Recensie van Ooghoek - Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse

Kijken met de ogen van twee dichters

Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse
Ooghoek
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551674
€ 19,95
53 blz.

In het onlangs verfilmde boek De Cirkel van Dave Eggers wordt beschreven, dat mensen steeds meer live gaan door een camera op hun borst te dragen. Op een gegeven moment maakt de hoofdpersoon een kanotochtje in een schilderachtige, van mensen verlaten baai. Wanneer zij hierover aan haar begeleider in het allesomvattende bedrijf dat de Cirkel geworden is vertelt, reageert deze ontstemd dat ze dit niet live gedeeld heeft: ‘Privacy is diefstal’. Alles moet zichtbaar zijn, want alleen op die manier kan iedereen alles meemaken en kunnen ook mensen met een handicap deelnemen aan ervaringen die anders buiten hun bereik blijven. Ik moest sterk aan deze passage denken toen ik de bundel Ooghoek van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse in handen kreeg. Deze door het Vlaamse Poëziecentrum uitgegeven bundel is de literaire neerslag van een bijzonder project. Dankzij Ooghoek kunnen we hier op afstand aan deelnemen.
‘In de zomer en nazomer van 2017 is het poëzieproject met gedichten van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse een beletterde wandeling en een literaire verpozing. Aan de bomen van de Kooldreef in Beernem hangen 17 gedichten die je gadeslaan of toespreken vanuit hun kastjes. (…) De passant, die vanuit zijn ooghoek de bedrijvigheid van de huizen rondom waarneemt, wordt uitgenodigd stil te staan bij wat hij ziet en voelt.’ (Over Ooghoek, de installatie – p.50). Of zoals Jooris van Hulle in zijn voorwoord, dat zich als een volwaardige recensie lezen laat, schrijft: ‘Twee dichters kleuren letterlijk en figuurlijk het project waarmee Vzw Màrmelade de Kooldreef in Sint-Joris, deeLvGemeente van Beernem, ruim drie maanden lang tot poëtisch universum ombuigt. Van wandeldreef –uniek door zijn ligging in het dorp, enig door de aantrekkingskracht die ervan uitgaat door de manier waarop de blik van de passant naar de verte van het achterliggende kasteel wordt getrokken– wordt de Kooldreef woord-dreef, beeld-dreef en klank-dreef’.

Hoewel beide dichters vanuit dezelfde opdracht werkten, is er verder weinig verwantschap tussen hun werk. De bundel bevat twee afzonderlijke afdelingen: ‘Geleider’ van Charlotte Van den Broeck en ‘Die stiekeme blik’ van Lies Van Gasse. De selectie is met 25 gedichten iets ruimer dan de installatie op De Kooldreef, waarbij beide afdelingen verluchtigd zijn met illustraties van de hand van LvG.
De gedichten van CvdB lijken meer geënt op de omgeving van de Beernemse Kooldreef dan het werk van LvG. De meeste titels van de gedichten van CvdB verwijzen direct naar een locatie in Beernem. Alleen haar laatste gedicht heet ‘Cornea’, en vormt daarmee een bruggetje naar de gedichten van LvG, die met hun titel allemaal naar een lichaamsdeel verwijzen.

WOKPALEIS

Twee leeuwen, loom in marmer gelegen
sperren aan de poort de mond open in een geeuw

binnen staat de Chinese matrone uit blok gehouwen
ze zegt ‘welcome’ met het nodige wantrouwen
voor meisjes die alleen buffet komen eten

ik kies de lange tafel aan het raam en de formule met teppanyaki
drieëntwintig euro negentig en daarbij de dwangsom
van blikken die me verplichten naast honger ook een verhaal te hebben

en ja, onder de lampionnen wiegt de weemoed in mij, ik zat hier eerder
op zwijgzame familiefeesten in een andere streek, klem
tussen wat gezegd moest en wat van de mond werd geveegd

ook nu kan ik niets bedenken
wat luidop te zeggen valt

De gedichten van Charlotte Van den Broeck geven de lezer sterk het gevoel mee te kunnen wandelen langs schilderachtige en soms ook minder schilderachtige plekken in Beernem. Natuurlijk langs de Kooldreef zelf: ‘Vanaf hier lopen de eiken in lijnen in een doorgang de diepte in / verdwijnpunt is bestemming, dat huis in de verte, met buigzame ogen, kijk / dwars door steen en hek, achter het uitzicht waakt de binnenkant’. In ‘Sint-Amandus’ (een psychiatrisch centrum) lezen we ‘tegenover het hotel waar ik logeer, bewaren ze mensen in breukgetal / een schreeuw op sterk water, een doffe blik die niet door het raam geraakt’. ‘Miseriebocht’ beschrijft de ligging van het dorp: ‘Het kanaal plooit een arm om de fietstoeristen / op de ellenboog balanceert het dorp, weggestoken / achter gestekelde brem, doorn en eikenbos’. Maar in haar beschouwingen resoneren ook herinneringen aan andere plaatsen, andere gebeurtenissen, die zich mengen met de fantasie over hoe het is om hier te leven. We stellen ons bij bovenstaand gedicht voor hoe CvdB daar zit, in haar eentje, in die licht vijandige omgeving van het kleurrijke Wokpaleis. We krijgen zelfs te horen wat het menu kost, maar ondertussen dwalen de gedachten af naar vergelijkbare plaatsen ‘in een andere streek’, omdat de waarneming immers altijd gekleurd wordt door eerdere ervaringen.

DIE STIEKEME BLIK

Eens per week maak ik een tocht
naar het leven dat ik eerder heb geleid,

naar het vlekkerige schilderij
vol mist, tuinen en loofbomen,

naar grijze en baksteenrode blokken
met het keukenraam boven de garagepoort,
de lavendeltuin naast de nieuwe auto,

naar het ei van waaruit ik

sidderend ontstond,
om me heen keek,
op weg ging,

het ei van waaruit alles ooit begon.

Onze wereld is zo klein
dat ze bijna in een hand past.

Eens per week maak ik een tocht
naar een leven dat ik vroeger heb geleid.

Onze wereld is zo klein.

Tussen de takken, achter glas,
kijk ik naar wat geschilderd staat daarbinnen.

In haar gedichten hanteert Lies Van Gasse vaak de stijlfiguur van de herhaling. In dit gedicht zien we de eerste strofe met een subtiele variatie aan het eind van het gedicht terugkeren. Maar ook ‘het ei van waaruit’ en ‘Onze wereld is zo klein’ worden herhaald. Deze manier van terughalen van elementen versterkt de samenhang van haar gedichten. Maar LvG gaat een stap verder: bij herlezing van haar gedichtencyclus valt op, dat ook elementen uit andere gedichten herhaald worden, waardoor de cyclus steeds meer als één geheel ervaren wordt. ‘Tussen de takken, achter glas’ is de openingsregel van het gedicht ‘Binnenoor’. Het ‘vlekkerige schilderij’ vindt een echo in ‘een vlekkentapijt van zon aan de kamerrand’ uit het gedicht ‘Linkerhand’. En de woorden ‘in een hand past’ staan bijna letterlijk in het ‘Voorarm’, dat aan ‘De stiekeme blik’ vooraf gaat: ‘het kind onder mijn huid, / een hoofd dat zelfs bewegend / net in mijn handpalm past’. Mogelijk wordt dit effect van herhaling en herkenning nog versterkt wanneer men deze gedichten in het project deze (na)zomer in de Kooldreef ter plekke beluistert.
De thematiek van het gedicht doet vermoeden, dat de dichter zelf in het dorp gewoond heeft, en hier regelmatig naar terugkeert. Dit sluit echter niet aan bij de biografische informatie: zij is geboren in St. Niklaas, 70 km ten oosten van Beernem. In andere gedichten lezen we ‘Nu is het zomer in Beernem’, en ‘Op de tweede dag / – maar laat ons eerlijk zijn, het had ook de derde, / of de zesde kunnen zijn – fietsen we van Brugge naar Beernem’. Mogelijk roept de landelijke omgeving van Beernem – dat zij ongetwijfeld voor dit project bezocht heeft – herinneringen aan haar eigen jeugd op.
Moederschap is een ander thema dat sterk in de gedichtencyclus van LVG aanwezig is. In het openingsgedicht ‘Schaambeen’, wordt een soort omgekeerde geboorte geschetst. In het daaropvoLvGende ‘Elleboog’ lezen we: ‘Verschillende keren zijn wij jong: / eerst in de moeder, dan in onszelf / en tenslotte in het kind dat zwelt als meel, / gekneed door onze gewoonten.’ Daarbij legt ze vaak de relatie tussen haar moederschap en haar eigen kind-zijn, zoals in de opening van het eerder aangehaalde ‘Voorarm’: ‘Het is beter op mijn natte arm dan in het bed / dat ik nochtans zacht voor je heb gedekt // waarin ik een kruik vol warmte wilde, / waarin ik over mijn verleden jouw toekomst heb gelegd’.

Beernem ligt op een steenworp (of zoals we hierboven konden lezen op een uurtje fietsen) van Brugge. De installatie is nog tot 8 oktober a.s. te ervaren. Mogelijk inspireert deze recensie of de bundel lezers tot een poëtisch uitstapje. In dat geval houd ik me aanbevolen voor foto’s en verhalen – ik vermoed dat het ervaren van de installatie ter plaatse de hier besproken gedichten nog meer tot hun recht laat komen.

Recensie van Nachtroer - Charlotte Van den Broeck

Blijven proberen tot het past

Charlotte Van den Broeck
Nachtroer
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029510219
€ 18,99
81 blz.

Charlotte Van den Broeck debuteerde met de bundel Kameleon (2015). Ze oogstte er veel lof mee. Haar terloopse maar opmerkelijke manier van dichten leverde bezielde poëzie op. Aan de toepassing van stijlkenmerken als parallellisme, herhaling, suggestie van innerlijk dialogeren, betekenisvolle enjambementen, binnenrijm, alliteratie en assonantie valt af te lezen dat deze poëzie zich heel goed leent voor het podium. Soms schemeren anekdotische elementen door haar teksten heen, zoals het legendarische jongetje na de aanslagen in Parijs. Zij vertegenwoordigen de verhelderende stapstenen in dit universum van nachtelijke duisternis. De cyclische structuur onderstreept de gesloten wereld waarbinnen dit poëtische gedachte-experiment zich afspeelt.
      Van den Broeck werkt in haar nieuwe bundel Nachtroer met omvangrijke cycli en bouwt structuren om haar fragiele gedachte- en gevoelsbouwwerk te ondersteunen. Daarbij kenmerkt zich haar poëzie door een breed uitwaaierend karakter. Ze blijft zoeken naar wat haar lyrisch subject drijft, richting biedt en inzicht geeft. Ze doolt rond in een duistere ruimte waarvan ze afmetingen niet kan inschatten en bepalen. Ze tracht haar verwarring met verrassende metaforen te verhelderen. Daarmee kwalificeert ze haar identiteit als dichter. Ondanks de snelle opvolging van wisselende beelden weet Van den Broeck je daarin mee te slepen. Haar taalvirtuositeit is indrukwekkend.
      Er hangt een waas van geheimzinnigheid om haar gedichten. Ze vragen eenzelfde overgave als waarmee ze tot stand zijn gekomen. Gelukkig geeft het motto van Levinas ons enige toegang tot deze intrigerende poëzie. Het gaat om een diep doorvoeld innerlijk leven waarin een lyrisch subject houvast zoekt maar het niet kan vinden. Alles is aan ambivalentie onderworpen: ‘Het kennende subject is geen deel van een geheel, het grenst nergens aan.’ Dat impliceert een zwevend ik dat zich in een oneindig heelal van gevoels- en gedachtewerelden rondwentelt. In deze poëzie zal de lezer niet direct vaste grond vinden. De filosofische inslag met snelle focuswisselingen ontneemt de lezer heldere doorzichten. Gaandeweg ontdek je dat dat nu juist is wat wordt beoogd door Van den Broeck. Ze betwist een vooringenomen helderheid van herinnering, van weten en denken: ‘de werkelijkheid / die in zoveel opzichten op de warmte van slapen lijkt / dat we bij de droom kunnen’. De scheidslijn tussen slapen, droom en werkelijkheid, tussen vaste grond onder de voeten en zweven in een oneindige ruimte van de geest is niet te trekken. De titels van gedichten en cycli wijzen ook op de onmogelijkheid greep te krijgen op de werkelijkheid, om bij elkaar te horen. De duisternis van de nacht (‘Nachtroer’), het opgaan in de vergetelheid, de herinnering verliezen (‘Lethe’) en de onmogelijke plaatsbepaling (‘Topos’) wijzen allemaal op de onbeheersbaarheid van wat wij (nacht)leven noemen. Ook een begrip als anomalie duidt op innerlijke tegenstrijdigheden waarmee de ik voortdurend zich weet geconfronteerd. Ze tracht telkens weer het abstracte concreet te maken, wat bij uitstek tot de taak van een dichter behoort. Poëzie is immers een vermoeden dat in taal aangezicht krijgt.
      In een interview dat Van den Broeck tijdens haar residentiebezoek aan Parijs aflegde, gaf ze aan dat de beelden als dia’s door haar hoofd flitsen. Hoewel ze van zichzelf vindt dat ze een perfectionist is, laat ze ons moedwillig en onoverkomelijk zien dat ze haar focus moeilijk gericht kan houden. Alles vervluchtigt onder haar handen. Niets houdt stand. Alles is bovenal contingent. Ze lijdt daaronder. De dichteres staat op verschillende foto’s als een Pierrot afgebeeld. Het is heel goed voorstelbaar dat zij in het schilderij Gillis van Jean Antoine Watteau zichzelf herkent. In haar schuilt een wezensvreemd kind, dat o zo graag te horen zou krijgen hoe de dingen nu echt in elkaar steken, want dat zegt de perfectionist in haar. Ze weet zich als een kind van deze tijd overweldigd door de overprikkeling van indrukken die langs allerlei wegen tot haar komen. In haar eindeloze stapeling en omcirkeling van ervaringen, gedachten en gevoelens doet de poëzie van Van den Broeck (1991) me denken aan de poëzie van de Amerikaanse dichter John Ashbery. Ook hij weet zich overmand door een associatieve aaneenschakeling van gedachten en ideeën die niet leiden naar een eensluidende helderheid.
      De bundel bestaat uit twee afdelingen. De eerste cyclus ‘Acht (VIII-I)’ bestaat uit acht gedichten die in terugblik, van achteren naar voren, een tragische liefdesgeschiedenis in beeld brengen. Deze cyclus werpt zijn schaduw op de tweede afdeling ‘Nachtroer’ die het grootste deel van de bundel uitmaakt.
      In het eerste gedicht van de afdeling ‘Acht’ staat de poëzie ‘juist nu hardnekkig […] te zwijgen’. De rouw na het vaststellen van het persoonlijk falen voelt heel fysiek aan: ‘om nieuwe aanrakingen vooraf al te verdoven’. In dit vers is een dichter aan het woord die ‘de teleurgang tussen schouderbladen’ voelt. Geen enkel woord is meer in staat de wond te helen: ‘zelfs het schrijven is bezig te versterven’. Mijn handschrift ‘sleept / naar links, sleept me rugwaarts terug de jaren in / in je oksel bres voor bedenktijd’. Wat ooit was, is niet meer: ‘de overgave, het blinde licht in de middag en later daarover de gedichten/’.
      Deze ervaring neemt het lyrisch subject mee de tweede afdeling, ‘Nachtroer’, in. Het nachtelijk ronddolen in de duisternis van het eigen universum levert tal van inzichten op die niet stollen, maar in de kortste keren een andere gedaante in de herinnering aannemen. Het titelgedicht ‘Nachtroer’ is niet alleen een verwijzing naar een nachtwinkel in Antwerpen, maar ook naar de beroering, de ontroering en de oproer die zich openbaart aan en in de ik. In de nadering van de ander bestaat de mogelijkheid ‘om mezelf ertegen op te drukken’. Alles wat door de geest van de ik schiet, doet denken aan ‘het kleurenspectrum in een regenplas even / is het waar geweest’. Reminiscenties aan een intieme relatie blijft zijn sporen afgeven in het gedicht ‘Hematoom’: ‘dat je hier was en dat ik het ooit moet hebben geweten’. In het nachtelijk rondspoken van gedachten vliegen de feiten door het hoofd om ‘s ochtends weer in structuren van het dagelijks leven te worden gevangen. Nacht aan nacht wordt ondernomen ‘om wat voorbij is te redeneren tot een verschijnsel/’. De ander dient uit die afgesloten denkwereld bevrijd te worden door de ik. Er vindt een woekering van gedachten plaats rond ‘wat zich moeilijk zeggen laat/’. Er moet ‘naar een beter woord voor blauw gezocht’ worden. Uiteindelijk centreert zich dat in het gedicht ‘Blauw’ tot: ‘het nulpunt / stilliggen’.
      Op hoogst virtuoze wijze verbeeldt Van den Broeck in haar gedicht ‘Lethe’ de onweerstaanbare drang in onze tijd om via de computer een minnaar te lokaliseren: ‘om van een rivier te drinken en te vergeten / het lijkt zo simpel opeens, ingetogen / de dorst naar niets, hoog het glas’. In de nachtwinkel van ‘Algemene voeding fris drank sterk drank & tabac’ smelten voornemens snel ‘onder de broedlampen van de straatverlichting’. De ik voelt zich in dit gedicht een reiziger die nooit een bestemming vindt en met een ‘geeuw […] de wereld verslindt’. De ‘Age of Aquarius’ mag dan wel duiden op grote veranderingen, maar uiteindelijk gaat het om de veranderingen in het individuele leven. De ik is de mens die zich afvraagt ‘waarom ik steeds aan scherven denk’. Hij hoopt steeds op ‘nevenschikking en dat het niet te laat is / voor vergelijkingen’. Er blijft de eeuwigdurende ‘Dorst’ in het gelijknamige cyclus, de dwaze drang de kudde uit te lopen en te pletter te slaan. Elke poging om een reeks te gaan vormen, een kind aan de familie toe te voegen, boezemt eenzaamheid in, hoewel dat noodzakelijkerwijze niet zo hoeft te zijn. Het gaat de ik uiteindelijk om de ziel ‘die exact dezelfde vorm als je lichaam heeft / in omtrek iets kleiner, zodat hij onder je huid kan schuiven / de organen in een vruchtzak bij elkaar houdt / als je hevig moet huilen’. Dit is typisch zo’n formulering van Van den Broeck waaraan haar metaforische kracht en virtuositeit zichtbaar wordt.
      De cyclus ‘Snede’ typeert de dagen van de week met een kleur en een atmosfeer. Daarin probeert de ik te zoeken naar ‘het uitzicht / dat het kijken boven het wensen uit zal tillen’. Van den Broeck weet het abstracte heel goed te vermengen met het concrete en omgekeerd. Ze verliest nooit de werkelijkheid uit het oog: ‘boven blijkt de kerk een regenscherm en heil / een plastic hesje’//. Aan het einde van deze cyclus heeft ze zich een maquette gebouwd en ‘lege gedichten en straten waarvoor ik geen terugweg moet bedenken//’. Door alles heen, zoals ze dat in ‘Roofbouw’ formuleert, draagt ze ‘de weemoed en haar pakgewicht’ met zich mee. In de cyclus ‘Wit’ eindigt ze met de woorden: ‘ik ben een plek die er niet is / een plek waar licht zich doorheen wringt//’. Aan alles valt in deze bundel af te lezen dat Van den Broeck haar ziel op tafel legt en worstelt met haar identiteit en het onvermogen om bij elkaar te horen, maar blijft proberen tot het past. Hoewel de ik in het laatste gedicht een boot zou willen bouwen, weet ze niet ‘waarheen?//’. Alles blijft open en contingent. Op diverse plaatsen in de bundel proef je de pijnlijke eenzaamheid van de ik.
      Voor mij schuilt de grootheid van deze bundel erin dat Van den Broeck de innerlijke chaos van één enkel bewustzijn zodanig blootlegt dat ze de individueel eigenaardige verwarring ervan universeel maakt.

***
Charlotte Van de Broeck (1991) is een Vlaamse dichter uit Turnhout. Na haar studie Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Gent ging ze woordkunst studeren aan het Conservatorium te Antwerpen. Door haar optredens bij De Sprekende Ezels (Antwerpen) werd ze snel opgemerkt. Ze deed in 2015 mee aan de Nacht van de Poëzie te Utrecht. Ze debuteerde bij De Arbeiderspers met haar succesvolle bundel Kameleon (2015). Ze ontving daarvoor de Herman de Coninckprijs 2016. In 2017 verscheen haar bundel Nachtroer.

Recensie van Kameleon - Charlotte Van den Broeck

Een veelbelovend debuut

Charlotte Van den Broeck
Kameleon
Uitgever: De Arbeiderspers
2015
ISBN 9789029538435
€ 18,99
64 blz.

Charlotte Van den Broeck (1991) debuteerde eind januari met Kameleon. Ze was al bekend in het Slam-circuit: ze stond in de finale van DichtSlamRap en neemt dit jaar deel aan de ‘Saint Amour tour’ en het ‘Poëziebordeel’. Aan sommige gedichten zie je door herhalingen en een sterk ritme dat zij in eerste instantie zijn geschreven voor een luisterend publiek. Ik citeer een paar regels uit de eerste en tweede strofe van ‘Hvannadalshnúkur’, een plaats in IJsland:

Vingertoppen, zuignappen, vooral niet slapen nu
als je niet gaat slapen nu, dan zullen we praten nu
dan kunnen  we praten, hier, boven deze lakens

(… ) nog een laatste uur, hier
in mijn lome lendenen, blijf, nog even praten nu
in de lome lendenen van mijn lijf

De herhalingen van ‘nu’, ‘hier’, ‘praten’, ‘slapen’ en ‘in mijn lome lendenen’ hebben in dit gedicht het karakter van een bezwering. Mooi is ook het rijm van het sterk benadrukte ‘blijf’ – dat ook nog eens tussen komma’s staat, wat een pauze veroorzaakt – en ‘mijn lijf’. Van den Broeck weet wat zij doet.

Kameleon heeft drie afdelingen: ‘Het rode kruis op de schatkaart’, ‘Discovery Channel’ en ‘De oorsprong’. In een interview met Wendy Reniers op Cleeft, de ‘community voor liefhebbers van Films, Boeken, Muziek, Theater, Kunst en Culinaire events’, zegt Van den Broeck: ‘De eerste cyclus is heel jong.  Dat gaat voor mij echt over naïviteit en jong-zijn en meisje-zijn en het ontdekken. De tweede cyclus is tot een mannelijk jij gericht en gaat over een liefdesrelatie. Hoe verhoud je je tot iemand van het andere geslacht? De derde cyclus gaat over moeder en kind, over teruggaan naar de oorsprong. Je bent ooit één persoon of in één lichaam geweest en nu zijn het twee personen. Hoe ga je daarmee om? En daarna kun je terug naar het begin, dus je zou het kunnen lezen als een cirkel.’

In dit citaat maakt zij de titel van de bundel duidelijk. Opvallend dat de vader slechts één keer in beeld komt, ofwel als afwezige ofwel als falende bedgenoot, en dan ook nog impliciet: alleen de ‘onbeslapen lakens’ van een bedroefde moeder komen ter sprake in ‘Wasserette de Netezon’. De dichter is schijnbaar naïef, dat blijkt wel uit deze indirecte formulering en ook uit haar keuze van het motto van Schiller. Over de vrouwelijke ‘Schein des Naiven’ zegt hij ‘daß die größte Macht des Geschlechts auf dieser Eigenschaft beruht.’

Op de achterflap staat onder andere: ‘Kameleon onderneemt een roadtrip naar een mogelijke vrouwelijke identiteit, die ergens tussen lichaam en taal geconstrueerd wordt’. Het gaat om de ‘naïeve wens naar een symbiotisch bestaan, dat – ondanks de rekbaarheid van poëzie – net niet bereikt kan worden.’ Het scheppen van een mogelijke identiteit kun je postmodern noemen. Met die constructie maakt zij tevens de asynchronische verhouding tussen taal en werkelijkheid tot thema en door de vaststelling dat taal niet bij machte haar verlangen te vervullen, kunnen we haar naast postmodern ook romantisch noemen.

In het volgende fragment, uit het gedicht met de lange titel ‘Mensen die natuurdocumentaires kijken om zichzelf beter te begrijpen’, combineert zij het onvermogen van taal met de wens om een mooi moment niet te laten verglijden in de tijd:

Spreken is maar schutkleur van vergeten
laten we hier nooit taal van maken
laten we hier de cijfers van de klokken
en de klokken van de muren stelen
tot het slechts cirkels zijn
die ons van niets beroven.

Het paradoxale is, dat je taal nodig hebt om de wens uit de tweede regel te formuleren en daarmee de klokken weer in beweging zet: het bezigen van taal kost nu eenmaal tijd. En daarmee is haar spel nog niet afgelopen: tijdverloop op zichzelf kan ook weer leiden tot stilstand: ‘Volgens de wetten van wederkerigheid / kan het steeds weer aan het begin komen’. Met het beeld van de klokken die slechts cirkels zullen zijn, kondigt zij dit al aan. Wie zo kan jongleren, is een talentvol dichter.

De flaptekst suggereert met die mogelijke constructie ‘ergens tussen lichaam en taal’, dat haar gedichten de ene keer een enigszins hermetisch en een andere keer een meer anekdotisch accent krijgen. Dat is ook inderdaad het geval en die met het anekdotische accent vind ik vooralsnog het best.

Een voorbeeld is het gedicht ‘Wasserette de Netezon’, dat ik al eerder noemde. Van den Broeck beschrijft daarin een stil verdriet van een moeder. De valkuil van sentimentaliteit is hier levensgroot en het knappe is dat ze daar niet instapt. Dat maakt het tot een ontroerend gedicht:

Mijn moeder huilt wanneer ze wast
 
Dat is een uitgelezen moment voor moeders om te huilen
omdat de ronddraaiende trommel van een wasmachine
over het algemeen veel lawaai maakt.
Ik kan haar wel horen snikken, maar slechts zo zachtjes
dat het omgevingsgeluid zou kunnen zijn.
 
Een wasmachine likt de wonden van de dag.
Je kan er namelijk alles instoppen, wat niet in je hoofd past.
Onbeslapen lakens bijvoorbeeld.
Of de tabaksgeur in de jas van je grootvader met keelkanker.
Lang programma, zestig graden, reinigingsritueel.
( … )

Minder goed vind ik een gedicht als ‘Seraphic light’, dat een enigszins hermetisch karakter heeft door de overvloed aan metaforen, die een zelfwerkzaamheid van de taal suggereren: het ene beeld lijkt het andere op te roepen. Ze houdt in dit gedicht mijns inziens geen maat en is tevens wat slordig. Ik citeer de eerste strofe en een gedeelte van de tweede:

De bek van een pelikaan spert open over de onder-
en bovenkant van mijn hele lijf, zo klein ben ik
een man die zijn cowboylaarsen uittrekt
en in een vis verandert, wat om zijn eigen as heen
en weer klopt op het dekbed als om genade
in een boksmatch.
 
Bij elke klop van het vissenlijf vliegen huidschilfers op
bij elke klop stoot een gymnaste, de handen vol talkpoeder
zich af in mijn hoofd ( … )

Ik heb moeite met dat woord ‘hele’ in de tweede regel. Dat is overbodig, omdat die onder- en bovenkant dat ‘hele’ al impliceert. Het zal er staan vanwege het ritme. En ‘wat’ in regel vier verwijst naar ‘een vis’. Ik had daar ‘die’ verwacht. Nog één: ‘zijn eigen as’ of ‘zijn as’? Dat laatste lijkt me voldoende.

Ik ga mee met het beeld van een pelikaan die zijn bek openspert en de vis die daardoor angstig spartelt. (Of moet je spreken van snavel? Dan ben je wel het halfrijm ‘bek’/’spert’ kwijt en je krijgt er een lettergreep bij). Moeilijker wordt het bij de koppeling van pelikaan en vis aan een dekbed. Dat is vreemd. Maar de vergelijking van het ene beeld met het andere wordt me echt teveel: een vis die op een dekbed spartelt ‘als om genade / in een boksmatch’ en een gymnaste die zich na iedere klop  afzet in het hoofd van de dichter – bewegingen die elkaar bovendien snel opvolgen bij een spartelende vis!

Het zij haar vergeven, want al met al is Kameleon een verrassend debuut met een aantal goede gedichten die bovendien een heel eigen toon hebben.
Ik hoop dat we nog veel van Charlotte Van den Broeck horen.