Recensie van Verzen - Willem Kloos

De goddelijke klanken van het sonnet

Willem Kloos
Verzen
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043239
€ 19,95
159 blz.

Met het verschijnen van de biografie Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! van Peter Janzen en Frans Oerlemans voorziet de uitgeverij van dit boek tevens in een editie van Kloos’ Verzen. De bundeling van Kloos’ gedichten is behoudens enkele aanpassingen analoog aan de eerste uitgave van de Verzen in 1894 van Versluys in Amsterdam. Deze uitgave is grofweg opgebouwd uit (1) een afdeling gedichten, hoofdzakelijk sonnetten en enkele sensitivistische liedjes over de dood, (2) een tweetal dramatische fragmenten en een episch fragment op rijm en (3) een afdeling gedichten, veelal scheldsonnetten. Een door de uitgever toegevoegde inhoudsopgave wordt in deze editie node gemist. Echter, het maakt deze bundel ook tot een uitdagend zoek- en bladerboek, waarin je je als lezer telkens laat verrassen. Zo bevat deze dichtbundel ook Duits- en Franstalige verzen en enkele ‘In memoriam’-sonnetten. Kloos’ Verzen heeft de opdracht ‘Aan de nagedachtenis van Anna Cornelia Amelse, mijn moeder’ meegekregen. 

Klankgod

Op de flaptekst van de bundel wordt Willem Kloos de ‘klankgod’ van het sonnet genoemd en daar is veel voor te zeggen. Zijn bundel Verzen is lang gezien als de bijbel van de Tachtigers. Van de gedichten van Willem Kloos restten enkel nog wat beginregels die de meeste lezers zich herinneren, zoals ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten’ en ‘Ik ween om bloemen in den knop gebroken’. Maar er valt meer te genieten. Het vorm-en-inhoud-zijn-één-principe en het ‘l’art pour l’art’-idee van de Tachtigers zijn moeiteloos in de bundel terug te vinden. Een prachtig voorbeeld, waarin Kloos’ opvatting betreffende het schrijven van sonnetten zich manifesteert, is onderstaand gedicht. De kenners van het werk van Kloos zal het bekend voorkomen (VI, p. 7):

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
    De witte bloesems in de scheemring – ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
    Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
    Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teêrheid.., Rust – o, wonder-vreemd genucht!
    Want alles is bij dag zóó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
    Verstierf – de wind, de wolken, alles gaat
        Al zachter en zachter – alles wordt zoo stil…

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
    Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
        Altijd maar luider, en niet rusten wil.   

Meer nog dan de gebeurtenissen die plaatsvinden, wordt in dit gedicht de sfeer van de avond weergegeven. Dit sonnet, dat vijfvoetige jambische versregels heeft, is ritmisch fraai opgebouwd. De vervagende beelden en het verdwijnende geluid hebben een vertragende werking die leidt van intense rust tot absolute stilte. In de laatste strofe, die geen beschrijving meer van de natuur is, wordt de ik-figuur zich bewust van het steeds luider kloppen van zijn hart. Dan treedt een versnelling van het ritme op. Kenmerkend voor de poëtica van de Beweging van Tachtig is het gebruik van klankherhalingen in de vorm van alliteraties en assonanties; deze maken het gedicht tot een mooi voorbeeld van stemmingskunst. In vrijwel alle gedichten van Kloos zijn deze vormaspecten terug te vinden, en dan altijd in samenhang met de inhoud.

De fragmenten

‘Rhodopis. Dramatisch fragment’ is een toneeltekst in vijfvoetige jamben zonder eindrijm, al in 1878 geschreven. De stijl die Kloos hanteert is geïnspireerd op het werk van Shelley en Keats, twee Engelse dichters die hij bewonderde. Onder de lijst van ‘Personen’ staat vermeld: ‘De handeling heeft plaats te Saïs. Tijd 658 v. Chr.’ Het fragment is een confrontatie tussen de oosterse, de Griekse en de westerse levensbeschouwing in één menselijke ziel, namelijk die van Rhodopis, een ‘hetaere’ ofwel een publieke vrouw. De levensbeschouwingen zijn terug te vinden in drie personages. Myrrha is de oosterse ziel, zij is de vriendin van Rhodopis en is bezeten door aardse schoonheid en door lichtzinnigheid. De Griekse Charaxes is legeraanvoerder en minnaar van Rhodopis, hij is een standvastige en evenwichtige figuur. In dit fragment treedt hijzelf nog niet op, maar wel zijn bode ‘Een Grieksch krijgsman’. Mylitta, zoogzuster van Rhodopis, wier leven beheerst wordt door levensmoeheid en vergankelijkheidsbesef, vertegenwoordigt het moderne leven. Over de betekenis van de drie personages in relatie tot Rhodopis in deze pantheïstische tekst is in de loop der jaren onder critici en onderzoekers veel te doen geweest.

‘Okeanos. Episch fragment’ volgt in drie zangen het verhaal van de slapende, beeldschone herdersjongen Ganymedes. Zeus laat hem elke avond door een arend roven om hem als wijnschenker op de Olympus aan het werk te zetten. In zijn dromen ervaart Ganymedes zijn status in deze omgeving als goddelijk. De fragmenten zijn in vijfvoetige jamben geschreven, de tekst is geïnspireerd door ‘Hyperion’ van John Keats. De taal van deze poëzie is rijk aan klank, het begrip woordmuziek is zeker niet misplaatst. ‘Sappho. Dramatisch fragment’, in alexandrijnen berijmd, behandelt het schoonheidsideaal, zoals dat in de lyrische poëzie van de Griekse dichteres Sappho tot uiting komt. De aardse wellust staat tegenover het verheven liefdesideaal, al dan niet in een homo-erotische context. De conclusie na het lezen van deze drie fragmenten is dat ze inhoudelijk gezien weinig toegankelijk voor de moderne lezer zijn. Wel valt net als bij de sonnetten en andere gedichten de rijkdom aan klank en ritme op.

De scheldsonnetten

De scheldsonnetten doen qua venijn niet onder voor de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Of ze de lezer van nu nog aanspreken is de vraag, want die is via de moderne media wel een en ander gewend. Kloos’ mede-Tachtigers moeten het bij hem ontgelden. Hij ziet Herman Gorter als ‘een ellendig knoeier’. Psychiater Van Eeden wordt met ‘Klein slechtaardje, dom doktertje, onbenoemlijk’ en ‘verkrachter van veel vrouwen-zielen’ ook niet gespaard. Verwey wordt weggezet als een gespierd dichtertje: ‘gij musculeus poëetken’, Couperus als een ‘zoet, zelf-vergenoeglijk kind’. Pieter Lodewijk Tak, die na Van der Goes enige tijd de financiën deed van De Nieuwe Gids, wordt spottend aangesproken met ‘gij vriendelijk gastje’. Toch is mijn conclusie dat de scheldsonnetten te vrijblijvend en te cabaretesk overkomen, Kloos’ dichterschap wordt hier teveel een kunstje. Zijn belangrijkste stijlmiddel om de spot te drijven is een overdadig gebruik van het verkleinwoord en deze simpele truc roept irritatie op. Kloos pakt anderen meedogenloos aan, maar laat intussen veel van zijn eigen frustrerende onmacht zien. De arts Aletrino, van Sefardische (Spaans-Portugees-Joodse) afkomst werkte veel in armoedige volkswijken en streed voor de erkenning van homoseksualiteit. In literaire kringen stelde hij zich als persoon bescheiden op, zijn werk heeft een zwaarmoedige toon. Hij bewonderde Willem Kloos, maar desondanks komt hij bij hem ook aan de beurt om beschimpt te worden. De eerste twee kwatrijnen (CLXIX, p. 141) klinken als volgt:

O Aletrinootje, gij valsch, Moors Vorsje,
     Dat ferm zit op ’t belachelijkste troontje
     Pas op, dáár gaat ‘t, uw waggelende kroontje
Valt van uw kopje, och kereltje, wat dorst je

IJdlijkjes je verheffen op één toontje
     Om schijnen wat gij niet zijt, ridderborstje
     Schijnbaar, daar gij niet zijt dan een hansworstje,
O fierlijk om u blikkend, gij gewoontje,

Soms is Kloos belerend, zoals in het sonnet over Jan Veth die dichter, schilder en hoogleraar kunstgeschiedenis was. Kloos geeft hem op hekelende wijze les in een van de principes van de beweging van Tachtig. De eerste strofe luidt (LXXXV, p. 44):

Inhoud en vorm, in kunst als in natuur,
     Zijn Eén. Je twijfelt? Ken je zelf toch, Vethje, –
De hand op ’t hart, – ben jij niet een secuur
     Broekje, o Jan Veth, ben jij geen binnen-vetje? 

Tot slot

In het ‘Nawoord’ geven Peter Janzen en Frans Oerlemans een overzicht van de kritieken die Verzen kreeg. Ook hebben de auteurs aandacht over de vermeende homoseksuele gevoelens van Kloos, dit in relatie tot zijn gedichten. Uiteraard komt de vraag aan de orde waarom Kloos in de scheldsonnetten ‘zijn oude vrienden en voormalige redacteuren zo meedogenloos en publiekelijk’ met de grond gelijk gemaakt heeft. De schuld moet gezocht worden bij hen die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van De Nieuwe Gids. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘Hij [Kloos. HM] was ervan overtuigd dat zij De Nieuwe Gids als een stel laffe burgermannen, als ‘verdorden’ hadden afgebroken; het monument dat Kloos om ‘Gods zuivere wil’ had opgericht.’ Het nawoord eindigt met een kort overzicht van de drukgeschiedenis van Verzen. Het boek bevat bovendien een lijst van ‘Geraadpleegde literatuur’ en een ‘Verantwoording’ van deze heruitgave. Het maakt deze deskundig verzorgde editie compleet.

Willem Kloos’ Verzen is geen dichtbundel om in één keer van begin tot het einde te lezen. Voor lezers die van sonnetten houden is de bundel ontegenzeglijk de moeite waard. Het is een boek om veelvuldig in te grasduinen. Je moet het thuis ergens in het zicht leggen, want dan pak je het geregeld om op zoek te gaan naar een bijzonder gedicht of een opmerkelijke versregel. De lezer die zich openstelt voor de poëzie van deze Tachtiger zal altijd iets fraais vinden, zeker in het eerste gedeelte. Tip: lees eens een sonnet hardop, dan ervaar je de muzikaliteit van zijn poëzie.

***
Willem Kloos (1859-1938) was dichter en een belangrijke voorman van de Beweging van Tachtig. Hij was een van de oprichters van het tijdschrift De Nieuwe Gids, waarin hij zijn gedichten publiceerde en zijn voornaamste literaire principes uiteenzette. In 1894 verscheen Verzen, een bundeling van zijn gedichten, waarvan de meeste in De Nieuwe Gids waren verschenen. Naast dichter was hij ook een vooraanstaand en scherp criticus.

 

Gedichten

door Arjan Keene (1963)
Arjan Keene (1963) stond vier keer in de top-100 van de Turing nationale gedichtenwedstrijd en won de Willem Wilmink Dichtwedstrijd in 2013. Hij heeft o.a. gepubliceerd in De Revisor, poeziepuntgl, Ballustrada, Meander, Krakatau, De Contrabas, Het Vrije Vers, en in diverse verzamelbundels. Stadsdichter van Ede van 2012 tot 2015. Bundels: Papilio Domestica, Boekenbent, 2010 (e.b.); Het zal de leeftijd zijn, De Contrabas, 2013.
 

Een film die in de stilte draait

Het is als het verslapen van de geest,
stel ik mij voor. Een ondertiteld dromen
van wat er was en wat wellicht zou komen,
een carnaval van beelden. Als een feest.

En wat voor één! Een optocht van fantomen
waarin je eindeloos de lippen leest
van iedereen die hier ooit is geweest,
waarvan nooit meer een teken is vernomen.

Maar dit is een parade zonder woorden
en nergens klinkt muziek of hoorngeschal.
Men danst met knekels op een dodenbal.

Je schreeuwt vergeefs, verstomd, je eigen naam.
Er is geen god of liefde die het hoorde.
Intens geleefd. En dan de poppenkraam.

Onzegbaar

Niet onuitsprekelijk, maar onvangbaar,
als een vis die langs je vingers glijdt,
of een vlinder die, wanneer je beter kijkt
en naar haar middel reikt, zich oprolt,
een cocon wordt in een hologram.

Of hoe dat vreemde woord dan gaat bewegen,
hoe de beelden in een onverwachte nacht
gekomen zijn in tegenstribbelende stromen.
En hoe de wereld tijdelijk te klein lijkt
voor de kamers die zich langzaam openen.

Alsof je aan je eigen lichaam bent ontstegen
en neerkijkt als getuige, die er toen niet was.
De vader die geen vader is. Je wordt betast,
nabije handen zo koelbloedig op je huid.
Wat niemand wist. Of niet voor waarheid zag.

Met dit gedicht haalde Arjan een gedeelde 3e/4e plaats in de vijfde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Recensie van Wat we achterlieten / What we left behind - Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.

Weemoed en bezinning verbeeld en verwoord

Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.
Wat we achterlieten / What we left behind
Uitgever: De zwarte els
2017
ISBN 9789080442122
€ 17,50
103 blz.

Voor mij is een mooi boek belangrijk: als de inhoud op een fraaie manier wordt vormgegeven vind ik het product in zijn geheel mooier. Toen ik pas leraar was, een jong gezin had, kocht ik wel eens Bulkboeken, literaire producten als krant vormgegeven. Ze kostten weinig. Weliswaar werden boeken en gedichten zeer toegankelijk, maar schoonheid in de vorm van een krant van papier dat snel geel wordt en scheurt, wordt voor mij minder kostbaar. Hoewel de Bulkboeken nog steeds op een stapel ergens op een plank liggen, kijk ik ze nog nauwelijks in.

De tweetalige, op foto’s gebaseerde dichtbundel Wat we achterlieten / What we left behind is een buitengewoon mooi boek. Ik sla het vaak open, kijk naar de afbeeldingen, lees een gedicht en geniet elke keer. De foto’s en het omslag van dichter/fotograaf Mariet Lems zijn mooi en melancholiek (en druktechnisch prachtig). Gemaakt in Ierland zijn ze, lijkt het, gemaakt in verlaten huizen: er staat een paraplu tegen een door vocht uitgeslagen muur, er hangt een jas, een heiligenprent, er staat een paar roeispanen, een boot drijft in het water. Het zijn deze foto’s die voor de uit vijf dichters bestaande groep Divers de aanleiding zijn geweest de gedichten te schrijven die dit boek vullen en door Wim Tigges in het Engels vertaald zijn.
Ik ben geen anglist, maar weet wel iets van het vertalen van Nederlandse teksten. Zelf heb ik een door mij geschreven gedichtencyclus over de getijden in Umbrië in het Italiaans vertaald, waarbij ik behoefte kreeg aan een moedertaalspreker. Ik heb de indruk dat mede door de samenwerking met een Italiaanse filoloog/filosoof mijn vertaalde gedichten het in Italië beter doen dan in Nederland vanwege de sociaal-linguïstische context. Deze vertaler heeft het alleen gedaan. Ik hoop dat zijn Engelstalige teksten in Ierland met even veel waardering worden ontvangen als de mijne hier in het zuiden: het is, hoe dan ook, een knappe prestatie. Ik verwacht het wel, het beeld wordt verwoord en draagt eraan bij dat de Ieren ervan kunnen genieten. Ik gun het hun en de dichters.
Peter van de Kamp heeft een Engelstalige inleiding geschreven, waarin hij onder meer van elk van de dichters een gedicht behandelt. Ook dat verhoogt de aantrekkelijkheid, net als het feit dat Mariet Lems veel in Ierland komt: ze kreeg zelfs een Ierse boer aan de poëzie.

De groep Divers, bestaande uit Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems, Wim Hartog en Wout Joling, komt eens in de zes weken bij elkaar. Zij bespreken dan een nieuw gedicht over een van te voren afgesproken thema, waarvan de tekst bekend is. Het gedicht wordt dan volgens een vast stramien besproken. Eerst leest degene die links naast de schrijver van het aan de orde zijnde gedicht zit de tekst voor; dit kan onduidelijkheden aan het licht brengen. Dan leest de maker het voor. Vervolgens gaat men rechtsom en mogen er opmerkingen worden gemaakt die over de wezenlijke zaken gaan. Naar eigen inzicht verwerkt de ‘maker’, de poëet (dat komt van poietes, wat maker betekent), deze opmerkingen. Dan wordt het gedicht nogmaals aan de groep voorgelegd.

Dit boek is ontstaan naar aanleiding van gedichten waarbij de foto’s aanleiding tot dichten waren: men was vrij om te reageren zoals men reageerde.
Het boek kent  vier afdelingen: ‘Binnen’, ‘Buiten’, ‘Landschap’, ‘Water’. Elke dichter reageerde op de beelden die deze thema’s illustreren. Opmerkelijk is de grote variëteit van de gedichten. Het eerste gedicht van Edith de Gilde is een inleidingsgedicht. Het heet ‘Scheppers’. Een citaat: ‘Op een dag hadden we er genoeg van. / We gingen na wat we zeker wisten / en pakten het in een rugzak. // Die was niet zwaar. We sjorden hem om / en verlieten het huis. Dat we opnieuw / ballast zouden vergaren was op dit ogenblik // van geen belang…’.
Het is onmogelijk om zoveel te citeren als ik zou willen. Elke dichter zou aan zijn of haar trekken moeten komen, maar omdat dit het werk is van een groep, neem ik aan dat men zich ook kan identificeren met een gedicht dat in de groep is behandeld.
In het onderdeel ‘Landschap’ schrijft Mariet Lems bij een wonderlijk mooie serene foto: ‘Wie er woonde heeft misschien toch wel / het nakijken. Dat ik vastleg wat / los wil, meeneem wat vergaat / opteken wat gezegd wilde / Hoe ik de gastvrijheid ontvlucht / omkijk, de deur sluit, een braam pluk / groet…..’. De sfeer is melancholiek, de vorm van het gedicht is mooi, er klinkt een resignatie in de taalmuziek. Ook Wim Hartog reflecteert over een foto op zijn manier, waarin hij verwijst naar het orthodox-katholicisme, dat grote gezinnen stimuleerde. Dan moest ‘het geslacht / wel eerst met wijwater gewassen. / Er kwamen goddelijke kinderen.’ Ook hij eindigt in een soort resignatie: ‘Nachtdiep zicht verliest / de witte sluiter aan zalige prikkels.’
In de afdeling  ‘Water’ werd ik gecharmeerd door het gedicht ‘Rustgebied’ van Wout Joling:

Ik wacht niet tot het laatste
woord is verouderd
zoals het meer in een poel
en de lucht
van grijze lei

Het paard
dat niet meer galoppeert
van wie alleen het malend
grazen aan de stilte
van het beemdgras schurkt

De bomen onveranderlijk
groen door de seizoenen
herfst blijft zomer
in winters smelt niets
dat van natuur is

Snor en rietgors
verwijlen in het onderriet
waar nergens nog
een woord verschrikt
van plek verschiet

Kortom, voor wie van fraaie, milde en melancholieke poëzie houdt, gebaseerd op mooie foto’s, fraai vormgegeven, is dit boek een aanrader. Edith de Gilde en Mariet Lems speelden de belangrijkste rol bij de totstandkoming ervan. Het is ook een mooi cadeau. Dat de Ierlandkenner Ruud Hisgen de fraaie Nederlandstalige inleiding schreef, waarbij hij deze poëzie verbindt met de hartenkreten van een middeleeuwse monnik, draagt bij aan de ongelooflijk hoge kwaliteit.  Het boek roept bij mij een soort heimwee-achtig verlangen op om eens naar het groene Ierland toe te gaan, wat ook bij  lezers het geval zal zijn.

***
De uit vijf dichters bestaande groep Divers, met de klemtoon op de tweede lettergreep, komt regelmatig bij elkaar. De dichters zijn bijna allen zeventigers. Doordat ze in een groep werken, ontstaat er zeer zorgvuldige poëzie. Edith de Gilde is bestuurslid van Meander en evenals Mariet Lems werkend lid van de Haagse Kunstkring.
De bundels zijn te bestellen bij De zwarte els (de.zwarte.els@outlook.com)

Recensie van Vonkt - Marije Langelaar

‘Want wat is de echte wereld?’

Marije Langelaar
Vonkt
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511681
€ 17,99
88 blz.

Het is niet makkelijk om gedichten te lezen wanneer de buurvrouw twee tuinen verderop een verhaal afsteekt over een uitschuifbare tuintafel en daar meer woorden voor nodig heeft dan ik voor deze recensie. En zo toegankelijk is Vonkt nu ook weer niet. Daarom was ik erg blij met het volgende gedicht:

En ze vroegen me terug voor dat radioprogramma
ik weet nog steeds niet waarom
want ik had vooral gezwegen
maar de presentator benadrukte dat men daar
nood aan heeft vandaag de dag.
Dus zat ik daar weer achter een microfoon
en zweeg
en ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mijzelf natuurlijk
en de presentator die zenuwachtig aan zijn snor ging
wrijven. Dat ging me goed af. Ik had mijn talent ontdekt.
En vanuit het niets vertelde ik over het vonkje, klein
en zoemend waardoor ik voorzichtig weer in de
wereld, getallen, fenomenen, planeten, materialen
en mensen ging geloven. Er zit een vonk in u.
Jazeker vonk in u. Want die vonk is in mij, ik weet
verder niets mijn denkkracht is nihil, geen zicht,
geen gehoor, ik zwem in het niets maar ik weet
er is een vonk in deze tafel, deze lamp en in u beste
luisteraar.
Ik was dusdanig op dreef dat mijn woorden vlam vatten.
(…)

Rijm: check. Metrum: check. Vaste vorm: check. Beeldspraak: check. En toch is dit onvervalste poëzie. We worden een ongekende wereld ingezogen, die tegelijkertijd commentaar levert op de wereld die we kennen. De dichter heeft veel woorden nodig om de kracht van het zwijgen voelbaar te maken. Maar in r.7 vallen vorm en inhoud opeens volledig samen: ‘en zweeg’. In het alledaagse lawaai van standpunten en analyses wordt het zwijgen van de ‘ik’ als veelbetekenend opgevat. Het maakt de gladde presentator onzeker. Wolven willen graag dat je meehuilt, of juist er tegenin gaat, want ook dan speel je het spel mee.
Veel gedichten in Vonkt zijn langer dan één pagina. Ook bovengenoemd gedicht, ‘Vonk’, gaat nog een tijdje door. Hoe babbelig het gedicht ook overkomt, bij nadere beschouwing is veel aandacht besteed aan exacte woordkeus. Vergelijk bijvoorbeeld eens de twee opsommingen, waarbij alleen het woordje ‘fenomenen’ in beide voorkomt, maar ook mooie parallellen aanwezig zijn: dingen/materialen, wezens/mensen. In het gezelschap in de studio ligt voor de hand te zeggen, dat de vonk aan tafel zit, maar de dichter gaat een stap verder: ‘er is een vonk in deze tafel’. Die lamp daarna is weer hilarisch, want dat er een vonk in de lamp zit is logisch, een lamp die geen licht geeft is geen beste lamp.
Gesterkt door deze lezing herlas ik op een rustiger avond de eerste van de drie afdelingen: ‘Een afgrond omsingelen’. Het eerste gedicht opent absurdistisch: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ De relatie met deze vriend lijkt het thema van deze eerste afdeling te zijn, ‘een verontrustend verslag van een persoonlijke strijd’, aldus de achterflap. Langelaar schotelt ons geen zure anekdotes voor, maar sprankelende, uit de hand lopende improvisaties . ‘Wat was het precies dat er brak? / Brak het of sleet het? / Ging het geleidelijk aan? / Sloop op de tenen de kracht weg? / Trok kauwgom ongelijk het?’ De agrammaticale formuleringen geven het gedicht iets spontaans, doorbreken de op de loer liggende clichés. En dan eindigt het gedicht dubbelzinnig: ‘Wordt dat wat scheef weer recht echt?’, waarbij het laatste woord een schurend binnenrijm geeft, maar ook betekenissen openhoudt richting ‘werkelijk’ en ‘huwelijk’. Vooral bij het twee pagina’s lange gedicht ‘Put’ kwam bij mij het beeld van een echtscheiding of verbroken relatie naar boven. Bij Langelaar geldt nadrukkelijk: vorm = inhoud. De gebeurtenissen zijn niet logisch, dus het gedicht ook niet. De werkelijkheid is niet mooi, dus het gedicht streeft ook geen schoonheid na. ‘Ik had niet veel meer op dat moment – een / vloerkleed 100% wol rechtstreeks geïmporteerd uit / Pakistan, een stapeltje boeken en cd’s waar ik / allang op was uitgekeken / bovendien een kwade echtgenoot die er niet over / dacht om mij te vergeven’. In dit laatste gedicht uit de eerste afdeling wordt letterlijk de bodem van de put bereikt. Maar net zoals in het hierboven geciteerde ‘Vonk’ vanuit stilzwijgen beweging en inspiratie ontstaan, zo herbergt ‘de donkere vochtige bodem’ van de put ook een keerpunt.

De tweede afdeling, ‘Een slag op de trom’ bevat een aantal langere, meer verhalende gedichten. De soms bizarre vertellingen worden onderbroken door abrupte stijlbreuken en terzijdes. ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten, / maar nee enkel de kat in de tuin en ik.’ En even later: ‘Nee er was geen tijd voor verbazing in de echte / wereld, want wat is de echte wereld, ben je toch / ook niet verbaasd dat er horloges tegen je praten?’
Op een geheel andere manier komt het verschil tussen twee werelden terug in het gedicht ‘Stad’, waarin het lyrisch ik ‘al een paar slordige maanden’ tussen twee steden in ligt. ‘De verleiding was groot voor de stad van het Noorden te kiezen. / Hoge bergtoppen! Wilde dieren! Krolse mannen in het licht van / tl, damspel, vrijen om de haverklap, tomeloos plezier, versnelde / hartslag, aderlatingen, aflaathandel, roemloos ten onder.’ Hoewel even later ook reclameborden en haarlak passeren, geven genoemde aderlatingen en aflaathandel het gedicht de sfeer van een middeleeuwse vertelling. Tegenover de vleselijke verleidingen uit het Noorden staat de meer esoterische aantrekkingskracht van de stad van het Zuiden ‘Waar de lakens langzaam wapperden, ijle lucht opsteeg van de / kelders, pruttelende kruiden, zingeving, prekers, wijze mannen / met priemende geslachtsdelen. / Om de haverklap een blikseminslag van de toekomst, de / verschijning van de stigmata of wonder, / de wegwijzering met vissen, het duiden van wolken en paarden.’ In beide steden gebeurt iets ‘om de haverklap’, en ook de mannen blijven in beide steden mannen, maar verder wordt de ‘ik’ verscheurd door tegenstrijdige behoeften.

De laatste afdeling uit de bundel heet ‘Love songs for the Absolute’. Hierin komt het thema van de stad nog een aantal keren terug. Een ander belangrijk thema is dat van bevruchting, incarnatie, geboren worden. Langelaar onderzoekt in uiteenlopende stijlen en fantasieën wat het betekent om mens te zijn, op deze aarde geworpen te worden, vrouw of man te zijn. Direct al in het eerste gedicht: ‘Dat jaar werden we geboren in / een lichaam. / Het viel ons op dat we sloegen. / We sloegen de trom. // Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. // Zo leefden we ons leven. / We sloegen de jaren weg.’ Het staat er heel terloops: ‘Het viel ons op dat we sloegen’. Zijn gaat vooraf aan Bewustzijn. In het gedicht vindt langzaam een bewustwording plaats: ‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats die trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen? / Had ons het ritme opgelegd? En waar waren we eerder? Waarom?’ Hoe absurdistisch het verhaal van de ‘ Trommel’ ook is, er worden wel vragen aangesneden die ertoe doen.

Zwaluw (fragment)

We kwamen aan op de rug van een zwaluw.
We landden aan de kust
daar waar de zee het land omarmt.
We duwden onze hakken in de grond.

We namen de omgeving in ons op
de dieren, kleine insecten, die ons staken
hoefgetrap vanuit het struikgewas.

We wilden het zien om te weten dat het bestond
onze aanraking, een vinger op de huid,
klamme spieren, een nat oog, maakte het levend.

We wilden niet langer met concepten leven en alles
wat ons was verteld of voorgelezen
we wilden Zelf. Echt. Voelen. Leven.

(…)

Ook in dit fragment toont de dichter lef en beheersing van de taal. Zinnen ontsporen vanzelf wanneer de betekenis de overhand krijgt. En dan die schaamteloze vier losse woorden met hoofdletters. Alles om de zeggingskracht te onderstrepen. In de eerste strofe lijkt sprake van een overbodige precisering: ‘daar waar de zee het land omarmt’. Toch is het geen slordigheid. Het begrip ‘omarmen’, ‘omsingelen’ komt regelmatig terug, denk bijvoorbeeld aan de titel van de eerste afdeling.

Er staat teveel in deze bundel om in één recensie weer te geven. Hoe langer ik de bundel lees, hoe toegankelijker zij wordt. Er zit maar één ding op. Zelf. Gaan. Kopen. Lezen.

***
Marije Langelaar (1978) debuteerde in 2003 met De rivier als vlakte. Haar tweede bundel, De schuur in (2009), werd genomineerd voor de Jo Peterspoëzieprijs en de J.C. Bloemprijs en werd bekroond met de Hugues C Pernathprijs. In 2012 trad zij op op Poetry International .
Klik hier voor een uitgebreide bespreking van het gedicht ‘Optellen’, uit de eerste afdeling van Vonkt.

Recensie van Toen het moest - Micha Hamel

Kansloos tegen het absurdisme

Micha Hamel
Toen het moest
Uitgever: Uitgeverij Augustus - Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451073
€ 21,99
94 blz.

Wat is dat toch voor een gekke trend, geachte mijnheer Hamel, dat veelbelovende dichters die steeds meer die belofte waarmaken al na vier bundels aankondigen dat het is afgelopen met het dichten? Ik lees dat voornemen achterop uw bundel Toen het moest. Een titel die suggereert dat u onder druk bent gezet. U wilde niet, u had de plicht, er is hier sprake van een ‘motje’. Waarom? Misschien vanwege de genoemde beurs van het Nederlandse Letterenfonds, misschien vanwege contractuele verplichtingen met uw uitgever? Een uitgever die ook nog eens pesterig ‘poëzie’ heeft gezet op de voorkant. Pal onder de titel, terwijl de tekst op de achterzijde nog wat twijfel wil zaaien of hier wel sprake is van een dichtbundel. Muzikanten als Prince en George Michael gingen jarenlang gebukt onder de macht die hun platenmaatschappijen uitoefenden. U bent meer van de niet-zo populaire muziek maar u weet vast hoe het met die heren is afgelopen vrij onlangs. Ik maak mij zorgen om u, mijnheer Hamel.

Toen het moest is ook een beetje een titel waarin u zegt: vooruit dan maar, kijken wat er nog ligt onder het bureau of in de krochten van de harde schijf. Beetje husselen, nietje erdoor en dan ligt hij er. U moet toegeven, er komt nogal wat verschillends voorbij in de bundel: teksten die hoorden bij een speciale museumpresentatie met virtuele brillen, odes aan oude vriendinnen, odes aan vriendinnen die 50 jaar worden naast hele persoonlijke gedichten over de liefde en het vaderschap. Dit lijkt een ‘alle dertien even Hamel’-compilatie.

Het is jammer dat u niet langer als dichter door het leven wil, want u maakt verrassende verzen. U kent natuurlijk zelf al uw gedichten al, maar ik citeer toch even.

TRANSPORT

Een auto kun je het best vervoeren 
door erin te gaan zitten, de motor te starten 
en van A naar B te rijden.

            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje

Alternatieve methode:

om het even welke personenauto kun je op een 
vrachtwagen-met-dubbele-oprijwagen-laden en 
hem niet vergeten goed vast te zetten. Zie foto.

Dit spaart chauffeurs uit, maarrrr… 
personenauto’s zijn er toch juist voor om mensen                              te vervoeren? 
Waarom zou je negen auto’s gebruiken om één chauffeur                te vervoeren?

Dat is toch inefficiënt? 
Dat is toch inefficiënt!

Wie is de belangrijkste persoon in mijn leven? 
Ik ben het zelf, want zonder mezelf heb ik geen leven.

ZONDER MEZELF HEB IK GEEN LEVEN.

Het zit er allemaal in: een bijzondere vorm om mij als lezer te vermaken, absurde wendingen, verwijzingen naar taalvormen van buiten de poëzie (.., zie foto) en het vrolijke zelfonderzoek dat altijd op de loer ligt. U zet de typografie (op deze website niet helemaal goed weergegeven)  in om te accentueren maar maakt nauwelijks gebruik van de muzikale middelen die u als dichter ter beschikking staan zoals rijm en metrum. Dat is opvallend als ik lees dat uw ‘andere baan’ componist is. Gaat het hier om het streng scheiden van twee disciplines of gebruikt u juist graag het eigene van de taal, zonder de ballast van klank en ritme?

En tussen die vrolijke ballades vol absurdisme lees ik een gedicht waarmee u mikt op de erebetrekking als Dichter des Vaderlands. Het beeld van het aangespoelde kinderlijkje op een strand aan de Middellandse Zee staat in ons geheugen gegrift. Het Syrische kindje dat met het gezicht naar het zand gericht de onmacht symboliseert, blijkt een naam te hebben, Aylan Kurdi, en voor hem is het gedicht ‘Oversteek’.

OVERSTEEK 

Wie ben jij en wat lig je daar raar

Ben jij de bode in ons toneelstuk, de 
eenling die van gruwelen vertellen moet

Ben jij een aangewezen gebieder, die onze 
realpolitiek van afstand komt herschikken

Ben je misschien een ‘gevalletje van zuiver 
toeval’, een kindgod, een activistisch beeldend

kunstwerk van siliconen en polyurethaan? 
Wie ben je? Ie è û (Echoën minuten stilte)

Dat je geen teken geeft maar een teken bent 
is iets waar geen dorre ouder iets mee kan

En dat jouw oversteek zijn eigen metafoor werd 
vinden enkel hermeneuten interessant

De gang van abstract naar concreet heb je 
ongewild ontgoochelend schitterend volbracht.

Wie ben jij en wat lig je raar en waar 
zijn je emmertje en je schepje

Geachte mijnheer Hamel, u bent een begenadigd dichter en dan is het natuurlijk absurd om te gaan melden dat u daarmee ophoudt. Stop liever met die onzinnige aankondigingen. U las een boek en dacht dat kan een robot beter schrijft u in het gedicht ‘Lees mij’. U suggereert dat dat gedicht is geschreven door een robot, maar wij trappen daar niet in. Sommige boeken worden wellicht beter geschreven door robots maar die overtreft u dan weer door iets toe te voegen dat in geen algoritme is te programmeren: het onwezenlijke, het onverwachte, het ongerijmde.
Heeft uw aankondiging te maken met eventuele weerstand tegen uw poëtische werk? U kunt slecht tegen kritiek. Dat verzin ik niet, dat zijn uw eigen woorden in een Facebookpost van 25 maart 2017: “Ik kan slecht tegen kritiek. Beter gezegd: ik kan niet tegen kritiek. Ik vind kritiek krijgen storend, vervelend en irritant. Mijn vrouw zegt het ook: ‘Jij kan niet tegen kritiek.'” 
Als uw liefhebbende echtgenoot het beaamt, dan moet het wel zo zijn. Lees dan geen recensies of dit soort open brieven, want die verzieken uw humeur. Maar laat ik ter verdediging opmerken dat mijn kritiek zich concentreert op de tekst op de achterflap en een beetje op de titel van uw bundel. Toen het moest is als een bundel nagelaten gedichten een verzameling van divers materiaal met weinig onderlinge samenhang. Daar zitten meester­werken tussen die het bestaan van de bundel in hun eentje rechtvaardigen, naast vormexperimenten, gezellige observaties en onderzoeken naar de expressiemogelijkheden van de taal. Daar moeten er nog heel wat bij, wil er sprake zijn van een echt dichterlijke nalatenschap.
Waarom stoppen, de poëzie kan toch altijd een duwtje gebruiken? U publiceert bij een fatsoenlijke uitgeverij, u scoort hoog in de Pfeijfferindex (vijf gedichten!) en de wereld wordt er niet minder absurd op. U heeft vast nog veel meer vrienden en vriendinnen die een kroonjaar vieren. Als iedereen 50 is geworden, gaat u verder met de vriendinnen van 60 jaar. Of u maakt weer een bundel waarin de gedichten als een compositie in samenhang meer vertellen dan ieder voor zich. Waarom? Hoe luidt die reclamekreet ook alweer: niet omdat het moet, maar omdat het kan! Mijnheer Hamel, deze lezer rekent op u!

***
Micha Hamel (1970) is naast dichter ook componist-dirigent. Hij componeerde orkestwerken, liederen, kamermuziek en muziek voor dans en theater. In 2008 toerde zijn operette Snow White door het land. In juni 2012 was hij ‘componist in focus’ op het Holland Festival. Met Alle enen opgeteld debuteerde Micha Hamel in 2004 als dichter. Deze bundel werd bekroond met de Lucy B. & C.W. van der Hoogtprijs en in twee keer herdrukt. In 2006 verscheen de dichtbundel Luchtwortels, in 2010 Nu je het vraagt, en in 2013 Bewegend doel