Recensie van Apollo in de sneeuw - Alexander Koesjner

Grand old man?

Alexander Koesjner
Vertaler: Peter Zeeman
Apollo in de sneeuw
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313263
€ 15
48 blz.

Apollo in de sneeuw is een bloemlezing van de gedichten uit de periode 1962 – 1996 van Alexander Koesjner (1936). Peter Zeeman heeft de gedichten gekozen, vertaald en bovendien van aantekeningen en een nawoord voorzien.
In dat nawoord schrijft hij dat Koesjner wordt beschouwd als de ‘grand old man’ van de Russische poëzie, die al jarenlang aan de top staat. Daar is iets geks mee aan de hand. In het cumulatief register van het Verzameld werk van Karel van het Reve, die zoals bekend zeer veel over Russische literatuur heeft geschreven (ook voor en na de tijd dat hij hoogleraar Slavische letterkunde was), komt hij niet voor, terwijl het register bestaat uit 165 dichtbedrukte pagina’s. Daar staat tegenover dat Joseph Brodsky hem een van de beste lyrische dichters van de twintigste eeuw vond. Dat zou betekenen dat alle gekozen gedichten wel een grote kwaliteit moeten hebben, maar bij het volgende ontgaat me die volkomen:

Een ster is amper opgebrand
Voordat hij op boomtoppen landt.

De stormwind mag dan krachtig zijn,
De sparren staan nog bij ’t ravijn.

Een stortbui daalt op bossen neer,
Maar, uitgeraasd, bedaart dan weer.

Wie schiep de wereld zo bewust,
Dat in zijn nest het jong nog rust?

De titel ‘grand old man’ lijkt me zwaar overdreven: ik schat de Russische literatuur hoger in. Toch valt er genoeg te genieten in de bloemlezing – een slecht dichter is hij niet. 
Het volgende gedicht vind ik een stuk beter. De laatste twee regels vind ik bijzonder. Ze vormen een mooie paradox: tijdgenoot worden van de doden, voor wie geen tijd bestaat.

‘k Volg de wolken, ontwaar ook wat sterren,
Met de zware gordijnen opzij.
Was gelukkig – en bang om te sterven.
Ben nog bang, maar niet zo als destijds.

Sterven is zacht gaan ruisen, inhaken
Op gelispel van loof in de wind.
Sterven is op een hof aanbelanden
Waar zich Richard of Arthur bevindt.

’t Is de hardste noot weten te kraken,
Inzicht krijgen, van z terug naar a,
Ineens tijdgenoot worden van allen,
Op wie dan nog in leven zijn na.

De gedichten hebben volgens Zeeman ‘een ambachtelijke, klassieke versvorm met rijmschema’s en versvoeten, waaronder ook driedelige metra.’ Hij heeft daaraan in zijn vertaling zo veel mogelijk recht gedaan, ‘al hebben hier en daar de Russische volrijmen plaatsgemaakt voor halfrijmen en suggesties van rijm.’ Soms ontspoort hij, zoals in ‘Apollo in het gras’. Ik citeer twee strofen, die ook om een andere reden interessant zijn.

Hoe zachter dat het woord wordt uitgesproken,
Hoe warmer, wonderlijker dat het klinkt.
Hoe minder het probeert een lied te worden,
Hoe meer het nadert tot muziek en zingt,
Hoe gloedvoller het wordt en nuttelozer.

Hoe minder show het maakt van somberheid,
Hoe droeviger het is, hoe zondelozer,
Bombast vermijdend en vooral niet pochend
Over het aambeeld en de pletterij,
Waar het zo vaak verstikt werd, vastgeklonken.

‘Hoe zachter dat’, ‘hoe warmer dat’: dat is lelijk en ongrammaticaal. Zeeman heeft zich in het keurlijf van de afwisseling van het aantal lettergrepen per regel laten dwingen: om en om tien en elf regels in verband met mannelijk en vrouwelijk rijm. (In één geval heeft hij met de regellengte gesmokkeld: de regel ‘Bombast vermijdend …’ heeft elf lettergrepen in plaats van tien). In de volgende vijf regels laat hij ‘dat’ weg, wat veel beter klinkt. Ook de tweede strofe klinkt goed en hij doet oorspronkelijk aan, hoewel ik het woord ‘show’ wat ongelukkig vind.

Toen Koesjner deze strofen schreef, behoorde de Sovjet Unie al tot het verleden. Het aambeeld en de pletterij verwijzen naar de werkwijze van het Sovjet-regime en beide passen bij de hamer in het communistische beeldmerk; de bombast en het pochen karakteriseren de kunst in dienst van de communistische ideologie. Schrijvers die daar tegenin gingen, kwamen vaak in grote problemen: Joseph Brodsky werd verschillende keren verbannen naar Siberië, Solzjenitsyn werd gevangengezet in een Goelag-werkkamp en Vladimir Bukovski werd op last van de autoriteiten opgenomen in een psychiatrische kliniek. Koesjner was nooit zo expliciet, hoewel je in een enkele passage met enige goede wil verhulde kritiek op het regime kunt lezen. ‘De aanbidding der wijzen’ gaat over de geboorte van een kind in het winterse Moskou. De verwijzing is duidelijk: ‘En iets, als was ’t een aureool, / Verspreidde licht, een goudgeel glanzen’. En dan, een paar strofen verder: ‘En voor een enkel ogenblik / Was daar zo’n vrede ingetreden, / Dat geen Herodes ons nog schrik / Aanjagen zou, was hij verschenen.’
Waarom dan pas later die expliciete verwijzing naar de bombastische ‘officiële dichtkunst’ in dienst van de USSR? Misschien is het een rechtvaardiging achteraf voor zijn ‘zwijgen’ en dat kan hij laten zien door zijn poëtica te verduidelijken. Het woord ‘nuttelozer’ aan het eind van de eerste strofe kan verwijzen naar de poëtica die met name in het westen lange tijd dominant was: kunst is het gebied van de vrijheid en staat dus niet in dienst van politiek, verheffing of religie. ‘All art is quite useless’, zei Oscar Wilde achteloos, maar diepgemeend. Geen geëngageerde poëzie voor Koesjner, dus. Het laatste gedicht, ter nagedachtenis aan Brodsky, lijkt dat te bevestigen. De laatste twee regels: ‘( … ) geef mij maar zwaluwen, hun spel, / Hoe ze ’t blauwe canvas knippen, ’t luchtruim scheren.’
Mijn veronderstelling over die rechtvaardiging achteraf bedoel ik beslist niet denigrerend: als je je tegen het Sovjet-regime uitsprak, moest je wel uitzonderlijk moedig zijn.

Al met al is Apollo in de sneeuw toch een heel boeiende bundel.

De eindronde van de Meander Dichtersprijs 2017

Rond 20 mei weten we wie de Meander Dichtersprijs 2017 heeft gewonnen.
Na edities in 2008, 2009 en 2010 met als winnaars Vicky Francken, Ellen Deckwitz en Frouke Arns werd het tijd voor een nieuwe wedstrijd. Die begon afgelopen najaar.

Van oktober tot en met februari waren er zes ronden, waarin ruim 400 deelnemers samen bijna 600 gedichten instuurden. Elke ronde koos een jury van zes personen twee winnaars, de deelnemers die in die ronde het beste gedicht inleverden. Die twaalf winnaars maken nu kans op de prijs.

Het zijn (van links naar rechts en van boven naar beneden): Astrid Arns, Stefan Heulot, Kate Schlingemann, Marjon Zomer, Hester van Beers, Onno-Sven Tromp, Nafiss Nia, Peter Vermaat, Merel van Slobbe, Maria van Oorsouw, Martin Wijtgaard en Wim Vanderleene.

Zij schreven in april nog eens twee gedichten. Samen met hun winnende gedicht uit de voorronde doet elk dus mee met drie gedichten.
Vanaf eind april bekijkt een jury de gedichten van de kanshebbers en kiest aan de hand hiervan de winnaar. Voor die jury zijn alle juryleden uit de voorronden en alle Meandermedewerkers en recensenten uitgenodigd. Daarnaast oud-Meandermedewerkers en nog een aantal mensen van wie we denken dat ook hun oordeel zou moeten meetellen.

De gedichten van de finale (4)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Maria van Oorsouw

WIE NIET WEG IS, IS GEZIEN

Niemand weet hoe lang ik gisteren
in Uithuizen ben geweest
niemand weet hoe veel eenzame huizen
ik zag in het uitgestrekte groene land
met die blauwe lucht erboven
kleuren die niet vloekten
zoals vroeger toen je nog geen
blauw bij groen aan mocht doen

Niemand weet dat ik een geheim gedicht
heb geschreven over een bange bruid in de regen
die van haar moeder een scheepje had gekregen
‘vaar maar kind,’ had ze gezegd,’ het lukt vast wel’
hoe haar vader bemoedigend lachte
en dat de bruidegom toen zei: ‘kom’

Hij nam een roeispaan
hij reikte haar de andere aan
hoe ze knikte en dacht, ja
en hoe niemand toen zag of hoorde
dat ze zacht begonnen was te zingen
‘het regent nu al dagenlang
ik ben een bruid, ik ben niet bang’

Niemand weet dat ik in het echt
tot nu toe drie keer in mijn leven
een bruid heb gezien in de regen
de eerste in 1970 op de Wandelweg in Wormerveer
de tweede in 1981 bij de Oude Gracht in Utrecht
de derde, pas geleden nog in Elswout, Overveen
zoiets vergeet je niet

Net zoals die keer, ik was nog klein
dat ik achterop de fiets zat bij een vrouw
die me meenam naar haar huis
om een jurk te passen
‘kijk maar niet opzij,’ zei ze
waarop ik meteen het hoofd van een man
in een plas bloed op de grond zag liggen
naast een omgevallen motor
de man droeg een lange leren jas
die jurk was voor een bruiloft
waar ik me niet veel van herinner
maar dat ernstige bruidsmeisje op de foto
met een tuiltje bloemen in haar hand
ben ik dus

Sommige mensen weten altijd precies
welke kant ze op moeten
dat ze zich nooit vergissen
vinden ze niet erg
anderen kunnen niet kiezen
waardoor ze verdwalen
wat zij juist niet erg vinden
zo kwam het misschien dat ik in de trein stapte
naar Roodeschool en terechtkwam in Uithuizen
waar ik niets te zoeken had
maar wel een felgroen truitje vond
dat prachtig bij mijn blauwe rokje stond

SCHAREND

soms zet ik de schaar in mijn haar, gisteravond keek ik naar
een televisieprogramma over gelukkig worden, dat was ik niet
in het reclameblokje was een spotje over het weldadige effect
van een nieuw soort shampoo met zoutkristal dat zou werken
als een klein heelal waarin je dan zou opgaan  

vanmorgen was ik ondersteboven van een druppel die ik zag op
een vrouwenmantelblad, blijf dicht bij jezelf dacht ik, met allebei
je benen stevig op de grond, wees spaarzaam met grote woorden
vermijd wijdlopige metaforen die kunnen ontsporen in clichés

Jan Hendrik Leopold schreef over het leven weerspiegeld in een
regendruppel nadat de bui was weggedreven, hij gebruikte zijn
schaar voor de Frankfurter Allgemeine en was jarig op 11 mei

in het programma werd een man geïnterviewd, die er les in gaf
hoe dat kan en hoe dat dan voelt, vroeg iemand uit het publiek
het ene geluksgevoel is het andere niet, vaak zie je het pas
als het voorbij is, dan krijg je heimwee, heimwee is een ziekte
las ik in de krant, nostalgie daarentegen een gegeven waarmee
je kunt leven, soms zet ik de schaar in mijn haar
hoe volmaakt kan een perfecte dag zijn geweest

Zeewiergroen

Ik was tien en had nog nooit een huilende man gezien
kitesurfers bestonden toen nog niet
en badpakken konden je beschermen
dat van haar was groen
het kan zijn dat ze Duits was
durf jij tot de zandbank
van veraf lijkt de zee veilig

eindelijk mocht ik met mijn broertjes voor het eerst alleen
zonder vader en moeder naar het strand van Wijk aan Zee
zeezeilers zweefden nog niet boven het water
de luchtkussentjes van haar zeewiergroene badpak hielpen niet
ga niet verder dan tot je heupen
van dichtbij is de zee onrustig

iemand knielde bij haar neer
iemand zwengelde aan haar armen
iemand probeerde haar tot leven te slaan
er kwam zwarte modder uit haar mond
haar vader huilde
mijn broertjes schoten elkaar nat
met hun waterpistooltje
later toen het vloed werd gingen we golven springen
ik hield ze stevig vast

ik kon mijn ouders geruststellen ‘s avonds
alles was goed gegaan, het was een fijne dag geweest
ik was tien en had een huilende man gezien

zee trekt altijd

Kate Schlingemann

zo hier zijn zo

ik schrijf je groot
zo groot dat je hier komt
zo hier dat je niet meer heen kunt
alleen terug, hier
zo

ik praat je warm
zo warm dat je zacht wordt
zo zacht dat je niet meer weg wilt
alleen hier, zijn
zo

en dan kijk ik je los
zo los dat je opstijgt
zo opstijgt dat je niet meer naast mij
alleen om mij, heen
zo

Tas

Ik had in mijn eerste schooltas
Een ruimte waar ik dacht dat ik hoorde
Schreef er mijn straat en huisnummer in
De plaats en het land werelddeel wereld
Onze planeet tenslotte de maan  
Verder wat sterren universum de zon
Daaronder mijn naam, die van mijn vader
Dag maand en jaar van geboorte
Gooide iedere dag over mijn schouder
Ik huppelde zo tussen huis en school
een klein heelal in beweging
Door ruimte door tijd werd ik groter
Waar ik later ook heenging bewoog ik
Hemel en aarde tot ik er was

buiten gesloten

na het zien van Birds die film
durfde ik tien dagen het huis niet uit
omdat ik zeker wist

de hoogspanningskabel boven de witte stad
is in werkelijkheid een snoer
aaneengeregen kraaien

waaronder de wind de meeuwen
schreeuwend met de zwarte raven
door mijn kale straat heen blaast

tot de allerkoudste dag
een roodborstje met een grote klap
dwars door mijn raam

buiten binnen vloog
het tikte warm, het tikte rood
nestelde zich diep in mijn hand

en alles klopte in mijn hoofd: laat me
erin tik tik tik laat me
erin

Merel van Slobbe

Misschien is het zomer

De hele middag ben ik bezig de geur
van zonnebrandcrème te beschrijven, op zoek
naar dingen die me de weg naar huis kunnen wijzen.

Zoals de vakantie dat ik over haringen struikelde
erachter kwam dat tenten meer kunnen hebben dan je denkt.

Sindsdien weet ik hoe weinig er voor nodig is
om waterdicht te zijn:
een dun laagje tussen jou en alles om je heen.

Ik heb al mijn naaktheid opgespaard
genoeg materiaal verzameld om een huis te bouwen.

Ik heb je kinderfoto’s op sterk water bewaard.

Op een dag zal ik naar de pleister op je knie wijzen
vertellen van de keer dat je over de rand
van je eigen silhouet heen viel.

En ook: misschien is het zomer
in het huis waar je groot werd.

Plekken waar het misgaat

We zitten op het dak en denken
als we het verschil tussen dicht en te dicht
bij de rand maar zouden weten.

We proberen woorden te verzinnen
voor het moment vlak voor je breekt
bij gebrek aan beter noemen we elkaar astronaut.

Ik zeg: op sommige dagen raak ik nog steeds
in elk winkelcentrum mijn moeder kwijt.

Het liefst zou ik navelstrengen verzamelen
ik zou ze bewaren op de plekken waar het misgaat:
tussen dode vetplanten
in een lege agenda.

In plaats daarvan leren we
op hoeveel verschillende manieren een koffiekopje
kan breken op de keukenvloer.

Het is niet erg:
ooit zal elk kopje het opgeven.

Dus gooi jezelf voorzichtig van de rand
ik vond een klein heelal tussen je lichaam
en alle dingen waar het aan kapot gaat.

Tot we stevig genoeg zijn

Je komt zachtjes binnen zodat het blijven
minder op zal vallen en we praten over dingen
als stofzuigerzakken en wasverzachter.

Alle woorden nemen de vorm van mijn ruggengraat aan:
alleen maar bedoeld om dingen overeind te houden.

Ik druk mijn ellebogen in mijn zij zodat elk afscheid
binnen het deurkozijn past en ik zeg: weet je nog

dat we papieren vliegtuigjes door het huis gooiden
zodat we groter leken en weggaan kleiner.

Je knikt en zegt dat je ergens las dat kauwgum lang
tot zeer lang op straat blijft liggen, afhankelijk van

hoeveel mensen eroverheen lopen. Die nacht huilen we
om landschildpadden en alles wat langer leeft dan wij.

Vouw je handen voor mijn ogen en duw net zo lang
tot we stevig genoeg zijn

om niet te verdwijnen.

De gedichten van de finale (3)

door Wim Vandeleene (1972), Marjon Zomer (1972), Martin Wijtgaard (1971)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Wim Vandeleene

ECHO

heb er iemand bij.
een vrouw vermoed ik want ze zegt
wat ik zeg zo identiek aan mij
maar dan een octaaf hoger,

alsof ze niets kan verzinnen.
alleen volgen. ze valt na een kwarttel in.
zo beleefd is ze wel. ik mag beginnen.
de sopraan spiegelt mijn stem.

wil haar masker af maar ze blijft lucht.
buiten tast ik in struiken. binnen pel ik het behang los
alsof ze in muren drong. soms laat ik een pauze

in het midden van mijn zin, in de hoop dat.
haar stilte ken ik ondertussen. ze komt uit mij.
beter dat ik zwijg of aan haar wen.

GASTVRIJ

mijn deurbel is naamloos.
de bekende gasten laat ik liever vrij.
de ruime reis gun ik hen. deze herberg is toe.
hier is een klein heelal waarin ik elders ben.

de ongenode gasten volharden.
een ijlbode dringt de tol aan me op.
getuigen van de eindtijd bevelen me de bijbel aan.
een padvinder verkoopt zijn glimlach voor een zomerkamp.

eens per jaar leg ik bloemen aan de drempel.
de herberg wordt een haven. breng je netwerk mee!
neem mijn ruimte maar struikel niet over de rommel.

deel het banket tot je verzadigd achterover leunt.
champagne in de ijsemmer. een kamerorkest.
geniet maar terwijl ik even buiten speel.

het midden van de tafel

na de bloemen zijn we de blos voorbij
je vraagt een vinger en ik leg een open hand
aan jouw kant van de tafel. je leunt achterover

je haalt een hamer en slaat er naast
de tafel barst. ik hoest splinters op
misschien lukt het met een nagel?

ik maak een vuist klaar
een hart in een knokig pantser
in het tuinhuis wenkt de kettingzaag

en als we nu eens de hoeken van de tafel vijlen
het midden zoeken. een raad van bestuur oprichten
voor we in het rood gaan en de curator komt

waar is dat midden dan?
ergens tussen de polen, het kompas liegt
het is geen stip op de kaart

maar als ik mag geloven wat ik vermoed
ligt het tussen ons, ver van het zelfbedrog
op deze barst, waar ik mijn hand weer open

Marjon Zomer

tot het ons loslaat las ik ergens en dacht: nee

ik tekende skeletjes
één in bed met deken
en eentje naakt
toen ik je voor vlak voor ik wegging sprak

in de harmonicabus ijzeren traanplaat
wij konden op die draaischijf surfen weet je nog
voeten plat knieën gebogen hangen in de bocht
we waren Beach Boys op het droge

bij de kassa staarde ik naar de gaten
in de plexiglazen wand
vijlde iemand die binnenranden
of gebeurde dat machinaal
ik kreeg geen refund voor jouw ticket
ik vroeg niet komen er weleens vaker
rolstoelers naar danstheater
- dezelfde spierspanning op ruggen -
- ik denk teveel misstapjes -
en hoe blijft dans bewaard

je ogen en de horizon
stonden niet meer op één hoogte
ik zag het ‘s nachts in je laatste filmpje
van de selfies van een jaar

gevoelige plaat betekent nu iets anders
je tijdlijn blijft raar leeg
die voorstelling heette grip
we lachten daar nog om

doorgekrast op de pagina van die dag
staat bij 20:00 theater met jou
eronder die geraamtes naast elkaar
je nummer liet ik gewoon in mijn telefoon

maar mag je een dode ontvrienden

herinneringen die ik niet bezit  

ik probeer in opgeslagen mappen
te zoeken naar essentie
en moet lachen
(leg nooit uit wat je doet )
ik typ moeder in de lege ruimte
van het zoekvak in de taakbalk
 
het heeft 136 hits (of meer)
geen afbeeldingen
ik druk op printen
afdrukbereik alles en grijstinten

de draadloze verbinding hapert   
het was bij ons thuis verboden
elektriciteitssnoeren op te rollen
het zou de draden van binnen
doen beschadigen
je denkt soms aan de gekste dingen

(een klein heelal van herinneringen dringt zich op
titels van gedichten zijn zo overgewaardeerd)

printer pop-up commandeert papierla vullen
klep sluiten en druk op power
ik schik de kopieën gelijk de scène
van een misdrijf op de vloer
plak de omtrek af met tape
ik pas

wij hadden geen touwtje
alleen de losse draadjes
van mijn moeder

jij stuurde een bericht
over het nu en hoe en wat
ik reageerde zoals dat gaat
het ging over alles behalve draaiorgels

kartonnen boeken met rechthoekige gaten
toetsen die daar in vallen, die kleppen aansturen
lucht die daardoor heen waait, beweging die ontstaat
onderdruk systeem, asymmetrische balgen
nog meer beweging, gewenste luchtdruk
samengeperste lucht, een windkamer
een klep die voorkomt dat de balg zich te ver opblaast

ik sloot af met een PS
psjes zijn net als de tussen haakjes
altijd de essentie
maar dat terzijde

(hoe gaan mechanieken stuk)

Martin Wijtgaard

De reisgenoot

Soldaten zijn soldaten, zelfs al zingen ze
in een nieuwe taal hetzelfde liedje.
Ze kennen onze kant van het verhaal,
en zullen ongevraagd, zonder bezwaar,
hun drank en sigaretten met ons delen.
 
Ze hebben net als wij leren marcheren,
gehoorzamen onzinnige bevelen
en moeten zich naar om het even waar
laten versjouwen door verdwaalde ezels
die als het erop aankomt deserteren.
 
Kom op, ik breng je thuis, hun frontlijn
heeft ons ingehaald en als ze straks vertrekken
kan de kermis weer opnieuw beginnen:
de laaielichters, zwendelaars en pooiers
hebben hun ouwe stek al ingenomen
en drinken op een mooie nederlaag.
 
Vanavond zullen we de generaals
als hammen aan de straatlantarens hangen,
morgen versjacheren we onze bruiden
voor zakken haver op de zwarte markt,
 
maar eerst breng ik je thuis. Je bent de laatste
aan wie ik nog een schuld heb in te lossen.
De oorlog is voorbij, de hufters zijn terug
en alles is weer bij het oude.
Het is niet eens de moeite om te drossen.

De erven

We sturen ze goed uitgerust op pad.
Met een dunne hals voor onze stroppen,
zitvlees voor op de reservebank
en een gezicht om deuren in te slaan
gaan ze van huis en sluiten achteraan,
worden opgetuigd en afgericht,
rechts ingehaald en op de tocht gezet.

Hongerig en vals gehouden met
luchtspiegelingen uit een klein heelal
waar alles weerloos is en niks van waarde
kopen ze dure jassen op de groei,
doorlopend in hun veel te diepe zakken
op zoek naar wat we hebben nagelaten.

Als straks de laatste stammen zijn gerooid
kunnen ze eindelijk het erf aanpakken
dat kaalgeslagen voor hun voeten ligt.

We delen een paar schoppen uit en kijk -
ze graven ijverig hun eigen gaten
en gooien zingend onze kuilen dicht.

Mayerling

Om een keizerrijk te laten vallen
volstaan drie kogels en een rattenstaart,
de morbide weeffout in je bloed
en een domein om op groot wild te knallen.

Kies een ambitieuze reisgenoot,
een begeleidster voor de jachtpartij
te dweepziek om je naar de weg te vragen.

Aan alles is gedacht: voor wie per se
een treurspel schrijven wil waarin de held
haar een decor van bordkarton belooft,
pralines voert en schmiert totdat ‘ie haar
zijn loden bruidsschat door de kop mag jagen,
ligt er een stapel lege vellen klaar.

Het briefpapier is smal, de kranten nemen
voor wat je hebt vergeten te vermelden
de volle breedte van de boulevard.

De gedichten van de finale (2)

door Stefan Heulot (1974), Nafiss Nia (1968), Astrid Arns (1960)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Stefan Heulot

maten

we hebben geen vast ritueel, onze ontmoetingen
blijven bij hun eerste keer, om de beurt herhalen
we elkaars woorden, jij spreekt over essentie

vangt aan met ‘leuk weerzien’, glazen wijn
vertragen het einde, hoewel dat het er nooit
komt, zeg je, kijken we samen door het raam

naar de boom in de tuin, waar hij bladeren
neerlegt, intussen zien we stilte groeien
verplaatst de tijd ons afscheid
naar de volgende afspraak

een heel klein heelal

vandaar dat ze snel moet praten
haar adem is als een touw
waar steeds meer stukjes worden afgeknipt

zo vertelt ze over het leven toen
er nog licht uit kaarsen kwam
en de eetkamer als een klein
heelal de wereld bevatte

hoe men koffie uit witloof
dronk, eten door bonnetjes
in stukken werd gesneden

en over bommen die ver van nu
vielen en gebroken
glazen deden trillen

ze valt stil, enkel haar klok
tikt op hartritme, ze opent
haar mond, bijt zuurstof uit de lucht
toont wat ze denkt, ze vouwt haar handen
in elkaar, legt ze in haar schoot

ze kijkt door me heen
en weer bloeit haar hart.

Droomland

kloppen we nagels in de muren
met onze vuisten, hangen we
schilderijen scheef en vragen
voorbijgangers om te komen inwonen

onze voordeur waakt over de tuin
struiken groeien, we trimmen
het gras niet en de schommel
valt stil

we verstommen echo’s
schrapen veel te jonge voetstappen
van de traploper
recht het fotoalbum in

zodra de nacht in de gangen hangt
doven we het licht, leeg
draaien de vragen zich om

Nafiss Nia

Je komt hem op een verjaardagsfeest tegen
vraag niet wanneer hij gevlucht is of hij
heimwee heeft en zijn familie mist. Als
je hem perse in een hokje wil stoppen,
stop hem in het hokje ‘mens’, laat zijn
wereld jouw wereld worden voor
een avond. Vraag niet waarom hij
gevlucht is, want jouw nieuwsgierigheid,
die je oprechte interesse noemt, duurt even
maar neemt hem keer op keer mee naar de
zweepslagen, eenzame lichtloze dagen in
zijn isoleercel zonder groet, naar het bloedige
eelt op zijn voeten, de hartverscheurende
kreten van zijn dochter, naar een hel die
niet ophoudt en de pijn die verder graaft.
Laat hem op een verjaardagsfeest even
als jij in het heden zijn en niet het verleden.
Vraag hem gewoon hoe het nu met hem
gaat, en of hij ooit verliefd is geweest.

Ze zit in het midden van de altijd
hongerige duiven en meet de
opkomende zuchten op.
Ben ik aan het dromen of ben ik
in het droom van iemand anders?
Wat een uitputtende bezigheid
moet het zijn, hets en de’s te
overwegen in gisteren
de weervoorspelling raadplegen
de waarschijnlijkheden optellen
opnieuw leren glimlachen
de voorbijkomende illusies inlijsten
fusion food uitspugen
dromen schrappen
dromen schrappen
dromen schrappen
in een klein heelal.
 
uit welk raam ben ik gevallen?

Cadeautje

Bij aankomst kreeg ik
een geruite jurk cadeau
dat was aardig, dacht ik.
iedere ruit had een kleur en
ik verheugde me op de
regenboog die me zou omarmen

ik mocht kiezen achter
welk raam ik wilde zitten om
mijn mooiste ding te verkopen
mijn raam had drie hoeken
aan ieder hoekje hing een deel
van mijn wezen in een andere kleur

vrouw-zijn in roze
Iraans-zijn in paars
vluchteling-zijn in rood

ik begon gelijk met mezelf te
verkopen door woorden te
bedenken en beelden te verzinnen

ik kreeg staande ovaties omdat ik
mijn moeder en onze vijgenboom miste
werd getroost omdat ik om mijn verre
vader rouwde, geprezen omdat
ik moedig tegen de tirannie opstond en
aangemoedigd omdat ik mooi uit
mijn raam keek, beeldig en lachend
en vooral omdat ik dankbaar was
mijn wenkbrauwen niet fronste en
niet meer in de regenboog geloofde
Ik ben zo geliefd in mijn raam.

Astrid Arns

Kind

Je loopt op een lijn op het strand en de wind wist je uit.
Onder je jas je krimpende huid.
De tijd komt tot stilstand op de golven.

Je hurkt op het bevroren zand en wacht.
De grond verdraagt maar moeizaam je gewicht
.Je ziet  een schip dat schuim trekt in het water dat zo gulzig is.

Je proeft het zout in de vochtige lucht en denkt terug
aan het kind op je heup.
Net geen zomer en zij zingt voor zeilers en matrozen.

Ze lacht van oor tot oor terwijl jij rondvliegt als een adelaar.
Kort het geluid van sneeuw, de kleine stappen van haar voeten.

Niets is ooit voorbij of stil

Hommage

Ze loopt behaaglijk in mijn kielzog. Ik plak een glimlach op.
Het kind van mijn kind. Het huis maakt zich op voor haar.

Ze lijkt op een hond in een kegelspel. Wie brengt haar tot bedaren?
Het kind van mijn kind. Spiegelbeeld van vlees en stof.
Een klein heelal.

Ik zit voorgoed in haar donkere bloed.
In haar bewoon ik deze onbekende kamer.

Zout van de zee

In een jas zonder knopen en met tegenwind door het zout van de zee lopen,
op een zondagse oktoberdag met een steen in de maag.
We ademen maar dat wil nog niet zeggen dat we leven.

Wat zal oktober brengen nu alles onomkeerbaar lijkt?
Het huis opnieuw gevloerd. Werkmannen leggen ons het zwijgen op
en alle stof verdicht de binnenplaats.

Geen wonder dat de muren scheuren.

We breken het hoofd aan de rand van een verzonnen weide
onder de blauwste hemel ooit,
zowel kleiner als groter dan we lijken.