Gedichten

door Koos Hagen (1939)
Koos Hagen was docent Frans in Amsterdam, schrijft verhalen en vooral gedichten, was stadsdichter van Amstelveen (2010-2013) en werkt graag samen met muzikanten en andere dichters. De bron van zijn werk is gelegen in onophoudelijke verbazing over het minuscule, het grootse en het oneindig gevarieerde menselijk gedrag. Hij is niet vies van engagement, wel van cynisme.
 
Dode zielen

Hooggeleerde bracht het nieuws
dat via voorpagina’s en weekendbijlagen
ten slotte belandde in talkshows
geen houden aan binnen drie maanden
had op gezag van de wetenschap
de randstadelite de ziel afgeschaft

ik wist niet wat mij te doen stond
waar kon ik de mijne verbergen
ik zou ermee voor gek lopen
bij een officiële gelegenheid
binnenkort ook onder vrienden
waar kon ik me dan nog vertonen

gelach in de tuin bij de barbecue
geen vuiltje aan de lucht tot buurman
begint over de almacht van het brein
hilariteit ontstaat om simpele geesten
valse sentimenten voorbije tijden

lang nadat iedereen is weggegaan
vind ik bij smeulend vuur mijzelf terug
en zie omhoog hoe zwijgend en meedogenloos
de sterren aan de hemel staan
Poëtica

Mijn lief is een vormvast gedicht
maar hoogst divers, met groot gemak
slijpt zij een puntdicht, danst zij een ballade
of hijst zich in een strak sonnet

ooit neigde zij naar het rondeel
maar nu mijdt zij herhaling en refrein
en het gehobbel van enjambementen
dan liever een bijtend kwatrijn   

haar tekst is op de man af, nooit
bezondigt zij zich aan quasi filosofietjes
of beeldtaal die leegte verhult

geen zouteloze woordenbrij, trefzeker
richten haar klanken, vorm en ritme zich
op eindrijm dat mijn liefste wens vervult
Lounge

Een golf vals blond valt binnen
wankelt op iets te hoge hakken
naar de bar om droge witte wijn
klikklak

Strakke pakjes dikke lippen
met een iets te schelle stem
commentaar op haar of hem
hakketak

Wat zie jij er fan tas tisch uit
vandaag, vertel hoe doe je dat
weet je dan niet mijn nieuwe liefde
drie maanden al en zo bijzonder

Ze lachen, strelen, stoten aan
met blossen op de wangen
spelen zij nog even vroeger
meisjes van zestig
Recensie van Mijn grote schuld - Laurens Ham

Poetica, non Polet

Laurens Ham
Mijn grote schuld
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427129
€ 19,99
63 blz.

Laat ik meteen maar met de deur in huis vallen. Het grootste deel van Mijn grote schuld, de debuutbundel van Laurens Ham, doet me weinig en ik kan er ook weinig mee. Niet als poëzie, niet als klank, niet als taal.
Vele pagina’s zijn gevuld met linten van woorden en zinnen, waarvan onduidelijk is of ze deel uitmaken van een groter geheel of dat ze als zelfstandig gedicht moeten worden beschouwd.
Aan de hand van de gedichten/fragmenten op pagina 48, 49 en 50 zal ik proberen om, samen met de lezer, dieper in de bundel door te dringen.

[p. 48]
dat kind die mars door de strot
bloed- en bodemloos
terwijl mijn scheur in de lucht wordt dichtgenaaid

de pers internationaal
breeduit op schoot in slaap
gromt eenmaal zijn tanden bloot
sluimert alweer

ingesnoerd in het ijle hang ik
verzekerd als ik ben
van een strand
van alle smetten vrij

ik avonturier die achter gesloten oogleden
de bergwand ziet
en nadert

[p. 49]
ik zondigde al
toen ik het schoongeveegde folderland
in  mijn voorruit realiseerde
brandende metablik
alle vrijheid verzengd

kan ik die fjorden vrijkopen
dan doe ik dat verdomme
helle zomerdag

hoe immoreel zou het zijn
die potentie onverwezenlijkt te laten

mijn zonde bestaat in het erkennen
van schuld
waar die zo leeg is
als een slappe portemonnee

[p. 50]
als we die trein nu eens dwars
door hun terrein snijden
verstoven zwerm
door een tyfusmooi land

als we de robot nu eens gevoelig
maken voor gelukszoekers
en hem vragen hen bij twijfel
naar god te helpen

als we het koele razen
van het spoor nu eens ombuigen
tot de ruimte voor verstekelingen
gebald raakt als een slakkenhuis

bij het ontrollen van het spandoek
geen ontsnappen meer aan

fuck de politiek
laten we het gezellig houden

Deze reeks ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ begint op p. 46 en aan de hand van een aantal signaalwoorden als ‘wasstraat’, ‘velgen’, ‘bello’, ‘maxicosi’ (p. 46), ‘wandelschoen’, ‘terriër’, ‘wurglijn’ (p. 47), ‘kind’ (p. 48), ‘folder […]’ en ‘voorruit’ (p. 49) meen je op het anekdotisch niveau te lezen over iemand die zijn auto wast en met kind en hond in het bos gaat wandelen. Maar op. p. 50 gaat het opeens over ‘trein’ en ‘spoor’ en besluit het geheel met ‘fuck de politiek / laten we het gezellig houden’.
Hier wordt een procedé zichtbaar: de verdubbeling trein/terrein komt voort uit klank, de verdubbeling slakkenhuis/ontrollen […] spandoek komt voort uit beeld. Dit soort verdubbelingen en verspringingen komt veel vaker voor in de bundel. Zo vaak zelfs, dat ik denk dat ze de bouwstenen vormen van de gedichten. Op deze manier groeit de tekst door middel van klank, beeld of betekenis steeds verder aan tot een reeks of een lint van teksten, waarbij de reeks zelf uitsluitend ontstaat bij gratie van de beginwoorden die de associatie op gang brengen. De reeksen eindigen niet echt, maar blijken te zijn afgelopen wanneer je opeens terechtkomt op een witte pagina. Ik kan er nog altijd de noodzakelijkheid niet van inzien.

De illustratie op de voorzijde toont een persoon in een poollandschap naast een leeglopende zwarte luchtballen en een op zijn kant liggende bruine gondel, waarin nog licht schijnt. Op de achterzijde leest men onder meer: ‘… hoe we door te reizen ingrijpen in de samenleving en de natuur.’
Mogelijk hebben deze zaken met elkaar te maken.
De constatering op de achterzijde is geen breinbreker. De thermometer toont slechts de temperatuur van zijn contactvlak met het ijsblok en beïnvloedt die tegelijkertijd. Zelfs de herinnering verandert, wanneer we haar in de geest aanraken.

Ham opent de bundel met twee motto’s; één uit Tony Wheeler’s ‘Lonely Planet philosophy’ en het ander uit Hendrik Tollens’ ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla’. In de ondermarge van de reeks ‘Wee’ worden delen uit een zeventiende-eeuwse brief afgedrukt, afkomstig van www.gekaaptebrieven.nl . Welk verband moet er blijken uit het opvoeren van Willem Barentsz als sprekend personage, de verwijzing ‘van alle smetten vrij’ naar Tollens (‘Wien Neêrlandsch bloed…’) en de toeristen in de reeks ‘Utopië’?
Beoogt de tekst op de achterzijde, behalve een constatering, een duiding te zijn van de inhoud van de bundel? Ook na de vierde herlezing heb ik die kluis niet kunnen kraken.

Mij bekruipt het gevoel dat Ham – indachtig Marsman’s ‘baldadig aforisme’ van graan des levens dat wordt omgestookt tot jenever der poëzie – wat te diep in het glaasje Polet heeft gekeken. Hij tapt uit een vaatje dat niet door hemzelf is aangeslagen, maar dat al door diverse dichters, sommige van naam en faam, gevuld is. Hierbij kan het zijn dat zich in de aard van de beelden en associaties de persoonlijkheid van de dichter laat benaderen, in de gedichten als zodanig lukt mij dat niet. In plaats van een poetica van de dichter zelf zie ik voornamelijk schatplichtigheid aan voorgangers. Dat is jammer, want op een enkele plaats meen ik de stem van de dichter wel degelijk te horen. En dat smaakt wel naar meer:

[…]
iedereen vormt zich een luchtschip
om zijn naasten te vervoeren

[p. 61]

****
Laurens Ham (1985) is essayist en docent-onderzoeker aan de Universiteit Utrecht. Hij publiceerde eerder poëzie in Terras en  DWB. Mijn grote schuld is zijn debuut als dichter. Eerder verschenen van hem de studie Door Prometheus geboeid en het nawoord bij Sybren Polet’s laatste essaybundel, De noodzaak van het overbodige. Hij won in 2011 de ABG/VN Essayprijs voor het essay ‘Multatuli, een zelfcreatie’.

Gedichten

door Laurens Ham (1985)

Langzaam terugkruipen. Op rupsbanden.
Langzaam je broek laten zakken en de wereld
een stok geven om mee te slaan.

Genietende ogen niet te vroeg sluiten. Krom je
vingers er maar omheen. Draai hoofd, draai been.
De meesten willen te vroeg los. Span je wil je.

In de bandensporen rust een lichaam
door dieren bepikt. Wil je soms niet groot worden,
wil je de kleine lijven het alleenrecht geven,

wil je de kabels niet knappen horen. Nu
de wereld doodstil ligt te wachten, zien we
de tank over het kleine wiegende lijf gaan, keer op keer.

we zijn besloten in glas
barentsz heft zijn handen
ogen vol smook
en een verandering in de lucht

de horizon verdraagt ons
al maanden zonder licht
vuursteen dooft en valt

we staan in rekken met aquaria opgesteld
rijen van twee
paradijsvissen drukken hun snuiten tegen de wand
onze ogen lopen vol

hier dondert een glaswand in elkaar

daar stroomt water de gretige kelen in

wij weten wat er speelde
omdat we geluisterd hebben

onze moeders voedden het vuur  
met hun verhalen over het eiland
waar alles van kunststof is
waar rondsnorrende bedienden het slavenwerk doen

ze hebben de laatste vruchten bereid
met hun verhalen over steden waarin ze dagenlang
waadden in de tomaten
over tobbes waarin ze rondstampten
het sap opgespat tot vlak onder de rand
de druivenvelletjes tussen de tenen

ze hebben getoond hoe hun handen
de zachte pluizen van de katoen misten

we keken met wijdopen ogen
de zwartplastic binnenkant van de tent kapot

Barbecue na safari

 

Een contrastvolle klankreis

Laurens Ham (1985) is literatuurwetenschapper en essayist. Hij werkt aan de Universiteit Utrecht als docent Moderne Nederlandse Letterkunde. Onlangs verscheen zijn debuutbundel Mijn Grote Schuld bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

Hoe wij met onze toeristische reizen ingrijpen in de wereld om ons heen is een thematische rode draad in Mijn grote schuld . In een omschrijving van je bundel lees ik:
‘Er wordt een wereld opgeroepen waarin alle grenzen zijn weggevallen.
Een toerist op safari dresseert zijn aap en is tegelijk aan hem onderworpen. In een fascistische droomstad vloeien klassiek-Romeins verleden en hedendaagse politiek samen. Mensen trekken rond in een oneindige woestijn nadat het toerisme vernietigend heeft toegeslagen.’
Beoog jij met de gedichten in deze bundel je lezers tot inzichten te brengen omtrent het reizen?
Ik geloof niet dat het lezen van een dichtbundel mensen tot heel nieuwe inzichten of zelfs een nieuwe levensstijl kan aanzetten. Goed, misschien is er af en toe een bundel die je écht helemaal door elkaar schudt en je leven een beetje verandert – zelf heb ik dat gehad bij Paul van Ostaijens Bezette stad en Hogevalk van Vicente Huidobro – maar dat komt zelden voor. Wel hoop ik dat mijn bundel iets prikkelt in de verbeelding van de lezer. Het is een beeldrijk boek, vind ik zelf. Idealiter zet het boek via die verbeelding aan het denken over de manier waarop onze reizen met het kolonialisme zijn verbonden, of met het verlangen naar een glorieus verleden.
Als het gaat om de invloed van literatuur op de levensstijl van mensen, denk ik dat proza op dat punt meer teweegbrengt dan poëzie, omdat een roman of verhaal eerder uitnodigt om je in een personage in te leven. Er zijn ecokritische wetenschappers die denken dat literatuur kan helpen om meer inzicht te krijgen in ecologische processen. Het idee is dan: als je van een afstandje het milieuonvriendelijke gedrag van een personage bekijkt, ga je zelf ook anders over je eigen leven en ecologische voetafdruk nadenken. Misschien is daar wel iets van waar. Maar zoals ik eerder al zei: ik denk dat we ook niet té optimistisch moeten zijn over de mate waarin literaire werken mensen aanzetten tot een andere levenswijze.
Wat ik zelf misschien een grotere eye-opener vond, was het bijwonen van een bijeenkomst waarin twee onderzoekers die veel met dieren werkten over hun onderzoek vertelden. Ze hadden zo’n vanzelfsprekende kennis van en respect voor de dieren. Mensen die zo’n ‘geleefde’ kennis van de natuur hebben, daarvan kunnen we veel leren. Ik denk dat Anneke Brassinga in het Nederlandse taalgebied bijvoorbeeld een schrijver is voor wie dat geldt, en ook Miek Zwamborn.

In hoeverre zijn leven en schrijven voor jou met elkaar verbonden? Leef jij wat je schrijft?
Mijn bundel is grotendeels gebaseerd op reizen die ik zelf gemaakt heb de afgelopen jaren. De afgelopen jaren merkte ik dat ik op reis steeds minder voor de toeristische highlights ging, maar steeds meer geïnteresseerd raakte in sociale processen die je ziet in een land. Hoe is het mogelijk dat je in Mexico wordt rondgeleid in nationale parken waarin de overheid geen enkele macht heeft, maar waarin plaatselijke militie-achtige groepen voor de veiligheid zorgen? Waarom accepteren we het dat er golfbanen worden aangelegd middenin de woestijn rond de Rode Zee, terwijl al het water dat nodig is om het gras groen te houden vanuit elders moet worden overgepompt? Is het niet van een enorme ironie om een uitje naar Safaripark Beekse Bergen af te sluiten met een barbecue? Wie toerist is, stuit automatisch op dit soort sociale en ecologische vragen, maar het interessante is dat we totaal niet geneigd zijn om er te lang bij stil te staan. We houden al helemáál niet op met reizen, terwijl dat een hoop problemen zou oplossen. Dat is wat me interesseert: hoe ik als reiziger medeverantwoordelijk ben voor allerlei sociale en ecologische problemen, maar me toch niet in staat voel om me aan het systeem te onttrekken.

De titel Mijn grote schuld roept bij mij associaties op met het Christendom. Schuld bekennen, dat doen de meeste mensen niet al te graag, behalve dan misschien tegenover die ene God, die ons zou kunnen vergeven. Daarom denk ik in eerste instantie bij de titel: Zo, dat is dapper, hij gaat schuld bekennen en ik vraag me af waarvoor.
Bij nader inzien lijkt ‘Mijn grote schuld’ in je gedichten meermaals een persoon aan te duiden.

‘mijn grote schuld triomfeert op de rondvaartboot
mijn grote schuld laat het breed hangen
over de rand van zijn safaribroek’
De schuld lijkt uit de ik voort te zijn gekomen maar los van hem te staan. Waarom heb je ervoor gekozen je op deze manier van de schuld te distantiëren?
Interessante vraag – al vraag ik me af of ik me echt distantieer van de schuld in deze bundel. Het toeristische schuldgevoel waarover ik net vertelde is continu aanwezig wanneer ik reis. Door er een persoon van te maken, neem ik het schuldgevoel zelfs heel serieus. Er zit een afwisseling van ironie, schuldgevoel en woede in het boek, en dat zijn ook mijn emoties. Maar het is waar: deze bundel leest minder als een persoonlijke bekentenis dan als een verkenning van hoe ik over reizen nadenk. Door de emoties op personage-achtige figuren te projecteren in een quasi-fictionele wereld, heb ik veel meer vrijheid om fenomenen met elkaar in verband te brengen dan wanneer ik persoonlijke reisverslagen geleverd had. Ik kon bijvoorbeeld de fascistische wijk EUR in Rome, de stad Ostia uit de klassieke oudheid, beelden van katholiek martelaarschap, de film Salò van Pasolini en de moord op Pasolini in één reeks met elkaar laten vervloeien.

Ja, er zit veel informatie en emotionele lading onder de huid van je gedichten, dit geeft je lezers bij elke lezing weer wat nieuws te ontdekken.
Een andere terugkerende bewoording is ‘aapjelief’, als een gekoesterde innerlijke aap die het onder de tirannie van de grote schuld vaak zwaar te verduren heeft.
hoe vaak het hoofdbureau ook retoucheert
hoe vaak mijn grote schuld excuses bromt
het zal aapjelief niet baten

hoe vaak men ook zijn ketting poetst
zijn hals blijft dun en kaal

zijn tong zoekt naar de juiste klank’
Opvallend vind ik, dat je hier met ‘klank’ eindigt omdat jouw werk, los van lading en lagen, heel klankrijk is. Wat betekent klank voor jou?
Klank is voor mij heel belangrijk in poëzie. Ik ben dol op klankdichters en op dichters als Astrid Lampe die muzikaal heel sterk zijn. Dat zal ook met mijn liefde voor muziek te maken hebben. Wat mij ook altijd gefascineerd heeft, zijn rituele stukjes taal, die door de herhaling bijna betekenisloos worden, zoals de gebeden in de katholieke kerk. Misschien vormt het klankspel in mijn bundel een manier om te zorgen dat de tekst niet bij een politiek pamflet blijft.

Voor je als dichter debuteerde verscheen in 2015 bij Uitgeverij Literatoren het boek Door Prometheus geboeid. De autonomie en autoriteit van de moderne Nederlandse auteur. In dit beschouwende boek wordt belicht hoe een autonome zelfpresentatie samen kan gaan met een stevige politiek-maatschappelijke positionering.
Zou je kort kunnen samenvatten voor wie het boek niet heeft gelezen, wat bedoeld wordt met een autonome zelfpresentatie?

In alles wat ik schrijf – dus in mijn poëzie, maar ook in mijn wetenschappelijke en essayistische werk – gaat het over hoe je je met geschreven taal kritisch en politiek tot de wereld kunt verhouden. Door Prometheus geboeid, mijn proefschrift, ging over schrijvers in de negentiende en twintigste eeuw die zich autonoom voordeden, die suggereerden dat ze in de wereld geen enkele duidelijke politieke of maatschappelijke positie hadden. Ze wilden niet de politiek in, ze wilden niet als maatschappelijke autoriteit worden erkend. Maar juist door dat niet te doen, eigenden ze zich veel gezag toe: ze kregen een soort buitenstaandersrol toegekend, die ze gebruikten om steeds tegen maatschappelijke verschijnselen tekeer te gaan.

Je constateert in dit boek ook dat wie zich in de literaire wereld het minst aantrekt van maatschappelijke normen, het meest serieus wordt genomen. Hoe verhoud jij je in Mijn grote schuld tot maatschappelijke normen?
Ik ben geen goed voorbeeld van een literaire rebel zoals Multatuli of Carry van Bruggen dat waren – twee van de schrijvers uit mijn boek. Maar ik denk dat het type rebellie dat zij belichaamden ook steeds zeldzamer aan het worden is. Mijn bundel bevat niet voor niets veel beelden van dieren en mensen die zich inhouden, die gedresseerd zijn. Volgens mij heb ik me, net als heel veel andere mensen in Nederland op dit moment, bepaalde maatschappelijke normen helemaal eigen gemaakt. Het is moeilijk om mensen, zéker hoogopgeleiden, nog warm te maken voor protest. Dat vind ik treurig, maar het fascineert me ook.

Kan poëzie zonder engagement volgens jou ook goed zijn?
Natuurlijk! Poëzie hoeft van mij helemaal niets en er zijn zat dichters die heel goed zijn, maar niet politiek. Maar ik merk wel dat ik poëzie die zich politiek bewust toont meestal interessanter vind. Belangrijk is voor mij vooral dat een dichter niet teveel de dichter staat te spelen: ik houd niet van gedichten die druipen van de melancholie, van het liefdesverdriet of van de goedkope ironie. Maar voor de rest kan, ja moet álles in de wereld onderwerp kunnen zijn van een goed gedicht.

Gedichten

door Eline Crols (1994), Margot Delaet (1999), Mattijs Deraedt (1993)
Dit voorjaar organiseerde Jeugd en Poëzie poëziewedstrijd SOET, voor jongeren van 6 tot en met 30 jaar. Een onderdeel van de prijs was publicatie in Meander van de drie hoogstgeplaatste gedichten in de leeftijdcategorieën 15 t/m 17 en 18+.

Margot De Laet  (1999)
1e prijs 15 tot 17 jaar

ze heette vrede

zal een hand op de rug
van zijn hand leggen en zeggen
“mag ik naast je komen liggen?”

ooit, moest ze fluisteren zoals bomen moeten fluisteren
en haar lippen die schuurden langs zijn oor, versplinterd
door de kou, waren blaadjes
die vielen in de herfst en hoe ze op de grond lagen,
dor al

maar eens zal ze schreeuwen
haar lippen, fris als een zonsopgang

zullen op zijn mond neerstrijken en viool spelen

*

Hannah Timmermans
2e prijs 15 tot 17 jaar

Ochtendgrijs

gordijnen filteren ochtendlicht
en ik zit opgekruld
wachtend tot bloemen groeien
uit mijn ruggengraat
van merg zijn dromen gemaakt

de muren drukken
tot ik niet meer is
en tegenwoordig niet nu was
ik maakte verleden tijd tot voertaal
van gebrokenen zoals mij

en wanneer de wereld
vergeten zal zijn
dat wij mensen
tekenden met woorden
zal ik hier nog steeds zitten
wetend hoe het was om lief te hebben

*

Eva Van de Putte
3e prijs 15 tot 17 jaar

Glazenstraatje

Daar waar de ramen geen gordijnen hebben
daar waar “ze” elkaar ontmoeten, maar “zij” nog veel meer afspraken had staan.
Daar waar men borsten, billen en lippen kon passen als kledij.
Waar hij langs de etalages liep,
op zoek naar het mooiste pak.
Hij die verlicht werd door de neonlampjes en steeds hengelend werd binnen gehaald,
al wist hij wel wie er echt in bokalen zat.
Het was de plaats waar nooit iemand iets na het kopen mee naar huis nam
De plaats waar de ramenwasser het vaakst kwam
en de vissen heel breekbaar waren

*

Eline Crols (1994)
1e prijs +18 jaar

Vloeibaar

Terwijl wij elkaar ingekapseld in heet badwater beloven dat
ons verschrompeld verlangen onder dit oppervlak
telkens opnieuw wordt geboren,
strandt langs de Vlaamse vloedlijn een walviswijfje.
Ze strekt zich uit als een fata morgana,
weerspiegelt hoe week wij zijn wanneer we vervellen
als kreeften
het oude schild achter ons laten.
Ze leerde het water haar nodig te hebben,
tast haar vel af op zoek naar de pijnplek
wild vlees op een dreunende wonde na de doortocht van de vishaak.
De rest van haar leven zal ze tegen het littekenweefsel aankijken.

Wanneer het tij keert, wordt zij opnieuw meegezogen
in een golvende herinnering. Olietankers aan de horizon,
hoe we zeeslag speelden aan de rand van het zwembad,
elkaar verloren bij het treffen van het vliegdekschip.
Nazomerochtend in Oostende.
We zochten parels in tapijtschelpen,
vergisten ons wanneer we in de ruis op ons hart de zee meenden te horen.
Bij valavond vonden we happende vissen langs de kustlijn.
Hun kloppende kieuwen in de tanende septemberzon
leerden ons kwetsbaar  zijn.
De mazen van het net slechts uitstelgedrag voor wat
onontkoombaar.

Op een dag zal ons hoofd niet meer boven water komen
na de vlinderslag.
Zullen we nog slechts halfslachtig spartelen bij het vollopen van de longen.
En van alles wat ophoudt
– de terugtocht van het water,
het opdrogen van de uitgelopen mascarawangen,
het hopen op een boze droom –
van al die dingen het rimpelen pas als laatste.

Wanneer de warmte uit ons trekt,
we kleur en spierspanning verliezen,
voorgoed verstijven in herinnering,
loopt de keukenwekker af in een huis
dat geurt naar schepsnoep en waterverf.
Schuift moeder de diepvrieslasagne op gretige kleuterborden.
Goede raad komt hier voorverpakt en in laagjes,
zoals moeder handdoek, zwempak en badmuts opstapelt in een rugzak.
Vanavond is er zwemles om alvast te leren drijven.

*

Mattijs Deraedt
2e prijs +18 jaar

de stad huilt elektronische tranen
die van haar straatlantaarns druipen
terwijl ik deze woorden vorm
letter voor letter, duimen op de toetsen
ze vindt zichzelf wel mooi, de stad
ze zou zich willen aanraken
haar satijnen nachtkleed
van haar schouders laten glijden
een gin tonic met kruidnagel
tussen de geparfumeerde vingers
zich opensperren voor het panoramische raam
van een penthouse en zich glinsterend wit
laten likken door de skyline
(ze zou zo graag nog eens zo genomen worden
dat het niet meer duidelijk is wie wie
of wat wat precies aan het nemen is)
de stad voelt woorden opborrelen
uit haar meest behaarde achterbuurt
ze probeert ze te vangen voor ze wegglippen
en door de smogrijke straten zweven
ver voorbij de handen van haar Somalische vuilnismannen
de stad voelt zich zo lyrisch
als een Coca-Colareclamebord
een tempel van vlees
een wild zwijn dat met zijn snuit in de modder wroet
op zoek naar koperen truffels
ze verbergt Aziatische geesten
in de ruiten van haar treinwagons
ze geurt naar amandel en lokt oude wollen vrouwtjes
de bus en vervolgens een steegje in
soms denkt ze terug aan de tijd waarin ze alles voor het eerst zag
hoe de stroom van autolichten ’s nachts aan de horizon verdween
alsof de wereld daar ophield
ze zou nog één keer een verzameling roze bloesems
willen zijn, ergens in april, achterin een boomgaard
een wasdraad met dampende kleren en veelkleurige spelden
ze zou nog één keer alleen willen zijn
en staren naar haar eigen witte bossen
achter vensters van licht
hoe dan een vrouw bijna onzichtbaar uit het raam klautert
zich gewichtloos van de regenpijp laat glijden
en door de straten dartelt alsof het nooit anders
maar de stad is nog steeds stad
ze geeft geen sleutels weg maar rolt
als een rivier van Leonard Cohen
ze laat de ronkende tongen van duizend kraanvogels
zich volledig over en uit woelen
de stad is het zoutwezen dat wriemelt tussen de kasseien
ze wil zich nog één keer verbazen
zich onherkenbaar terugvinden onder de lakens
met vol gekraste poten en diamanten ringen
ze wil geluiden horen, beelden zien, zinnen dicteren
die ze nooit dacht te dragen
zich verliezen in de opsomming
niet kauwen op lauwe flitsen
maar zichzelf de twaalf blauwe bancontactogen uitsteken
en zich leeg zingen als een karamellenwijf
in het romige licht van een jazzkroeg
maar ze blijft een raadsel
van alles wat je weet

*

Dorien Couton
3e prijs +18 jaar

Het waarom van Bingo

Doordeweekse dagen in het huis
met honderd ramen. Er is niemand hier

die het waarom van bingo weet. De franken rinkelen
in hun zakken en hun stemmen

kruipen de muren in. Ik luistervink de gangen door.
Voor haar kamer hou ik halt, vuur haar

vorig leven aan. Het moet,
we delen bloed.

Na thee zonder zakje klinkt de bel. De illusie van
een eigen inkom. Ik beloof dat ik terugkom.

Ze vraagt of ik verliefd ben. Haar nagels
laten maantjes in mijn vel.