Recensie van Toen het moest - Micha Hamel

Kansloos tegen het absurdisme

Micha Hamel
Toen het moest
Uitgever: Uitgeverij Augustus - Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451073
€ 21,99
94 blz.

Wat is dat toch voor een gekke trend, geachte mijnheer Hamel, dat veelbelovende dichters die steeds meer die belofte waarmaken al na vier bundels aankondigen dat het is afgelopen met het dichten? Ik lees dat voornemen achterop uw bundel Toen het moest. Een titel die suggereert dat u onder druk bent gezet. U wilde niet, u had de plicht, er is hier sprake van een ‘motje’. Waarom? Misschien vanwege de genoemde beurs van het Nederlandse Letterenfonds, misschien vanwege contractuele verplichtingen met uw uitgever? Een uitgever die ook nog eens pesterig ‘poëzie’ heeft gezet op de voorkant. Pal onder de titel, terwijl de tekst op de achterzijde nog wat twijfel wil zaaien of hier wel sprake is van een dichtbundel. Muzikanten als Prince en George Michael gingen jarenlang gebukt onder de macht die hun platenmaatschappijen uitoefenden. U bent meer van de niet-zo populaire muziek maar u weet vast hoe het met die heren is afgelopen vrij onlangs. Ik maak mij zorgen om u, mijnheer Hamel.

Toen het moest is ook een beetje een titel waarin u zegt: vooruit dan maar, kijken wat er nog ligt onder het bureau of in de krochten van de harde schijf. Beetje husselen, nietje erdoor en dan ligt hij er. U moet toegeven, er komt nogal wat verschillends voorbij in de bundel: teksten die hoorden bij een speciale museumpresentatie met virtuele brillen, odes aan oude vriendinnen, odes aan vriendinnen die 50 jaar worden naast hele persoonlijke gedichten over de liefde en het vaderschap. Dit lijkt een ‘alle dertien even Hamel’-compilatie.

Het is jammer dat u niet langer als dichter door het leven wil, want u maakt verrassende verzen. U kent natuurlijk zelf al uw gedichten al, maar ik citeer toch even.

TRANSPORT

Een auto kun je het best vervoeren 
door erin te gaan zitten, de motor te starten 
en van A naar B te rijden.

            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje

Alternatieve methode:

om het even welke personenauto kun je op een 
vrachtwagen-met-dubbele-oprijwagen-laden en 
hem niet vergeten goed vast te zetten. Zie foto.

Dit spaart chauffeurs uit, maarrrr… 
personenauto’s zijn er toch juist voor om mensen                              te vervoeren? 
Waarom zou je negen auto’s gebruiken om één chauffeur                te vervoeren?

Dat is toch inefficiënt? 
Dat is toch inefficiënt!

Wie is de belangrijkste persoon in mijn leven? 
Ik ben het zelf, want zonder mezelf heb ik geen leven.

ZONDER MEZELF HEB IK GEEN LEVEN.

Het zit er allemaal in: een bijzondere vorm om mij als lezer te vermaken, absurde wendingen, verwijzingen naar taalvormen van buiten de poëzie (.., zie foto) en het vrolijke zelfonderzoek dat altijd op de loer ligt. U zet de typografie (op deze website niet helemaal goed weergegeven)  in om te accentueren maar maakt nauwelijks gebruik van de muzikale middelen die u als dichter ter beschikking staan zoals rijm en metrum. Dat is opvallend als ik lees dat uw ‘andere baan’ componist is. Gaat het hier om het streng scheiden van twee disciplines of gebruikt u juist graag het eigene van de taal, zonder de ballast van klank en ritme?

En tussen die vrolijke ballades vol absurdisme lees ik een gedicht waarmee u mikt op de erebetrekking als Dichter des Vaderlands. Het beeld van het aangespoelde kinderlijkje op een strand aan de Middellandse Zee staat in ons geheugen gegrift. Het Syrische kindje dat met het gezicht naar het zand gericht de onmacht symboliseert, blijkt een naam te hebben, Aylan Kurdi, en voor hem is het gedicht ‘Oversteek’.

OVERSTEEK 

Wie ben jij en wat lig je daar raar

Ben jij de bode in ons toneelstuk, de 
eenling die van gruwelen vertellen moet

Ben jij een aangewezen gebieder, die onze 
realpolitiek van afstand komt herschikken

Ben je misschien een ‘gevalletje van zuiver 
toeval’, een kindgod, een activistisch beeldend

kunstwerk van siliconen en polyurethaan? 
Wie ben je? Ie è û (Echoën minuten stilte)

Dat je geen teken geeft maar een teken bent 
is iets waar geen dorre ouder iets mee kan

En dat jouw oversteek zijn eigen metafoor werd 
vinden enkel hermeneuten interessant

De gang van abstract naar concreet heb je 
ongewild ontgoochelend schitterend volbracht.

Wie ben jij en wat lig je raar en waar 
zijn je emmertje en je schepje

Geachte mijnheer Hamel, u bent een begenadigd dichter en dan is het natuurlijk absurd om te gaan melden dat u daarmee ophoudt. Stop liever met die onzinnige aankondigingen. U las een boek en dacht dat kan een robot beter schrijft u in het gedicht ‘Lees mij’. U suggereert dat dat gedicht is geschreven door een robot, maar wij trappen daar niet in. Sommige boeken worden wellicht beter geschreven door robots maar die overtreft u dan weer door iets toe te voegen dat in geen algoritme is te programmeren: het onwezenlijke, het onverwachte, het ongerijmde.

Heeft uw aankondiging te maken met eventuele weerstand tegen uw poëtische werk? U kunt slecht tegen kritiek. Dat verzin ik niet, dat zijn uw eigen woorden in een Facebookpost van 25 maart 2017: “Ik kan slecht tegen kritiek. Beter gezegd: ik kan niet tegen kritiek. Ik vind kritiek krijgen storend, vervelend en irritant. Mijn vrouw zegt het ook: ‘Jij kan niet tegen kritiek.'” 
Als uw liefhebbende echtgenoot het beaamt, dan moet het wel zo zijn. Lees dan geen recensies of dit soort open brieven, want die verzieken uw humeur. Maar laat ik ter verdediging opmerken dat mijn kritiek zich concentreert op de tekst op de achterflap en een beetje op de titel van uw bundel. Toen het moest is als een bundel nagelaten gedichten een verzameling van divers materiaal met weinig onderlinge samenhang. Daar zitten meesterwerken tussen die het bestaan van de bundel in hun eentje rechtvaardigen, naast vormexperimenten, gezellige observaties en onderzoeken naar de expressiemogelijkheden van de taal. Daar moeten er nog heel wat bij, wil er sprake zijn van een echt dichterlijke nalatenschap.

Waarom stoppen, de poëzie kan toch altijd een duwtje gebruiken? U publiceert bij een fatsoenlijke uitgeverij, u scoort hoog in de Pfeijfferindex (vijf gedichten!) en de wereld wordt er niet minder absurd op. U heeft vast nog veel meer vrienden en vriendinnen die een kroonjaar vieren. Als iedereen 50 is geworden, gaat u verder met de vriendinnen van 60 jaar. Of u maakt weer een bundel waarin de gedichten als een compositie in samenhang meer vertellen dan ieder voor zich. Waarom? Hoe luidt die reclamekreet ook alweer: niet omdat het moet, maar omdat het kan! Mijnheer Hamel, deze lezer rekent op u!

***
Micha Hamel (1970) is naast dichter ook componist-dirigent. Hij componeerde orkestwerken, liederen, kamermuziek en muziek voor dans en theater. In 2008 toerde zijn operette Snow White door het land. In juni 2012 was hij ‘componist in focus’ op het Holland Festival. Met Alle enen opgeteld debuteerde Micha Hamel in 2004 als dichter. Deze bundel werd bekroond met de Lucy B. & C.W. van der Hoogtprijs en in twee keer herdrukt. In 2006 verscheen de dichtbundel Luchtwortels, in 2010 Nu je het vraagt, en in 2013 Bewegend doel

Recensie van Bewegend doel - Micha Hamel

Schieten op een bewegend doel

Micha Hamel
Bewegend doel
Uitgever: Atlas Contact
2013
ISBN 9789045705873
€ 22,95
64 blz.

De energie spat van de bladzijden. Verbaal vuurwerk flitst je voor de ogen. Recht op zijn doel af, in hoog tempo laat Micha Hamel zijn bundels verschijnen. Deze vierde bundel, Bewegend doel, heeft een aansprekende omslag, die lijkt te bewegen. De bundel straalt een en al dynamiek uit.
Als je de bundel opslaat, blijkt dat de dichter zijn uiterste best gedaan heeft je in opperste verbazing te brengen. Alles wat er aan lay-outvariaties, lettertypes, versvormen en typografische eigenzinnigheden ingezet kan worden, heeft hij zich toegeëigend, tot geschreven tekst aan toe. Een waaier aan tekstvormen en onderwerpen zet Hamel voor je neer: een enkele traditionele versvorm, readymades, lange prozagedichten in vrije versvorm, dialogen, sprookjesachtige teksten. Het oogt alles bij elkaar buitengewoon. Een Egyptische godin, ideeënarmoede en emotietelevisie vullen zijn dichterlijke universum.

In uiteenlopende rollen presenteert de ik zich aan zijn lezers. De vertrouwelijke gegevens uit de gedichten zijn voor hen bestemd. Hij kruipt met even zoveel gemak in de rol van een popster als in die van een schoonmaker of van een psychopaat. Die gehele maskerade levert hem inzicht in zichzelf op, maar veroorzaakt tegelijkertijd ook enige verwarring in en vervorming van zijn persoonlijkheid.
Wie ben ik eigenlijk? In wat voor wereld ben ik terecht gekomen? Op dat onbewoonde eiland met precies in het midden die kokosnootdragende palm, zoals Hamel in zijn eerste gedicht ‘Donkere materie’ aankondigt? Het blijft echter zoeken, zoals in een gedicht als ‘Dit misschien’: ‘luister ik denk ik denk enkel in ofs en/ of en/ ofs’. Niets ligt vast, alles blijft onzeker.
Deze onstuimige zoektocht draagt voor mij het karakter van een identiteitscrisis waaruit de vrees opklinkt zichzelf te verliezen:

Ik overpeins de gebeurtenissen
in het steunplot en concludeer:
ik wil en zoekmachine die mij zoekt.
En een vindmachine die mij onafgebroken vindt.

Al zijn escapades, rolverwisselingen en extravaganties komen over als een risicovol zoeken naar jezelf. De razende snelheid waarmee dat gebeurt, imponeert maar verontrust mij ook. Het lijkt erop dat hij een slachtoffer dreigt te zijn of te worden van zijn voortdenderende levensritme. Het is een soort vlucht naar voren. Kies de aanval, want verdedigen, je afzijdig houden, doet je buiten het spel dat we leven noemen, geraken en maakt je sowieso tot een depressieve verliezer. En dat nooit, Hamel wil meester blijven over de eigen gedachten en gevoelens van de ik. Dat is de dirigent in deze componist-dichter.

Eigenlijk gaat het in zijn poëzie steeds over ‘iets wat moeilijk te beschrijven is’. Uit de ballen klei komen ‘konijntjes’ en ‘prei’ tevoorschijn, en daarna komt de mens ineens op de proppen. In het gedicht ‘Klei’, klei van een ogenschijnlijk buitenaards universum, doet Hamel nog even zijn eigen scheppinkje over. Hij is voortdurend bezig werelden te creëren:

Op de mierzoete foto als bureaublad staat
ingesteld is een sprookjesachtig woud bewerkt
tot een orgie van bijkans fluorescerend dampend groen.

Dan volgt een reeks krankzinnige sequenties,die ‘enkel uit verbeelding/ bestaan/’ en daarin spreekt de heerser over de taal. Zijn associatief vermogen reikt ver: gebeurtenissen springen de werkelijkheid in en uit: alles wat de ik niet kan staat tegenover alles wat de ik wel kan.
Hilarisch, absurd, gekmakend, doldwaas, Hamels poëzie is geregeld over de top: van rammelende zwammen in hun fluwelen koningsbed van mos tot aan een kampeerder met een tandenborstel die de vlekken uit zijn onderbroek schrobt. Hij heeft dikwijls hinder van ‘afdwalende gedachten’. Zijn hoofd staat geregeld op springen van de associaties die zijn pen uit moeten gaan rollen. Dat kan overigens tot de troostende gedachte leiden dat een moeder die het echtelijke bed op haar balkon uitschudt, denkt aan haar zwoegende echtgenoot op kantoor die ze zou kunnen bereiken door de lucht te kussen die hem dan even later langs zijn wang aait. Maar communicatie blijft lastig: iedere conversatie is als een quiz. Ontwijkende antwoorden, referenties van gesprekspartners die niet overeenstemmen. Hamel bestrijkt in deze bundel een breed palet aan technieken, situaties en onderwerpen.

Elk gedicht kent zijn eigen gekte. Een puissant rijke popster roept de gedachte bij hem op, dat hij ook wel eens een gewoon mens zou kunnen zijn die zijn hoofd kan stoten tegen een lage deurpost. Maar tegelijkertijd stelt de ik zich voor dat hij het foeteren uitbesteedt aan een bediende. Het spannende tafereel van de vrouw met de paarse onderbroek dat uitloopt op een bezoek aan de keukenboer en het ritueel van het wc doekje dat zichzelf schoonboent, terwijl de gebruikster niet eens haar afgrijzen daarover laat blijken. Of daar is een verveeld idool die net wakker is geworden tussen zijn zijden lakens die zich even later uitleeft op de sociale media en daarop allerlei zotte berichten intikt. Denk vooral niet dat je ooit alleen hoeft te zijn, en toch ben je het wel.

Je blijft in deze bundel lezen en telkens sta je weer verbaasd over Hamels absurde wendingen. Is dit nu poëzie om vooral te lezen of voor te dragen? Ik kies voor de eerste optie. Het is poëzie waarbij je je niet snel zult vervelen. De gedichten lijken op zoekplaatjes die het volle leven in zich dragen. Het hangt er maar net van af welk plaatje voorstaat: de winterse en speelse Pieter Brueghel de Oude of de angstaanjagende en verontrustende Jeroen Bosch. Beelden met een slag aan lieflijkheid, vrolijkheid, wreedheid, maar bovenal absurde samenhangen. Zo gek als het leven maar kan zijn!

Dikwijls begint Hamel zijn gedichten met een statement, een veronderstelling, een tegenwerping, een open deur: ‘Alles blijft altijd hetzelfde./’; ‘mannen zijn wel gevoelsmensen/’; ‘Aan kleuren namen geven lijkt me/ meer iets voor de afdeling verkoop van een verffabriek.’; ‘Iedereen weet dat lelijke mensen ook gevoelens/ hebben zoals er ook in de allerknapste vrouwen/mensen zitten./’. En dan ligt daar in eens een doorstoken lijk op een strand. Een condor plukt uit de romp hompen vlees. Met zijn machtige wieken neemt hij de wijk naar omhoog. In de dialoog met ‘Mammoet en de ik’ raakt Hamel aan een besef van cultuurrelativisme en toont hij zijn mededogen met de bedreigde natuur en cultuur: we kunnen waspoeder vernieuwen maar het duimkruid is bijna verdwenen.

Alle beschaving is eigenwaan, m’n jongen. Toen vlijt op ieders
rapport verscheen gloorde er hoop. Maar nu de twintigste eeuw
in een geurige wolk van pijptabak vervlogen is, zien we dat er
nauwelijks duimkruid meer over is om het verschiet al was het
maar op de wijze van waspoeder te vernieuwen. Dus weg met
alle krullendraaierij, en weg met die hoofdstedelijke arrogantie.
Laat de genotmiddelen staan en gehoorzaam jouw roeping als
schoonmaker, volksheld, hoofdpersoon of psychopaat.

Hij vraagt zich af hoe hij uit die ‘oceaan van zinloze weetjes een waarheid/ naar boven [kan] takelen waarmee ik mijn dochter nog kan ompraten?//’ Een oproep om gewoon mens te zijn.
Hamel heeft veel, heel veel woorden nodig om orde te scheppen in zijn aanzwellende gedachtestroom: ‘Wat zeg je van gevoelens? Wat denk je van herinneringen/ die ieder behoorlijk innerlijk kapotkankeren? Die stuk voor/ stuk mij dwingen te spreken over het bewegend doel dat ik ben?//’ Deze terzine uit het gedicht ‘Nostalgie’ bevat de titel van de bundel, maar geeft tevens een kernthema van Hamels poëzie aan: een mens weet zich besprongen door gevoelens en herinneringen die hij soms moeilijk tot bedaren kan brengen. Wat de ik hindert, is hij zelf. Het alles zelf willen begrijpen staat de overgave aan wat er op je afkomt in de weg. Hij mist een innerlijke houding van gelatenheid. In die strijd tussen verstand en gevoel over wat de ik met zijn leven aanmoet, zijn er van die momenten van nostalgie naar wat geweest is of naar wat er niet heeft kunnen zijn of komen. Niets ligt vast, alles blijft in beweging. Ook al lijkt de ik middelpunt te zijn van zijn eigen universum, die kern beweegt eveneens, en bevindt zich te midden van een geheel dat hem weer voortbeweegt.

Nostalgie

Wat zeg je van gevoelens? Wat denk je van herinneringen
die ieder behoorlijk innerlijk kapotkankeren? Die stuk voor
stuk mij dwingen te spreken over het bewegend doel dat ik ben?

Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.

Maar mijn geschiedenis is geboren uit een voorval dat onbeduidend en
aanvankelijk barmhartig was. En wie spoort mij helemaal aan om het tot
mythische gebeurtenis te promoveren? Ik, die bloedserieus mijn uren tel?

Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.

Mijn jeugd: au! Het leven: au! Waar zijn alle daden die ik heb vermorst? En
jij dan, met jouw verslaving aan jouw levensverhaal; waar hang je uit, nu ik
jou vervloek? Maffe vragen. Domme vragen. Malle vragen. Kromme vragen.

Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.

Want weet je waar ik ben blijven steken: weet je nog, op de scheikundeles? Men
giet een druppel in een rondkolf, voegt er een snufje uit een potje aan toe en hoera:
het begint te borrelen. De boel loopt over en besmeurt je zelfgekafte boek. (NEE!)

Je krijgt nooit meer terug wat je had, en als houvast resten de formules op het bord.

Dus waarom houd ik mezelf nog voor het lapje? Waarom geloof ik nog dat er iets
te zeggen valt? Luister, kind, inmiddels vernam ik dat jij niets hebt ondernomen
om de hele mikmak hartgrondig te vergeten. En ik weet ook dat jij dit weet!!!

Het wachten is op de schicht die een doodklap is, de flits die het leven blijkbaar was.

In dit gedicht keert de bezwerende regel: ‘Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.//’ enkele keren terug. De amandelvormige afbeelding met een heilige figuur centraal in de vorm van een vagina. In dat beeld verenigt het heilige zich met het aardse. Op die hernieuwde heiliging van de aardse schepping lijkt het wachten te zijn. Even een moment van stilstand, een nieuw begin. De ik constateert niet alleen dat het leven in een flits voorbijgaat, maar tevens leeft bij hem het besef dat je het niet kunt terughalen. Vergankelijkheid alom, maar waarom in vredesnaam?! Het gedicht heeft niet voor niets de titel ‘Nostalgie’, een woord dat voor het eerst opduikt in de 17e eeuw, wanneer er sprake van ziekmakende heimwee bij de Zwitserse gardesoldaten van de Paus.
De ik uit dit gedicht biedt in vogelvlucht een beeld van het leven met al zijn raadselachtigheden en onbegrepenheden. Wat valt er nog over te zeggen? Dat blijft voor Hamel de grote vraag: waarom ben ik hier eigenlijk? Waarom ben ik die ik ben? ‘Liever was ik een/ grondvorm geweest, een schimmige middenmoter of een libertijnse/ bovenbuur, maar nee: ik ben slechts de figuur wiens ijsberende/ schaduw te zien is aan de straatzijde van ons in liefde gekochte/ appartement./’. Hij blijft schieten op een bewegend doel: ‘Vervuld van wezenlijke verwachtingen gaat/ hij op pad om zijn bestaan op te werken/ tot een vertelling met een afgezaagd einde.// Maar wie is hij?//’.

De dingen liggen niet vast: je doel bereiken, jezelf leren kennen, de ander verstaan, het leven begrijpen en met je gevoelens leren omgaan. Die rijdende trein die leven heet, dendert maar voort. Voor je het weet, ben je op de plaats van bestemming aangekomen: ‘Maar dan, midden in wat boeren noemen het oogstseizoen, valt het stil// blijft het// leeg// op het speelveld van het vers// aangemaakte document.//’. Hij lijkt voor even rust te vinden in het dichterschap. In zijn slotgedicht vraagt hij zich bezorgd af, hoe zijn zonen na zijn overlijden om zullen gaan ‘met de man die ik voorgaf te zijn./’. Toch weer dat verlangen naar identiteit! Vooralsnog heeft Hamel zijn bundel voldoende authenticiteit mee kunnen geven. Daarin is hij geslaagd. De bundel klinkt als een energiek symfonieorkest in volle bezetting, maar laat op diverse plaatsen melancholieke grondtonen horen.

Bewegend doel is een volle bundel met voor elk poëzieliefhebber wat wils. De lezer wordt wel verzocht onverwijld deze recensie weg te klikken en naar de boekhandel te gaan om deze bundel te kopen.


***
Micha Hamel (1970) is componist, dichter en dirigent. Hij componeerde orkestwerken, liederen, en kamermuziek voor de concertzaal en muziek voor dans en theater. Zijn tragische operette Snow White (2008) was een landelijk succes. In 2012 was hij componist in focus op het Holland Festival, voor welke gelegenheid hij twee omvangrijke muziektheatervoorstellingen maakte: Requiem en De Rode Kimono. Sinds 2010 is hij aangesteld als lector Muziektheater aan Hogeschool Codarts, Rotterdam, waar hij onderzoek verricht naar het ontwikkelen van nieuwe vormen van artistiek muziektheater.
Hamel debuteerde in 2004 met Alle enen opgeteld dat bekroond werd met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, en publiceerde vervolgens Luchtwortels  en Nu je het vraagt.

Recensie van Nu je het vraagt - Micha Hamel

Op zoek naar de uitgestoken hand in het riet

Micha Hamel
Nu je het vraagt
Uitgever: Augustus ,Augustus ,Augustus
2010
ISBN 9789045703152
€ 19,00
72 blz.

Zodra je de website  van Micha Hamel opent, springt er een drieluik met fotoportretten van de maestro op je scherm. Foto’s in de snit van deze tijd: een rustige blik, het donkergekuifde voorkomen als van een jonge Anthony Perkins zoals we die kennen uit de klassieke film Psycho van Alfred Hitchcock, gefriseerde haren, welgemoed, niet de uitstraling van een jonge dichter, eerder die van een filmster, duidelijk een zelfbewuste man van de wereld. Aan deze drieluik laat zich ook wel enige ingehouden uitbundigheid aflezen, maar bovenal een man die gewend is recht op zijn doel af te gaan. Een gedreven man. Laat de wereld zich maar melden! Ik heb er zin in haar te betreden.
Micha Hamel (1970) is componist, dirigent en dichter. Hij debuteerde in 2004 met de bundel Alle enen opgeteld. Deze debuutbundel werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2005. In 2007 verscheen Luchtwortels. Nu ligt zijn derde bundel Nu je het vraagt (2010) voor ons. De opmaak en typografie van de bundel zien er fris en royaal uit. Omslag in de stijl van de Nieuwe Beelding. Ruime bladspiegel, wel een wat kleine letter voor de oudere poëzieliefhebber. Aangename papiersoort.
Ik vind dit echt een bundel waarbij ik me niet zozeer uitgedaagd voel om de betekenis van de diverse gedichten te begrijpen, maar eerder om mijn ontmoeting met de tekst onder woorden te brengen. Het poëtische zit hem immers niet zozeer in de tekst, als wel in mij als lezer, door de wijze waarop ik betekenis geef aan de teksten. Poëzie is voor mij ‘levensbeschouwing’, zowel vanuit het oogpunt van de dichter als de lezer. Poëzieteksten bewerken voor mij de wereld, doordat ze mij als lezer bewerken. In mijn reflectie daarop wil ik met een blik naar binnen die bewerking beschrijven. Bij het lezen van poëzie ga ik ervan uit dat het gedicht zich betekenisvol kan verhouden tot mijn leven. Wat maakt deze poëzie nu voor mij tot poëzie?

Hamel lijkt met een schuin oog gekeken te hebben naar de ‘avant-gardist van het woord’ uit het eerste twee decennia van de 20e eeuw: de Franse kunstcriticus en dichter Guilleaume Apollinaire (1880-1918). Een kunstenaar met een grote uitstraling op veel Europese kunstenaars van zijn tijd. In die jaren heeft hij zijn artistieke opvattingen over toneel en literatuur gevormd. Hij beweegt zich te midden van een toen nog omstreden vriendenkring van kunstenaars als Pablo Picasso, Marcel Duchamp, Gino Severini, George Braque, Marc Chagall en Albert Gleizès. Schilders vol uitdagende ideeën die afweken van wat gangbaar was. Hij was in woord en gebaar een overtuigd pleitbezorger en woordvoerder van de toenmalige avant-garde.
Samen met zijn vrienden Max Jacob en Pablo Picasso zoekt Apollinaire naar verandering en vernieuwing in de kunsten. Hij schrijft kunstkritieken en poëzie. Die kritieken wijken nogal af van wat in de tijd gewoon was. Ze getuigen van een poëtisch doorvoelen en doordringen van wat hij heeft gezien. In 1911 verschijnt zijn Le Bestiaire ou Le Cortège d’Orphée met houtsnedes van Raoul Dufy in een oplage van 120 exemplaren. Het bestiarium of de processie van Orpheus. Apollinaire bezingt in de figuur van Orpheus een groot aantal dieren in hun mythische proporties. Ze bieden in processie een blik op de kenmerken van het dichterschap, zoals de verleidingskunst van de slang, de onweerstaanbaarheid van de sirenen. Het gedicht herinnert aan de oorsprong van de poëzie. De titel staat symbool voor het door het westerse rationalisme verduisterde rijk, waarin mens, dier en wereld nog één waren en van waaruit eens de gevoelspoëzie, het lied van Orpheus opklonk. In 1918 verschijnt zijn bekendste bundel Calligrammes. Een bundel met parlando poëzie, zonder komma’s en punten. Eigenzinnige poëzie naar vorm en inhoud. Hij was zijn tijd ermee ver vooruit.

Wat Paul van Ostaijen en Eddy Du Perron in hun tijd tot voorbeeld namen, is blijkbaar voor Hamel opnieuw een inspiratiebron. Zo zie je maar weer dat bijna vergeten dichters in het heden opnieuw een stem kunnen krijgen. Het was in ieder geval een periode in de kunstwereld met verschillende naast elkaar bestaande opvattingen. Het tempo van opeenvolgende vernieuwingen lag hoog. Over het brede terrein van de kunsten woei een onstuimige wind. Het orphisme in de schilderkunst waaraan Apollinaire de naam gaf, is er daar één van. Ook in onze tijd zien we een diversiteit aan stijlen. De behoefte aan verandering is opnieuw in onze tijd heel groot, ook in de poëzie. Poëzie en podium hebben elkaar weer gevonden. Muziek, ritme, klank, voordracht, timing en toon worden hoorbaar gemaakt in live optredens. Veel hedendaagse poëzie heeft die performance nodig. De poëzie van Hamel komt zonder die performance al heel ver, maar met voordracht reikt haar zeggingskracht nog verder.

Het motto van Hamels bundel is ontleend aan de bundel Le Cortège d’Orphée. Een monoloog van Guilleaume Apollinaire met zichzelf, waarin hij zichzelf ertoe aanzet, dat het tijd wordt, dat hij ertoe komt zichzelf op te wachten, voordat de ik te weten zou komen, dat die daar ikzelf ben. De vraag naar wie de ik is, is denk ik ook het kernthema dat Hamel in zijn nieuwste bundel aan ons voorlegt. In de mythe gaat Orpheus na het achterlaten van Eurydice in de onderwereld ook op zoek naar een nieuwe identiteit.
Hamel kiest voor een diversiteit aan genres: van het vrije vers tot het lange prozagedicht, van een klankvers tot een visueel gedicht. De teksten zijn verhalend en typografisch op een verrassende wijze bijeengebracht. Er zit vaart in door de snelle opeenvolging van een bonte rij van ongelijksoortige teksten. Dat geeft afwisseling, maar het haalt je bij lezing ook uit je concentratie. Hamel vraagt telkens weer dat je daarop opnieuw inzoomt.
De bundel begint met het gedicht ‘Kort’: een vogel pikt zichzelf naar buiten. Ineens ligt hij dan open en bloot onder de hemel. Dat Hamel een muzikale achtergrond heeft, is op vele plaatsen in de bundel te merken: recitatieven, aria’s, litanie en levenslied. Er zijn ook nogal wat gedichten waarbij er een boven- en een onderstem klinkt. Uitspraak en innerlijke gedachte, gebeurtenis en herinnering, man en vrouw lopen synchroon aan elkaar en in elkaar over. Dat geeft meerstemmigheid die de componist in de dichter verraadt. Niet alleen onderwerpkeuze, maar ook de ritmische herhaling van woorden en woordgroepen onthult de musicus. In het afscheid van de man en de vrouw in het gedicht ‘Doei!’ vindt er een omkering plaats. Beiden willen dat de een de ander meeneemt, er iets van meeneemt. Dat maakt dit ogenschijnlijk luchtige, rappende afscheid tot een existentiële ervaring.

Het gedicht ‘Uit het niets’ is zo’n voorbeeld van een gedicht dat qua lengte en inhoud verloopt als al die duizenden telefoongesprekken die je soms moet aanhoren in de trein. Alleen de ik voert ze niet in het echt, maar filosofeert erover, wat er zou gebeuren als hij het een of het ander zou ondernemen. Hij vraagt zich dan ook in de loop van het gedicht af: “Liefde is een werkwoord, de hel is de ander en ik is een fictie. Of is liefde fictie/ een hemel de ander en ik een werkwoord? Is ik een ander, ben jij de liefde?//”, dit is in het kort wat de essentie van de boodschap is die uit het trilei, de mobiele telefoon, geboren wordt. Waarin is het houvast voor de ik gelegen? Is ons denken, voelen, waarnemen dan enkel een illusie? De ik leest op zijn mobiele telefoon een bericht van de jij, een vrouw mogen we aannemen: “Middels elektromagnetische golven trachtte ik je te verschalken maar verlies je/ aan de chaos van alledag. Fluit met koortslip naar de liefde ja ik klap nu dicht.” Einde gesprek, toestel ingeklapt. Een ik die orde in de chaos probeert te scheppen, tegen beter weten in, zo lijkt het.

Een voorbeeld van visuele poëzie komen we tegen in het gedicht ‘Beschavingsoffensief’. De typografische uitvergroting van het woord ‘teer’ en de successievelijke verkleining van het woord ‘bloempje’ onderstrepen het beschavingsoffensief. Het gedicht ‘Ideetje’ is zo’n voorbeeld van een proza-achtig gedicht waarin Hamel in vrije associatie van het ene voorwerp met al zijn aspecten wegdrijft naar de eigenaardigheden van een ander voorwerp, ervan uitgaande dat de ik vindt dat “een relatie net zoiets [is] als een keukenmachine die je op je televisie gedemonstreerd ziet worden door een knappe man en een lekkere vrouw in een enorme keuken want je denkt dat wil ik ook die moet ik ook hebben daar word ik gelukkig van maar heb je dat ding eenmaal lukt het je nooit om er zo flitsend mee om te gaan, enz….”, en drijft de ik na een uitwaaiering van geestige invallen weer terug naar de praktische omgang met de keukenmachine.
Het woordspel in het gedicht ‘Bevindingen’ is op jaartal gesteld met betrekking tot instemmende woorden in een dialoog, vanaf 1970 tot en met 2009. Droombeelden in het gedicht ‘Schouw’ worden opgewekt door giga glossy’s van vrouwen in badmode en bijkans schijndood lijkende mannen in zwembroek die op onnatuurlijke wijze een ideaal vertegenwoordigen dat ze niet zijn. De dichter breekt dit schouwspel van de ik af, door diens jeugd waarin hij dit fantaseerde bij een dergelijke glossy, te relativeren: “geen poëzie zal ooit mijn lentedagen/ figuurzagen opdat deze tot in het jaar 2071 op de schouw te bewonderen blijven”. Hamel heeft zo blijkt een ongebreidelde verbeelding. De afwisseling van onderwerpen is groot. Een rappende tekst over koning David die zijn oog liet vallen op de vrouw van zijn legeraanvoerder: “Swing King Swing//”. De tekst uit Samuel 11 wordt even in een seculier licht geplaatst. Koning David bevindt zich in zijn eigen badpaleis met alle prikkelende gekkigheden om zich heen die hij maar wenst, maar bovenal die “Black Beauty Toy”, Bathseba. Een scène die doet denken aan de Berlijnse nachtclubs in de roaring twenties toen de eerste negermuzikanten naar Europa kwamen.

In het lange gedicht ‘Litanie’ volgt een reeks opsommingen over het dichterschap. Je kunt het lezen als een verdediging van een bepaald soort van dichterschap, misschien is het wel op te vatten als een smeekbede om een ander soort van dichterschap dan gangbaar is: “Hij is het ploeteren beu, de grimmige puzzelpartijen, het/ lanterfantschap, zijn door zijn talent gegijzelde huisvlijt/ het geknutsel aan een orfische autobiografie/”. Wat moet een dichter nog in deze tijd? “Vort naar het centrum voor inkomen door werk zal hij, om zich/ in te schrijven als eerste, nog ongelanceerde maandichter, als denker/ van trigintiljarden gedachten, als vertegenwoordiger van hoop en/ desillusie; als rendier, keizer, vader, letterknecht, mensenzoon/ maar nee het is zondag en de glazen deuren zijn toe/ DUS/ maakt hij een lijst om zijn weg naar de onthechting te plaveien//”. Maar eigenlijk is de jongen de hele rimram beu en moe. In een reeks van beelden laat Hamel de vermoeide baas verdwijnen in een vrolijke gondelvaart op de kanalen van Venetië. Bovenal vind ik dit een gedicht waarin Hamel de identiteit van het dichterschap probeert te achterhalen. Heeft een dichter wel maatschappelijke relevantie? Het antwoord is altijd weer aan de lezer.

Hamel is zeer in staat in een flonkering van beelden werelden op te roepen die de fantasie van de lezer flink aan het werk zetten. In zo’n gedicht als ‘Sterrenheer’ trekt een legerschaar aan beelden langs met Abraham als lichtend voorbeeld. God toonde hem aan de hand van de sterrenhemel de omvangrijkheid van zijn nageslacht. De Almachtige wordt voorgesteld als de directeur van een circus, verantwoordelijk voor avondvullende trucs. Elke dag kent zijn nieuwe dode. Hij mag de kaart trekken. Het leven lijkt een roulettespel. De sterrenheer voert een show op en wij staan onbegrepen in zijn dienst. Hamel weet hilarische beelden op te roepen.
Ook weer in ‘Recitatief en aria’ weet hij werelden scherp tegenover te zetten. Het recitatief spreekt over zijn verzet tegen botheid en laatdunkendheid over de gewone dingen des levens, terwijl hij zich in de aria uitput in krankzinnige beelden als ‘ kweek staafvormig fruit om de transportkosten te drukken’ of ‘kieper brandnetels in koeiensap om kaas te doen smaken’. Om het gedicht af te sluiten met de uitroep: te kappen met het najagen naar het grote geluk, ook naar het kleine geluk, maar “geef je hand om trouw/ te proberen./”. In dit tweestemmige gedicht bewandelt de ik de dwaalwegen van de liefde om uiteindelijk na alle uitspattingen in droom en daad het in de trouw aan elkaar te vinden.

Hij bespot manieren van zeggen als in het gedicht ‘en toen en toen’. Zoals hij een meisje achter de kermiskraam met horlogegrijpers typeert is uiterst geestig. Hoe het leven van een gezin met werkende echtgenoten en kinderen dagelijks reilt en zeilt, beeldt Hamel hilarisch uit in het gedicht ‘Aan een ontbijt’. Een gedicht dat in de keuken van elk gezin van tweeverdieners zou moeten hangen. “De doe-het-zelfzaak van ons leven is nooit gesloten, maar vreemd genoeg treft de wanbof van verveling/ ons allen soms.” We zijn allen al of niet goedwillende amateurs. We proberen er wat van te maken. Het is niet anders, zo lijkt Hamel te willen zeggen. Ondertussen gaan de gedachten van de ik terug naar zijn jeugd en studentenjaren. Hoe anders is het leven tegenwoordig ingericht. In rake typeringen schetst Hamel hoe anders het dagelijks bestaan is ontaard in een “rechtschapen planeconomie/ van het gezinsleven” die ten volle manifest is geworden. Aan woorden geen gebrek. Dan volgt er weer een klein klankgedichtje in de trant van Jan Hanlo z’n oote boote. De snelle afwisseling in tekstsoort en onderwerp houdt de hele bundel aan.
Hamel schrijft in zijn gedicht ‘Slapeloosheid’: “spoken van gedachten verjagend, ongeduldig/ woelend, hopend op het moment dat de rotor in mijn kop// langzamer gaat schoepen/”. Dat is wat hem voortdurend voortjaagt: spoken van gedachten. Zijn invallen tuimelen over elkaar heen. En dan is het ‘Levenslied’ waarin alles wordt teruggebracht tot een dualiteit: “We leven/ We leven het// We doen/ We doen het/ We doen het niet// We weten het/ We weten het niet/ We weten het wel// We zien het/ We zien het niet/ We zien het wel// We gaan wel/ We gaan niet// We blijven niet/ We blijven wel// We gaan niet/We gaan wel// We blijven wel/ We blijven niet//” . Naast exuberantie kent Hamel ook soberheid in taalgebruik.

Ik denk dat Hamel zijn onwijs knappe poëzie niet bedoelt als grap. Of hij nu een visueel gedicht, een klankgedicht, een breed uitwaaierend en hilarisch prozagedicht of een gedicht als bouwpakket in “Maria mijn bouwpakket’ schrijft, Hamel weet een ideale Maria uit woorden te laten oprijzen. Zwelgend in de zomeravond. Taal als lego blokjes. Een ‘Tuinfeest’ met een Hollywoodachtige uitstraling. Het is hier en daar wat over de top. Verveelde nietszeggendheid in een voor de deelnemers vertrouwde luxeomgeving. Avondlijk feest met zwembad met lachende monden en koutende drommen. “Dan verandert er iets in de atmosfeer. De zoele avondlucht verdikt tot een ruiselende luchtstroom die alle tonen en woorden inkapselt, meevoert, wegzwiept en dempt in de bladerkronen achter in de tuin. De bomen die alle geluiden hebben opgezogen, roeren zich ten antwoord, en tussen de bladeren begint de lucht te trillen, te zinderen als een kolossaal ruimteschip dat op het punt staat om op te stijgen. De monden van de mensen praten steeds gatiger, zwoegerig, happende karpers gelijk, met steeds minder woorden. […] Er is een diepe tegenwoordigheid, daarna alom niets.//” Zoals Hamel de spanning weet op te bouwen naar de komst van “een lang verwachte gast, een jongen van vroeger” is intrigerend te noemen. Het leest als een kort verhaal.
Het gedicht ‘Probleem’ begint in het gedicht met de berenklem op een bospad. Een passerende jogger legt hij uit wat het probleem is. Het eindigt met wat er achter dit concrete probleem schuil gaat. Poëzie is levensbeschouwing. Zijn poëzie laat zich misschien wel het beste typeren door de woorden uit zijn gedicht ‘Probleem’: “Weet je wat het probleem is, jongen, het probleem is// alleen dwazen en ademlozen/ kennen een weg die geen weg is/ maken ene beeld dat geen beeld is/ en roepen hard wat niet hard is. //”.

In zijn lange proza-achtige titelgedicht ‘Nu je het zegt’, dat voor mij het kernidee van de bundel bevat, vertelt hij over een fietstocht uit zijn jeugd in het waterland, de plassen, de sloten en de rietlanden. Op één van die tochten zag hij eens een hand met vingers uit de drassige grond steken. Die deed terugdeinzen. Verderop vond hij een met modder overwoekerde fiets met versnellingen. Zo’n fiets wilde hij op zijn elfde verjaardag graag hebben. Maar deze ervaring genas hem van dat verlangen. Als zwijgende camera nam hij dit tafereel van hand en fiets in zich op, zonder er iemand ooit over te spreken. Hij koesterde het als een geheim. Het bleek “Een geheim als kompaan aan wie je je onvoorwaardelijk hebt verklaard.” Hamel zegt er verder over: “Het geheim dat mij weliswaar beschadigd heeft, maar waardoor ik toegang heb gekregen tot het leven waarin en waarmee ik weer nieuwe beschadigingen toebreng. Want een geheim kijkt je aan in je ware gezicht. Precies dit griezelen is namelijk het begin van iets anders geweest. Het begin van juist de echte wereld. Van liefde en kunst. Van iets wat alleen per ongeluk gezien mag worden. Het geheim van de hand die werd uitgevlakt door de fiets was een gluurgat, een opening, een toegang daartoe. Dit geheim kwam op mijn pad opdat ik kon uitmonden in het leven. In de meest letterlijke zin had iemand zijn hand naar mij uitgestoken om voor mij de poort in mij te openen.” Met deze passage geeft Hamel duidelijk aan op welke wijze de poëzie, de muziek, de kunsten zijn leven zijn binnengekomen. Ze hebben hem nog steeds in hun ban. Hij kwam het mysterie van het leven op het spoor in de uitgestoken hand in het riet. Als een slag bij heldere hemel. Het moest blijkbaar zo zijn.

Hoe divers zijn tekstvormen ook zijn, in deze bundel komen we een gedreven dichter tegen, of misschien moeten we zeggen, iemand die wordt voortgedreven door een passie die verder reikt dan hij zelf telkens weer vermoedt. Zijn poëzie heeft iets overweldigends, maar ook iets alledaags in de situaties, beelden en woorden die hij opvoert. Ze is binnen gekomen en heeft gewerkt als een frisse bries. Hamel weet de tijdgeest in rake bewoordingen en beelden op te roepen. De snelheid, de onrust, de wendbaarheid, dat alles zit volop in deze bundel. Dat maakt zijn poëzie voor mij lezenswaard en actueel. Hij vreest de scheidslijnen tussen poëzie en proza niet. Daarin voelt hij zich verbonden met de experimentelen uit de traditie. Het ontbreekt hem niet aan eigenzinnigheid. Voor mij mag hij op zoek blijven naar die uitgestoken hand in het riet. Er zijn vast nog wel meer geheimen te onthullen.