Recensie van Wildcamera - Martin Reints

Voorspellingen voor een onsterfelijke

Martin Reints
Wildcamera
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454694
€ 18,99
64 blz.

Het gebeurt mij niet vaak dat een dichtbundel mij zo fascineert dat ik hem wel uit het hoofd zou willen leren. Ik schrijf met nadruk leren, omdat hij zoveel gezichtspunten biedt die je aan de gedichten zelf kunt toetsen. Wildcamera van Martin Reints gaat hoofdzakelijk over waarneming, en over de manier waarop wij waarnemen, of juist niet. Er zijn zoveel gedichten en wat hij beschouwingen noemt die over waarnemen gaan, dat het de manier waarop je de gedichten leest, ook als ze er niet met name over gaan, beïnvloedt. Het geheel is meer dan de som der delen. Maar die delen mogen er zijn! Mocht ik de suggestie hebben gewekt dat het een rond het thema waarneming geconstrueerde bundel is, dan wil ik dat hierbij weerleggen. Het lijkt een bijna vanzelfsprekende manier van bestaan die vorm heeft gekregen in deze bundel; het heeft meer te maken, lijkt mij, met een levenswijze, dan met een gekozen thema. Hier is iemand aan het woord die ‘open’ in het leven staat, met aandacht voor zowel buiten- als binnenwereld. Het blijft, hoewel de meeste gedichten over alledaagse zaken gaan, of misschien wel juist daardoor, betoverende poëzie. Ook de prozastukken, of ze nou over het ‘Iepenloftspul’, ‘IJsberen’, of over ‘Ons apenbrein’ gaan. Dat laatste, dat je, evenals de andere ‘verhalen’, misschien beter een essay kunt noemen, is niet alleen verhelderend wat betreft de poëzie van Martin Reints, maar maakt ook helder hoe, in zijn optiek, anderen de werkelijkheid in kijken.

Is het mogelijk om een complete dichtbundel aan de hand van één enkel gedicht te recenseren, zonder de dichter (en de uitgever) tekort te doen? Dat was wat ik wilde proberen, omdat Martin Reints daartoe een fascinerende mogelijkheid bood. Dat komt door de omslag. Zodra ik de bundel Wildcamera in handen had was ik daar door gefascineerd. Ik bleef het boek om- en omkeren, en nooit eerder vond ik de barcode op de achterkant meer misplaatst dan hier. Dat de titel en de naam van de dichter op de zijkant zijn afgedrukt, stoort niet alleen, maar maakt een deel van de foto ‘moeilijk leesbaar’. Gelukkig is de voorkant redelijk intact gebleven, die lees je door naam en titel heen, en zelfs door het onderschrift: gedichten en beschouwingen. De indruk van de foto, die in zijn geheel op de omslag is afgedrukt, was zo sterk, dat ik mij er gedurende de lezing van welk gedicht in deze bundel dan ook, niet van los kon maken. Het bleef maar door mijn hoofd spoken wat de band was met de teksten. Totdat ik het gedicht ‘De grootmoeders van Miwa Yanagi’ las:

Een oude vrouw, onderuit op een luie stoel
die haar vermoeide hoofd ondersteunt met een hand
die een vergrootglas vasthoudt.

De sieraden en de soepele kleding wijzen op oude rijkdom.
Zijde.

En een jong meisje, dat haar arm uitstrekt
en haar hand in de hand van de oude vrouw legt.

De vrouw kijkt het meisje in de ogen,
het meisje kijkt naar haar hand.
Met haar vrije hand houdt zij een plooi van haar rok vast.

Op de achtergrond een viskom.
Een papegaai in een grote bamboekooi.
Een plank aan de muur waarop een blauw plastic skelet
dat de dood voorstelt.

In en buiten het vertrek de vriendinnetjes:
zitten, staan, hurken, kijken naar het meisje en de oude vrouw
of in de verte.

De scène is geënsceneerd door Miwa Yanagi.

De oude waarzegster is zelf ook een jong meisje,
maar ze is opgemaakt en gefotoshopt:
de ouderdom is onecht en de pose geposeerd.

Ze heet Ai
en dit is de toekomst die ze zich voorstelt.

Het bijschrift is een monoloog:

Achter mijn rug wordt geroddeld
dat ik de kinderen bedrieg met mijn waarzeggerij.
Het gaat me niet om hun zakgeld. Zo wanhopig of verveeld ben ik niet.
Ik zit alleen maar op een bepaalde klant te wachten – mijn opvolgster.
Omdat zij niet hecht aan het verleden of angst heeft voor de toekomst,
denk ik dat ze op een dag binnenkomt door de vervallen deur.
Als ze mijn plaats heeft ingenomen vind ik rust, verlost van hoop en spijt.

Hoeveel saaie levens moet ik nog voorspellen?
Ik heb te doen met deze onschuldige meisjes.
Hun levens zullen net zo lopen als die van hun moeders.
Eentonige verveling onderbroken door teleurstelling en ontgoocheling.
Niet te geloven dat ze hier komen om dat te laten bevestigen. Ik heb genoeg
van hun meisjesgeheimen, hun vluchtige verwachtingen en goedkope dromen.
Nog vijf klanten vandaag, dan hou ik op.
O, dit meisje begint bijna te huilen.
Kindje er is geen reden voor tranen.

De jonge Ai verbeeldt zich dat ze
vijftig jaar ouder en na een leven vol hoop en spijt,
aan kinderen hun onbeduidende en treurige levens moet voorspellen.
Een melancholieke en cynische droom,
maar met het visioen dat haar opvolgster haar komt bevrijden.

De grootmoeders van Yanagi: meisjes die spelen dat zij oud zijn,
en wat ze spelen zijn ze zelf.

Yuka,
een oude grootmoeder met roodgeverfd haar,
gillend van plezier in de zijspan van een motor
die wordt bestuurd door een snelle jongen met een zonnebril:
Mijn tanden? Een aandenken aan de jackpot die ik vorig jaar in Las Vegas won.

Mika,
in een lang wit gewaad op een rotseiland omspoeld door de zee,
met pootjebadende jonge vrouwen om zich heen:
Er zijn al tien jaar verstreken sinds jullie, mijn vroegere studenten
en ik op dit eiland aankwamen.
Is dit de laatste plaats op aarde?
Zijn er geen andere overlevenden?

Ayumi,
op een bed in een opgeruimde kamer, onder een rood laken,
haar ogen gesloten:
“Naast haar liggen terwijl zij slaapt lijkt mij mooi,
maar kan ik haar eens ontmoeten als zij wakker is?”
“Ze kan niet wakker worden, meneer.
Want Grootmoeder is de Schone Slaapster.”

Beelden van de toekomst, maar beelden van het heden.

Het gedicht zelf maakt de foto op de omslag compleet zichtbaar, en net zoals je naar de foto kunt blijven kijken, zonder dat het je verveelt, kun je het gedicht van Reints blijven lezen, zonder dat je precies kunt duiden wat er nou zo fascinerend aan is. De beschrijving van een kunstwerk van Miwa Yanagi, dat is alles. Maar als je veel gedichten gelezen hebt die aan de hand van kunstwerken of foto’s zijn gemaakt, dan besef je hoe moeilijk dat blijkbaar is, en hoe vaak gedoemd om te mislukken. Met het beschrijven van wat je ziet, kom je er niet. Dat is meteen het fascinerende van de poëzie van Reints: ze is helder, er staat geen vreemd woord in, de taal zelf is geen doelwit, maar ze neemt je wel mee naar ‘elders’. Had het woord ‘vervoering’ niet zo’n zware lading, dan zou ik dat voor de werking van deze poëzie gebruiken, want dat is wat zij doet: ze voert je ergens heen waar je niet eerder was. Dat is wat alle echte kunst doet. In de eenvoud toont zich de meester.

In de gedichten en beschouwingen die afzonderlijke en autonome delen zijn, vind je telkens verwijzingen naar gedichten of beschouwingen die je al gelezen hebt of nog lezen gaat. De bundel Wildcamera is een complete en vrij complexe handleiding, niet alleen tot het lezen van de poëzie van Martin Reints, maar tot het lezen van kunst in het algemeen. Niet voor niets gaan veel teksten over kunstenaars. In ‘Ons apenbrein’ verwees hij naar de schilderijen van Peter B. van Houten, aan wie hij later het gedicht wijdt: ‘Het langzame kijken van Peter B. van Houten'; hij stapt ‘Aan boord bij Emo Verkerk’, is opnieuw ‘Aan boord met de Sineese fersen van Obe Postma’, wat voor de verandering een dichter is, één van de grootste Friese dichters (1868 – 1963). Alles wat Reints aanhaalt getuigt van zijn grote fascinatie met het kijken naar de werkelijkheid, gaat over wat wij waarnemen, ervaren; en wat er aan onze persoonlijke werkelijkheid ontsnapt. Impliciet maakt Reints iets duidelijk over de functie van kunst: het scheppen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, één die we nog niet kenden, al was hij er altijd al.

Futiliteiten zijn in deze gedichten geen futiliteiten meer, maar zeggen iets over een groter geheel, of over de menselijke conditie. Het gedicht ‘Twee regisseurs zijn op bezoek bij een dramaturg’ begint zo: ‘De dramaturg opent het gesprek. / Met welke vraag in gedachten begin je een tekst te lezen? // Dan gaat hij een kurkentrekker zoeken/’. De rest van het gedicht gaat alleen daar over. Hij blijft hem kwijt, de kurkentrekker. Het is een humoristisch gedicht, het is uiterst herkenbaar, het vertelt iets over de menselijke staat, en het confronteert mij persoonlijk met de vraag, met welke verwachting(en) ik de bundel Wildcamera begon te lezen. Geen idee meer. De gedichten en beschouwingen zijn ervoor in de plaats gekomen. Ik heb antwoorden gekregen die ik niet zocht, maar misschien nog wel meer vragen: wat anders is de reden dat ik de gedichten kan blijven lezen, als ligt er buiten de regels iets dat ik niet kan vatten? Maar misschien is het juist dat ongrijpbare dat Martin Reints in herinnering brengt, dat mij een gevoel van tevredenheid geeft, van voldoening zelfs. Veel zogenaamde poëzie laat je met een leeg gevoel achter, maar deze bundel ervaar ik als voedend.  Ik heb er, dat mag duidelijk zijn, van gesmuld.

Uitreiking Meander Dichtersprijs 2017

Zaterdag 24 juni kreeg Merel van Slobbe, tijdens een aflevering van het poëziepodium Reuring in Alkmaar, de Meander Dichtersprijs 2017.
Alja Spaan, organisator van Reuring en medewerker van Meander, deed de uitreiking. Alja had ook een kunstwerk vervaardigd, dat deel uitmaakte van de prijs. Die bestond verder uit een bedrag van 350 euro.

De foto’s zijn gemaakt door Conny Lahnstein.

 

 

Verder traden Kate Schlingemann, Martin Wijtgaard en Onno-Sven Tromp op. Zij eindigden in de top zes van de Meander Dichtersprijs 2017.

 

 

Recensie van Verzen - Willem Kloos

De goddelijke klanken van het sonnet

Willem Kloos
Verzen
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043239
€ 19,95
159 blz.

Met het verschijnen van de biografie Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! van Peter Janzen en Frans Oerlemans voorziet de uitgeverij van dit boek tevens in een editie van Kloos’ Verzen. De bundeling van Kloos’ gedichten is behoudens enkele aanpassingen analoog aan de eerste uitgave van de Verzen in 1894 van Versluys in Amsterdam. Deze uitgave is grofweg opgebouwd uit (1) een afdeling gedichten, hoofdzakelijk sonnetten en enkele sensitivistische liedjes over de dood, (2) een tweetal dramatische fragmenten en een episch fragment op rijm en (3) een afdeling gedichten, veelal scheldsonnetten. Een door de uitgever toegevoegde inhoudsopgave wordt in deze editie node gemist. Echter, het maakt deze bundel ook tot een uitdagend zoek- en bladerboek, waarin je je als lezer telkens laat verrassen. Zo bevat deze dichtbundel ook Duits- en Franstalige verzen en enkele ‘In memoriam’-sonnetten. Kloos’ Verzen heeft de opdracht ‘Aan de nagedachtenis van Anna Cornelia Amelse, mijn moeder’ meegekregen. 

Klankgod

Op de flaptekst van de bundel wordt Willem Kloos de ‘klankgod’ van het sonnet genoemd en daar is veel voor te zeggen. Zijn bundel Verzen is lang gezien als de bijbel van de Tachtigers. Van de gedichten van Willem Kloos restten enkel nog wat beginregels die de meeste lezers zich herinneren, zoals ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten’ en ‘Ik ween om bloemen in den knop gebroken’. Maar er valt meer te genieten. Het vorm-en-inhoud-zijn-één-principe en het ‘l’art pour l’art’-idee van de Tachtigers zijn moeiteloos in de bundel terug te vinden. Een prachtig voorbeeld, waarin Kloos’ opvatting betreffende het schrijven van sonnetten zich manifesteert, is onderstaand gedicht. De kenners van het werk van Kloos zal het bekend voorkomen (VI, p. 7):

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
    De witte bloesems in de scheemring – ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
    Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
    Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teêrheid.., Rust – o, wonder-vreemd genucht!
    Want alles is bij dag zóó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
    Verstierf – de wind, de wolken, alles gaat
        Al zachter en zachter – alles wordt zoo stil…

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
    Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
        Altijd maar luider, en niet rusten wil.   

Meer nog dan de gebeurtenissen die plaatsvinden, wordt in dit gedicht de sfeer van de avond weergegeven. Dit sonnet, dat vijfvoetige jambische versregels heeft, is ritmisch fraai opgebouwd. De vervagende beelden en het verdwijnende geluid hebben een vertragende werking die leidt van intense rust tot absolute stilte. In de laatste strofe, die geen beschrijving meer van de natuur is, wordt de ik-figuur zich bewust van het steeds luider kloppen van zijn hart. Dan treedt een versnelling van het ritme op. Kenmerkend voor de poëtica van de Beweging van Tachtig is het gebruik van klankherhalingen in de vorm van alliteraties en assonanties; deze maken het gedicht tot een mooi voorbeeld van stemmingskunst. In vrijwel alle gedichten van Kloos zijn deze vormaspecten terug te vinden, en dan altijd in samenhang met de inhoud.

De fragmenten

‘Rhodopis. Dramatisch fragment’ is een toneeltekst in vijfvoetige jamben zonder eindrijm, al in 1878 geschreven. De stijl die Kloos hanteert is geïnspireerd op het werk van Shelley en Keats, twee Engelse dichters die hij bewonderde. Onder de lijst van ‘Personen’ staat vermeld: ‘De handeling heeft plaats te Saïs. Tijd 658 v. Chr.’ Het fragment is een confrontatie tussen de oosterse, de Griekse en de westerse levensbeschouwing in één menselijke ziel, namelijk die van Rhodopis, een ‘hetaere’ ofwel een publieke vrouw. De levensbeschouwingen zijn terug te vinden in drie personages. Myrrha is de oosterse ziel, zij is de vriendin van Rhodopis en is bezeten door aardse schoonheid en door lichtzinnigheid. De Griekse Charaxes is legeraanvoerder en minnaar van Rhodopis, hij is een standvastige en evenwichtige figuur. In dit fragment treedt hijzelf nog niet op, maar wel zijn bode ‘Een Grieksch krijgsman’. Mylitta, zoogzuster van Rhodopis, wier leven beheerst wordt door levensmoeheid en vergankelijkheidsbesef, vertegenwoordigt het moderne leven. Over de betekenis van de drie personages in relatie tot Rhodopis in deze pantheïstische tekst is in de loop der jaren onder critici en onderzoekers veel te doen geweest.

‘Okeanos. Episch fragment’ volgt in drie zangen het verhaal van de slapende, beeldschone herdersjongen Ganymedes. Zeus laat hem elke avond door een arend roven om hem als wijnschenker op de Olympus aan het werk te zetten. In zijn dromen ervaart Ganymedes zijn status in deze omgeving als goddelijk. De fragmenten zijn in vijfvoetige jamben geschreven, de tekst is geïnspireerd door ‘Hyperion’ van John Keats. De taal van deze poëzie is rijk aan klank, het begrip woordmuziek is zeker niet misplaatst. ‘Sappho. Dramatisch fragment’, in alexandrijnen berijmd, behandelt het schoonheidsideaal, zoals dat in de lyrische poëzie van de Griekse dichteres Sappho tot uiting komt. De aardse wellust staat tegenover het verheven liefdesideaal, al dan niet in een homo-erotische context. De conclusie na het lezen van deze drie fragmenten is dat ze inhoudelijk gezien weinig toegankelijk voor de moderne lezer zijn. Wel valt net als bij de sonnetten en andere gedichten de rijkdom aan klank en ritme op.

De scheldsonnetten

De scheldsonnetten doen qua venijn niet onder voor de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Of ze de lezer van nu nog aanspreken is de vraag, want die is via de moderne media wel een en ander gewend. Kloos’ mede-Tachtigers moeten het bij hem ontgelden. Hij ziet Herman Gorter als ‘een ellendig knoeier’. Psychiater Van Eeden wordt met ‘Klein slechtaardje, dom doktertje, onbenoemlijk’ en ‘verkrachter van veel vrouwen-zielen’ ook niet gespaard. Verwey wordt weggezet als een gespierd dichtertje: ‘gij musculeus poëetken’, Couperus als een ‘zoet, zelf-vergenoeglijk kind’. Pieter Lodewijk Tak, die na Van der Goes enige tijd de financiën deed van De Nieuwe Gids, wordt spottend aangesproken met ‘gij vriendelijk gastje’. Toch is mijn conclusie dat de scheldsonnetten te vrijblijvend en te cabaretesk overkomen, Kloos’ dichterschap wordt hier teveel een kunstje. Zijn belangrijkste stijlmiddel om de spot te drijven is een overdadig gebruik van het verkleinwoord en deze simpele truc roept irritatie op. Kloos pakt anderen meedogenloos aan, maar laat intussen veel van zijn eigen frustrerende onmacht zien. De arts Aletrino, van Sefardische (Spaans-Portugees-Joodse) afkomst werkte veel in armoedige volkswijken en streed voor de erkenning van homoseksualiteit. In literaire kringen stelde hij zich als persoon bescheiden op, zijn werk heeft een zwaarmoedige toon. Hij bewonderde Willem Kloos, maar desondanks komt hij bij hem ook aan de beurt om beschimpt te worden. De eerste twee kwatrijnen (CLXIX, p. 141) klinken als volgt:

O Aletrinootje, gij valsch, Moors Vorsje,
     Dat ferm zit op ’t belachelijkste troontje
     Pas op, dáár gaat ‘t, uw waggelende kroontje
Valt van uw kopje, och kereltje, wat dorst je

IJdlijkjes je verheffen op één toontje
     Om schijnen wat gij niet zijt, ridderborstje
     Schijnbaar, daar gij niet zijt dan een hansworstje,
O fierlijk om u blikkend, gij gewoontje,

Soms is Kloos belerend, zoals in het sonnet over Jan Veth die dichter, schilder en hoogleraar kunstgeschiedenis was. Kloos geeft hem op hekelende wijze les in een van de principes van de beweging van Tachtig. De eerste strofe luidt (LXXXV, p. 44):

Inhoud en vorm, in kunst als in natuur,
     Zijn Eén. Je twijfelt? Ken je zelf toch, Vethje, –
De hand op ’t hart, – ben jij niet een secuur
     Broekje, o Jan Veth, ben jij geen binnen-vetje? 

Tot slot

In het ‘Nawoord’ geven Peter Janzen en Frans Oerlemans een overzicht van de kritieken die Verzen kreeg. Ook hebben de auteurs aandacht over de vermeende homoseksuele gevoelens van Kloos, dit in relatie tot zijn gedichten. Uiteraard komt de vraag aan de orde waarom Kloos in de scheldsonnetten ‘zijn oude vrienden en voormalige redacteuren zo meedogenloos en publiekelijk’ met de grond gelijk gemaakt heeft. De schuld moet gezocht worden bij hen die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van De Nieuwe Gids. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘Hij [Kloos. HM] was ervan overtuigd dat zij De Nieuwe Gids als een stel laffe burgermannen, als ‘verdorden’ hadden afgebroken; het monument dat Kloos om ‘Gods zuivere wil’ had opgericht.’ Het nawoord eindigt met een kort overzicht van de drukgeschiedenis van Verzen. Het boek bevat bovendien een lijst van ‘Geraadpleegde literatuur’ en een ‘Verantwoording’ van deze heruitgave. Het maakt deze deskundig verzorgde editie compleet.

Willem Kloos’ Verzen is geen dichtbundel om in één keer van begin tot het einde te lezen. Voor lezers die van sonnetten houden is de bundel ontegenzeglijk de moeite waard. Het is een boek om veelvuldig in te grasduinen. Je moet het thuis ergens in het zicht leggen, want dan pak je het geregeld om op zoek te gaan naar een bijzonder gedicht of een opmerkelijke versregel. De lezer die zich openstelt voor de poëzie van deze Tachtiger zal altijd iets fraais vinden, zeker in het eerste gedeelte. Tip: lees eens een sonnet hardop, dan ervaar je de muzikaliteit van zijn poëzie.

***
Willem Kloos (1859-1938) was dichter en een belangrijke voorman van de Beweging van Tachtig. Hij was een van de oprichters van het tijdschrift De Nieuwe Gids, waarin hij zijn gedichten publiceerde en zijn voornaamste literaire principes uiteenzette. In 1894 verscheen Verzen, een bundeling van zijn gedichten, waarvan de meeste in De Nieuwe Gids waren verschenen. Naast dichter was hij ook een vooraanstaand en scherp criticus.

 

Gedichten

door Arjan Keene (1963)
Arjan Keene (1963) stond vier keer in de top-100 van de Turing nationale gedichtenwedstrijd en won de Willem Wilmink Dichtwedstrijd in 2013. Hij heeft o.a. gepubliceerd in De Revisor, poeziepuntgl, Ballustrada, Meander, Krakatau, De Contrabas, Het Vrije Vers, en in diverse verzamelbundels. Stadsdichter van Ede van 2012 tot 2015. Bundels: Papilio Domestica, Boekenbent, 2010 (e.b.); Het zal de leeftijd zijn, De Contrabas, 2013.
 

Een film die in de stilte draait

Het is als het verslapen van de geest,
stel ik mij voor. Een ondertiteld dromen
van wat er was en wat wellicht zou komen,
een carnaval van beelden. Als een feest.

En wat voor één! Een optocht van fantomen
waarin je eindeloos de lippen leest
van iedereen die hier ooit is geweest,
waarvan nooit meer een teken is vernomen.

Maar dit is een parade zonder woorden
en nergens klinkt muziek of hoorngeschal.
Men danst met knekels op een dodenbal.

Je schreeuwt vergeefs, verstomd, je eigen naam.
Er is geen god of liefde die het hoorde.
Intens geleefd. En dan de poppenkraam.

Onzegbaar

Niet onuitsprekelijk, maar onvangbaar,
als een vis die langs je vingers glijdt,
of een vlinder die, wanneer je beter kijkt
en naar haar middel reikt, zich oprolt,
een cocon wordt in een hologram.

Of hoe dat vreemde woord dan gaat bewegen,
hoe de beelden in een onverwachte nacht
gekomen zijn in tegenstribbelende stromen.
En hoe de wereld tijdelijk te klein lijkt
voor de kamers die zich langzaam openen.

Alsof je aan je eigen lichaam bent ontstegen
en neerkijkt als getuige, die er toen niet was.
De vader die geen vader is. Je wordt betast,
nabije handen zo koelbloedig op je huid.
Wat niemand wist. Of niet voor waarheid zag.

Met dit gedicht haalde Arjan een gedeelde 3e/4e plaats in de vijfde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Recensie van Wat we achterlieten / What we left behind - Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.

Weemoed en bezinning verbeeld en verwoord

Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.
Wat we achterlieten / What we left behind
Uitgever: De zwarte els
2017
ISBN 9789080442122
€ 17,50
103 blz.

Voor mij is een mooi boek belangrijk: als de inhoud op een fraaie manier wordt vormgegeven vind ik het product in zijn geheel mooier. Toen ik pas leraar was, een jong gezin had, kocht ik wel eens Bulkboeken, literaire producten als krant vormgegeven. Ze kostten weinig. Weliswaar werden boeken en gedichten zeer toegankelijk, maar schoonheid in de vorm van een krant van papier dat snel geel wordt en scheurt, wordt voor mij minder kostbaar. Hoewel de Bulkboeken nog steeds op een stapel ergens op een plank liggen, kijk ik ze nog nauwelijks in.

De tweetalige, op foto’s gebaseerde dichtbundel Wat we achterlieten / What we left behind is een buitengewoon mooi boek. Ik sla het vaak open, kijk naar de afbeeldingen, lees een gedicht en geniet elke keer. De foto’s en het omslag van dichter/fotograaf Mariet Lems zijn mooi en melancholiek (en druktechnisch prachtig). Gemaakt in Ierland zijn ze, lijkt het, gemaakt in verlaten huizen: er staat een paraplu tegen een door vocht uitgeslagen muur, er hangt een jas, een heiligenprent, er staat een paar roeispanen, een boot drijft in het water. Het zijn deze foto’s die voor de uit vijf dichters bestaande groep Divers de aanleiding zijn geweest de gedichten te schrijven die dit boek vullen en door Wim Tigges in het Engels vertaald zijn.
Ik ben geen anglist, maar weet wel iets van het vertalen van Nederlandse teksten. Zelf heb ik een door mij geschreven gedichtencyclus over de getijden in Umbrië in het Italiaans vertaald, waarbij ik behoefte kreeg aan een moedertaalspreker. Ik heb de indruk dat mede door de samenwerking met een Italiaanse filoloog/filosoof mijn vertaalde gedichten het in Italië beter doen dan in Nederland vanwege de sociaal-linguïstische context. Deze vertaler heeft het alleen gedaan. Ik hoop dat zijn Engelstalige teksten in Ierland met even veel waardering worden ontvangen als de mijne hier in het zuiden: het is, hoe dan ook, een knappe prestatie. Ik verwacht het wel, het beeld wordt verwoord en draagt eraan bij dat de Ieren ervan kunnen genieten. Ik gun het hun en de dichters.
Peter van de Kamp heeft een Engelstalige inleiding geschreven, waarin hij onder meer van elk van de dichters een gedicht behandelt. Ook dat verhoogt de aantrekkelijkheid, net als het feit dat Mariet Lems veel in Ierland komt: ze kreeg zelfs een Ierse boer aan de poëzie.

De groep Divers, bestaande uit Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems, Wim Hartog en Wout Joling, komt eens in de zes weken bij elkaar. Zij bespreken dan een nieuw gedicht over een van te voren afgesproken thema, waarvan de tekst bekend is. Het gedicht wordt dan volgens een vast stramien besproken. Eerst leest degene die links naast de schrijver van het aan de orde zijnde gedicht zit de tekst voor; dit kan onduidelijkheden aan het licht brengen. Dan leest de maker het voor. Vervolgens gaat men rechtsom en mogen er opmerkingen worden gemaakt die over de wezenlijke zaken gaan. Naar eigen inzicht verwerkt de ‘maker’, de poëet (dat komt van poietes, wat maker betekent), deze opmerkingen. Dan wordt het gedicht nogmaals aan de groep voorgelegd.

Dit boek is ontstaan naar aanleiding van gedichten waarbij de foto’s aanleiding tot dichten waren: men was vrij om te reageren zoals men reageerde.
Het boek kent  vier afdelingen: ‘Binnen’, ‘Buiten’, ‘Landschap’, ‘Water’. Elke dichter reageerde op de beelden die deze thema’s illustreren. Opmerkelijk is de grote variëteit van de gedichten. Het eerste gedicht van Edith de Gilde is een inleidingsgedicht. Het heet ‘Scheppers’. Een citaat: ‘Op een dag hadden we er genoeg van. / We gingen na wat we zeker wisten / en pakten het in een rugzak. // Die was niet zwaar. We sjorden hem om / en verlieten het huis. Dat we opnieuw / ballast zouden vergaren was op dit ogenblik // van geen belang…’.
Het is onmogelijk om zoveel te citeren als ik zou willen. Elke dichter zou aan zijn of haar trekken moeten komen, maar omdat dit het werk is van een groep, neem ik aan dat men zich ook kan identificeren met een gedicht dat in de groep is behandeld.
In het onderdeel ‘Landschap’ schrijft Mariet Lems bij een wonderlijk mooie serene foto: ‘Wie er woonde heeft misschien toch wel / het nakijken. Dat ik vastleg wat / los wil, meeneem wat vergaat / opteken wat gezegd wilde / Hoe ik de gastvrijheid ontvlucht / omkijk, de deur sluit, een braam pluk / groet…..’. De sfeer is melancholiek, de vorm van het gedicht is mooi, er klinkt een resignatie in de taalmuziek. Ook Wim Hartog reflecteert over een foto op zijn manier, waarin hij verwijst naar het orthodox-katholicisme, dat grote gezinnen stimuleerde. Dan moest ‘het geslacht / wel eerst met wijwater gewassen. / Er kwamen goddelijke kinderen.’ Ook hij eindigt in een soort resignatie: ‘Nachtdiep zicht verliest / de witte sluiter aan zalige prikkels.’
In de afdeling  ‘Water’ werd ik gecharmeerd door het gedicht ‘Rustgebied’ van Wout Joling:

Ik wacht niet tot het laatste
woord is verouderd
zoals het meer in een poel
en de lucht
van grijze lei

Het paard
dat niet meer galoppeert
van wie alleen het malend
grazen aan de stilte
van het beemdgras schurkt

De bomen onveranderlijk
groen door de seizoenen
herfst blijft zomer
in winters smelt niets
dat van natuur is

Snor en rietgors
verwijlen in het onderriet
waar nergens nog
een woord verschrikt
van plek verschiet

Kortom, voor wie van fraaie, milde en melancholieke poëzie houdt, gebaseerd op mooie foto’s, fraai vormgegeven, is dit boek een aanrader. Edith de Gilde en Mariet Lems speelden de belangrijkste rol bij de totstandkoming ervan. Het is ook een mooi cadeau. Dat de Ierlandkenner Ruud Hisgen de fraaie Nederlandstalige inleiding schreef, waarbij hij deze poëzie verbindt met de hartenkreten van een middeleeuwse monnik, draagt bij aan de ongelooflijk hoge kwaliteit.  Het boek roept bij mij een soort heimwee-achtig verlangen op om eens naar het groene Ierland toe te gaan, wat ook bij  lezers het geval zal zijn.

***
De uit vijf dichters bestaande groep Divers, met de klemtoon op de tweede lettergreep, komt regelmatig bij elkaar. De dichters zijn bijna allen zeventigers. Doordat ze in een groep werken, ontstaat er zeer zorgvuldige poëzie. Edith de Gilde is bestuurslid van Meander en evenals Mariet Lems werkend lid van de Haagse Kunstkring.
De bundels zijn te bestellen bij De zwarte els (de.zwarte.els@outlook.com)