Recensie van Alle gedichten - Hans Verhagen

Nevengeschikte tegendelen. De kern van Verhagens poëzie

Hans Verhagen
Alle gedichten
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2017
ISBN 9789038801827
€ 45,00
752 blz.

In juli verschenen Alle gedichten van Hans Verhagen. De bundel bevat meer dan 700 pagina’s en lang niet alle gedichten geven zich snel prijs, ze hebben veel tijd van de lezer nodig. Hoe doe je Verhagen recht? Ik zou een literair-historisch overzicht kunnen geven: zijn betrokkenheid bij Gard Sivik en De Nieuwe Stijl  in de eerste helft van de jaren zestig, samen met Armando, Hans Sleutelaar en Cor Vaandrager; de herleving van de Romantiek in de tweede helft van de jaren zestig en zijn rol daarin; de waardering van zijn poëzie door de jaren heen, et cetera. Maar is dat handig? Erik Brus heeft al een mooi overzicht gegeven van zijn leven en werk tot en met zijn laatste bundel Zwarte gaten (2008) en ik ga dat niet dunnetjes overdoen, want al schreef Brus zijn artikel na de ontvangst van de P.C. Hooftprijs in 2009, het is nog actueel. Na de uitreiking van de prijs schreef Verhagen alleen nog de cyclus Implosie, ook uit 2009. Zijn vertalingen zijn ook opgenomen: Whitman/Verhagen – De slapers. Die stammen uit 2005.
Ik kies ervoor Verhagens volledige werk te karakteriseren aan de hand van ‘Ik ben de maker’, het eerste gedicht van de bundel Autoriteit van de emotie (1992). Hiermee kan ik de constanten laten zien. Op de ontwikkeling van zijn werk ga ik later in.

Het is een programmatisch gedicht: het gaat vooraf aan het motto – waarover later – en acht cycli:

Ik ben de maker

Ik ben de maker niet van het gedicht,
maar zo ontvankelijk mogelijk
d.w.z. van elke tedere connectie ontdaan sta ik
totaal ter beschikking van wat zich tot mij richt –
als een snaar doortrillende dit tijdsgewricht
registreer ik de akkoorden.
ik ben de verwoorder.

Ik ben de behoeder niet
van angst, pijn, verlangen –
wel ben ik de ontvanger.
Verliefd zijn is voor mij ambtshalve bezigheid,
een dichter zelf kan niet van iemand houden;
bespaar me dus uw te persoonlijke aanhankelijkheid –
een dichter heeft geen tijd voor poëzie.
Bovendien, ik ben je moeder niet.

ik ben de hoogste autoriteit van de emotie,
maar mijn eigen hart kent het verlangen niet.
Verwar het niet met angst en beven als ik tril –
ik transformeer alleen het huilen van de wolven
tot een lied. Ik ben de vertolker van het leven,
maar zelf leven doe ik liever niet.

Het eerste wat opvalt  in dit gedicht zijn de tegenstellingen. Ik ga op de eerste in: de titel ‘Ik ben de maker’ tegenover ‘ik ben de maker niet’ in de eerste regel. Hij is zichtbaar de maker: als je het gedicht zorgvuldig leest, zie je dat er een ambachtsman aan heeft gewerkt – kijk alleen naar het logische verloop van de precisering des dichters identiteit. Aan de andere kant staat hij ‘totaal ter beschikking van wat zich tot [hem] richt’: het gedicht lijkt  zichzelf te schrijven. Hij voegt zich daarmee in een Romantische traditie: de grote Bilderdijk (1756 – 1831) beweerde bijvoorbeeld dat zijn verzen hem rechtsreeks door de Allerhoogste werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met zijn kroontjespen, net als Verhagen ‘zo ontvankelijk mogelijk’. Hij verhulde daarmee dat ook hij wel degelijk een maker was: bevoorrechte fans waren hevig teleurgesteld toen zij tot de ontdekking kwamen dat zijn handschriften vol doorhalingen zaten. Het irrationele wordt bij beiden in toom gehouden door de ratio.
Soms moet je dat registreren letterlijk nemen. Net als andere neo-realisten in de jaren zestig schreef hij ready-mades – niet veel, trouwens. Bekend zijn de drie cycli ‘Kanker’, ‘Cancer’ en ‘Krebs’ uit Sterren Cirkels Bellen (1968). Je zou zeggen dat de maker hier afwezig is, maar dat is niet zo. In dit geval is hij een arrangeur: door een paar zinnen uit een voorlichtingsfolder over kanker te isoleren en te presenteren als een gedicht, krijg je een luguber neveneffect, waarvan de schrijvers van de tekst zich ongetwijfeld niet bewust zijn geweest:

Door het rituele voorschrift
van de besnijdenis bleven
in de loop van duizenden jaren
ontelbare joden gespaard
van een vreselijk lijden.

Tegenstellingen zie je op allerlei niveaus in Verhagens werk. Ze vormen zo’n belangrijk onderdeel van zijn poëzie, dat ze zelfs in enkele titels voorkomen: Rozen & motoren (1963), Echoput & luchtkasteel (1995). Sterker nog: ze vormen de kern van zijn poëzie. Essentieel is dat de tegendelen altijd gelijktijdig aanwezig zijn. In zijn eerste bundel gaat de romantiek, ironisch getypeerd met het cliché ‘rozen’, hand in hand met het snelle, moderne no-nonsense leven dat de dichters van Gard Sivik willen weergeven. In zijn interview uit 2003 met Ischa Meijer zegt hij daarover: “Die wrijving tussen twee polen, dat is waar alles uit voortkomt. Mensen zijn geneigd in één richting te denken. Ze geloven in de opbouw, maar het verval willen ze elimineren, maar gelijk met de opbouw vindt er de afbraak plaats. In feite zie ik het als één beweging, het gebeurt allemaal op één moment. In m’n gedichten wordt die synchroniciteit opgewekt door die verwisselingen: ‘Ik die bouwen zou, zal ontbonden worden.’ De ene regel ontleent de andere. […] Het is een weergave van het proces van het leven.”

Terug naar het gedicht. Je ziet zulke nevengeschikte tegendelen nog op een andere manier. De dichter noemt zich de hoogste autoriteit van de emotie, maar zegt zelf niet emotioneel te zijn. Een dichter heeft wel wat anders te  doen; hij moet emoties vertolken, voelbaar maken voor de lezer: ‘ik transformeer alleen het huilen van de wolven / tot een lied.’
Maar op dit gedicht volgt een motto, dat hij opdraagt ‘aan Conny (1941 – 1986)’. Het is een citaat uit zijn gedicht ‘Zo simpel is het …’ uit Duizenden zonsondergangen (1971):

‘Jij bent de waarheid
waar ik ben
de tijd staat stil
de klok verstrijkt
en wij zijn altijd samen’.

Conny Tavenier was zijn jeugdvriendin en eerste vrouw. Op een gegeven moment kon hij met haar niet meer samenleven en zonder haar kon hij ook niet – de tegenstellingen in zijn poëzie komen niet voort uit maakwerk, dat blijkt ook hier weer uit. In 1986 pleegde zij zelfmoord na een lange lijdensweg van psychoses.
In de laatste regels van het gedicht zegt hij: ‘Ik ben de vertolker van het leven, / maar zelf leven doe ik liever niet.’ Is het leven te pijnlijk? Zegt hij daarom ‘liever niet’? Is hij een huilende wolf die zijn particuliere emoties transformeert tot die waarin lezers zich herkennen? Op die manier is hij zowel vertolker van zijn leven als van ieders leven. In zijn meeste bundels is dat zo, al overheerst het biografische soms teveel, waardoor gedichten onbegrijpelijk worden.

Ook humor is een essentieel onderdeel van zijn werk. In de regel ‘Bovendien, ik ben je moeder niet’ relativeert hij datgene wat hij zegt. Hij maakt het minder zwaar; enkelen zullen zeggen: hij zet alles op losse schroeven. Dat kan zijn, maar het hoeft niet: ik zou zeggen dat hij hier zowel het lichte en serieuze laat klinken.
Het aardige bij Verhagen is dat je, net als bijvoorbeeld bij Reve, humoristische regels afzonderlijk onthoudt, los van de context. In de volgende twee hoor ik mannen die aanspoelen in de kroeg en al snel weer uit zicht raken: ‘je raakt je zaad aan de straatstenen niet kwijt’ (p. 522) en  ‘Mensen met een zinvol leven – zou je ze geen rotschop geven?’ (p. 658)

De bundel Alle gedichten weerspiegelt Verhagens (innerlijke) leven in veranderende tijden – ‘als een snaar doortrillende [ieder] tijdsgewricht’. Ook hiermee staat hij in de traditie van de Romantiek. Je leest achtereenvolgens mee met de Zeeuwse jongen, de schijnbaar koele observator, de spirituele hippie, de worstelaar met de liefde (‘Geen geneesheer, hoe gepeperd ook van declaratie, / zal mijn ziekte weten te genezen: / omdat mijn ziekte tevens mijn geliefde is – / en mijn geliefde laat zich niet verdrijven’ – p. 296), de verslagene en de man die zijn vitaliteit terugvindt. En voortdurend stelt hij zich de vraag wat het leven is, hoe hij in het leven staat, of hem dat bevalt en, vooral in zijn latere werk, wat hij anderen heeft te vertellen. Zijn engagement komt dan meer op de voorgrond te staan. In een bundel als Draak (2006) lijkt hij lezers sterker dan voorheen te willen doordringen van misstanden. Het tweede gedicht uit de afdeling ‘Citadel’ is verbazingwekkend actueel:

2
Stralende vlag. Iedereen ging,
van de vrijheid om tekeer te gaan ten volle profiterend,
tekeer tegen de verkeerde.

In tegenstelling tot de inhoud zie je in de vorm weinig veranderingen. De cycli vormen in alle bundels het structurerende principe; zijn gedichten blijven strofisch.

Er valt veel meer te zeggen over Alle gedichten. Aan de afzonderlijke bundels heb ik geen recht gedaan; ik verwijs daarom nogmaals graag naar het artikel van Erik Brus. Campert noemt Verhagen samen met Lucebert ‘de grootste moderne Nederlandse dichter.’ Ik vind dat een beetje te sterk, maar dat hij groot is, staat voor mij vast.

Recensie van Belgium Bordelio, volume 2 - Jan H. Mysjkin (samenstelling)

Moules belges (over parels en mosselen)

Jan H. Mysjkin (samenstelling)
Belgium Bordelio, volume 2
Uitgever: l'Arbre à paroles & PoëzieCentrum
2017
ISBN 9789056551261
€ 22,50
556 blz.

Als lezer kom je van alles tegen. Het volgende gedicht vond ik ergens, grasduinend in een bonte verzameling:

Ons

Ik zou van de bomen kunnen leren, van de katten,
van het rustige oktoberlicht, maar ik lees utopie
over mensen en machines, brood en rode vlaggen,
en het levert niets op, zoals je ziet.

Waarom beschrijf ik niet de geur van je oksels,
die mij scherp en aanwezig maakt, of de pijn
in je handen, die niet kan stoppen
omdat je wil boksen, wil slaan, telkens weer?

Dit is een rustige tijd in een rustige wereld, de zon
is schadelijk, maar dat valt niet op. De kranten
op tafel maken de koffie gezellig. Sterft een kind
om de drie of vier tellen, je hebt toch gelijk. Ons

mag niet kapot.

De eeuwige tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid. Of de schijn van de werkelijkheid, zo men wil. Het fraaist is misschien wel de derde strofe, met die ‘rustige tijd in een rustige wereld’. ‘Leugen, leugen!’ schreeuwde het in mij, toen ik dat las. Maar het staat er toch gewoon, gemoedelijk. Alsof het waar is. Zwart op wit legitimeert de leugen zich, wordt het niet ware waar. En de kranten op tafel maken de koffie gezellig, moeten we niet vergeten. Aan de oppervlakte gebeurt niets bijzonders. Inderdaad: ons mag niet kapot.
Waarom citeer ik dit gedicht? Misschien omdat het onze status quo weergeeft. Het tamelijk actuele (en Europese?) idee dat ‘alles gewoon moet doorgaan, wat er ook gebeurt’. Interessant is dan ook nog dat het een Belgisch gedicht is (geschreven door Charles Ducal). België: het land waar het beleg en het brood maar niet aan elkaar willen wennen (het is niet eens duidelijk wie wat is). Maar zo krijgt dat woordje ‘ons’ nog een extra dimensie.

Gebloemleesd in Belgium BorDeLioII, waarvan de scheppers ‘vastbesloten zijn om de grenzen tussen de gemeenschappen aan flarden te scheuren en het uit te schreeuwen dat er een wereld bestaat die werkelijker is dan de wereld, een wereld waar de wortels naar de hemel kijken en het woord redding brengt’ (einde citaat), werd dit gedicht in 2017 te midden van een ‘nieuw zootje van tweeëntwintig dichters’ uitgebracht.  
Een bloemlezing is een soort dierentuin waarin vogels van allerlei pluimage gekooid zitten. Maar dat terzijde. Ik heb eigenlijk een hekel aan bloemlezingen. Maar ook dat terzijde. Er staat altijd een heleboel troep in bloemlezingen (terzijde). Wat je wel wil lezen ontdek je pas als je een heleboel hebt gelezen wat je niet wil lezen (parels zijn zeldzaam bij mosselen):

VI

Het is een hele weg van vuuridee naar metaaldaad.
De mooiste bloemen bloeien waar schaduw verkeert in
licht.
De kaalste melodieën kukelen je kinderjaren uit, waar
de dood rijmde op zichzelf.
Het is een hele weg van de naam van het niets naar het
niets van de naam.

Dit wou ik wel lezen. Véronique Bergen schreef dit als onderdeel van een reeks, die in zijn geheel is opgenomen in de bloemlezing. Dood was alleen maar (het woordje) dood in je kinderjaren, simpel toch? De laatste zin schittert door zijn eenvoud en diepzinnigheid. En er zijn meer reeksen in deze bundel:

II

De kapitein is zich ervan bewust dat de wereld om hem
heen bestaat en dat baart hem zorgen, want die hele
wereld geeft geen moer om hem. Hij zegt bij zichzelf
dat de wereld een kwade droom is, een huiveringwek-
kend hersenspinsel want de werkelijkheid. Het stelt
hem gerust dat de wereld veraf is, zo veraf nu dat hij
hem sinds lang uit het oog is verloren. De wereld is zijn
bestaan vergeten, eet, drinkt, propt zich vol en wordt
dik. Dat is de Vooruitgang. Die wereld heeft machines,
allerlei toestellen – goede en slechte (maakt niet uit) –
hij bouwt zichzelf om tot een machine, een reusachtige
machine, zo ontwikkelt hij zich, dat is de Vooruitgang.

Een fractie van de ‘goddeloze wereld’ van Philippe Lekeuche, die het ons duidelijk maakt wat we in de toekomst kunnen verwachten nu de machines het overnemen en niemand zich een moer (meer?) voor ons interesseert. Toch blijft het leuk, volgens de samenstellers van deze bloemlezing, om ‘de toekomst recht in de ogen te kijken’. Optimist als ze zijn, gaan ze er van uit dat deze, en hun vorige bloemlezing (Belgium BorDeLioI) België zullen overleven.      

Leuk voor België. En voor Nederland, want wij kunnen er ook met volle teugen van meegenieten: alle gedichten (inclusief die van de dichters uit Wallonië) zijn zowel Franstalig als in het Nederlands weergegeven.
Omdat ik binnen het korte bestek van deze recensie niet van elke dichter iets kan citeren noem ik ze maar even: Annemarie Estor, Volauvent, Lucienne Stassaert, Erik Spinoy, Véronique Bergen, Gioia Kayaga, Runa Svetlikova, Charles Ducal, Els Moors, Werner Lambersy, Pascal Leclercq, L’Ami Terrien, Mark Insingel, Yves Namur, Rose-Marie François, Inge Braeckman, Jan Lauwereyns, Philippe Lekeuche, Andy Fierens, Geert van Istendael, Stéphane Lambert en Eugéne Savitzkaya hebben allemaal hun bijdrage geleverd aan deze bundel, die zo barst van de vitaliteit, dat er een stevige kaft omheen moest worden gedaan (zo stevig zelfs, dat ik er last van had tijdens het lezen: hij klapte als een mossel, als een rechtgeaarde mmmbundel telkens dicht). Ach, elke lezer kan er – parelvisser als hij is – na enig vouwwerk zijn eigen schat in vinden.  
Ik besluit met een fragment van een gedicht van Andy Fierens dat geraffineerder in elkaar zit dan misschien op het eerste gezicht lijkt (bijvoorbeeld in de vijfde strofe, waar de regels op slimme plaatsen worden afgebroken, zodat de lezer telkens op het verkeerde been wordt gezet):

het huwelijk

getrouwde mannen leven gemiddeld
zeven jaar langer
dan vrijgezellen of mannen
die samenwonen

ze zijn gezonder verdienen meer
ze ruiken beter pulken minder in hun neus

het heeft me jaren gekost
voor ik dat zelf inzag

zoals zoveel mannen wilde ik
niet trouwen maar zij wel

ik hou niet meer van haar
blondheid en rondheid
dan voor ik haar over de drempel droeg
maar het huwelijk veranderde
mijn perceptie

het werkt

het werkt
psychologisch

vrouwen willen trouwen

(ongetrouwde vrouwen horen de hele dag
het galopperen van hun eigen hart)

(ongetrouwde mannen verspillen
hun beste jaren aan dorstbestrijding)

(ongetrouwde mannen zoeken heil
bij de schijnbewegingen van de liefde)

(ongetrouwde mannen gedragen zich vaak
niet ethisch maar als je hen daarop aanspreekt
zeggen ze the eighties dat is dertig jaar geleden!)

(ongetrouwde mannen kijken naar films
met Bruce Lee en proberen dan hun vrienden
te karateriseren)

…….

Gelukkig kent het huwelijk verschillende varianten (het huwelijk dat België heet, is er één van).  Een vrolijke uitsmijter, dit gedicht, dat tevens opvalt door de (licht ironische) touch en toon die erin zit.
Ja, die toon, daar wil ik het nog even over hebben. Sinds ik begrepen heb van iemand dat heel jonge kinderen van gesproken taal het eerste de toon onthouden, let ik wat meer op de toon van gedichten. De manier waarop dingen worden uitgesproken is in elke taal anders. Kinderen blijken in de baarmoeder al klanken op te vangen en door het horen van hun moeder(s)taal in een heel vroeg stadium, die later gemakkelijker aan te kunnen leren. Ook als ze die taal niet spreken en in een ander land opgroeien. De mal van de klank is daarbij mogelijk leidend en stuurt de grammatica en de woorden (m.a.w. de klank is het bed waarnaar de taal zich als een rivier voegt). In klank kan angst zitten, boosheid, blijdschap, eigenlijk het hele scala aan gevoelens dat we willen uitdrukken. En we hebben vermoedelijk pas later geleerd er woorden bij te maken! Dit inzicht gaf me een andere kijk op het volgende gedicht van Kurt de Boodt, dat overigens niet in de bloemlezing staat:        

MOULES BELGES

Het schaap is de mal van het lam
De schelp is de mal van de mossel
De zee is de mal van het zout
Marcel is de mal van het beeld
De pijp is de mal van de rook
De kunst is de mal van de vondst
Het idee is de mal van Chistopher
Columbus is de mal van het ei
Het ei is de mal van de kip
De kip is de mal van het ei
De mal is de mal van de mal is
De mal van de mal is de mal van
La vache qui rit.

Een geniaal gedicht! Met als (malle) klap op de vuurpijl de toon van een lachende koe. Het bloemleest in zijn mal – de mal van het woord – als het ware alle gedichten en geeft wat mij betreft het beste weer hoe deze BorDeLioII in zijn geheel kan worden ervaren (tenslotte is niet alleen de dichter een koe).

Recensie van Ooghoek - Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse

Kijken met de ogen van twee dichters

Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse
Ooghoek
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551674
€ 19,95
53 blz.

In het onlangs verfilmde boek De Cirkel van Dave Eggers wordt beschreven, dat mensen steeds meer live gaan door een camera op hun borst te dragen. Op een gegeven moment maakt de hoofdpersoon een kanotochtje in een schilderachtige, van mensen verlaten baai. Wanneer zij hierover aan haar begeleider in het allesomvattende bedrijf dat de Cirkel geworden is vertelt, reageert deze ontstemd dat ze dit niet live gedeeld heeft: ‘Privacy is diefstal’. Alles moet zichtbaar zijn, want alleen op die manier kan iedereen alles meemaken en kunnen ook mensen met een handicap deelnemen aan ervaringen die anders buiten hun bereik blijven. Ik moest sterk aan deze passage denken toen ik de bundel Ooghoek van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse in handen kreeg. Deze door het Vlaamse Poëziecentrum uitgegeven bundel is de literaire neerslag van een bijzonder project. Dankzij Ooghoek kunnen we hier op afstand aan deelnemen.
‘In de zomer en nazomer van 2017 is het poëzieproject met gedichten van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse een beletterde wandeling en een literaire verpozing. Aan de bomen van de Kooldreef in Beernem hangen 17 gedichten die je gadeslaan of toespreken vanuit hun kastjes. (…) De passant, die vanuit zijn ooghoek de bedrijvigheid van de huizen rondom waarneemt, wordt uitgenodigd stil te staan bij wat hij ziet en voelt.’ (Over Ooghoek, de installatie – p.50). Of zoals Jooris van Hulle in zijn voorwoord, dat zich als een volwaardige recensie lezen laat, schrijft: ‘Twee dichters kleuren letterlijk en figuurlijk het project waarmee Vzw Màrmelade de Kooldreef in Sint-Joris, deeLvGemeente van Beernem, ruim drie maanden lang tot poëtisch universum ombuigt. Van wandeldreef –uniek door zijn ligging in het dorp, enig door de aantrekkingskracht die ervan uitgaat door de manier waarop de blik van de passant naar de verte van het achterliggende kasteel wordt getrokken– wordt de Kooldreef woord-dreef, beeld-dreef en klank-dreef’.

Hoewel beide dichters vanuit dezelfde opdracht werkten, is er verder weinig verwantschap tussen hun werk. De bundel bevat twee afzonderlijke afdelingen: ‘Geleider’ van Charlotte Van den Broeck en ‘Die stiekeme blik’ van Lies Van Gasse. De selectie is met 25 gedichten iets ruimer dan de installatie op De Kooldreef, waarbij beide afdelingen verluchtigd zijn met illustraties van de hand van LvG.
De gedichten van CvdB lijken meer geënt op de omgeving van de Beernemse Kooldreef dan het werk van LvG. De meeste titels van de gedichten van CvdB verwijzen direct naar een locatie in Beernem. Alleen haar laatste gedicht heet ‘Cornea’, en vormt daarmee een bruggetje naar de gedichten van LvG, die met hun titel allemaal naar een lichaamsdeel verwijzen.

WOKPALEIS

Twee leeuwen, loom in marmer gelegen
sperren aan de poort de mond open in een geeuw

binnen staat de Chinese matrone uit blok gehouwen
ze zegt ‘welcome’ met het nodige wantrouwen
voor meisjes die alleen buffet komen eten

ik kies de lange tafel aan het raam en de formule met teppanyaki
drieëntwintig euro negentig en daarbij de dwangsom
van blikken die me verplichten naast honger ook een verhaal te hebben

en ja, onder de lampionnen wiegt de weemoed in mij, ik zat hier eerder
op zwijgzame familiefeesten in een andere streek, klem
tussen wat gezegd moest en wat van de mond werd geveegd

ook nu kan ik niets bedenken
wat luidop te zeggen valt

De gedichten van Charlotte Van den Broeck geven de lezer sterk het gevoel mee te kunnen wandelen langs schilderachtige en soms ook minder schilderachtige plekken in Beernem. Natuurlijk langs de Kooldreef zelf: ‘Vanaf hier lopen de eiken in lijnen in een doorgang de diepte in / verdwijnpunt is bestemming, dat huis in de verte, met buigzame ogen, kijk / dwars door steen en hek, achter het uitzicht waakt de binnenkant’. In ‘Sint-Amandus’ (een psychiatrisch centrum) lezen we ‘tegenover het hotel waar ik logeer, bewaren ze mensen in breukgetal / een schreeuw op sterk water, een doffe blik die niet door het raam geraakt’. ‘Miseriebocht’ beschrijft de ligging van het dorp: ‘Het kanaal plooit een arm om de fietstoeristen / op de ellenboog balanceert het dorp, weggestoken / achter gestekelde brem, doorn en eikenbos’. Maar in haar beschouwingen resoneren ook herinneringen aan andere plaatsen, andere gebeurtenissen, die zich mengen met de fantasie over hoe het is om hier te leven. We stellen ons bij bovenstaand gedicht voor hoe CvdB daar zit, in haar eentje, in die licht vijandige omgeving van het kleurrijke Wokpaleis. We krijgen zelfs te horen wat het menu kost, maar ondertussen dwalen de gedachten af naar vergelijkbare plaatsen ‘in een andere streek’, omdat de waarneming immers altijd gekleurd wordt door eerdere ervaringen.

DIE STIEKEME BLIK

Eens per week maak ik een tocht
naar het leven dat ik eerder heb geleid,

naar het vlekkerige schilderij
vol mist, tuinen en loofbomen,

naar grijze en baksteenrode blokken
met het keukenraam boven de garagepoort,
de lavendeltuin naast de nieuwe auto,

naar het ei van waaruit ik

sidderend ontstond,
om me heen keek,
op weg ging,

het ei van waaruit alles ooit begon.

Onze wereld is zo klein
dat ze bijna in een hand past.

Eens per week maak ik een tocht
naar een leven dat ik vroeger heb geleid.

Onze wereld is zo klein.

Tussen de takken, achter glas,
kijk ik naar wat geschilderd staat daarbinnen.

In haar gedichten hanteert Lies Van Gasse vaak de stijlfiguur van de herhaling. In dit gedicht zien we de eerste strofe met een subtiele variatie aan het eind van het gedicht terugkeren. Maar ook ‘het ei van waaruit’ en ‘Onze wereld is zo klein’ worden herhaald. Deze manier van terughalen van elementen versterkt de samenhang van haar gedichten. Maar LvG gaat een stap verder: bij herlezing van haar gedichtencyclus valt op, dat ook elementen uit andere gedichten herhaald worden, waardoor de cyclus steeds meer als één geheel ervaren wordt. ‘Tussen de takken, achter glas’ is de openingsregel van het gedicht ‘Binnenoor’. Het ‘vlekkerige schilderij’ vindt een echo in ‘een vlekkentapijt van zon aan de kamerrand’ uit het gedicht ‘Linkerhand’. En de woorden ‘in een hand past’ staan bijna letterlijk in het ‘Voorarm’, dat aan ‘De stiekeme blik’ vooraf gaat: ‘het kind onder mijn huid, / een hoofd dat zelfs bewegend / net in mijn handpalm past’. Mogelijk wordt dit effect van herhaling en herkenning nog versterkt wanneer men deze gedichten in het project deze (na)zomer in de Kooldreef ter plekke beluistert.
De thematiek van het gedicht doet vermoeden, dat de dichter zelf in het dorp gewoond heeft, en hier regelmatig naar terugkeert. Dit sluit echter niet aan bij de biografische informatie: zij is geboren in St. Niklaas, 70 km ten oosten van Beernem. In andere gedichten lezen we ‘Nu is het zomer in Beernem’, en ‘Op de tweede dag / – maar laat ons eerlijk zijn, het had ook de derde, / of de zesde kunnen zijn – fietsen we van Brugge naar Beernem’. Mogelijk roept de landelijke omgeving van Beernem – dat zij ongetwijfeld voor dit project bezocht heeft – herinneringen aan haar eigen jeugd op.
Moederschap is een ander thema dat sterk in de gedichtencyclus van LVG aanwezig is. In het openingsgedicht ‘Schaambeen’, wordt een soort omgekeerde geboorte geschetst. In het daaropvoLvGende ‘Elleboog’ lezen we: ‘Verschillende keren zijn wij jong: / eerst in de moeder, dan in onszelf / en tenslotte in het kind dat zwelt als meel, / gekneed door onze gewoonten.’ Daarbij legt ze vaak de relatie tussen haar moederschap en haar eigen kind-zijn, zoals in de opening van het eerder aangehaalde ‘Voorarm’: ‘Het is beter op mijn natte arm dan in het bed / dat ik nochtans zacht voor je heb gedekt // waarin ik een kruik vol warmte wilde, / waarin ik over mijn verleden jouw toekomst heb gelegd’.

Beernem ligt op een steenworp (of zoals we hierboven konden lezen op een uurtje fietsen) van Brugge. De installatie is nog tot 8 oktober a.s. te ervaren. Mogelijk inspireert deze recensie of de bundel lezers tot een poëtisch uitstapje. In dat geval houd ik me aanbevolen voor foto’s en verhalen – ik vermoed dat het ervaren van de installatie ter plaatse de hier besproken gedichten nog meer tot hun recht laat komen.

Gedichten

door Alex Gentjens (1969), Tonnie Meewis (1984), Inge Boulonois (1945)
Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Alex Gentjens (1969)

Water

Waar water en zacht strand
elkaar reikhalzend raken,
elkaars vingers vouwen in het zand
en elkaars benen in de schelpen haken,

keert alles naar het oude terug.

En als de oorsprong van de dingen,
het gluren naar de tijd,
het ontluiken van seringen
de laatste kou in tweeën bijt,

komt alles in het nieuwe terug.

Tonnie Meewis (1984)

DE KAASCLUB

“Without cheese there wouldn’t be an inland empire.”
- David Lynch

We stichtten een kaasclub een mom een excuus
om de stank van ons innerlijk uit te serveren

maar wind hield mijn deur dicht ik wist het
al voor ik mijn jas van de vloer nam
mijn schoenen ontstrikte mijn sleutels weer terugvond
op de vaste plek op de vensterbank

zonder kaas zei David geen innerlijk
zonder haast zeg ik geen vervolg

maar voor en aan wie en hoelang nog
forceren de leden zich langs me
verbergen de blokjes mijn schaamte
blokkeren mijn woorden mijn tong

gestremd zal ik uitwendig zijn
gestremd zal ik verteren

in wie zonder afspraak mijn mond binnendringt
in wie mijn gerijpte gedachten waardeert
in wie zich ontvouwt en mijn keizerrijk spiegelt
in wie ik ontkom aan wat ik domineer.

Inge Boulonois (1945)

Erna

als schemer scherpe randen van schaduw
vloeibaar maakt, hoort ze het ritueel van geluiden:
het portier klapt dicht, zijn naam knerst
op het grindpad, open knarst het lipsslot

als opmaat tot de chemie van hun bestaan
ploft de tas in de hal waarna hij honderduit

steeds nét daarvoor slaat de cadens om
in doodse stilte, zijn afwezigheid snijdt
in de schrijn van haar ribbenkast

slaap is weer dun als het gebloemde beddengoed
lege armen reiken vergeefs naar zijn helft
ze gaat na hoeveel dagen geleden het al

als de ochtend harde banen op wanden trekt
stommelt ze uit bed, staart naar
de opgloeiende lichtpunt van haar sigaret

al twaalf dagen staat in de hal de tas
onuitgepakt

Recensie van Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk - Hans Plomp

Letteroefeningen van een romantische backbencher

Hans Plomp
Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk
Uitgever: In de Knipscheer
2017
ISBN 9789062659159
€ 17,50
172 blz.

Het voor mij liggende boek, waarin niet alleen een bloemlezing te vinden is van 50 jaar dichtarbeid van Hans Plomp, maar ook een door Peter de Rijk op basis van gesprekken met de auteur geschreven levensschets, ziet er fris en zonnig uit. Op het goudgele omslag springen twee van het leven genietende naakte mensen in psychedelische kleuren elkaar in de armen tegen de achtergrond van een wereldkaart. Op de achterkant van het omslag staat een zonnige foto van een breed lachende Hans Plomp (een foto van Iris Freije) in een soort gewaad met oosterse motieven, een afbeelding van een erotische Indiase godin waaronder een krans doodkoppen hangt: eigenlijk geeft het omslag alles weer wat er in de poëzie en de levensbeschrijving te vinden is: leven, dood, liefde, erotiek, levensvreugde en oosterse mystiek. De achtergrond met de wereldkaart, in aquarelachtige tinten, sluit daarbij aan door de in de bundel opgenomen vertalingen, niet alleen uit de ‘westerse’ culturele sfeer, maar ook uit Indiase en Iraanse poëzie.

Of de levensschets nu een begeleiding is bij de poëzie of de poëzie bij de levensschets weet ik niet. Er is een grote samenhang in thematiek: wat in de schets genoemd wordt, is in de gedichten te vinden. Het is alleen jammer dat bij de gedichten geen jaartallen vermeld zijn, waardoor de op het omslag vermelde ‘terugreis in de tijd’ niet te volgen is. Ik heb allereerst de levensschets gelezen en zag wie Hans Plomp was, een alom aanwezige persoonlijkheid in de poëtische en maatschappelijk-culturele stromingen van na de Vijftigers als provo, hippie (make love not war), de neo—romantiek en de terugkeer tot een spirituele levenshouding waarbij ook een modernere visie op de dood een rol speelt. De betekenis van Hans Plomp die met Gerben Hellinga en Heere Heeresma als kunstzinnige actievoerders erin slaagden om de sloop van polderdorp Ruigoord een halt toe te roepen en de ontwikkeling van deze kunstenaarskolonie te bevorderen, ligt in ieder geval in zijn participatie aan de stromingen die het land, de kunst en de bestuurlijke cultuur veranderden. Of hij als dichter bekend zal blijven dan wel als inspirator of chroniqueur van de woelige jaren zestig en zeventig, ligt in de schoot van de tijd verborgen. Hij was in ieder geval, zeker als belangstellende backbencher, overal bij.

De poëzie van Hans Plomp is uiterst helder, zijn taalgebruik eenvoudig, zijn woordkeus alledaags, wat ook logisch is gezien zijn bijdrage aan het ’Manifest van de jaren zeventig’, waarin de uitdrukking ‘nieuwe wartaal’ voorkomt, waarmee deze groep schrijvers zich tegen de Vijftigers afzette. Zijn rijmen zijn soms aan de platvloerse kant (ik wil / niets meer willen, / inslapen / tegen jouw billen, (p.91) / (…. ) in mijn mond / telkens lieve engel / moet ik denken / aan je goddelijke kont, /neem niet kwalijk, / aan je goddelijke vonk (p. 92), maar zijn thema’s zijn duidelijk: liefde, bezinning, levensvreugde, erotiek. En zijn meest recente poëzie ene bezinning op de dood. Dat levert poëzie op die plezierig is om te lezen, zoals een eenvoudig liefdesliedje (p. 94) :

MIDDAGDUTJE

Zit ik aan de oever
van mijn stille binnenzee
komt een scheepje langs gevaren
met aan boord mijn liefste fee
roept de stralende gestalte
van de kleine boot mij aan:
loopt het tegen hoogtij, vraagt ze,
anders moet ik verder gaan.

Gooi het roer om lieve dame
vaar in godsnaam niet voorbij
ik heb hier de dood gevonden
hem net huid en haar verslonden
en mijn leven dat ben jij.

Het liedje, want dat is het, zou een negentiende-eeuwse romanticus niet misstaan.

Soms zoekt Plomp naar spiritualiteit. Een fragment uit een gedicht zonder titel (p. 70):

Doe open
er zit een engel
in mijn diepste kelder
opgesloten.

De sjamaan krimpt
in openbaringsweeën.
Tussen beide oevers
van de ondergrondse vloed
is hij de brug.

Doe open dichter.

Eenvoudige taal, simpele beeldspraken, het lijkt wat onuitgewerkt, dit gedicht. En er zijn meer van dit type, die voortkomen uit emotionele momenten.

Soms lijken regels te verwijzen naar een trip: ‘Diep, diep, zo diep ben ik nog nooit gevallen / duizenden jaren diep! / Nog nooit zo zacht geland / op een onbekend strand, / Een stralend wezen streelt mijn ballen’.

Er is geen moeilijk woord te vinden in de gedichten, er zijn amper dubbele bodems. Hans Plomp is overigens goed thuis is in zijn klassieken: Pluto, Venus, Orpheus komen voorbij. De laatste inspireerde Plomp tot een fraai, zij het naar mijn gevoel ritmisch wat stroef lopend gedicht, waarvan, en ook dat gebeurt regelmatig, de titel deel uitmaakt van het gedicht:

TOEN ORPHEUS STIERF

Ontwaarde hij
links naast de woning van Pluto
een bron
onder een sierlijke cipres

Drink daar niet,
het is vergetelheid
waarin je wegzinkt,

Ga op zoek
naar het meer van herinneringen
daar is nog een bron
bewaakt door wezens.

Zeg hun
dat de aarde je genoeg is,
dat je terug wilt naar de oersprong.

Zeg hun: ‘Ik ben uitgedroogd
en wil alles weten,
geef me water
uit de bron van de herinnering’.

Ze geven je te drinken
en je zal ontwaken
als een god onder de goden.

Een trip of een verzuchting? Zelfs een moeilijk stoïcijns begrip als Apokastasis levert een gedicht op (p. 32 ). Opdrachten aan Gust Gils, Simon Vinkenoog, Gerben Hellinga, Allen Ginsberg bewijzen zijn plaats in het netwerk, waarin hij als ‘dichtend backbencher’ of ‘vooraanstaand maatschappelijk actievoerder’ alles meemaakte. Op gevorderde leeftijd is hij met de dood bezig, die hij kennelijk niet vreest. Hij praat er met zijn vriend Simon Vinkenoog over die reeds de grens overging. Onder invloed van ayahuasca of soms zonder geestverruimend middel ( ayahuasca is een Zuid-Amerikaanse hallucinogene drank) communiceren beide dichters. Het biedt hoopgevende inzichten. Vele collega’s, zegt Plomp, lijden aan de tijd en proberen zich van het leven te beroven. Maar de communicaties bieden Plomp de mogelijkheid deze tijd toch te zien als ‘de beste aller tijden’, waarmee, met dank aan Simon Vinkenoog, de titel van de bloemlezing verklaard is ( p. 170).

Een deel van deze bloemlezing is gewijd aan vertalingen die Plomp maakte. Het taalgebruik van zowel de Europese als de exotische gedichten was prachtig. Ik heb een paar gedichten in de oorspronkelijke taal nagezocht en geconstateerd dat de vertalingen niet alleen mooi taalgebruik opleveren, maar ook goed zijn. Wat mij stoorde was, en ik verwees er eerder naar, het ontbreken van titels. Zo moest ik langs zoeken naar het gedicht van Marceline Desbordes – Valmore (1786 – 1859) ‘Les roses de Saadi’, maar het loonde de moeite: het is een sierlijke vertaling (p. 102). Ook zocht ik wat Engelse en Duitse teksten na: zeer de moeite waard. Vooral die van een tweetal Frans-Duitse dichters die ik niet kende, maar wel mijn aandacht hebben getrokken: Yvan en Claire Goll, beiden rond 1890 geboren, beiden rond de helft van de 20ste eeuw overleden.

De levensschets, opgeschreven door Peter de Rijk, is als een monoloog van Hans Plomp zelf. Lees eerst de levensschets. Daarna de poëzie en dan nog eens de levensschets.

Samenvattend: een zeer leesbare bundel met goed te begrijpen poëzie van een duidelijk romantisch karakter. Vandaar dat ik, en het is als compliment bedoeld voor het lid van het ‘neo-romanties genootschap’, het woord ‘Letteroefeningen’ heb gebruikt. Wel stoorde mij soms het platvloers taalgebruik; ik denk niet dat Hans Plomp dat nodig heeft. Het feit dat er geen jaartallen bij de gedichten vermeld staan ontneemt een lezer de mogelijkheid het gedicht maatschappelijk in te passen. Ik zou Hans Plomp graag chronologisch hebben gelezen, omdat zijn wereld ook de mijne was. De levensschets is verhelderend. Wie kennis wil nemen van poëtische reacties op grote maatschappelijke bewegingen, moet deze bloemlezing zeker aanschaffen en meerdere malen lezen.

***
Hans Plomp, geboren in 1944 in Amsterdam. Hij studeerde Nederlands en was enige tijd leraar. Hij ontmoette veel schrijvers. Zijn debuutroman ‘Ondertrouw’ uit 1968 vertelt over de contacten met Reve en Johan Polak. Groot gebruiker van geestverruimende middelen., werd actief in Provo en schreef met toneelschrijver Gerben Hellinga een drugshandleiding ‘Uit je bol’ . Werd vooral bekend als actievoerder die de sloop van Ruigoord tegenhield, nu een bloeiend kunstenaarsdorp. Op het festival ‘Vurige tongen’ werd de hierboven besproken bundel gepresenteerd. Als lid / stimulator van het Amsterdams ballonnengezelschap organiseert hij in Paradiso het ‘ballonnenfeest’.