Gedichten

door Hella Brugts (1961), Ezra Hakze (1993), Truus Roeygens (1964)
Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Hella Brugts (1961)

Borsten

Vandaag hebben mijn borsten voor mij gekozen.
Ze blijven, als mango’s zei de nachtelijke zuster;
ik wist het en vergat het weer. Zeer rust niet, al
is het van mijn moeder, haar zus en zus.

Alsof ik hun borsten terug huil, voorgoed.
Hun zachte huid, voedende gave, de tinteling en
ronde schoonheid … ze blijven. Ik ontbloot mezelf
voor de spiegel, dankbaar voor dit tweede leven.
De zegen van een tunnel die kan zien. Ik werd erin
gelegd, de weg terug om vooruit te komen. Mijn
lijf herinnert de beklemming en wacht op de wee.

Volhouden nu, ze rijpen, nooit meer zullen ze
verharden, niets en niemand mag ze verharden.
De liefde leeft sijpelend uit haar tepels. De zon
spiegelt zich erin als een omgekeerde droom.

Ja allicht, mijn borsten zijn mango’s.

Ezra Hakze (1993)

IJsvogel

Toen zij ‘stom’ van doofheid onderscheidde,
was ze jong maar met een mond vol tanden.

Leerde zij de taal om niet te spreken
en las het woordenboek tot introvert.

Totdat zijzelf zo werd.
‘Stom’ was spraak die wraak nam,
op de mensen zoals zij.

Ze weet wel dat ze langzaamaan ontdooit.

Maar meer nog dan het ijs
doorbreekt bij elk nieuw woord

de stilte.

Truus Roeygens (1964)

Gezelschapsvers

ze speelt met haar handen
haar handen luisteren als honden
ze is geïntrigeerd door de dreiging en tegelijk de redding die van handen uitgaat
ze droomt van olifanten in een sneeuwlandschap
ze voelt medelijden met de personen als uitgespuwde prooien
in het portiek van staatsgebouwen, ze geeft ze een chique goot in versregels
ze houdt van het gezelschap van mannen
ze houdt van het spel met vrouwen
ze houdt van het gruis in haar dorp en van de natte stukken in de stad            
                      
maar ze kan nooit lang blijven
ze wordt zoals de haarborstel of de moersleutel
altijd op de verkeerde plek teruggelegd
haar hart is als
een oude stad
er is de oude kern
en er zijn de nieuwe delen

Recensie van de wereld onleesbaar - Jeroen van Kan

De dichter op een uitkijkpost

Jeroen van Kan
de wereld onleesbaar
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021402130
€ 16,99
72 blz.

Tot de uitgave van zijn dichtbundel de wereld onleesbaar heeft Jeroen van Kan zich bediend van het pseudoniem Westley Albstmeyer (Kaapstad, 1979), woonplaats Brussel. De dichter Westley Albstmeyer heeft zelfs – ook nu nog – een eigen facebookpagina. Nu geeft Jeroen van Kan zijn gedichten uit onder eigen naam, het is het einde van een maskerade. Een breuk met het verleden is deze bundel zeker niet, want een aantal gedichten verscheen eerder onder zijn pseudoniem in de tijdschriften Het Liegend Konijn en Dietsche Warande & Belfort. De nieuwe gedichten wijken qua inhoud of vorm niet af van de al gepubliceerde gedichten.    

Het openingsgedicht van de eerste afdeling ‘ik’ met de opvallende titel ‘einde’ gaat over het opmaken van een beginsituatie, het vaststellen van een nieuw perspectief om gedichten te schrijven. Het is een actuele stand van zaken, waarin de zintuigen van de dichter opnieuw in paraatheid worden gebracht en waarna hij aan het werk kan met de taal. De dichter noemt dit startpunt ‘een domein van niks’. In de letterlijke betekenis: een leeg gebied dat nog ontwikkeld moet worden, ‘waarin een betekenaar landschappen kerft’. De woorden in een gedicht zijn volgens hem gekerfde landschappen. Kerven als synoniem van graveren, beelden inkrassen. Inderdaad: kerven doet pijn. 

De gedichten van deze eerste afdeling kenmerken zich door een zoektocht naar grenzen, zoals in het tweede gedicht, waarin de dichter vaststelt ‘want ik ben een landschap / verkaveld / ingeperkt’. Wel vreest hij ‘grenzenangst die me het overschrijden belet en me / gevangenhoudt in nutteloos ontwijken’. Het is duidelijk dat de dichter in niets beperkt wil worden. Hij wil volledige vrijheid om te kunnen dichten, maar loopt voortdurend tegen grenzen aan die hij moet overschrijden of doorbreken. Op de flaptekst van de bundel wordt hij ‘een machteloze betekenisjager’ genoemd, die nergens houvast kan vinden. Dat weet hij zelf als geen ander, maar hij blijft onophoudelijk jacht maken op betekenisgeving van de wereld die voor hem onleesbaar is. Daarmee is de verbinding betekenaar-betekenis gemaakt. En de dichter als betekenisjager zien we terug in het derde gedicht ‘de jager’, waarin de dichter de jager die in hem zit van zich losmaakt en in de je-vorm toespreekt: ‘je tracht te ontkomen aan de jager die je zelf hebt / verwekt de jager die je opjaagt / met jouw woorden’. Het dichterschap is een levenstaak waar niet aan te ontkomen valt, maar je doet het wel zelf! Anders gezegd: ook al kun je als dichter niet anders, je bent wel verantwoordelijk voor alles wat je aan het papier toevertrouwt. Het opmaken van waar hij als dichter nu staat en hoe hij verder moet, zoals respectievelijk in de gedichten ‘waar ben ik’ en ‘voorwaarts’, leidt naar een reflecterend slotgedicht. Alles is nu in één omvattende hoe-vraag samengebracht: de grenzen, het kunnen (be)sturen, de zintuigen als waarnemingsinstrumenten, het andere zijn dat ook in de dichter aanwezig is en de uniciteit van de dichter zelf. Deze dichter staat op de uitkijk, hij staat ‘in het veld’:

uitkijkpost

hoe kan het
dat ik mij afbaken als lichaam
dat ik daar mijn grens bepaal
dat ik ik zeg tegen
dit dat ik bestuur
of denk te besturen en

dat wat ik niet bestuur als al het andere zie
dat ik niet ben maar wel zie voel hoor ruik proef

dat ik die uitkijkpost ben in het open veld
dat ander is en
dat nooit een ander
deze post
beklimmen zal

Dit gedicht is meer dan een samenvatting van het standpunt en de waarnemingswijze van de dichter. Het geeft mij als lezer betrouwbaar leesgereedschap in handen. Tot nu toe boeit de bundel me en daagt deze me uit. Mijn verwachtingen zijn hoog gespannen. Drie Scheveningen-gedichten, met ‘de pier / een uitkijkpost van dood hout’ vormen de brug naar de volgende afdeling ‘de wereld’. De dichter is er klaar voor, hij staat op zijn post en gaat de wereld te lijf: ‘ik lees een wereld / die niet weet wat / spreken is’.

De wereld is voor de dichter onleesbaar en eerlijk gezegd zijn enkele gedichten in de tweede afdeling dat voor mij als lezer ook, vooral in de zin dat ik ze niet goed kan plaatsen in het geheel van deze afdeling, zoals ‘het vuur’ en ‘littekens’. De heldere ontwikkelingslijn die in de eerste afdeling is ingezet en mij als lezer brengt naar de dichter op de uitkijkpost, wordt in deze twee afdeling losgelaten. Het kost me moeite een nieuwe lijn te vinden. Wel vallen me enkele aspecten op die herhaald terugkeren. In het tweede gedicht van de afdeling ‘ariadne’ is de dichter ambitieus met versregels als ‘ik zal je eens laten zien’ en ‘ik zal je rondom ogen geven…’. Net als Ariadne die Theseus hielp te ontsnappen uit het labyrint met een kluwen wol, probeert de dichter de weg te vinden uit het ‘web’. Dit ‘rondom’-motief of cirkel-idee vinden we op een aantal wijzen terug in de gedichten. Het geeft de dichter de mogelijkheid de wereld van alle kanten te bezien. De vuurtoren ‘draait lichtstrepen uit’ en heeft ‘rondom ogen’ en de dichter zelf loopt om de dingen heen. In het gedicht ‘dagelijkse omcirkeling’ eindigt hij na een aantal zaken die hij opgesomd heeft als een vorm van een ‘groot gemis’ met: ‘dat groot gemis lopen we dagelijks / omheen tot het keert’. In het gedicht ‘dode roofvogel’ plaatst hij het voortbewegen tegenover ‘een onbeweeglijk iets dat er is’ en ‘lopen we eromheen / als een kat rond een / roerloos vogellijkje’. In het fictieve requiemgedicht ‘hoop hulpmotor hart’ komt het woord ‘afgerond’ driemaal voor, daarna kan hij ‘puntgaaf afgerond beginnen aan uiteenvallen’.

In zijn pogingen door middel van poëzie vat te krijgen op de wereld die onleesbaar is, stuit hij op het probleem dat zijn handschrift onleesbaar is. Staat er in het gedicht ‘handschrift onleesbaar’ nu ‘grommend in slaap gevangen schaap’? Zo ja, wat is de betekenis ervan? Is er een schaap in slaap gevallen? Na ontcijfering vindt de dichter wat er echt staat: ‘nee grommend in schijngevangenschap’. Het valt ook niet mee de wereld te lezen als je eigen handschrift je in de steek laat. Ondertussen snelt de tijd voort: ‘als de wereld verjongt / en jij argeloos probeert toe te kijken /  tot stilstand gekomen / ineengedoken’. De tijd herhaalt zich ook, maar dat levert een schijnwereld op, ‘een illusie van leesbaarheid’. De dichter onderzoekt wat echt is en wat schijn in het gedicht ‘wat is en wat lijkt’. Uiteindelijk is zijn ambitie om te jagen op betekenissen om de wereld te kunnen lezen voor niets geweest. Het ‘lijk van de wereld’ ligt op tafel en je kijkt ‘naar dat lichaam als een beer / die een welp per ongeluk heeft doodgedrukt’ en van die tafel moet je de volgende dag ‘toch ook gewoon weer eten’.

In de derde afdeling ‘jij’ worden de gedichten persoonlijker, gaan ze over de ander, familieleden, vrienden en dierbaren. De gedichten in deze afdeling zijn toegankelijker dan in de vorige afdeling. Het jagen dat daar soms geforceerd overkwam, is verdwenen. In het gedicht ‘rivier’ ziet de dichter twee sleepboten langskomen: ‘ze komen leeg en vol voorbij aan het / bankje waar ik vaak zit sinds jij jezelf / het zwijgen oplegde’. De dichter heeft enige rust, maar geen berusting gevonden. Ook wanneer hij aan zijn vader denkt, blijft hij met vragen zitten. Het openhartige gedicht ‘vraagtekenvader’ opent aldus:

de dood was je laatste excuus
om er niet te zijn

voor mij
moet daar eigenlijk op volgen want
dat is wat ik bedoel

voor jou
dat is iets anders want voor wie je
ook verdween van jezelf kreeg je pas

verlof toen je stikte in de laatste slierten
rook die je doorgestoofde kamer zonder
adem maakten

Aan de ene kant zijn er in deze afdeling gedichten die herinneren aan overleden dierbaren, aan de andere kant is er ‘de nieuwe jij’, zoals de titel van een gedicht luidt, een nieuwe geliefde. Maar ‘de nieuwe jij-gedichten’ eindigen in scherven: ‘kijk ons daar staan / tussen onze voeten de vaas die jij / niet liet vallen en ik evenmin’. Jeroen van Kans de wereld onleesbaar bestaat uit drie delen, die elk een eigen karakter hebben, maar vrijwel niet onafhankelijk van elkaar te lezen zijn. Dichters uitkijkpost heeft hem veel poëzie ‘in het open veld’ opgeleverd. De wereld is leesbaar geworden, op een enkel gedicht na.

***
Jeroen van Kan (Hoorn 1968) is dichter, journalist en tv-presentator. Na het overlijden van Wim Brands in 2016 volgde hij hem op als presentator van het televisieprogramma Boeken. Van Kan maakte tot 2007 deel uit van de redactie van het tijdschrift De Tweede Ronde, later vanTirade. Tot de uitgave van zijn dichtbundel de wereld onleesbaar publiceerde Jeroen van Kan onder het pseudoniem Westley Albstmeyer.

Recensie van de tuimelaar - Harry M.P. van de Vijfeijke

De dichter als chroniqueur van zijn eigen private leven

Harry M.P. van de Vijfeijke
de tuimelaar
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411211
€ 15,00
88 blz.

Er lopen honderden dichters in Nederland rond die verdienstelijk hun vak verstaan, maar nooit echt zijn doorgebroken. Harry M.P. van de Vijfeijke is een van hen. Zijn eerste bundels (1986, 1996) bracht hij in eigen beheer uit. de tuimelaar is zijn zevende bundel, en zijn derde bundel bij uitgeverij Kontrast.
De eerste afdeling, ‘Gewricht’, gaat zeer nadrukkelijk over het dichten. In acht van de twintig gedichten komt het woord ‘gedicht’ zelfs letterlijk voor. De dichter bevindt zich in de natuur, doet wat observaties op een terras, en dan ‘het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier’, ‘laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht’. En in de andere gedichten is het ‘wachten op wat woorden’, ‘tekent grimmig wat aan’ tot een slotregel als ‘Zijn eigen woorden staren hem zigzaggend aan.’ Een strengere redacteur had hem hiervoor kunnen behoeden. Nu stelt de dichter zelf: ‘Het is daarom dat ik mij onttrek, / het teveel aan bet- en best- en beterweters, / op zoek naar het vrijwarende vertrek.’ Maar ondertussen werd wel een recensie-exemplaar verstuurd. De titel van de bundel vinden we terug in ‘Kleine dichter, grote tuimelaar, / in de woede van verstrijken en heelal.’ De dichter als een poppetje dat na elke val vanzelf weer rechtop gaat staan. De titel van de bundel wordt daarbij nadrukkelijk zonder hoofdletter geschreven.
In ‘Genadeslag’ zijn gedichten over wonen en leven in Nijmegen en andere steden bijeengebracht. Herinneringen aan de Stevenstoren, Café de Kersenboom, Mariken en aan de Waagh: ‘Ik schrijf mij nog altijd / uit mijn evenwicht, nu op het Waaghterras, / in goeden doen, maar voor een klein gehoor / en goeddeels uitverteld.’
‘Bekkendans’ handelt over liefde en familie. Incidenteel treffen we een verwijzing naar ander werk aan: ‘Magnolia, wat bloeit mij aan, ik barst / bij het zien van zoveel borsten, billen uit elkaar.’ Een ander liefdesgedicht eindigt nogal woordspelig: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht. / Het zijn dagen dat een leven glimt en lacht. / Tij, herverwacht.’
‘Melkverzen’ bevat veel jeugdherinneringen, waarin de vader een belangrijke rol speelt. Het is de meest geslaagde afdeling van de bundel. ‘Aan de schoft van koe en paard / mijn vaders hand, was aan de lijn / geblokt, geruit, droog waaiend / naar mijn moeders mand.’ Daarnaast kijkt hij terug op zijn leven: ‘Nu wijs ik laat en droef en geestig naar het oude lijf.’ De dichter lijkt hier zowel op zijn overleden vader te doelen, als op zichzelf, op een leeftijd waarin hij in zichzelf steeds meer zijn vader herkent: ‘De wijsgeer heeft gelijk, mijn dode vader / leeft. Zijn stekelhaar staat eeuwig overeind, / manchester bolt ter hoogte van zijn knieën.’
Op de flaptekst van Het heeft verband (2001) schreef Victor Vroomkoning: ‘De dichter is de chroniqueur van zijn eigen private leven in een klein gehouden wereld.’ Deze kenschets is onverkort van toepassing op de huidige bundel.

Na het voltooien van deze korte bespreking, las ik min of meer bij toeval de toespraak die Victor Vroomkoning hield bij de presentatie van ‘de tuimelaar’. Vroomkoning was heel wat minder kritisch dan ondergetekende in bovenstaand relaas. Dat laat nog maar eens zien, dat er veel verschillende manieren zijn om naar poëzie te kijken, zelfs wanneer het om dezelfde gedichten gaat. U zult misschien zeggen: nogal logisch dat Vroomkoning zoveel positiever is, gezien de gelegenheid waarbij hij sprak. Interessant is echter, dat hij een aantal eendere voorbeelden aanhaalt, om tot een geheel andere interpretatie te komen. Ik geef deze hier onverkort weer:

“De gedichten in de eerste afdeling (‘Gewricht’) laten zien hoe de dichter werkt, hoe hij verlangt naar het proces, hoe hij toebereidselen treft, zoals een schilder voor zijn ezel waarop het lege doek prijkt. We bevinden ons in de smidse van de dichter, de plaats waar zijn poëzie tot stand komt, en dat is ín het gedicht zelf, het is zowel een handleiding tot het maken van gedichten als het tot stand komen daarvan. ‘Kijk, lezer; lees, kijker, zo gaat dat bij mij er aan toe’, laat de dichter vermoeden. De gedichten zijn in hun opbouw bijna zonder uitzondering aan elkaar gelijk: ze beginnen met de bedoeling een vers te maken en eindigen met regels die het gedicht opleveren, létterlijk. Het gedicht is dan afgerond. Van de Vijfeijke is –hij noemt het zelf ook zo– verzenmelker; hij trekt de stad in, het land in, de polder, de natuur en wacht tot het gedicht komt, en het er staat. Ik laat u een aantal van de slotregels horen: 
- en dan/ het langverwachte openslaan van het gelaagd papier (…), het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier.– De oefening, de opdracht,/ en in het wringen het gedicht.– leve het gedicht. — Na een dag van wachten op wat woorden / klinkt er een gedicht,– En elk kladvel schrijf ik tot / de boorden vol.– laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht.– gedichten als krullen van verslag — Het redden voorbij, de poëzie zal je leren.”

“In de tweede afdeling van de bundel, ‘Genadeslag’, vinden we Van de Vijfeijke terug als chroniqueur van het leven, in het bijzonder dat van de mens, lees: de dichter, lees hemzelf in Nijmegen en verre omgeving. Café De Kersenboom, de Stevenstoren, de Waagh, Mariken , de Hezel en de Lange Hezel passeren maar ook wat buiten de stad ligt.  
Je ziet hem zitten achter transparante gevels: kijk, daar zit een dichter, hij ziet ons, en weet dat men hem ziet en gaat er dan eens goed voor zitten. Begrijp me niet verkeerd: deze dichter is oprecht in wat hij nastreeft: een dichter te zijn met de blik op het eindige. Ik mocht laatst een paar uur met hem verkeren, en het is frappant hoeveel cafés hij van binnen kent en welke uitzichten vanuit dat café. ‘Je kunt daar goed zitten’, zegt hij’, ‘daar aan het raam’; hij bedoelt met zitten: schrijven of wachten op het moment dat hij, Harry Van de Vijfeijke, transformeert tot Harry M. P. van de Vijfeijke, van burgerman tot dichter.”

“In de afdeling ‘Bekkendans’ is Van de Vijfeijke lyrischer, ook zachter, lichter, milder dan in de andere afdelingen maar toch weer ingehouden. (…) Hij tipt aan in mooie metaforen, bijvoorbeeld dat bomen het met elkaar doen: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht’. Of twee katten: ‘de vrouw spinnend als een voorjaarskat. / Hij kater, goedgevlekt, de sprong zijn habitat.’“

Wie er gelijk heeft, of de waarheid in het midden ligt, of er in dit geval überhaupt zoiets als waarheid bestaat: ik laat het graag aan de lezer over.

Recensie van Moordballaden. Een bloemlezing van op ware moorden gebaseerde gedichten. Deel 1 - Bart FM Droog (samenstelling)

‘Nog horen we je stem, nog zien we je blik’

Bart FM Droog (samenstelling)
Moordballaden. Een bloemlezing van op ware moorden gebaseerde gedichten. Deel 1
Uitgever: Stichting Nederlandse Poëzie Encyclopedie
2017
ISBN 9789462430099
€ 0,00
129 blz.

Een paar maanden geleden startte FM Droog, dichter en samensteller van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie een experiment. De reden: ‘Bij het bekende Eenzame uitvaart-project zien dichters zich voor de taak gesteld binnen zeer korte tijd een gedicht te schrijven bij een sterfgeval. De confrontatie met de dood doet iets met dichters. Op een niet te benoemen wijze ontstaan daarbij vaak heel bijzondere en aangrijpende gedichten. [ … ]. Ik vroeg me derhalve af hoe poëten op gewelddadige sterfgevallen zouden reageren.’
Op Facebook liet hij weten dat dichters die een moordgedicht wilden schrijven zich bij hem konden melden. Een flink aantal bekende en onbekende dichters deed dat, maar niet iedereen haalde de deadline en daarom ligt er een nog tweede bundel in het verschiet. Drie dichters leverden kant en klare gedichten aan, de anderen kregen een opdracht. Het resultaat is heel aantrekkelijk, niet in het minst omdat de gedichten onderling sterk verschillen in vorm en toon. De bundel Moordballaden is gratis te downloaden op de NPE; in september verschijnt een papieren uitgave bij uitgeverij Vliedorp.

Droog werkt grondig en zo snel dat hij je iedere keer weer verbaast. Hij geeft een kort historisch overzicht, vermeldt de standaardwerken hij heeft gebruikt en onder ieder gedicht staat een beschrijving van de moord, zo mogelijk met links voor lezers die zich verder willen verdiepen in de zaak. Aan het eind van de uitgave staat voor liefhebbers een vijftal werken met moordliederen en hij heeft er zelfs aan gedacht een telefoonnummer en mailadres van de politie te vermelden voor het geval er zich onder de lezers tipgevers bevinden die het onderzoek naar onopgeloste moordzaken weer op gang kunnen brengen.
Het historisch overzicht bevatte voor mij een eye-opener: Droog schrijft onder andere over het 19e-eeuwse lied ‘De moord van Raamsdonk’ en pas nu, na tientallen jaren, snap ik waarom Du Perron zijn moordgedicht uit de bundel Parlando (1930) ‘De nieuwe moord van Raamsdonk’ noemde. Het had in deze bundel niet misstaan.

De gedichten bestrijken de periode van 754 tot 2011. Het eerste gedicht, ‘Win Frisa swerda spreka’, gaat over de moord op Bonifatius in Dokkum. Het is Droog toegezonden door ‘een telg uit een Friese adellijke familie. De tekst zou van generatie op generatie mondeling zijn overgeleverd en verschijnt hier voor het eerst in druk.’ Het zou stammen uit de achtste eeuw, ik ben volkomen van slag door deze grandioze ontdekking! Hierbij valt de inmiddels 85 jaar oude vondst in de Bodleian library van de eerste oud-Nederlandse regel volkomen in het niet: ‘Hebban olla vogala …’, het pennenprobeerseltje van een anonieme, naar liefde smachtende monnik uit de 11e eeuw. Ook de dichter van ‘Win Frisa …’ is bekend: Saxnot fen Aestergo. Ongelooflijk, dat forflökta Friese geslacht heeft eeuwenlang op een schat gerust.
Aestergo  is de oud-Friese naam voor Oostergo, de streek waarvan Dokkum in vroeger tijden de hoofdplaats was. Het achtervoegsel ‘go’ verwijst naar ‘gouw’, een geografische bestuurseenheid die werd ingesteld door Karel de Grote. Dit gebeurde in zijn Keizerstijd, in het begin van de negende eeuw. Dat Saxnot volgens de overlevering in de achtste eeuw leefde en de toevoeging ‘fen Aestergo’ daarmee niet is te rijmen, blijft vooralsnog een mysterie waarop komende generaties mediaevisten zich de tanden stuk zullen bijten. Maar niet alleen zijn naam van herkomst, ook zijn voornaam is raadselachtig: hij verwijst naar een Saksische god. Friezen en Saksen lagen elkaar niet zo en dat is nooit veranderd. Heeft u ooit een Fries gesproken die dol is op Groningers?
Verbazingwekkend is ook dat veel Friese poëzie al die veertien eeuwen hetzelfde is gebleven: je vindt de vorm die Saxnot gebruikte zelfs bij een dichter als Tsjêbbe Hettinga terug.
De woede van Saxnot brengt hem heel dicht bij ons: op Facebook zou hij zich volkomen thuis hebben gevoeld. Bonifatius, die ‘forflökta falska flumia’, die ‘snotta-Angel’ heeft in Dokkum niets te zoeken en moet uit de weg worden geruimd.

De eerste vijf regels geven een goede indruk van het gedicht. Ik geef zowel de overgeleverde oud-Friese tekst als de invoelende vertaling van Cornelis van der Wal:

Wat mina alsa pricka, alsa papus jella
to horsa mitta boeck en bila
doarpa uses kringa yn
enda ferrinneware alle hilich onsa

de angost!

Dat dan zo’n lul, zo’n brulpaap
te paard met boek en bijl
onze dorpen binnendringt
en al wat heilig is vernielen wil

de ontzetting!

Of moordgedichten gemiddeld net zo indringend zijn als het gemiddelde uitvaartgedicht, betwijfel ik. De dichters die aan Eenzame uitvaart meedoen, worden direct betrokken bij een afscheid, ze verzorgen daar het belangrijkste onderdeel van. Dat is iets heel anders dan zich verdiepen in een meestal niet meer recente moordzaak. Ik ben benieuwd of Bart Droog dezelfde conclusie heeft getrokken.
Interessanter dan de gemiddelden zijn de uitschieters. Elly de Waard schreef een huiveringwekkende ballade over de moord op Pim Fortuyn. Hoe je ook over zijn ideeën denkt, de laatste regels zouden op een monument niet misstaan. Het is lyrisch ik is verbijsterd, zit, staat dan weer voor het raam en ziet het steeds donkerder worden,

Maar, op de doodse parkeerplaats
van het nieuwscentrum onder de maan
heeft het bloed, dat zich niet weg liet vegen
zijn bericht in beton neergeschreven:

Ik zal kruipen, waar ik niet kon gaan

In Moordballaden blijf je bladeren. Laura Demelza Bosma schreef een gedicht over een verslaafde Vlaamse non, die in 1977 drie bejaarden vermoordde in het ziekenhuis van Wettere. De titel is een vraag: ‘Zuster, wat is heilig in uw leven’. In het laatste distichon geeft de non zelf het antwoord: ‘Heilig is dat het om het even is / in gedruis of verstilling te stinken.’ (Ik stel het gedicht hier wat simpeler voor dan het is). Menno van der Beek beschrijft in een fascinerende reeks van vier gedichten het noodlot van vader en zoon Nijboer. Nijboer senior sterft in 1944, junior in 2004. Beiden hebben hun lot mogelijk een handje geholpen – meer kan ik hier niet over zeggen, behalve dat de reeks een verrassende wending krijgt. Droog zelf schreef ‘Zoveel meer’, over de nooit opgeloste moord op de 22-jarige Marco, die in 1990 levenloos naast een gekraakt gebouwencomplex in de Groninger binnenstad werd gevonden. Een moord blijft actueel, ook voor de komende generaties. De eerste strofe:

Nog horen we je stem, nog zien we je blik
opgeslagen in geheugens en archieven
die nog lang nadat ook wij verdwenen zijn
je naam en je sterven steeds doen herleven

Droog heeft gelijk: De Moordballaden vormen het bewijs.

Gedichten

door Ernie Bossmann (1966), Erik Lucassen (1992), Elly Stolwijk (1957)
Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Ernie Bossman (1966)

als ik mijn gezicht door midden knip
de linkerhelft over de rechter klap en andersom
kijk ik scheel naar de goede kant
kan ik zo naar het feest

ze zeggen dat verdriet je trekken verzacht zoals
komkommer de oppervlaktespanning verlaagt
of lachen breed lachen, grinniken
doet niks voor je

als ik mijn woorden verwissel
mijn gedachten laat lopen zonder erg
hoef ik niks nieuws
aan te trekken

Elly Stolwijk (1957)

een straat

er waren herten in de straat, en iedereen
leek stil te wachten op sneeuw. toch kon je niet zeggen
dat we gelukkig waren, in die tijd. hoewel het koesteren
van witte verlangens anders doet vermoeden.

we inspecteerden de stoepranden op bergkristal.
jij wist beter dan ik hoe dat eruitzag. maar uiteindelijk
was ik het die hem vond, de harde korrel, met het blote oog.
wat zacht moest zijn bleek onuitroeibaar.

maar oh wat was het kind in vervoering toen de eerste
vlokken vielen, het keek omhoog en duizelde de wolken in
maar dan andersom, het tolde om zijn eigen as.

alle mensen, het vallen is begonnen,
sla mijn armen om me heen onder takken die breken
van wit gewicht, het aanstormen van het grootste hert.

Erik Lucassen (1992)

De grammatica van het dirigeren
is met de losse pols vastgelegd

Een filmpersonage neemt zijn medicatie in
met water uit een kristallen glas
dat door zijn decadentie volledig misstaat
op de smoezelige wasbak van de badkamer

Het is dan ook niet schrikbarend
dat elke dirigent er zijn eigen golvingen
en snijvlakken op nahoudt

De man scheert met een zilveren veiligheidsscheermes
korte stroken haar uit zijn stoppelbaard
tot het lemmet blijft haken
en hij als reactie op de pijnprikkel
lucht door zijn tanden naar binnen zuigt

Ook de duur van de stilte aan het eind van een symfonie
gaat volledig op gevoel en is dan ook geheel zelf bepaald
Toch kan deze stilte wel degelijk te kort of te lang zijn
naarmate de spanning te veel of weinig is opgebouwd
Ga maar na, je weet niet wat je weet

Een klein streepje bloed vloeit van de rand van de wasbak
naar de afvoer en neemt een afgeschoren baardhaar mee

Applaus.

Voorzichtig deppen met aluin.
Aftershave goed verdelen over de huid.
Twee klappen op de wangen.

Buiging. Applaus.