagster tuimelt op de grond.
Haar oog van fier saffier tuurt door het stof,
hij was verdwenen met een nimbusplof.

Paul Bezembinder (1961)

Poëzie is evenwichtskunst, spel van abstractie en vermakelijkheid.

De tussenstop

Na uren doelloos dwalen in zijn Clio,
Vinex-wijken, lintbebouwing, industrie,
bedrijfsterreinen, almaar almaar Venlo,
vond hij eindelijk zijn heterotopie: een
pleisterplaats voor plas en cappuccino.

Bij de counter stond een jonge moslima
die zoveel aandacht aan zijn milkshake
schonk, dat haar reflectie in het formica
van het buffet hem als een kleine remake
van een oude meester in de ogen blonk.

Het fastfood evenwel viel tegen, smake-
loze fillers, gratis refills, friet die stonk,
een maaltijd die hem vrij liet fantaseren
over decadente franchisenemers en een
voedselketen die de clientèle leren wou

dat het leven als een straf convex was,
nooit dus lijken zou op een croissant of
bagel, nooit de wegen die van these via
antithese naar synthese leiden konden,
pace Hegel, uit zichzelf ooit nemen zou.

Martin Wijtgaard (1971)

Het zou een beetje ver voeren om aan te nemen dat wat je schrijft over honderd jaar nog gelezen wordt, maar ongeacht de vorm kan het nooit kwaad om je, als je onderwerpen, motieven, metaforen en beelden kiest af te vragen of ze het over honderd jaar nog zullen begrijpen. En, nu we toch bezig zijn, of ze je honderd jaar geleden begrepen zouden hebben.

Vanitas

Neem ruim de tijd, een inktpot, een glas wijn,
een fruitschaal en een klok om stil te zetten,
blaas kaarsen uit, strooi bloemen rond m’n schedel,
stof over je lievelingsromans.

Neem gerust de tijd, ik heb wel even:
een eeuwigheid om hangend in salons,
gerangschikt in het hart van je stilleven,
onbewogen grijnzend toe te zien

hoe om je heen de zomer implodeert,
je schutterend met kwasten en pigmenten
probeert om onherstelbaar vast te leggen
dat alles zwijgend naar de tering gaat.

Herschik een kandelaar of een chrysant,
zet er een globe of een spiegel naast,
veeg nog een keer het spinrag van mijn botten
en neem de tijd. En neem de tijd. Maak haast.

Bert Struyvé (1952)

Door gebruik van taal beklemt de droom van de werkelijkheid nog meer

Voorjaarsstappen

Ze worstelen zich uit de grond als kwetsbaar groen,
verlaten het schuilen in winterstand. Zuigen aan zon,
ontkurken scheuten voor een zomers onthaal.

Ze buigen gebogen ruggen recht, rekken opgetrokken
ledematen, ontspannen ingehouden adem. Ze praten

met dunne woorden en verdwijnen langzaam
uit het zicht: de rijen rugtassen, plastictassen en soms een plunjebaal. Ze trekken dagen en weken naamloos traag over wegen als lopende band zonder stopsignaal.

De klok tikt de dagen naar de zomer;
ze ruiken een thuis. Ze weten de naam van het land.

Maar wie luistert naar het verhaal, wie opent
het slot naar onbekende namen, wie peutert
frisse knoppen uit beschadigde schillen?

Poëzie is niet bij machte;
dit vers ontvouwt slechts cerebraal.

Recensie van Schaken met de dood - Yerna Van den Driessche

Waarom schaken met de dood niet kan

Yerna Van den Driessche
Schaken met de dood
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789491455971
€ 20
48 blz.

Yerna Van den Driessche schreef Schaken met de dood. Een bundel over de laatste dagen van haar vader, die stierf aan longkanker. Een mooi uitgevoerde bundel, met klein weergegeven op iedere bladzij de laatste maand waarop haar vader nog leefde. Bij elk gedicht wordt een dag doorgekruist. Het titelgedicht staat wat verderop in de bundel en correspondeert met dinsdag 24 januari:

Schaken met de dood

er is de overkant
er is de tegenspeler
er is het machtsspel tussen zwart en wit
er is het slachtveld de geur van affodil

hij speelt met zwart
met donker geduld
en knokkel getokkel
wacht hij op mijn eerste zet

ik ga voluit met wit
met razende gedachten
en verbeten mondlijn
denk ik zetten vooruit

wat volgt is de hel

pionnen snauwen zwenken af
lopers marcheren schuin
paarden ellen en vertrappelen
torens vallen stoer en hoekig

een zwarte vloed een octopus
rukt stukken wit uit mij
mijn koningin geeft zich
te bloot

hij grijnst
toont mij de overkant

Even wat brainstormen. Om het werkwoord ‘ellen’ te begrijpen moet men het schaakspel kennen: een paard beweegt bij elke zet twee velden vooruit en één opzij: een beweging die met de vorm van de letter ‘L’ kan worden vergeleken. De octopus (lees: achtarm) lijkt wat gezocht, maar we kunnen er de (acht) bewegingsrichtingen van een zwarte dame in herkennen. De meest schrijnende betekenis krijgen we door de octopus als een kankercel te zien, wat de aandacht weer verlegt naar het geteisterde lichaam.
‘Donker geduld’ vind ik goed gevonden, net als ‘knokkel getokkel’, dat juist heel veel ongeduld suggereert (en tegelijk het tikken van de tijd). In de laatste regel is ‘overkant’ een goed gekozen woord in de zin dat het bij de dood om de kant van het leven gaat, waar het ‘over’ is. Maar het lijkt me onmogelijk dat die overkant getoond wordt. Flauw misschien, maar zolang er nog wat te zien is zijn we niet dood (en daarna… tja). Bij het schaakspel gaat het nauwelijks om de overkant. Laat staan om het tonen ervan. Ik kom hier nog op terug.
Metaforen zijn bruggen die over diepe inzichten kunnen gaan. Maar dan moeten ze ook enige logica kunnen (ver)dragen.
Ook de titel is een metafoor. Hoe zit het daarmee? Schaken met de dood roept een strijd op, een strijd waarbij het niet zo gek is om de dood te verpersoonlijken tot een (duistere) speler. Goed, de dood speelt dus met zwart. Maar wacht eens, zal een slimmerik zeggen: de dood speelt helemaal niet. De dood is een uitkomst, een gevolg. En als er al met de dood zou worden gespeeld maakt dat niet uit. Van de dood valt niet te winnen, zelfs een gelijkspel zit er niet in. Eigenlijk is schaken met de dood onzin en zou de bundel Schaken met kanker moeten heten.
Ja… Maar dat flirt niet zo met onze fantasie. Gelukkig zijn er meerdere interpretaties mogelijk: schaken met de dood kan ook op een (zieke) schaker slaan, die niet tegen de dood schaakt, maar met de dood onder de leden (hoewel dit natuurlijk niet uitsluit dat het lijkt alsof de dood zijn tegenspeler is). Met deze interpretatie lijkt in ieder geval ‘het gedicht gered’.
Tot zover de betekenis. Wel valt er nog het een en ander op de ‘fine tuning’ van deze tekst aan te merken. Na het zinnetje ‘wat volgt is de hel’ zou men toch meer ‘hel’ verwachten dan er staat. Regels als ‘lopers marcheren schuin’ en ‘torens vallen stoer’ lezen in hun lollige speelsheid een beetje als een anticlimax. Van den Driessche had hier wellicht een breuk kunnen voorkomen door ze te introduceren met ‘dan gaat het mis’, of iets dergelijks (door niet zoveel gas te geven aan het begin hoef je later niet zoveel te remmen).
In de context van de hele bundel is dat schuin marcheren en stoer doen overigens wel te begrijpen. De eigenschappen van haar vader (en andere personen?) worden hier en daar op schaakstukken geprojecteerd. Zo ook in het laatste gedicht van de bundel, waar de schaakmetafoor culmineert in een soort van schaakpat van de betrokken partijen:

Schaakpat

die morgen een rode morgen
een morgen rood van gieren beveel jij
kom nu! de laatste roos is gevallen (…)

ik heb zopas mijn vader begraven


die middag een zwarte middag
een middag zwart van kraaien schreeuw ik:
laat mij! nu de laatste woorden zijn gevallen (…)

jij hebt zopas je man begraven

die avond een witte avond
een avond wit van meeuwen trekt het leven traag
in gedeelde eenzaamheid wachten wij
op de hocus pocus van verzoenende woorden
bewonen wij de stilte van de ander
geen afgunst geen verzinsels van gekwetste zielen
enkel het geluid van water in de radiator
het roepen van de koekoek boven onze hoofden

jij in je korset van vlammende trots
ik in mijn bolster van rouwende stekels

hier in de witte kamer hebben wij onze lopers ingezet
onze pionnen aan elkaar gewaagd
hier hebben we onze torens opgesteld
elke aanval van de koningin geweerd door het paard

hier in de witte kamer gaat de koning in schaakpat.

Schaakpat is een term die gebruikt wordt in het schaakspel wanneer één van beide spelers geen zet meer kan doen. Dat geldt ook als de koning in principe wel kan worden verplaatst, maar dan direct dreigt te worden geslagen. Men mag in het schaakspel zijn koning nu eenmaal niet verplaatsen naar een plek waar hij schaak staat. Schaakpat is zeker niet hetzelfde als schaakmat. Als men schaakmat is, heeft men de partij verloren; bij schaakpat is er sprake van remise: gelijkspel.
Mogelijk bedoelt de dichteres met schaakpat dat na de dood van de vader geen van de nabestaanden ertoe kan komen uit zijn schulp, uit zijn harnas te kruipen: ‘jij in je korset van vlammende trots / ik in mijn bolster van rouwende stekels’, staat er. Niemand kan of durft zich te laten kennen.
Wat is er aan de hand in dit gedicht en wie zijn die nabestaanden eigenlijk? Het lijkt erop dat het om een vrouw en een dochter gaat, die nogal verschillen en niet op heel goede voet met elkaar staan. Ze schaakten blijkbaar ook (tegen elkaar?). Maar niet zozeer met schaakstukken als wel met de vader, de man, die de rol van de koning op hun schaakbord had. Nu het ‘spel’ in schaakpat is geëindigd (de vader, de man, de koning, door zijn dood geen zet meer kan doen) zijn zij uitgespeeld met elkaar, zonder dat één van beiden heeft gewonnen.
Knap bedacht. En de koning blijft onbeweeglijk in zijn witte kamer: een wit veld op het schaakbord, ongetwijfeld. Toch geeft me dit alles een klein beetje een onbevredigend gevoel. De titel van de bundel hint op een schaakpartij met de dood. Door de term schaakpat te gebruiken wordt de suggestie gewekt van een gelijkspel, terwijl er in werkelijkheid sprake is van een verlies. Kort gezegd: het geheel raakt door deze opzet ook een tikkeltje vertroebeld.
Gelukkig beperkt Van den Driessche zich in deze bundel niet alleen tot het schaken:

Begrafenis van beste vriend

in een aura van trillend zonlicht
wordt hij bewierookt ook jij
deelt in de geur van mystiek

je schetst de toevalligheid
van zijn eerste handdruk
de betekenis van de laatste
de diepte van verlies

hemelt zijn beweeglijke geest
hoe die walste met de dood
in vlagen vol van zichzelf

je roemt de nachten van somberen
in wolken pijptabak
over de liefde
de eeuwige

volgt hem graag in veel roekeloos
afbreken van heilige huisjes
blind verbinden van dromen

alleen niet in het zwartzonnige vooruitzicht
van een nabij weerzien

Mooi hoe de dichteres via de begrafenis van een ander toch weer op het aanstaande overlijden van haar vader komt. Ik vind dit een beter gedicht dan ‘Schaken met de dood’. Vooral omdat het natuurlijker oogt, minder geforceerd probeert aan te sluiten bij een vooropgezet schema, waarin misschien toch wel een gevaar schuilt voor een dichter als Van den Driessche. Men lette op het stafrijm in de schitterende woordcombinatie ‘zwartzonnige vooruitzicht’, waarin de dichteres de botsing tussen het genoeglijke en weerzinwekkende bewonderenswaardig tot uiting brengt. ‘Zon’, ‘zicht’ en ‘zien’ horen in de laatste strofe bij elkaar en bij het leven. Maar deze woorden worden alle drie geneutraliseerd door het woord dat ze in hun allitererende klank voorafgaat: ‘zwart’. De dood klinkt in alle drie al door, vanaf het begin (zoals hij ook aan de wieg staat van ons leven). Hier wordt in metaforische zin ‘de overkant getoond’, veel meer dan in het eerst geciteerde gedicht. Als een – altijd nabij – nooitweerzien.

***

Yerna Van den Driessche (1949) publiceerde o.a. in Het liegend Konijn, de Poëziekrant en Meander. Haar debuutbundel Reconstructie verscheen 2009, gevolgd door Mendeljevkoorts. (2012).

Gedichten over poëzie

door Esha Guy (1994), Ramon van den Dungen (1970), Kamiel Choi (1979), Sharon Evita Bakker (1989)
Uit de ons toegestuurde gedichten selecteerden we er vier met  poëzie als onderwerp.

Esha Guy (1994)

Poëzie is voor mij een manier om mezelf te ontwapenen van alle waanbeelden en pretenties die het dagelijkse leven met zich meebrengt. Ik wil niet met mijn poëzie laten zien hoe belangrijk de dingen zijn waar ik waarde aan hecht, maar ze juist onbelangrijk maken.

Wittgenstein

Alle criticasters en semi-intellectuelen nog aan toe!
Wat is toch die “echte poëzie” waar ieder over spreekt
met de onschuld van een peuter
die zijn vinger in het stopcontact steekt?

Wat voor zielenrust komt daaruit voort?
met welk knoesterig devies trachten zij
de schoonheid te bevangen?
Al is het maar voor even…

Ik ben helemaal niet geïnteresseerd in “echte poëzie”
en soortgelijke sofistieke paradoxen
Waarom zijn rijm en metrum van belang?
In een willekeurige wereld past geen
onwillekeurige woordensamenhang!

De mooiste gedichten hebben geen einde
en dus ook geen begin
Zij kruipen tussen de klanken door
verstoppen zich onder de planken waar
de uitgesproken zinnen zich bezatten
aan elkanders lippen.

Zij leven tussen tong en toon
Geen toetsenbordgetik dat dat
in tijdstippen kan stoppen.

De mooiste gedichten verdienen het
niet opgeschreven te zijn
Zij fonkelen aan de horizon
waar het Ik en Ander vervagen
en vloeien door de breuklijnen.

-Een blad valt ongehoord ter aarde-
Dat is wereldpoëzie!
Met een schone sok in een plas stappen
Een titel zonder gedicht
De eerste lentebloem, die
door een kind wordt platgetrapt

De poëzie wordt gebaard in het
post-coïtale aroma van
oud zweet, oude drank, oude tranen, oud geil
met het liefst een asbak op het nachtkastje
en sterft bij de ontluiking van het eerste ooglid.

“poëzie is een definitiekwestie”
ongetwijfeld
en dus is het niet moeilijk:
poëzie is [ ]

Ramon van den Dungen (1970)

Poëzie is voor mij een manier om afstand te nemen van de dagelijkse werkelijkheid en de dingen iets mooier te maken dan ze zijn.

Gedicht van zeep en water

Zwart bekraste vellen zeggen
niet wat ik vandaag wil voelen.
De lettersneltrein in mijn hoofd
dendert door tot hij ontspoort.

Strofes vallen uit elkaar,
beelden vliegen door het raam.
Zinnen in mitella’s troosten woorden
buiten zinnen van verdriet.

Als een mengeling van zeep en
water stijg jij op uit deze ramspoed.
Ongenaakbaar kwetsbaar zweef je
over hete letters door mijn hoofd.

Trillend land je op de ranke handen
van een lentemeisje met grijs haar.
Daar spat jij, bellenblaasgedicht,
na een kort leven troostrijk uit elkaar.

Kamiel Choi (1979)

Poëzie is een ontdekkingsvorm.

Gedicht van zeep en water

wordt vannacht de poëzie voor dood verklaard
kroont met morgen eenoog koning op een stippellijn

wordt vannacht de poëzie voor dood verklaard
schalt bargoens door de straten, die slechts straten zijn
lijdt men zonder ambitie en troost elkaar met brandewijn
lalt men protocollen en statuten in harde schelpenoren
vrijt men zwijgend, omdat ieder iets anders wil horen
valt men koud en stom in elkaars oorverdovende pijn

wordt vannacht de poëzie voor dood verklaard
regeren wit van de macht de woorden, die slechts woorden zijn.

Sharon Evita Bakker (1989)

Poëzie is voor mij een levenloos wezen zonder ziel. Een stilte zonder zwijgen die in mij geboren wordt, zonder er te zijn en toch een aanwezigheid kent daar waar niemand de identiteit herkent, maar wel de woorden.

Woordzinnig

Taal is mijn encyclopedie
van dichterlijke zinnen
die stiltes uitzetten
als knipperende lampen
die dampende letters
een tweede leven geven

Mijn woordrivier stroomt
op automatische kanalen
die afdalen naar beschrijvingen
waar mijn zinnen
recht van spreken hebben
en in de oneffenheid
van gepolijst geschrift
verder van de realiteit
wegstromen
waar poëzie
achter de deurpost
van voorbedachte rade
in mijn hoofd zwemt

Recensie van Dwalmgasten - Mischa Andriessen

Een richting, geen route

Mischa Andriessen
Dwalmgasten
Uitgever: De Bezige Bij
2016
ISBN 9789023499350
€ 17,99
80 blz.

Dwalmgasten heet de derde bundel van Mischa Andriessen. ‘Dwaalgasten’. Het motto van de eerste van de vier afdelingen komt uit de Metamorphosen van Ovidius: ‘Heet het dwaling als een man verdwaalt?’ Andriessen zet hiermee direct de toon. Je kunt op deze vraag ‘ja’ antwoorden, maar ‘nee’ is waarschijnlijker: is het niet ons aller lot dwalmgasten te zijn? Ondubbelzinnige antwoorden krijg je van Andriessen niet en mede daardoor blijft de bundel je bezighouden.

Het eerste gedicht heet ‘Net’. Het gaat over een vader en zoon die een spel met elkaar spelen. De zoon is op een kast geklommen en vader nodigt hem uit te springen. Hij zal hem vangen: ‘Vertrouw me maar.’ Het gaat goed en de zoon klimt opnieuw op de kast. Dit keer vangt vader hem niet en de jongen valt hard op de grond.
Dit gedicht herinnerde me direct aan een interview met Klaas Bruinsma, de begin jaren negentig geliquideerde drugsbaron die criminelen als Holleeder in wreedheid overtrof. Zijn vader was directeur/eigenaar van de grote, inmiddels niet meer bestaande limonadefabriek ‘Raak’. Vader hield er opmerkelijke pedagogische methoden op na en het spel met die kast was daar een van. De les die zijn zoon moest leren: vertrouw niemand, nooit, ook geen directe familie. Bij Andriessens gedicht kom je de les niet te weten. De laatste twee regels luiden: ‘Je ving me niet, schreeuwt de zoon. / Waarom? Ja, zegt de vader: Waarom?’ De lezer mag zelf een antwoord formuleren en dat kan van persoon tot persoon verschillen.
Toen ik de bundel in zijn geheel had gelezen en opnieuw begon, associeerde ik de vader met de dichter en de zoon met de lezer. Net als in zijn vorige bundels, schrijft Andriessen opmerkelijk helder en zijn gedichten zijn ook dit keer anekdotisch of verhalend. Dat lijkt houvast te geven: je denkt als lezer veilig te kunnen springen. Maar in tweede instantie krijg je geen vat op de gedichten, sluitende interpretaties zijn niet mogelijk, daar zorgt Andriessen wel voor. Op een ‘Waarom?’ krijg je geen antwoord. In die zin kun je ‘Net’ als programmatisch opvatten. ‘Net’ is ironisch, aan vangnetten doet Andriessen niet.

Familie speelt een belangrijke rol in de bundel. Liefdevol zijn de eerste vijf regels van ‘De zoon 2’: ‘Hij viel ons toe, vaak / stonden we bij zijn bed, dronken / het wonder in, thuis / zou het nooit meer leeg zijn / zelfs als er niemand was.’ Maar vaker is er sprake van dreiging. Tegen de buitenwereld – uitgebeeld door gasten van verschillende pluimage – is niemand bestand en een veilige thuishaven is er, in de lijn van Uitzien met D en Huisverraad, nauwelijks meer: in verschillende gedichten is er sprake van een gewelddadige inval of inbraak. Zelfs de gast in jezelf kan je opbreken en in ‘Ganymedes’ illustreert Andriessen dat op amusante wijze. In de mythe wordt Jupiter verliefd op de Trojaanse prins Ganymedes. Hij wil hem daarom als nectarschenker in de hemel, verandert zich in een adelaar en ontvoert de mooie Trojaan ‘die nu nog steeds de beker vult / en ondanks Juno’s afgunst de nectar aanreikt.’ (Metamorphosen, X, 155-161, vertaling M. d’Hane – Scheltema). In het gedicht voegt Andriessen iets toe: Jupiter doet de schoonheid van de jongen teniet om kapers op de kust voor te zijn, hij wil hem geheel voor zichzelf houden: ‘Het idee dat jij ons allen van wijn zou voorzien / ongeacht wie, minzaam het glas bijschonk. / Dat idee werd mij ondragelijk, nu hang je / in mijn klauwen, spartelt, huilt, zeikt / een eind van je af, ik heb je / onherkenbaar gemaakt, niemand / die je niet eerder zag, zou beamen / dat je de mooiste bent op aarde ( … )’. Tragisch: Jupiter moet het voortaan alleen nog doen met de herinnering aan Ganymedes’ schoonheid en ook over diens lot laten de geciteerde regels niets aan duidelijkheid te wensen over. (Let ook op die mooie, betekenis toevoegende enjambementen ‘nu hang je’, ‘zeikt’ en ‘ik heb je’).

Indrukwekkend zijn de vader-zoon-gedichten die verspreid staan over de bundel. Banden zijn niet los te maken, ook al zou een van hen dat willen. Vader en zoon zitten aan elkaar vast, in het gedicht ‘Kade (Donau)’ zelfs letterlijk. Ze zijn (mogelijk bij de Hongaarse opstand in 1956) aangehouden en ruggelings vastgebonden: ‘Aan de oever van de Donau kijken ze nu / van elkaar weg’. Je kunt dit ook metaforisch lezen.
Ook de dood snijdt de banden niet door. (Zo zou je het volgende gedicht althans kunnen lezen – de titel bracht bij daarop). Vader blijft aanwezig, hoezeer je ook probeert hem terug te brengen tot een niet meer dan ongevaarlijke herinnering.

PORTAAL

Vader stond buiten voor de deur.
De zoon stuurde hem weg, wachtte
lange dagen tot hij terugkwam
verjaagde hem telkens opnieuw
maar keek bij elke terugkeer langer
prentte zijn trekken in als zocht hij
ten slotte iets om zich te kunnen herinneren.
Toen vader toch weer op het tuinpad stond
schoot hij onmiddellijk zijn jas aan, ging
naar buiten, trok de deur achter zich dicht.
Ze liepen samen op, kenden de richting.

Extra schrijnend wordt het als je in de verantwoording leest dat Andriessen dit gedicht ter nagedachtenis van Wim Brands heeft geschreven. Hij had een moeizame relatie met zijn vader, wat een grote impact had op zijn leven. Loopt hij in de laatste regel met zijn vader mee naar het portaal van de dood?

Dwalmgasten is een bundel die je niet uithebt als je hem hebt gelezen. Dat komt door de vragen die Andriessen stelt, de onderlinge verbanden, intertekstualiteit en door de fascinerende raadselachtigheid van gedichten als ‘De vogelkoning’, waarvan ik desondanks weet dat het klopt wat er staat:

Het zijn normaal jonge jongens.
In de lente verlaten ze hun huizen
halsoverkop, alsof iemand hen riep.
Wie overleeft, herinnert zich niet
wat het was – het zachte wieken
van wijd uitgestrekte vleugels
een stille roep, zoals stenen zingen
in de hoofden van krankzinnigen.
Van sommigen zijn de vaders
eerder gegaan, er is geen kaart
een richting, geen route; soms
komt er een aan, keert terug
naar waar hij eens vertrok
vertelt het na, vervormd, gehavend
kleren tot op de draad kapot
de blik spreekt louter waanzin:
Een arendsnest op de rotsen
weggedraaide ogen, paarse lippen
heel het gastpad afgedwaald
om weer hier te zijn.
De mare wil dat ze luisteren.

***

Mischa Andriessen (1970) debuteerde in 2008 met Uitzien met D, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs ontving. In 2012 volgde de bundel Huisverraad, die werd bekroond met de J.C. Bloem-poëzieprijs. In 2014 werd hem het Charlotte Köhler Stipendium toegekend.