Recensie van Voor de liefste onbekende - Ingmar Heytze

Een voedzame maaltijd voor een hongerige lezer

Ingmar Heytze
Voor de liefste onbekende
Uitgever: Podium
2016
ISBN 9789057597718
€ 17,50
428 blz.

Een dichter kan zijn verzen obscuur maken door zich te verliezen in een taal die voornamelijk naar zichzelf verwijst. Dat zou de honger van de lezer moeten stimuleren, terwijl hij zoekt maar niet vindt. Heldere passages met verwijzingen naar de werkelijkheid van alledag daarentegen zouden hem verzadigen en loom en traag maken. Niets wat er door de lezer uit obscure poëzie kan worden opgediept, ontstijgt echter de kennis die in de meest heldere teksten kan worden teruggelezen. Daarom concludeert René Huigen in zijn essay Dageraad der duisterlingen terecht dat we poëzie zo dienen te begrijpen dat ze onze honger stimuleert, en ons ook iets te eten geeft. Dit laatste gaat in beider opzicht volkomen op voor de poëzie van de dichter Ingmar Heytze in zijn nieuwe verzamelbundel Voor de liefste onbekende (2016).
Als ik zijn poëzie lees, hoor ik zijn fysieke stem erin opklinken. Op de avond van de presentatie in De Kleine Komedie werd opnieuw mijn indruk bevestigd dat deze dichter op en top een entertainer in de goede zin van het woord is. Of je nu zijn verzen leest of dat je ze hoort uitgesproken worden door hemzelf, hij weet zichzelf en zijn publiek te enthousiasmeren. Hij is zeer in staat aan zijn poëzie ritme en welluidendheid mee te geven. Hij weet dicht bij de adem van de spreektaal te blijven. Dat draagt er mede toe bij dat je je sterk betrokken voelt bij wat hij te vertellen heeft. Zijn vorm, metaforiek en inhoud zijn helder. In zijn lichtvoetigheid en directheid van zeggen heeft hij me opnieuw in de ban van zijn vakmanschap weten te brengen.
Laat ik zijn helderheid, zijn metaforiek, zijn achteloosheid en trefzekerheid illustreren aan de hand van enkele gedichten uit zijn verzamelbundel. Deze poëzie kan, zoals de dichter zelf zegt op de achterflap, op verloren momenten worden gelezen op vliegvelden en stations en kan worden meegenomen in handtas of rugzak.

Zoals hij in de bundel Sta op en wankel (1999) zijn wankelmoedigheid op het pad der liefde in het openingsgedicht ‘Hart voor steen’ verwoordt, hult het in zijn uitbeelding niets in duisternis. Hij werkt hier de situatie zeer bewegelijk en in emotionele kleurschakeringen uit, zoals die ‘jonge goden met te veel talent’ en ‘de plundering van hunkering / in onverwachte meisjesogen’:

Vliegende kameleons en vlinders
die van kleur verschieten,
jonge goden met te veel talent
voor de verkeerde dingen,
- wanhoop, twijfel, duizelingen –
dat is het probleem met ons.

De plundering van hunkering
in onverwachte meisjesogen
valt voortdurend zwaarder
dan verwacht – één nacht
van scherp genot is goed
voor weken zelfverwijt.

Het zelfverwijt en het zelfinzicht van het lyrisch subject strijden hier om de voorrang: ‘lachen door je tranen heen/ en drinken tot je niets meer voelt -/ steen voor hart en hart voor steen.//’.
Dit ‘dichtertje’ kijkt in het gedicht ‘Noach’ uit dezelfde bundel angstig om zich heen, trekt zich bij tijd en wijle uit de wereld terug: ‘Je maakt gelukkig weinig mee,/ je steelt het leven bij elkaar uit boeken/ mijmert rustig voor je uit/ en vouwt wat bootjes van papier.//’ Hoe poëzie tot stand komt, heeft hem zijn hele dichterschap telkens weer gefascineerd. In de bundel Aan de bruid (2000) staat het gedicht ‘Hang- en sluitwerk’. Daarin gaat Heytze daarop in door heel doordacht verzen te construeren of ze ogenschijnlijk achteloos uit de pen te laten vloeien:

Hoeveel manieren van dichten
kent de wereld, of hoe weinig maar:
superieur ingenieurswerk met woorden,
de kosmisch bewogen gevoelige snaar,
de inktvraat van het onttoverd citaat
of schaarse woorden in een wit ravijn.

Men kan ook, met minder omhaal,
van de taal een werkplaats maken,
verzen hup in haken hangen,
kloppen aan ritme en vijlen aan klank,
iets fluiten tegen verzwegen pijn,
zo nu en dan gelukkig zijn.

Heytze draagt beide werkwijzen in zich. In het proza-achtige gedicht ‘Parfum of palfium’ uit dezelfde bundel zegt hij het nog eens op een andere manier:

Luister naar de dichter, want ik sta met je te praten & ik zeg
je jij doet dingen die je ook had kunnen laten ik woon niet
in een getto & ik leef niet als een schurk met een strot vol
grote woorden & de diepgang van een kurk ik hou niet van
die dieventaal waar jij je van bedient

Heytze wil zo’n dichter zijn, die dicht bij zijn hoorders en lezers staat. Niet de duisternis maar de helderheid van woorden moeten het resultaat zijn van zijn slaan op het aambeeld van de taal.
Op ludieke maar doeltreffende manier weet Heytze zijn worsteling met het scheppen en uitzeggen van poëzie speels, verrassend en beeldrijk neer te zetten. Het gedicht ‘Poëtisch spreekuur’ is daarvan eveneens een mooi voorbeeld:

Meneer ik heb zo’n last van een enjambement
bij mijn knie en zeg ik A dan volgt vanzelf
het hele alfabet dwangmatig brakend ook
vermoed ik een elisie bij mijn huig wanneer
ik hier druk rijmt het daar want aandrang
rijmdwang hoort u wel daar ging ik waar weer
alliteratie word ik haast Homerisch van

Alsof hij een gewone lezer aanspreekt – zo komt hij dikwijls zijn gedicht binnen – blijkt in het gedicht ‘In deze tuin’ uit de bundel Ademhalen onder de maan (2012) het geval te zijn:

Ik heb de wereld lang vertrouwd, mevrouw.
Dat komt, ik had de wereld in mijn hoofd
en alles was wel vreemd maar toch bekend
genoeg en als ik iets vergeten was, wist ik het
vaak een half uur later weer en anders deed
het er niet toe. Er waren nog de grote vragen
waarop niemand ooit een antwoord krijgt,
Die keek ik aan van dag tot dag.

Hoewel in de tweede strofe van het gedicht de mevrouw uit de eerste strofe te verstaan wordt gegeven dat het geen zin meer heeft foto’s te maken van de wereld, karakteriseert de ik in de bovenstaande eerste strofe een situatie die overeenstemt met de dichter en de hem omringende werkelijkheid. Hij staat met een been in de wereld maar schept zich ook een wereld in zijn hoofd. Die laatste positie kan ertoe bijdragen dat hij een ander zicht op de wereld kan bieden dan de meeste lezers ervan hebben. Daarin ligt een belangrijke rechtvaardiging om poëzie te schrijven, én te lezen.
Iets van dat arrangement van de werkelijkheid lees ik ook in het gedicht ‘Schaduwen’ uit dezelfde bundel. De vergankelijkheid en het verdriet dat daaruit voortvloeit, krijgen daarin een aards maar transcenderend slotakkoord:

Wat moet er van ons overblijven – wat van onze dagen,
nachten, alle malen dat we samen ademhalen en de plannen

die we maken. Wie kijkt er later om naar de papieren
die we nauwgezet bewaren om bestaan, bezit en plaatsen

op de eerste rij mee te bewijzen. Bij jou vergeet ik bijna
dat we samen maar één leven krijgen, dat we evengoed

op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren
in de donkere archiefkast van de aarde. Dit is het bericht

dat ik achterlaat in een huizenhoge kluis, brandvrij,
een boodschap, die verder komt dan wij – deze datum,

onze namen in de kerfstok van de tijd. Wie dit leest
moet weten dat wij samen en gelukkig waren.

In dit gedicht wordt het naderend einde teruggebracht naar het besef van het aanwezige geluk in heden en verleden. De troost van de poëzie betekent hier niet een vlucht naar voren, naar hoger sferen, naar zweven zonder houvast, maar naar wat nog voelbaar is op het moment dat de gedachte aan het ‘onbestaan’ en de zekerheid van de vergankelijkheid zich onomkeerbaar aan een mens manifesteert. Heytze stimuleert in deze verzamelbundel onze honger, geeft ons voldoende te eten, omdat hij helder denkt en diep voelt.

***

Ingmar Heytze (1970) publiceerde vijftien bundels, drie dagboeken en een bundel met miniaturen. In 2009 werd hij aangesteld als eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Ademhalen onder maan (2012) werd bekroond met de Hugues C.Pernathprijs.

Recensie van De man die ophield te bestaan - Ingmar Heytze

Je maakt een kind

Ingmar Heytze
De man die ophield te bestaan
Uitgever: Podium
2015
ISBN 9789057596988
€ 16,50
56 blz.

De man die ophield te bestaan van Ingmar Heytze is de geheimzinnige titel van de tiende, of elfde bundel van Ingmar Heytze. Heytze (1970) publiceert veel en staat in mijn gedachten nog steeds bekend als de stadsdichter van Utrecht, al is hij dat officieel niet meer. De veertig van Heytzede persoonlijke bloemlezing, zijn eigen ‘draagbare jukebox’, is een verzameling die ik met plezier heb gelezen.

Er zijn weinig dichters die op mij zo sympathiek en menselijk overkomen als Heytze. Daarmee bedoel ik dat hij eerlijke en heldere poëzie schrijft, zonder poeha of pretenties. Hij is zelfs zo bescheiden dat hij achterin de man die ophield te bestaan een aantal regels en passages dat niet helemaal uit zijn eigen koker komt, verantwoordt.

Waakliedje

Mijn god · het kind · is een vergiet · aan alle kanten loopt het leeg · huilt in
je oor · waarom bestaan als het zó moet · je houdt het · voor je uit · boven de
grond die rustig wacht · op jou en haar · en wie nog komen gaat ·je armen
worden stijf · je geest stijgt op · voorbij de handen die de aarde dragen ·
bevend soms · van boven klinkt al eeuwenlang · gemummel dat we niet
verstaan · God heeft een zaklamp in zijn mond · die noemen we de maan

Achterin de bundel vermeldt Heytze dat de regel ‘God heeft een zaklamp in zijn mond’ verwijst naar een uitspraak van een astronaut van de Apollo 13. De opdeling van het gedicht werd hem ingegeven door een gedicht van Ramsey Nasr. Het voelt bijna als biechten: ‘Ik heb het echt niet allemaal zelf bedacht hoor.’ Heel zorgvuldig, ik vind het bijna jammer om achter deze geheimpjes te komen.

De man die ophield te bestaan beschrijft geen magische gebeurtenis, geen stervensproces, maar de geboorte van een vader in al zijn facetten, de romantische, maar vooral ook de aardse en alledaagse.  Het gedicht ‘Dochter’ begint zo: ‘Langzaamaan begin ik te begrijpen / dat we alle drie tegelijk geboren worden./’ Treffender kun je het proces niet beschrijven. De eerste regel is trouwens identiek aan het begin van een minder bekend liedje van Herman van Veen: ‘Langzaamaan begin ik te begrijpen / waar het allemaal om draait / alles draait om jou en mij / en wij, we draaien overal omheen. //’ Dit wist Heytze vast niet, anders had hij het wel in de verantwoording vermeld.

In heel gewone woorden raakt de dichter grote thema’s aan. Gewone woorden in krachtige, kernachtige zinnen. Maar o zo invoelbaar. Ja, ik houd van Heytze, een fijne dichter.

Nekplooi 

Wanneer ben je maar beter dood?
Hoe groot is de kans op panisch kalm
een rolstoel door de straten sturen,
kwijlend op een trommel slaan,
op kreupel, gek, of half zo oud.
 
Hoeveel vingers steek ik op?
 
Je maakt een kind om te vergaan.
Ik was er zelfs soms liever niet geweest.
Maar dan, wie weet wie later naar
de sterren springt, de redeloze aarde
redt. Wie de nieuwe Breivik baart.
 
Vingers, zei ik. Vingers graag.

 

Recensie van De veertig van Heytze - Ingmar Heytze

De dichter zet voor, de lezer kopt in

Ingmar Heytze
De veertig van Heytze
Uitgever: Podium
2014
ISBN 9789057596940
€ 17,50
112 blz.

Ingmar Heytze publiceerde met De veertig van Heytze (ondertitel: ‘Van Achterberg tot Wigman, de favoriete gedichten van Ingmar Heytze’) – ja, dat is véél Heytze in één zin, en het gaat maar door – een van de aardigste bloemlezingen die ik in lange tijd gelezen heb. Dat komt niet alleen door de keuze van de gedichten, maar vooral door de manier waarop Heytze ieder gedicht inleidt of van commentaar voorziet.

Eerst iets over die keuze. Zijn de meeste bloemlezingen om Heytzes eigen woorden te gebruiken niet meer dan ‘futloos recyclewerk dat je gerust kunt overslaan’, van de veertig gedichten die hij hier zelf presenteert, staan er niet alleen slechts twee in De Dikke Komrij – hij vermeldt dat zelf – , belangrijker is dat hij door consequent zijn eigen smaak te volgen een bundel heeft samengesteld die als het ware het werk is van één dichter, de dichter die Heytze zelf had willen zijn. En misschien ook wel is, zeg ik erbij, want ik heb de indruk dat hij voor wat betreft zijn eigen werk door de kritiek toch wat onderschat wordt.

Heytze koos twee liedteksten (van Hans Dorrestijn en Spinvis), nam zes vertalingen op, van Anna Świrszczyńska, Henrik Nordbrandt, Miroslav Holub, Philip Larkin, John Burnside en de Amerikaanse slamdichter Neil Hilborn (de laatste drie vertaalde hij zelf) en ruimde voor zijn poëzie-jukebox, zoals hij de bundel zelf noemt, tussen Achterberg en Alexis de Roode (die de laatste in de bundel is, niet Wigman) plaats in voor zulke volstrekt verschillende dichters als Frank Koenegracht (duidelijk zijn held), Alain Teister, Anton Korteweg, Jan Arends, Tjitske Jansen, Tom Lanoy, Lernert Engelberts, M. Vasalis, Van der Graft en Frans Kuipers. Het zijn er in totaal 38, want alleen Wigman en Koenegracht kregen een tweede gedicht.
Het frappante nu is dat de bundel alleen al door de keuze van de gedichten een eenheid is. Heytze is duidelijk gesteld op helderheid, al mag die beslist niet verward worden met gemakkelijkheid, en de gedichten hebben vaak een anekdotische invalshoek, al of niet licht absurdistisch gekleurd. De overheersende toon is die van wat je het vrolijke pessimisme zou kunnen noemen: diepgang dus waaraan nu ook weer niet al te zwaar getild moet worden.

Aan ieder gedicht gaat een enthousiasmerend praatje van Heytze vooraf: vlot, persoonlijk, vaak ludiek en zelfs een tikkeltje baldadig, maar altijd met veel kennis van zaken geschreven. Het zijn prima poëziecolumns, waarin hij regelmatig ook ingaat op zijn eigen poëzie en zijn ontwikkeling als dichter. Zijn grootste verdienste is dat hij geen moment verveelt en ieder gedicht alle ruimte geeft. Het is een ideale cursus poëzie lezen.
Wat zijn ‘gewone’ bloemlezingen dan eigenlijk dor en droog.

In zijn nawoord doet hij recht aan al die anderen die hij eigenlijk minstens even goed vindt en die hij ook wel had willen opnemen. Volgt een lijst met 135 namen van binnen- en buitenlandse auteurs, die hij dan ook nog afsluit met e.v.a. Met andere woorden: op het lezen en waarderen staat bij de ware poëzielezer geen rem.
In het stukje bij Ellen Deckwitz formuleert Heytze wat volgens hem poëzie is: ‘een spiegel voor je eigen associaties als lezer, een uitdaging om je ermee te verbinden. De dichter zet voor, de lezer kopt in.’
Zo gezien is dit een uiterst doeltreffende bundel geworden.
Heytze mag wat mij betreft dan ook rond de volgende Gedichtendag een nieuwe bloemlezing presenteren, nummer twee van de serie die het hopelijk gaat worden.

***
Ingmar Heytze (1970) debuteerde als dichter in 1989 met Alleen mijn kat applaudisseert en publiceerde daarna nog zo’n tien bundels, waarvan er drie gewijd werden aan zijn stad Utrecht. In 2008 ontving hij de C.C.S. Croneprijs voor zijn gehele oeuvre en met de in 2012 verschenen bundel Ademhalen onder de maan verdiende hij de Hugues C. Pernathprijs 2013.
Zie voor zijn website hier en voor zijn profielen bij de DBNL en de KB hier en hier

Recensie van Ademhalen onder de maan - Ingmar Heytze

Dicht bij huis

Ingmar Heytze
Ademhalen onder de maan
Uitgever: Podium ,Podium ,Podium ,Podium ,Podium
2012
ISBN 9789057594649
€ 15
52 blz.
 
U herkent het vast, je loopt door een museum met moderne kunst en vraagt je af: ben ik te dom om dit te begrijpen? Is het van een metafysische orde misschien?
 
Daar hebben we bij Ingmar Heytze geen last van. De dichter zoekt het in zijn tiende bundel weer dicht bij huis. De alledaagsheid is zijn materiaal: ‘Hier is de wereld. Hij is helemaal voor jou.’ (Beste Ingmar, wereld is toch echt vrouwelijk geaard.)
En die wereld is bijvoorbeeld een wasstraat, ‘… een tunnel waar je stuurloos door rijdt in zijn vrij en als oud licht uit te voorschijn komt – stralend.’
 
Kan de alledaagsheid goede poëzie opleveren? Natuurlijk. Maar dan moet zo’n wasstraat wel een metaforische lading krijgen. Zo’n wasstraat gaat, als het goede poëzie is, evoceren in een parallelle wereld. Anders blijft het in de alledaagsheid geparkeerd staan. Wil ik dat, dan ga ik wel mijn oor wel te luisteren leggen bij een HEMA-filiaal. En daar hoor je waarschijnlijk vettere formuleringen.

Ietsje anders gezegd: een dichter zou met het gekozen materiaal zijn eigenste werkelijkheid moeten scheppen. Dit alles doet Heytze niet. En stond er de bundel dan maar één intrigerende regel. Helaas, ook dat niet.  
Het meest storende vond ik echter, dat de dichter nergens liet blijken te schrijven vanuit een zekere, of onzekere urgentie. Zonder dat wordt iedere bundel krachteloos.

De uitgever meldt ‘dat de dichter veel mist doordat hij maar één leven kan leiden.’
Zo zo, daar val ik ook niet van om. Maar ik gun Heytze wel een tweede leven, zodat hij zich kan revancheren.

 
*****

Ademhalen onder de maan werd op Gedichtendag 2012 gepresenteerd. De afdelingloze bundel telt 39 gedichten en kreeg een motto mee van Charles Bukowski: ‘and after what seemed like/ an eternity/ we finally found the tunnel at the end of the light’.
Ingmar Heytze (1970) schreef eerder de bundels De allesvrezer (1997), Sta op en wankel (1999), Aan de bruid (2000), Het ging over rozen (2002), Nietzsche schrijft een laatste vers (2004), Schaduwboekhouding (2005), Elders in de wereld (2008), Utrecht voor beginners (2009), Utrecht voor gevorderden (2011).
In 2008 werd hem voor zijn oeuvre de C.C.S. Croneprijs toegekend.
Heytzes eigen website www.ingmarheytze.nl geeft een volledig overzicht van zijn werk en activiteiten.