Wie eindigden er op de derde plaats?

De zes voorrondes van de Meander Dichtersprijs 2017 hadden telkens twee winnaars. Die eindigden dus als het ware op een gedeelte 1e en 2e plaats. Zij gaan als kanshebbers door naar de eindronde.
Maar wie eindigden er in die rondes nu op de 3e plaats? (Soms is het een gedeelde 3e en 4e plaats.)
Dat maken we nu bekend.
Deze deelnemers mogen niet aan de eindronde meedoen, maar het scheelde maar weinig. Het lijstje is dus vooral bedoeld als aanmoediging.

1e ronde
3e plaats: Jeanet van Omme (1960)

2e ronde
3e/4e plaats: Michelle Brouwer (1991) en Jordi Lammers (1996)

3e ronde
3e plaats: Els Driessen (1963)

4e ronde
3e plaats: Pieter Olde Rikkert (1993)

5e ronde
3e/4e plaats: Arjan Keene (1963) en Elly Stolwijk (1957)

6e ronde
3e/4e plaats: Annette Akkerman (1962) en Rik Sprenkels (1988)


Recensie van Anagrammen van een blote keizer - Tijl Nuyts

‘Misschien breng jij het er beter van af’

Tijl Nuyts
Anagrammen van een blote keizer
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463101738
€ 19,95
64 blz.

Anagrammen van een blote keizer, het debuut van Tijl Nuyts (1993), is vermoedelijk een zoektocht van een dichter naar taalkleuren (of gekleurde taal ), de macht van taal, het wezen ervan dat je steeds ontsnapt, de verhouding tussen verschillende talen en naar taal en werkelijkheid.
Ik zeg ‘vermoedelijk’, want Nuyts maakt het je niet makkelijk. Zo zijn de titels van de meeste gedichten Maltees. De eerste vijf: ‘ABJAD’, ‘ISWED’, ‘KANNELLA’, ‘VJOLA’ en ‘ĦADRA’. ‘ABJAD’ is een anagram van een ander gedicht, ‘BAJDA’, en beide zijn verbonden aan ‘BOJOD’, waarin je aan het eind van de eerste strofe de volgende regel leest: ‘abjad (mannelijk) bajda (vrouwelijk) bojod (meervoud)’. In ‘BAJDA’ staat diezelfde strofe in het Spaans.
Waar is Nuyts op uit? In ‘LOGĦBA’ schrijft hij:

het spel: de regels klapperen in je hand als spreeuwen
in paniek – gespikkelde kelen vol worm en verwijt
en dan: de geboorte van het brein in het heetst van de strijd
een oceaan van lichamen, de zweep van het woord

De lezer moet moeite doen, evenals de dichter. In zijn verbeelding begint het verhaal in de Himalaya, bij de afdaling van Kuluri, een figuur die net als de ‘ik’ Maltese klanken van ‘een sierlijke rauwheid’ ontdekte. Kuluri heeft zijn handen ‘vuilgemaakt’ aan de taalkleuren, ruwweg gezegd: aan de werking van taal. De ‘ik’ zoekt hem gedurende de hele bundel en eindigt bij het begin, in de Himalaya en min of meer tevreden: ‘ik sta op de hoogte, kijk naar alles beneden en / wijd me aan de kunst van het heldere denken’ – meer zeg ik er niet over om een spoiler te vermijden. Zoals gezegd gaat om een reis in de geest. In ‘ĦADRA’ (een anagram van het gedicht ‘AĦDAR’) is het 16 juni 1904 – de dag waarop Joyce’s Ulysses zich afspeelt; uiteraard moet de lezer zich afvragen of de ‘Anagrammen’ een vergelijkbare Odyssee vormen.

Waarom zo ingewikkeld? Is het allemaal flauwekul? Anagrammen van een blote keizer associeer je onvermijdelijk met het gezegde ‘de kleren van de keizer’. En waarom die nadruk op zo’n alledaags verschijnsel als anagrammen? Talen zonder anagrammen bestaan niet: het aantal letters en betekenisonderscheidende klanken is immers beperkt, terwijl het aantal woorden dat je kunt vormen in principe oneindig is, ook door de mogelijkheid homoniemen te vormen. Wil Nuyts zijn lezers dan imponeren met gepuzzel? Misschien, maar onzinnig is de bundel niet. In de eerste plaats schrijft hij mooie gedichten, al blijven ze raadselachtig:

AĦMAR

in het beenzwarte licht van een stroboscoop
staat een dwerg met gesprongen lippen naar me te wuiven
ik wou dat hij mijn zoon was

ik kan het niet aanzien en ga op reis

halfweg september kom ik aan in de vossenstad
in het gras tussen de rails van het station
zitten sleutels verstopt, maar zelfs de simpele tover
van een anagram ontgaat de luie lezer:
azimut de stoter die slaand de verzen vouwt

rum met een reukje eraan in de bultenaarsschaduw van
de radcliffe camera, de snijbloemgeur van kaneel en uraan

de jongens die op onze kleuterklasfoto’s staan
kijken toe hoe ik de taal die mensen spreken
naar mijn roofridderburcht sleep

kijk!
onze silhouetten op slot tegen de akelmuur
een superman-t-shirt als een vlag om haar gespierde lichaam
in de nok voorbij de knik hikt ze soera’s in het schrift

In de tweede plaats is het maar de vraag of de lezer houvast moet krijgen in de taalwereld; misschien zou de dichter daarmee zijn doel voorbij schieten. Aan het eind van de fictieve inleiding zegt de ‘ik’: ‘Sinds die zomer van 1993 zoek ik elke ochtend en avond wereldwijd naar Kuluri’s naam op de borden met vluchtinfo. Ik ben er nog niet zeker van of ik hem heb gevonden. Misschien breng jij het er beter van af’. Dat zal niet lukken: taal is ongrijpbaar. Neem de duistere verhaalfiguur ‘arrak’: ‘in de haven runt hij een slavenhandel van namen’; ze zitten gevangen in een kooi. Zijn naam kan verwijzen naar een softwareprogramma om anagrammen te maken, maar ook naar de drank met zo’n hoog alcoholpercentage dat je al snel teveel neemt en niet scherp meer ziet – net als de lezer, of in ieder geval: deze lezer.

Veel heb ik in deze recensie niet behandeld, zoals de grote invloed die de ‘ik’ ondervonden zegt te hebben van Gerard Manley Hopkins en Ibn ‘Arabi (een sunnitisch dichter en filosoof uit de elfde eeuw). Ook de zoektocht naar ‘de stem van La ‘Ultima’ liet ik onvermeld. Het is aan de lezer om zich verder in de bundel te verdiepen.

Ik denk dat de procédés die Nuyts in deze bundel heeft gehanteerd maar één keer werken, maar hij
heeft genoeg talent om je nieuwsgierig te maken naar een bundel met een heel ander karakter.

Gedichten

door Ilse Starkenburg (1963)

Ilse Starkenburg (Dieren, 1963) schrijft gedichten en verhalen. Vanaf 1990 zijn er vijf dichtbundels van haar verschenen bij uitgeverij De Arbeiderspers. De meest recente, De boom valt op mij, kwam eind maart uit.
Vanaf 1987 verscheen er werk van Ilse in diverse literaire tijdschriften. Ook werden er gedichten opgenomen in talrijke bloemlezingen. Ze trad op bij festivals als Poetry International, Dichter aan Huis, Lowlands, de Nacht van de Poëzie en ze verzorgt gastcolleges en workshops.
In Meander twee gedichten uit haar nieuwste bundel.

 

Zwoel

een dag in augustus in Groningen
zou eeuwig duren, eeuwig duren
we lagen met z’n drieën naakt op een dak
verstopt tussen omringende huizen, we leken
wel lijken, maar niemand kon ons zien
niemand kon tussen ons in komen en
er was nog geen gedicht

een zuchtje wind, knarsend grind onder
een teen  en één van ons draaide
het zou kouder worden
we zouden ouder worden
onze vriendschap moeten achterlaten
op een dag, op een dak,
in een gedicht

Wij

er waren nooit woorden voor
laat staan
hoge plafonds of hemels
je wilde nergens naar toe
je wilde niets bereiken
het was droog
laag viel op laag
als bladzijden
in een oud Frans boek
plakten we aan elkaar
maar met verbeterde
sterker ruikende
verslavende lijm
ik wenste toen
dat het eens los zou laten
dat er een woord viel
dat het eindelijk zou gaan regenen

 

Uit: Ilse Starkenburg. De boom valt op mij
Uitgeverij De Arbeiderspers. ISBN 9789029511780

Winnende gedichten

Met deze gedichten wonnen Merel van Slobbe en Maria van Oorsouw de zesde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Merel van Slobbe (1992)

Tot we stevig genoeg zijn

Je komt zachtjes binnen zodat het blijven
minder op zal vallen en we praten over dingen
als stofzuigerzakken en wasverzachter.

Alle woorden nemen de vorm van mijn ruggengraat aan:
alleen maar bedoeld om dingen overeind te houden.

Ik druk mijn ellebogen in mijn zij zodat elk afscheid
binnen het deurkozijn past en ik zeg: weet je nog

dat we papieren vliegtuigjes door het huis gooiden
zodat we groter leken en weggaan kleiner.

Je knikt en zegt dat je ergens las dat kauwgum lang
tot zeer lang op straat blijft liggen, afhankelijk van

hoeveel mensen eroverheen lopen. Die nacht huilen we
om landschildpadden en alles wat langer leeft dan wij.

Vouw je handen voor mijn ogen en duw net zo lang
tot we stevig genoeg zijn

om niet te verdwijnen.

Maria van Oorsouw (1948)

Zeewiergroen

Ik was tien en had nog nooit een huilende man gezien
kitesurfers bestonden toen nog niet
en badpakken konden je beschermen
dat van haar was groen
het kan zijn dat ze Duits was
durf jij tot de zandbank
van veraf lijkt de zee veilig

eindelijk mocht ik met mijn broertjes voor het eerst alleen
zonder vader en moeder naar het strand van Wijk aan Zee
zeezeilers zweefden nog niet boven het water
de luchtkussentjes van haar zeewiergroene badpak hielpen niet
ga niet verder dan tot je heupen
van dichtbij is de zee onrustig

iemand knielde bij haar neer
iemand zwengelde aan haar armen
iemand probeerde haar tot leven te slaan
er kwam zwarte modder uit haar mond
haar vader huilde
mijn broertjes schoten elkaar nat
met hun waterpistooltje
later toen het vloed werd gingen we golven springen
ik hield ze stevig vast

ik kon mijn ouders geruststellen ‘s avonds
alles was goed gegaan, het was een fijne dag geweest
ik was tien en had een huilende man gezien

zee trekt altijd

Merel van Slobbe en Maria van Oorsouw zijn de winnaars van de zesde ronde

De zesde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017 is gewonnen door Merel van Slobbe (1992) en Maria van Oorsouw (1948).

In februari  kwamen er 110 gedichten binnen. Zes beoordelaars kozen daaruit de twee beste gedichten.
Merel en Maria zijn nu kanshebber op de Meander Dichtersprijs 2017, die in mei wordt uitgereikt. De andere kanshebbers zijn Astrid Arns, Hester van Beers, Stefan Heulot, Nafiss Nia, Kate Schlingemann , Onno-Sven Tromp, Wim Vandeleene, Peter Vermaat, Martin Wijtgaard en Marjon Zomer.

Dit was de laatste voorronde. De twaalf kanshebbers strijden in mei om de eer en een bedrag van 350 euro.

De gedichten werden in deze ronde beoordeeld door Laura Demelza Bosma, Jan van der Geer, Merlijn Huntjens, Eric van Loo, Amber-Helena Reisig en Roel Weerheijm.