Recensie van Nachtefteling - Martijn Benders

Prachtige rompslomp van woorden

Martijn Benders
Nachtefteling
Uitgever: Van Gennep
2017
ISBN 9789461648082
€ 17,90
86 blz.

De Efteling in volslagen duister, als de vele bezoekers huiswaarts zijn gekeerd en niemand meer in de rij staat. Is dat de Nachtefteling, of is het meer een heel ander soort pretpark waar duistere sprookjes de inspiratie zijn geweest? Maar zijn de bestaande sprookjes niet al duister genoeg? In de brief die de bundel afsluit, geschreven door ‘Martinus’ Benders op Camping ‘De Zwarte Bergen’, lezen we over de ambitie om een Nachtefteling te starten en rendabel te maken: ‘Nacht na dag na nacht zat ik te peinzen over hoe ik deze Nachtefteling zou gaan scheppen, en hoe ik er alle dichters van Nederland een baan in zou verschaffen. (…) Een plek waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt, hier ga ik hem bouwen, hier in De Zwarte Bergen. En deze bundel dient u dan maar te beschouwen als een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking, als een eerste, kleine verkenning.’

Hij is er weer, de dichter/grappenmaker, waarbij je niet goed weet wat ernst is en wat een grap. Albert Hagenaars beschreef in een recensie over Martijn Benders’ bundel Lippenspook de dichter als: ‘nar en jongleur ineen’. Dat is een gevaarlijk compliment. Nar en jongleur. Clown én acrobaat. Zowel Bassie als Adriaan. Tijdens het Tuinfeest in Deventer zag ik Benders optreden met naast hem een lange man in een regenjas die op gezette tijden iets in de microfoon mocht roepen. Het leek op VPRO-kindertelevisie in zijn beste jaren, maar het boeide mij niet, en ook niet toen er werd overgeschakeld naar het zingen van simpele kreten. Benders zoekt het experiment, de absurde vorm, maar ik haakte af omdat het voor mij te ver af staat van de essentie van poëzie, zoals Benders dat in de brief zelf aanduidt: ‘Je buiten de tijd zetten, een fractie van een seconde maar.’ Die gekkigheid trekt je heel hard de tijd in.

Clown en acrobaat. Hier schuilt gevaar voor de dichter: zoveel aandacht voor de humor in zijn werk en zijn uitzonderlijke taalvaardigheden is vooral aandacht voor de vorm. Maar veel vorm verstopt de inhoud en verhult ook het gebrek aan inhoud. Dat gevaar heeft Benders kunstig afgewend in Nachtefteling. De nieuwe bundel is allesbehalve een ‘nietszeggende voorbode’, er zit veel inhoud en gelaagdheid in de gedichten.

De bundel bestaat uit drie onderdelen: NOKS, ELPH en TOELINK. Het eerste deel bestaat uit 16 gedichten die onderling samenhang vertonen, het tweede deel is één groot gedicht en het laatste bevat 20 uiteenlopende gedichten die als een soort toegift zijn toegevoegd.

ELPH is te lezen als een zwarte variant op Gorters Mei, en is daarmee de hoofdattractie van de Nachtefteling. Er is sprake van een monster dat door een piepklein gaatje naar buiten kan kijken, waarna we een uitvoerige beschrijving krijgen van wat het allemaal niet kan zien. Lieflijke beschrijvingen van de natuur met subtiele verwijzingen naar dood en oorlog: ‘de pierlala van de wind’, de ‘torpedojager van een gele narcis’. De verwijzing naar Gorter is expliciet: ‘Het gortert door de eeuwige goot, waar dit gedicht opgekrast staat.’ Maar in die eeuwige goot treffen we ook Guido Gezelle ‘op het nulleke van de horizon’, ‘op het noerke van de horizon’ en Paul van Ostaijen als wolkenformaties worden getekend met het woord ‘wolk’. En dan aan het slot zijn we terug bij het monster:

(…)

Maar niets ziet monster 
door dit piepkleine gaatje, 
door het vizier Gods, 
de hemel niet en niet het nulleke van de zee. 
Het ziet alleen jou. En mij. 
En het heeft tijd noch kogels meer.

Heb meelij met ons, Lieve Heer.

Dat is toch wel een belevenis waar je de lange wachttijden in de Nachtefteling voor wil trotseren? En als je de ervaring wil herbeleven, ga je gewoon nog een keer, gewoon weer achteraan sluiten.

Waarin schuilt dat veelgeprezen jongleerwerk van Martijn Benders? Benders (nomen est omen) buigt betekenissen zo dat woorden opeens meer betekenen, er komen veel nieuwe woorden in zijn gedichten, maar dat lijken hele gewone, heel vaak gebruikte woorden. Wat te denken van lieden die ‘ogelen naar wiffels’. Je voelt meteen aan dat er een penetrante stank om dat soort types hangt. In het gedicht ‘Wicht’ denk je even dat de titel verwijst naar een jong onschuldig meisje en misschien doet het dat ook, maar misschien ook weer niet of misschien is het een homoniem. Het werkwoord ‘wichten’ heeft vast verwantschap met wegen, wachten, wiegen en het voelt net zo vertrouwd als ‘dorven’ aan het graf.

Wicht

Argwanend knispert grint onder haar voeten, 
Wanneer zij het graf van haar vader bezoekt.

Ze heeft een goudgele orchidee en in haar sproeten 
tekent zich een ander gezicht, dat alleen hem is.

Zo dorven zich de dochters aan onze graven, vaders. 
Alle verlokking bedacht in het wilde steen.

De ogenblikken graven in, op de bottenradar 
wicht het goudgeel licht zijn orchidee.

En zo staan we even een paar seconden buiten de tijd. Door de nauwkeurig geregisseerde ‘rompslomp van woorden’ die ons verblijf zeer aangenaam maakt in Martijn Benders’ Nachtefteling zoals het door de dichter ontworpen omslag het presenteert. Nergens de neiging om de bundel in de mond van Holle Bolle Gijs te mikken. Als dit de voorbode is, ben ik erg benieuwd hoe het poëziepretpark zelf uitpakt.

***
Martijn Benders (1971) debuteerde in 2008 met de bundel Karavanseria, die genomi­neerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.  Nachtefteling is zijn zevende bundel.

Recensie van Lippenspook - Martijn Benders

Een baldadig dichter in de overdrive

Martijn Benders
Lippenspook
Uitgever: Van Gennep
2016
ISBN 9789461644497
€ 16,90
61 blz.

De nieuwe bundel van Martijn Benders, Lippenspook, brengt je wat je als lezer van Benders kunt verwachten na een bundel als Sauseschritt uit 2015: een bonte verzameling van luttele pagina’s over liefde, dood en andersoortige tegenstrijdigheden en weerzinwekkendheden. Benders dient dat alles op in een atmosfeer van verlangen, tederheid, humor, ironie, sarcasme, cynisme, relativering en verslagenheid. Zo nu en dan is het om te grimlachen. Neem het korte gedicht ‘Postbode verzuipt op weg’ met de beginregels: ‘Zag jou in het haardvuur van mijn dromen! / In de herfst van het haardvuur van mijn dromen! //’. Terwijl het geluid van de bunker buster alles overstemt, ‘als ik je verkruimelde lippen kus’ en voorkomen moet worden dat de rivier ‘alsjeblieft niet [gaat] heupwiegen tegen het raam, / ik weet het, de jazz, de bevrijding, de bevrijding, de jazz. /’ besluit hij met de versregels: ‘Maar weet je wat het is, lieveling. / De halve wereld staat in brand. //’ Eenzelfde kritische, absurdistische maar humorvolle woordenacrobatiek lezen we in een gedicht als ‘Bank': ‘Triester dan de halfwaardetijd van boerenkool, / heers jij op een gekrompen lederen wolk, / over een koninkrijk van stompjes en te langsgefietst volk. //’. Zoals Benders zijn blik laat neertuimelen op de baby, ‘dat zieltogend monster’ in het gelijknamige gedicht is hij ten voeten uit in beeld als de spottend toekijkend en relativerend vader of oom of vriend die zijn gedachten niet voor zich weet te houden. Vaders hebben geen navelstreng. In dat gedicht waart het ‘lippenspook’ drastisch rond, dat het liefst ongevraagd de woorden aan de jij of de ik ontrukt.
   Benders weet met zijn associatieve werkwijze, zijn eigentijdse taalgebruik, zijn neologismen en beelden de tijdgeest van het directe, het ongepolijste en het ongeciviliseerde in de omgang tussen mensen in zijn poëzie aan ons voor te zetten. Woorden als maan, nacht, lippen, kus, dood en sterren vormen terugkerende decorstukken in deze bundel. Zijn kracht zit hem niet in zijn vormvaste verzen, metrum of klankrijkdom, maar wel in de onverwachte opeenvolging van beelden en gedachten. Hij heeft een scherp oog voor alles wat er in de huiselijke kring en daarbuiten tussen mensen doodloopt. Met zijn opzichtige manier van verwoorden plaatst hij zichzelf volop in het schijnwerperlicht van zijn neonletterachtige poëzie vol glitter en geschetter. Je voelt een sterke onderstroom van haast, van ergernis over hoe de dingen zijn, en zo gelopen zijn. Ik proef daarin zijn oprecht en driftig engagement.
   Er staan enkele gedichten in de bundel waarin Benders de actualiteit met kritische zin een plaats geeft, zoals in het gedicht ‘Hand in hand tegen de vernietiging’:

Jij droomt, schatje, dat je tegen ISIS vecht.
Strenge mannen met baarden
die nog nooit een liedje van Leonard Cohen hoorden.

Landen hebben geen religies, landen dromen niets.
Liggen landerig te liggen in het grenzeloze niets,
net als jij en ik, ooit, hand in hand tegen de vernietiging.
Geluidloos tegen alle dood. Maar ik overdrijf, dat weet je.

Die laatste versregel geeft een voorname karakteristiek van het lyrisch subject die wel erg sterk terugslaat op het dichterschap van Benders zelf.
   Binnen zijn geconstrueerde wereld heerst een sfeer van sensuele hardhandigheid en sentimentele klunzigheid. Hij deinst er niet voor terug zijn gevoeligheid te tonen. Je merkt op diverse plaatsen in zijn bundel dat hij tegelijkertijd een diep verlangen koestert naar genegenheid en intimiteit, maar hij ziet daarvan ook direct de relativiteit in: ‘Als je slaapt, liefje, / zacht als aardappelpuree, / ruik ik wel eens aan je portemonnee. // Alleen een dode zou zoiets opbiechten. //’. Telkens betrapt hij zich erop dat hij zich koest moet houden, want het lippenspook dreigt telkenmale de sfeer te verzieken.
   De hele bundel door wekt Benders bij mij de indruk dat het lyrisch subject zich merendeels unheimisch voelt in deze verburgerlijkte samenleving met zijn ‘ellenlange verjaardagsfeestjes en flatteuze begrafenissen’. Hij ervaart deze wereld van aantrekken en afstoten, als een wereld van onvoorziene trouw en afzichtelijke ontrouw. Bovenal verfoeit Benders de dood als de grote spelbreker van zijn levensdrift die met zijn onberekenbare bewegingen, zelfs als geliefden zijn overleden, ons blijft manipuleren. Er is ‘Niets pretentieuzer dan wat dood is’, en dat betreft de mensen van statuur die reeds overleden zijn.
   Benders is niet te beroerd om de dichter met hoge pretenties ervan langs te geven. Alle hypocrisie zou hij de wereld willen uitbannen, ware het niet dat het hem ook de kans biedt om bijtende poëzie te schrijven, zoals in ‘Vreselijke dichter met rietje’: ‘Daar zit ie. Een verschrikkelijke vent. / Een kruk. Een pak. Dat bekakte rietje. // En die dauwdruppel. / En dat tempo.//’. Over roem is hij ook al helemaal niet te spreken. Wat doet het er toe om ‘Het themaliedje van de necrofiel in de lift [te] horen.//’. Niet alleen de dichter krijgt een sneer, maar ook de lezer krijgt ervan langs. In ‘Aan de lezer’ zegt hij: ‘Ik hoop dat je sterft als je dit leest. / […] Dag ondier. //’. Zijn poëzie is ‘streetwise’ en heeft iets hoekigs, iets scherps, iets scherpzinnigs en iets dwingends. Ik zou zijn werk als tegendraadse én aanstekelijke poëzie willen karakteriseren. Aanstekelijk in de zin dat ze in haar metaforiek wendbaar en verrassend is, zoals ‘irritant ritselen van boomkruinen’ of ‘Kathedralen staan zo dicht op elkaar / dat het lijkt of ze willen copuleren. //’; tegendraads en ‘streetwise’ in de zin van een doorslaande alledaagsheid en onaangepastheid in taal en beeld. Het is waar dat veel mensen in het dagelijks leven met elkaar spreken en met elkaar omgaan als in het ‘Dode Dichterscorvee’, maar in dat geval komt deze poëzie bij mij als weinig poëtisch over:

ZombieBloem achtervolgt me overal
omdat ie goede liedjes van me wil bietsen.

Bij slager, supermarkt of Gal & Gal
met die vervallen kop,
die opgeviste fietswrakblik.

Leen mij eens wat te zingen, Benders.
Sterven is ook schrappen, Benders.

Benders bekritiseert zichzelf, maar roept zichzelf in het laatste voorbeeld tevens tot de orde, en terecht, want op meerdere plaatsen in de bundel is hij tot verrassend pakkende versregels en beelden in staat die gelaagdheid in zich dragen, zoals in het gedicht ‘Euforische witte mollen, gazerige mollenmaan’ : ‘Sterren – de interpunctie van God – /’ of zoals in het gedicht ‘Kapotgemaakt’: ‘Altijd schilders van stilleventjes die zich van kant maken. / Fruit kan knap deprimerend zijn. / Behalve meloen. / Met zijn grijns, / in zijn opgeblazen clownspak. // Als de dood zijn stilleventje maakt / is er niets op te herkennen behalve bloemen. //’. Die grijnzende meloen in dat kleurrijk clownspak is een pakkende personificatie. In deze nature morte ontneemt de dood in dubbele zin aan de schilder het leven. De bloemen op zijn graf en het schilderij zijn er de bewijzen van. Deze vervlechting van waarneembare realiteit en verbeelde voorstelling laat zien dat Benders over een sterke creatieve imaginatie beschikt.
   Benders heeft nogal eens de neiging in de overdrive te gaan in zijn wijze van uitdrukken en in zijn beeldkeuze, zoals in ‘Een gehersenspoelde walnoot die boomweigert’ of in ‘De oneetbare, onbeleefde en kleurenblinde vlieg / wrijft met lichtsnelheid in de pootjes / zodat de klok in brand vliegt.//’. Hij weet zijn conflicten goed neer te zetten, maar niet op te lossen, zoals in het gelijknamige gedicht waarin de rooktherapeute zozeer gesteld was op het werk van Lucian Freud vanwege de individuele vrijheid die het behelst, terwijl de ik haar uit het misverstand wil helpen door erop te wijzen dat Lucian Freud een beeldend kunstenaar is, en geen psycholoog; ‘Ze zei / dat maakt niet uit. // Ik zei / waarom maakt dat niet uit. //’
   Benders eindigt zijn bundel met het gedicht ‘Een stad met fijne straten’. Hij biedt ons daarin een uitzicht op ‘Sierlijke, fijnvertakte, aangename straten / met eenvoudige mensen zonder toekomst. //’ Er spreekt een verlangen uit naar het gewone, het afgewogene, het overzichtelijke, maar eronder ligt tevens de zweem van cynisme, van perspectiefloosheid, van zinloosheid in dit verlangen. Dat fijne is niet zo fijn als het er uitziet. Geweld, vluchtelingen, moord- en doodslag (Kennedy), ontrouw, onbereikbaarheid, de beklemming van sociale verbanden, de onvrijheid voluit jezelf te zijn, te zeggen wat je wilt zonder jezelf maatschappelijk schade te berokkenen blijft een verlangen dat hij koestert. Daarvoor gebruikt Benders schrille beelden, soms vuige taal, en laat hij Jezus Christus scheldend ten tonele verschijnen. Die ongeremdheid maakt zijn poëzie ook spannend, aantrekkelijk, maar soms ook afstotelijk en vervreemdend. Het kan niet ontkend worden dat we hier met een eigenzinnige dichter te doen hebben van wie we nog veel hebben te verwachten. Welke kant het uit zal gaan, blijft nog ongewis.

***
Martijn Benders (1971) heeft al een aantal prijzen in ontvangst mogen nemen voor zijn poëzie. In 1994 kreeg hij de Meervaart Literatuurprijs. In 2002 kwam zijn veelgeprezen gedicht Haydar gaat naar Istanbul om een pauw te kopen uit. Hij woonde een periode in Istanbul, maar keerde terug naar Nederland. In 2009 krijgt hij de C. Buddingh prijs voor de bundel Karavanserai. De prestigieuze Europese poëzieprijs krijgt hij toegekend in 2013. In 2015 verschijnt zijn bundel Sauseschritt. Benders is een talentvol en eigenzinnig dichter.

Recensie van Sauseschritt - Martijn Benders

Het gevecht met de aartsengel

Martijn Benders
Sauseschritt
Uitgever: Van Gennep
2015
ISBN 9789461644008
€ 17,90
141 blz.

We hebben in deze bundel van doen met een soort logboek, zoals in het mottogedicht van de Servische dichter Novica Tadic staat vermeld. De bundel bevat twee omvangrijke hertalingen: de derde en vijfde afdeling. De algehele atmosfeer in deze bundel is emotionerend en heftig te noemen. De gedichten uit Sauseschritt suizen in sneltreinvaart aan je voorbij. Martijn Benders bedient zich van een grote toon en zou te typeren zijn als een poëtische straatdichter, een performer, een dichter voor het gemene volk, maar wel met een fonds aan interessante invalshoeken, gekwelde voorbeelddichters en existentiële inzichten en oog voor het diepliggende verdriet dat onder de mensen en het leven schuilgaat.
Benders heeft de neiging grote cirkels te trekken, werelden die elkaar vreemd zijn te omspannen, weidse perspectieven op te roepen, de wereldomspannende emoties onder de woorden te krijgen. Deze Benders wil poëzie schrijven, die nog niet eerder geschreven is. Enige megalomanie is hem niet vreemd. Hij ervaart de leegte en de eenzaamheid van het dichterschap. Hij verfoeit het onbegrepen zijn van zijn positie als dichter, maar wentelt zich er graag in rond, op zoek naar het beste ‘zombiewoord’. Zijn mate van onaangepastheid is nog net niet zo groot dat hij niet meer in staat zou zijn poëzie te schrijven. In die zin lijkt hij op de nieuw-Griekse dichter Yannis Ritsos. Zijn verlangen naar de leegte van de dood reikt nog niet zo ver als die van de dichter Rogi Wieg, maar we hebben wel van doen met ‘zo’n gevalletje/ van een gevoelige ziel, die een betere wereld wil.//’.
Benders is een wereldverbeteraar tegen beter weten in. Een echte poëet dus. Romanticus op en top, en hij weet het, maar wil het tegelijkertijd ook niet zijn, omdat hij midden in het leven wil staan, en het wil snappen, het voor wil zijn, en bovenal doorgronden. Hij is eigenlijk bang voor de wereld van de anderen. Hij wil zijn angst voor hun wereld overwinnen. Daarom staat hij zo nu en dan in deze bundel wanstaltig te schreeuwen en te oreren. Hij vloekt zich een weg door de jungle die leven heet. Hij wantrouwt ook zijn lezers, met ‘hun liefde in hun lichtgevende ogen/ en doodwolkjes in de mond,/’. Het blijkt ook een schreeuw om aandacht en liefde van deze verloren zoon, de dichter die een moederskindje lijkt te zijn. In de laatste afdeling zet hij zich in de rol van die legendarische verloren zoon. In de dialoog tussen moeder en zoon overweegt hij terug te keren naar zijn oorsprong. Daarmee doet Benders in deze bundel een allesomvattende poging om het leven met de dood, en de dood met het leven te verzoenen. Dat geeft de bundel een mythische spankracht, ondanks al het spetterend taalvuur dat niet overal even geslaagd te noemen is. Naar inhoud en vorm bedient hij zich zeer vrij van allerlei benaderingen.
Het logboek Sauseschritt bestaat uit vijf afdelingen: ‘radio’, ‘het dode huis’, ‘lectuur uit een ijzeren long’, ‘verdieping’ en ‘herz’. Het betreft verdichtingen die door zijn psyche zijn verwerkt tot leeswaardige poëzie. Fris, direct van toon en zegging, heftig van onderwerp.

De eerste afdeling ‘radio’ bestaat deels uit eerder verschenen gedichten, bewerkingen gebaseerd op gedichten van Otto Orban, al dan niet vertaalde liedteksten van George Brassens, Bonnie Prince Billy en Zeki Müren. Hij wil een dichter zijn die gezien wil worden. Het is enerzijds heerlijk ‘om vergeten rond te lopen’, maar anderzijds heerlijk door ‘Ooit zal ik af zijn, perfect, paspop in de grote wereldetalage./’. Hij is ondertussen een dichter die heel intensief beleeft dat de wereld van de liefde bij hem binnendringt. Zo kan een pokdalig meisje dat ‘fakking goed kan dichten/’ hem danig van zijn stuk brengen. Dichterschap en liefde strijden in deze afdeling om de voorrang. Daarnaast spelen paniek en angst een voorname rol: ‘Paniek en angst moet je niet verwarren./ Paniek inspireert en angst doet verstarren.//’. Voor hem is de liefdespoëzie terug van weggeweest. Tegelijkertijd beseft hij in het gedicht ‘Liefde in tijden van grote poëzie’ dat poëzie de wereld niet kan veranderen, zelfs niet als de dichters over de liefde schrijven.

Natuurlijk, poëzie kan niets veranderen. Ze staan er, allemaal.
En onder de grote adelaarsvlag kussen soldaten hun meisjes onder
lamplicht en schrijven de dichters steeds vlijtiger over steeds
universelere onderwerpen: de liefde, de liefde de grootste kracht,
de kracht die alles schaft.

En toch is de liefde ‘profetisch van eeuwig goed’. Tussen het dromen over en schrijven van poëzie door rakelt de ik zijn liefdesperikelen op: zijn wanhoop, conflicten en teleurstellingen over zijn geliefde, zijn en haar gevoelens voor elkaar. Ondertussen gebruikt hij verrassende metaforen: ‘Het sterfelijke, waaraan niemand herinnerd wil worden / als ze een boek lezen met de vertraging van een vliegtuig’. Of : ‘Langzaam verdwijnt alles / in de stropdasachtige schaduwen.’
Als de liefde eenmaal daar is, trekt ze als een onopvallende revolutie aan hem, een ieder voorbij: ‘Iets was niet hetzelfde. Maar niemand kon zijn vinger erop krijgen./’. ‘In het Art Hotel’ trekt de ik 50 euro uit zijn zak, vouwt geëngageerd een vliegtuigje, ‘dit is de MH17’, terwijl hij hem zachtjes in de balie laat landen. ‘We zullen de onderste steen bovenhalen!/ We zullen niet rusten tot het eindje boord is.//’. In deze afdeling is de inleving in de ander zo ver gegaan, dat de ik het moeilijk vindt de ander, de vreemde nog aan een andere vreemde te moeten geven. Een empathie die tot ernstige zelfvervreemding kan leiden.

In de tweede afdeling ‘Het dode huis’, een hertaling van het gedicht van Yannis Ritsos, beschrijft de wederwaardigheden van een familie die aan oorlogsgeweld op twee zussen na ten onder is gegaan. De ik spreekt met de zus die een tijdje onder de druk der omstandigheden krankzinnig is geweest. Het huis symboliseert in al zijn hoeken en gaten de geschiedenis van het huis. Het verleden speelt tegen de wanden van het onheilspellende huis op. Alles heeft hen verlaten. Er heerst een ‘netelige, vreemde sensatie, van horror en slacht, / een blinde, fijne geur van grenzeloze schoonheid / en naakte absentie. Zo is het. Alles verliet ons.’
De wrede aanwezigheid van soldaten geeft aan het huis een onheilspellende sfeer mee: ‘een plek vol ontwijkende eenzaamheid en oprechtheid./’. Een noodlottige plek beschreven als een Griekse tragedie die staat voor de menselijke conditie. Een moderne Griekse mythe. Als in de ‘Aantekeningen als uit het dode huis’ van Dostojewski. Deze aantekeningen maakten het de ik gemakkelijker om weer aan zijn eigen leven te beginnen.

In de derde afdeling ‘Lectuur voor in een ijzeren long’ neemt Benders zichzelf op de korrel. Er is de dichter Benders en de persoon Benders, die de hele dag bezig is hoe hij mensen kan uitleveren aan de woorden. Hij houdt hierin een poëtisch pleidooi voor de kunst om de verwoesting die haast maakt ongedaan te maken. ‘Toen jullie vroegen om poëzie die zich bemoeit met de wereld/dacht ik: die zijn aan het juiste adres. Ik ben een leunstoel generaal/als geen ander. Ik meander volledig in uniform, maar het is saai/de baas van het internet te zijn. Het internet is voor mij te klein. //’

Beeldspraak aan deze tijd ontleend, megalomaan en egocentrisch van inhoud, humoristisch van toon, geëngageerd van intentie. Dat proef je deze hele afdeling door. Daar tussendoor zinspeelt hij op de rol van de seksualiteit als perpetuum mobile die als een ruitenwisser werkt. ‘De lul sponst door het bestaan,/’ […] ‘En elke dag opnieuw:/ putten op de rits.//’. Deze afdeling staat bol van seksuele verwijzingen: ‘een beetje liefde is al snel/ net zo kittelorig als kippenvel/’. Het blijft heel dubbel als hij zich voorstelt dat de vogeltjesdans op zijn graf wordt gedanst: ‘Wou dat ik een vak had geleerd.//’. Maar ook

Ik ben overal tegen.
Tot ik een gedicht schrijf, dan ben ik voor.
Lijkt me logisch.

In poëzie moet iets gebeuren
voordat er iets gebeurt.

Hij beschouwt zijn poëzie als ‘een isoleercel voor oude koningen die een bloedhekel aan/ Gesamtkunstwerken hebben. ‘Ik sloot ze op voor jou.//’. En in dit gedicht komen liefde en poëzie weer bijeen. Zijn grootspraak blijft: ‘mocht ik ooit de nobelprijs voor literatuur krijgen, dan ga jij van mijn bangalijst. Maar ook de Martijn Benders Dag.’ Hoewel Benders niets van hermetische poëzie moet hebben, blijft er in zijn dialogische, anekdotische, geëngageerde en mythische poëzie nog genoeg te raden over. Alleen wil hij niet dat lezers zijn poëzie niet begrijpen, en zich erin zouden gaan opsluiten.

In de vierde afdeling ‘Verdieping 13’ heeft Benders wat zoekplaatjes uitgeschreven. Stukken geïnspireerd door de sciencefictionschrijver R.A.Lafferty, vertaling van werk van Zabolotsky en Roethke in verkleinde lettergrootte afgedrukt, met een vergrootglas te lezen. Poëzie die op afstand blijft, als je het raadsel niet onder ogen wil zien.

In de laatste afdeling ‘Herz’ een hertaling van een werk ‘De jongen die in een Hert veranderde schreeuwde door de Geheime Poort’ van de Hongaarse dichter Ferenc Juhasz. De gelijkenis van de verloren zoon, de mythe van Narcissus schemeren tussen de regels door in dit hertaalde gedicht. Een moeder roept haar zoon toe tot haar terug te keren, waarop de zoon in alle toonaarden aangeeft dat niet te willen en te kunnen. In een mythologische context roept zij hem tot zijn oorsprong, zijn bron. Zij voelt haar levenseinde naderen. Ze voelt zich vol met visioenen en wil zich daarvan bevrijden. Op haar verzoek hangt de jongen zijn hoofd boven een poel en verandert in een hert. Vanaf dat moment is hij bang haar te verwonden. Het sprookje van de gouden vogel komt het gedicht binnen. Hij blijft vrezen voor haar vernietiging als hij haar zou ontmoeten. Wanneer zij hem herinnert aan zijn vroegere vriend en vriendin, neemt zijn afkeer alleen maar toe. De moeder probeert de zoon uit zijn versteende wereld terug te roepen. Alleen om te sterven is hij bereid terug te keren.

 Het anekdotische karakter met mythische spankracht verleent aan deze poëzie een grillig vormelijk geheel. Het is poëzie die zich goed leent om op het podium voorgedragen te worden om nog beter uitdrukking te kunnen geven aan het geëngageerde karakter. Gelet op zijn bediening van een omvangrijk taalregister maken we kennis met een zeer taalvaardige dichter.

De derde afdeling toont Benders gevecht met het eigen dichterschap om zijn lezers uit te leveren aan de woorden en etaleert de vraag in hoeverre hij zich met de wereld moet en kan bemoeien als dichter. Veel gedichten in strofen met een maatschappelijke oriëntatie; hij is overal tegen, totdat hij een gedicht schrijft. Een gedicht als ‘Aantekeningen uit de isoleercel’ is een voorbeeld van een caleidoscopisch gedicht waarin hij liefdesperikelen en maatschappelijke thema’s tot een bruisende cocktail weet te mixen. De centrale thematiek lijkt voornamelijk ‘liefde en verdriet in tijden van grote poëzie’ te moeten zijn. Daarin schuilt de nodige ironie naar de dichter zelf, zijn collega-dichters en zijn lezers toe. Bovenal is Benders in deze bundel in gevecht met zijn eigen dichterschap, zijn aartsengel.

***

Met deze bundel Sauseschritt (2015) publiceert Martijn Benders zijn vijfde bundel. Hij wordt tot één van de meest originele en onberekenbare dichters van zijn generatie gerekend. Hij debuteerde in 2009 met Karavanserat en werd ervoor genomineerd met de C.Buddingh-prijs voor Nederlandstalige poëzie.

Recensie van Wôld, Wôld, Wôld! gesellichefersna for heelhouts familje - Martinus Hendrikus Benders

Ik tegen de rest

Martinus Hendrikus Benders
Wôld, Wôld, Wôld! gesellichefersna for heelhouts familje
Uitgever: Uitgeverij Loewak
2012
ISBN -----
€ 22,50
224 blz.

6 januari van dit jaar, Driekoningen, was de officiële verschijningsdatum van Martinus Benders´Wôld, Wôld, Wôld! Geselliche Fersna for Heelhouts Familje´ De dag dus van de Openbaring van de Heer, de dag van de epifanie, een term die in literair opzicht gebruikt wordt ter aanduiding van een plotselinge, verwarrende openbaring. Beide betekenissen functioneren. Het eerste gedicht van de bundel is getiteld ‘De Drie Wijzen’ en daarin wordt de auteur als ware hij de Heer zelve door een drietal mannen de wereld ingevoerd, en de bundel als geheel is een indringende, ontregelende leeservaring.

December 2011 liet dichter Martinus Benders op facebook weten dat Wôld, Wôld, Wôld! nadrukkelijk niet slechts een dichtbundel zou worden, maar een soort gesamtkunstwerk van naar schatting tussen de 350 en 400 pagina’s groot.

November 2012 berichtte hij: “Wôld, Wôld, Wôld! is bijna klaar. Het is een heel onconventionele bundel geworden van 222 pagina’s. Een professioneel dichtend collega omschreef het als ‘een hallucinogeen, mogelijk explosief mengsel van steengoede gedichten, bizarre vondsten en clowneske aanvallen op het complete Nederlandse literatuurlandschap.’ […] Behalve een van de meeste experimentele bundels ooit gemaakt in de Nederlandse Literatuur is het ook de eerste gepersonificeerde dichtbundel. Elke lezer die het bestelt treft voorin een werk aan dat Ome Friedrich hoogstpersoonlijk voor hem of haar heeft geschreven. Naar verluidt gaat Ome Friedrich tips geven en jouw literaire waarde bepalen. Een bundel, kortom, waarmee de hele familie dikke strand- of autopret kan hebben..”

Zo’n boek wil je wel ontvangen en het moet gezegd: het stelde geenszins teleur, want meteen op de eerste tekstpagina al word ik door die ‘Ome Friedrich’ als ‘Beste Joop’ toegesproken toch vooral mijn best te blijven doen voor de literatuur, mijn konterfeitsel in één afbeelding gevangen met dat van Nietzsche. Er zijn slechtere manieren om de recensent voor je in te nemen. Ook in het Voorwoord vind ik mezelf terug, als ik word aangespoord naar een bankje in het vlakbij mijn huis gelegen park te gaan om daar de bundel te lezen. Met dank aan Google Earth is een foto van de beoogde plek afgedrukt en als het een mooie voorjaarsdag was geweest, had ik graag aan Benders’ oproep gevolg gegeven. Nu sleepte ik de bundel mee naar de Oostenrijkse sneeuw, waar op de laatste bladzijde, aan het eind van een filippica tegen Femke Halsema in haar hoedanigheid van voorzitter van de VSB Poëzieprijs 2012 mijn naam nog een paar keer valt en ik er o.a. terloops aan herinnerd word deze bundel ‘helemaal voor niks’ gekregen te hebben.

Mijn exemplaar is dus een uniek exemplaar, en dat geldt voor iedere bundel die Benders een besteller toestuurt. Als het dankzij printing on demand mogelijk is iedere bundel afzonderlijk te laten vervaardigen, waarom zou je dan niet het verbond met de lezer aangaan? Wie bereid is in plaats van de gewone paperback een duurdere luxe editie aan te schaffen, mag er zelfs op rekenen dat de auteur voor hem of haar gedichten op maat schrijft, die later dan ook weer in een verzamelbundel zouden kunnen komen, zodat Wôld, Wôld, Wôld! de eerste dichtbundel is, waarmee een lézer zich de onsterfelijkheid koopt. Hij betaalt daarvoor echter wel een prijs, want omdat hij verplicht wordt zijn anonimiteit op te geven, kan hij zich niet langer meningloos verschuilen.

Wôld, Wôld, Wôld! doet er alles aan zich aan de kwalificatie ‘dichtbundel’ te onttrekken. (‘Dit boek, waarde lezer, is een raam./ Lezend krijgt u het niet open. Tja.’) Dat begint al met de vormgeving, want het boek kreeg het uiterlijk van een forse doos De Zwaluw-lucifers mee, ongetwijfeld om het ‘explosieve’ karakter ervan te benadrukken. Wôld, Wôld, Wôld! zou je kunnen omschrijven als een experimenteel planmatig concept, dat behalve aan poëzie (in een ver doorgevoerd spel met vorm en inhoud), volop ruimte biedt aan literaire satire in de meest brede vorm, namelijk zowel gericht tegen critici (de censuurmilitie), collega-dichters, tijdschriftenbonzen en uitgevers, als vertegenwoordigers van instanties als het Genootschap Onze Taal en het Nederlands Letterenfonds.
Steeds is het pesterig ‘ik tegen de rest’. Vooral de ‘netwerkers’, ‘de gesubsidieerde zetbaasjes die de Nederlandse poëzie bestieren’, moeten het ontgelden. Er vallen tientallen namen, en zoals het gaat met satire, sommigen zullen het misschien wel betreuren niet genoemd te worden. Piet Gerbrandy heeft in ieder geval geen klagen. Als een soort running gag becommentariëren zijn zogenaamde facebookberichtjes de tekst.

Naast gedichten en brieven bevat de bundel ook prozagedichten (waaronder het fraaie mini-essay ‘Van God tot Google’) en veel visuele en concrete poëzie, soms als ‘beeldgedichten’ enkel bestaande uit typografie. De min of meer conventionele gedichten, handelen vaak over het dichterschap, seksualiteit (‘Het vrouwenbeen is het stokbrood van de poëzie’) of betreffen jeugdherinneringen. Het volgende gedicht is qua toon in feite a-typisch voor de bundel, maar het bevalt me zeer.

Zeiksnor was een hond die we op straat hadden gevonden.
Een groot, zwart, harig vies beest met een enorme snor.
We woonden met zijn achten in de Willemstraat.
Paul, Arno, Ilse, Tesla, Patrick, Jeroen, ik en een jongen
wiens naam ik kwijt ben.
Ik was 17. Ze waren de hele dag aan het barricaderen
met keilbouten. Keilbouten waren helemaal de shit.

Beddenspiraal voor het raam
en keilbouten erin zo veel mogelijk keilbouten.

Zeiksnor rende constant achter zijn eigen staart aan
met zijn druipende Nietzsche-snor
die ewige Wiederkehr des Gleichen

Omdat er geen water was
was hij de enige die binnen mocht schijten,
wij buiten, in een getimmerd hokje, pal voor de moskee
hurkend naar de schoenen van moskeebezoekers kijkend.

Mijn vaders eerste stap in een kraakpand
ging met veel gevloek gepaard,
Zeiksnor had vlak bij de zorgvuldig gebarricadeerde ingang
een flinke drol gedraaid. Ik zie hem nog staan,

met een rood nondejuhoofd
zijn rechterschoen over de drempel schrapend,
met zijn linkerhand leunend op de gebarricadeerde deur,
op zijn mooiste lerarenschoenen.

Volgde een bliksembezoek aan mijn kamer,
om te inspecteren of alle meubels nog heel waren.

Hetzelfde geldt voor ‘Aanvallen’, waarin Benders een onverwacht tedere kant toont en logenstraft dat gedichten schrijven niet meer van deze tijd zou zijn. Niet voor niets is hij de ‘vervloekte vader’ met ‘zijn achterlijk geloof in de magie van een enkel woord.’

Aanvallen

Ik heb aanvallen.
Wil niet herinnerd worden als de man met aanvallen.
Schrik wakker en snak naar adem. Dronken als een tor in bed.
Mijn kleintje die op dezelfde kamer slaapt vraagt
‘Papa, waarom doe jij zo?’
Het enige dat ik verzinnen kan met mijn dronken kop
‘omdat ik een vlinder ben, Mavi’. Ze is al bijna vijf.
Ik hoor haar denken.
‘0.’ zegt ze.

Zo veel wereld in een enkele letter.
Zo veel spijt die zijn drakenvleugels kwijtraakt.

Eerder is dit de dominante toonzetting van de bundel:

Leer in één minuut gedichten schrijven

Vermijd wowtypes.
Zoek kritische klootzakken.
Schrijf dingen die ze leuk vinden.
Schrijf dingen die ze aanprijzen.
Schrijf dingen waar ze geen reet van snappen
maar die ze aanprijzen uit angst.

Ontmasker ze dan als corrupte fraudeurs
en ga beginnelingen aanprijzen.
Roep dat je nog niet eens begonnen bent.

Schrijf dan iets wat je moeder aan het lachen maakt.

De opmerkelijke titel Wôld, Wôld, Wôld! gesellichefersna for heelhouts familje speelt met klank en woordbetekenissen. Wôld zou een woord zijn uit het Keltisch en ‘vlak open land’ betekenen (waarmee Nederland bedoeld kan zijn), maar de drie herhaalde W’s lijken me ook het wereldwijde web aan te duiden.
Op de klank af lees je ‘fersna’ als verzen, maar in het Oudnederlands betekent het hiel, terwijl ‘heelhouts’ eigenlijk een verouderde benaming voor spijkers is. Niets is wat het lijkt dus, en zo is Benders’ ‘gesamtkunstwerk’ enerzijds een soort Groot Vakantieboek, en anderzijds een bijna Multatuliaanse onderneming, compleet met manuscriptfictie *) (het voorwoord van de duivelachtige – zie de foto op het achterplat – Rob Zeeman) en Pak van Sjaalman (de brieven, de e-mails, de foto’s, de terzijdes).

Het boek is bont, en mede daarom schoten me regels uit de slotpagina’s van de Max Havelaar door het hoofd. Hoe stond het daar ook weer?

Ik wil gelezen worden… […] door letterkundigen, die toch ook eens ‘t boek moeten inzien waarvan met zoveel kwaads spreekt… […]
Ja, ik zal gelezen worden! Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zijn. Want het was me niet te doen om goed te schrijven… ik wilde zó schrijven dat het gehoord werd. […]
‘Het boek is bont… er is geen geleidelijkheid in… jacht op effect… de stijl is slecht… de schrijver is onbedreven… geen talent… geen methode…’
Goed, goed, alles goed! Maar… […] wederlegging der hoofdstrekking van mijn werk in onmogelijk!
Hoe luider overigens de afkeuring van mijn boek, hoe liever ‘t mij wezen zal, want des te groter wordt de kans gehoord te worden. En dit wil ik! […]
Dit boek is een inleiding…
Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig zal wezen…’

Om de hoofdstrekking gaat het, en die is tweeledig. Ten eerste: het is onontbeerlijk dat literaire kritiek op de man speelt. Ten tweede: poëzie is een zaak van de weerbarstige, onafhankelijke enkeling die unverfroren zijn eigen weg kiest.
We hebben van Martinus Hendrikus Benders nog wel meer te verwachten!

***
De bundel is te bestellen via www.loewak.nl/dutch/

*) Op die veronderstelling kwam op facebook deze prompte reactie van de dichter zelf:
‘Hoe kom je er bij dat Rob Zeeman een fictieve entiteit is? Die mijnheer bestaat gewoon hoor. En het voorwoord is 100% door hem geschreven.’

Waarvan akte [JL].

Recensie van Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem - Martijn Benders

Never a dull moment

Martijn Benders
Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem
Uitgever: Uitgeverij Loewak ,Uitgeverij Loewak ,Uitgeverij Loewak ,Uitgeverij Loewak ,Uitgeverij Loewak
2011
ISBN n.v.t.
€ 18,95
114 (ongenummerde) blz.

Martijn Benders debuteerde in 2008 bij Nieuw Amsterdam met Karavanserai, dat genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en waarover De Groene Amsterdammer oordeelde: ‘een rijk maar overladen debuut’, weliswaar ‘ongepolijst’, maar een ‘belofte’. Rob Schouten zag het in Awater als ‘een hoorn des overvloeds’.
Kennelijk ging er ondanks deze positieve ontvangst tussen uitgever en auteur iets mis, want Benders produceert nu de opvolger in eigen beheer als print-on-demand via Lulu.com. Voor iemand die in Turkije woont, misschien ook wel zo gemakkelijk en bovendien op een bepaalde manier bevestigend dat Benders zich van begrenzingen weinig wil aantrekken.

De bundel opent curieus, met een artikel uit The New York Times van 26 mei 1916 over een nooit gerealiseerd gigantisch grafmonument, dat de opdrachtgever nog tijdens zijn leven had willen oprichten. Op een sokkel van ruim twintig meter was een liefst zestig meter hoge uil gepland, waarvan het binnenste niet alleen de sarcofaag moest bergen, maar ook een voor publiek toegankelijk trappenstelsel. Een fraai stukje grootheidswaanzin, hier ongetwijfeld aangehaald als een waarschuwing tegen hybris. De met 91 gedichten overvolle bundel wordt niet voor niets afgesloten met een ex libris dat in zijn verbeelding van grootheid en onvergankelijkheid de ironische tegenhanger is van het monument.
Niettemin, de bundel stáát, en Benders weet het. Dit is het eerste gedicht:

Laat me

in een dwaalleer kunnen geloven,
iets waarvan ik aan de boemel raak.

Als een oude hommel
overmoedig op vergeet-me-nietjes aanvliegen.

In de gouden strofe van mijn vlucht
het refrein van de dood opbassende,

verwar mij alsjeblieft met de zon,
chrysanten,
huiselijke margrietjes,
opengesperde paardenbloemen.

Deze opgeblazen droom
komt in je langdradig hart brommen.

In het slotgedicht komen de vergeet-me-nietjes uit ‘Laat me’ min of meer terug in tegen de wind sputterende lelietjes-van-dalen en correspondeert de wens uit de eerste regels met de opdracht ‘Luister naar je wacht op het veld’, waarmee de bundel besluit. Deze loopt daarmee mooi rond, maar dat is ook het enige vormaspect dat valt te constateren; er zijn geen afdelingen, van enige ordening is geen sprake en omdat paginanummers ontbreken, wordt de veelheid van gedichten in één keer over de lezer uitgestort. Erg is dat niet, en het is zelfs te prefereren boven de bloedeloze overgestructureerdheid die een tijd in de mode geweest is.

Benders overtuigt, en hij doet dat met eigenzinnige, sterk beeldende gedichten, die een voedingsbodem lijken te hebben in een merkwaardige mengeling van brutaliteit, vrolijkheid en haast provocerende onverschilligheid, al is er duidelijk ook een geëngageerde, zelfs gevoelige kant. Regelmatig vertonen de gedichten zulke onverwachte, zelfs bizarre gedachtesprongen, dat ze iets absurdistisch krijgen, terwijl ze toch nooit losstaan van de realiteit.
In ‘Een buurman van allen. Een stad in as’, het derde gedicht van de bundel, zegt hij het zo: ‘Ik heb gevoel voor humor, maar ben kwetsbaar voor lyriek./ Mijn beste versiertruc is de anekdote.’ In ‘Einde regel’ stelt hij: ‘Het geluk dient zich aan tussen de regels. Einde regel!’
Ongeloofwaardig wordt hij nooit, vandaar:

Ongeloofwaardig als ijsbergsla

Ik vergader met denkbeeldige vrienden.
Ik ben eenzamer dan een dameskoortje.

Bijbels worden zo geschreven.
Handleidingen voor de liefde.
Succesverhalen. Tussendoortjes.
Ongeloofwaardig als ijsbergsla.

Ik ben een krakeling van de tijdgeest.
Ik ga dwaallichtjes achterna.
Ik woon in een ivoren toren.
Ik pis op vogelnestjes als ik de kans krijg.

Er zijn voortdurend formuleringen die je bijblijven: ‘democratie heeft een wielklem nodig’; ‘liefde is een dialect/ dat uitsterft als de ander praat’; ‘meisjes zijn dwangbuizen, zei mijn vader altijd.’
Zo werd een junk nog niet eerder beschreven: ‘Je lichaam werd een industrieterrein/ waar gelost werd en geladen.’
Wil iemand zijn vriend worden, dan moet hem dit vertrouwd zijn: ‘Ken je de stippellijn die een vrouwenhand/ om een glimlach kan trekken?’
Mooi is deze observatie: ‘Je zit voor me in de trein/ met een gezicht dat de honger niet kent,/ je slaat me over bij het kijken/ alsof ik een gepasseerd station ben.’
En dit meisje, ‘dit opgewonden speeltje’, vergeet je niet: ‘het bovenste hachelijke knoopje/ van haar bloesje is los,// en daaronder dutten haar vinkjes/ in kwikzuiver beddengoed.’

Je kunt blijven citeren, want Benders heeft een aforistische manier van schrijven. Het gaat hem zo makkelijk af, dat hij de plank ook wel eens misslaat, zoals in ‘Verzet':

Verzet

Paranoia is een ijzige ster
maar tenminste een begin.

Ik heb altijd mot met de eeuwigheid
ik heb altijd mot met de eeuwigheid.
ik kan niet overweg
met de eindigheid,

was ik maar van sperma,
was ik maar van witte rijst
en jij mijn vallende ster..

ik heb altijd mot met de eeuwigheid.
ik heb altijd mot met de eindigheid.

Het zou weinig moeite kosten een bespreking zo in te richten, dat het accent zwaar op dergelijke minder geslaagde teksten zou komen te liggen, maar dat die gedichten er ook zijn, is inherent aan zijn werkwijze. Hij maakt niet de indruk iemand te zijn die eindeloos aan zijn gedichten wenst te schaven; voor het ‘polissez et repolissez’ moet je stilstaan en terugkijken, terwijl Benders duidelijk iemand is die voort wil, bijna vanuit een vermoeiende Altijd-Door-Heel-Druk-achtige drive.
Het heeft ook te maken met zijn onderwerpkeuze. In ‘Natuurlijk’ stelt hij: ‘ik kan iets beters verzinnen/ dan de wereld mijn fotoalbum laten zien.’ Vandaar dat de bundel veel meer biedt dan de besmuikte verzamelingen privéopnamen van veel van zijn collega’s. Bij Benders gaat het om de hele wereld, en die lijkt soms maar net groot genoeg. Als het teveel dreigt te worden, houden zelfspot en een Titaantjesachtig levensgevoel (zoals dat uit het titelgedicht blijkt) hem op het rechte spoor. ‘Ik ben een dichter’, schrijft hij in ‘Schoonheid’. En hij eindigt dat gedicht met: ‘Hier is mijn visitekaartje.’ Het mag er zijn.

***
Martijn Benders (1971), die behalve ICT’er ook muzikant is, woont en werkt sinds enkele jaren op Buyukada, een van de Prinseneilanden van Istanbul.
De bundel is uitsluitend verkrijgbaar via zijn site Loewak. De verzendkosten bedragen €3,95.