Poëzie Kort 2016 / 12

 

Hester Knibbe, Oogsteen

(Door Paul Roelofsen)

In 2009 werd de verzamelbundel Oogsteen van Hester Knibbe uitgegeven en Johan Reijmerink schreef daar voor Meander een doorwrocht analytische en lovende recensie over. Het betrof een selectie door de dichteres uit gedichten die zij schreef tussen 1982 en 2008.
Nu, eind 2016, verschijnt een nieuwe versie van Oogsteen, waarin ook gedichten van na 2008 zijn opgenomen.
Wil men over de gehele bundel worden geïnformeerd, lees dan zowel de recensie van Reijmerink als deze die in het kort de poëzie van Knibbe na 2008 belicht.

Wie mondjesmaat gedichten van Hester Knibbe leest, kan niet anders dan razend enthousiast worden: het lenige taalgebruik, de verrassende enjambementen, het evocatieve afbreken van zinnen, de diepgang. (Deze dichteres is niet voor niets veelvuldig gelauwerd: VSB Poëzieprijs, Herman Gorterprijs, Anna Blamanprijs, Adriaan Roland Holstprijs).
Leest men meerdere gedichten van voor 2009 uit deze bundel achter elkaar dan kan er nog iets gebeuren; ik werd er enigszins neerslachtig van, ondanks de schoonheid van deze poëzie hangt er een zweem van somberheid over. Van een herhaald en herhaald zoeken maar niet vinden, van een vergeefse ‘worsteling met de vergankelijkheid’ zoals Reijmerink het noemt.
Maar in de toegevoegde poëzie in deze verzamelbundel, de integraal opgenomen bundels Het hebben van Schaduw en Archaïsch de dieren, trekt Knibbe de grijssluier op, de zin- en toonzetting worden directer, omwegen worden vermeden, de lezer krijgt lucht. En inhoudelijk verandert er ook iets: waar de floers verdwijnt, dringt een persoonlijke, grote ongerustheid binnen omtrent het dier Mens, tot alles in staat, ook tot wereldwijde (zelf)vernietiging. Uit ‘Pro domo’: ondanks je zachtheid ben je / geschapen voor de verwoesting.
De inleiding van deze afdeling:

En ze zeiden dat

zegenen helpen betekent, maar er waren die nacht
zoveel wonden op de wereld dat mijn ogen
en benen verlamden. En ik was

bang, bang voor bloed aan mijn handen en
dat ik daarmee dan over mijn gezicht buik
en armen. Daarom riep ik

zegen mij zegen mij de angstige.

Hoe knap en geserreerd het eerste deel van dit werk ook is, de laatste twee bundels die er in zijn opgenomen vormen het absolute hoogtepunt.
Daarom: al heeft men reeds de editie van 2009, dan toch opnieuw naar de boekwinkel om ook deze aangevulde Oogsteen aan te schaffen.

***
Hester Knibbe (2016). Oogsteen. De Arbeiderspers, 454 blz. € 29,99

 

James Joyce, Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik

(Door Hans Puper)

Een traditionele bundel van Joyce is wel het laatst wat je zou verwachten, maar Pomes Penyeach (1927), door Paul Claes vertaald als Poëzie voor een prik, is dat wel degelijk. Het is zijn tweede bundel; Chamber Music, even traditioneel, verscheen in 1907.

Het eerste gedicht stamt uit 1904, het laatste uit 1924; de overige gedichten werden geschreven tussen 1912 en 1918. De bundel is tweetalig. Naast zijn vertaling voorzag Claes hem van een nawoord en aantekeningen bij ieder gedicht. Hij bewijst de lezer daar een dienst mee, want de gedichten zijn sterk autobiografisch. Joyce’s vriend Ezra Pound wees ze om die reden al voor de publicatie af met de woorden: ‘They belong in the Bible or in the family album with the portraits.’ Het is romantische poëzie over de onherroepelijk voortschrijdende tijd, vervlogen of bestaande liefde – altijd weemoedig makend – en daarnaast het verval: in zijn geval de angst voor blindheid door groene staar.

De titel Pomes Penyeach betekent letterlijk ‘Gedichten voor een penny per stuk’. Claes in zijn nawoord: ‘Het werkje kostte één shilling, dus twaalf penny. In werkelijkheid bevat hij niet twaalf, maar dertien gedichten: het dertiende gedicht is een extraatje. De spelling ‘pomes’ imiteert de slordige uitspraak van ‘poems’. Omdat het woord klinkt als het Franse ‘pommes’ (appels), kreeg het [door Sylvia Beach van boekhandel Shakespeare and Company] in Parijs uitgegeven boekje een appelgroene kaft.’

De gedichten zijn eerder vertaald in het Frans door Georges Pelorson. Joyce vroeg hem het ritme van het Engels te handhaven en dat is wat Claes met zijn Nederlandse vertaling ook heeft geprobeerd. Hij heeft het zich daarmee niet gemakkelijk gemaakt. De eerste strofe van ‘On the beach of Fontana’:

Wind whines and whines the shingle,
The crazy pierstakes groan;
A senile sea numbers each single
Slimsilvered stone

Wind giert langs gierend grind,
De pier kreunt in ’t getij
De zee telt als ontzind
Elke slibsilveren kei.

Een enkele keer vind ik de vertaling gewrongen. Een voorbeeld. Joyce schrijft in ‘Bahnhofstrasse’, het gedicht dat gaat over Joyce’s eerste ervaring met staar, de regels: ‘The eyes that mock me sign the way / Whereto I pass at eve of day, // Grey way whose violet signals are / The trysting and the twining star’. Claes vertaalt het tweede distichon met: ‘De grauwe baan verlichten fel / De sterren van weerzien en vaarwel.’ Ik lees dit als: ‘de sterren van de grauwe baan verlichten hem fel.’ Ik heb moeite met de volgorde van Claes’ regel.

Maar dit zijn kleinigheden. Claes leert ons – mij tenminste – een traditionele Joyce kennen in een kleine, goed verzorgde uitgave.

***
James Joyce (2016). Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik. Vertaling en nawoord door Paul Claes. Koppernik, 44 blz. € 15

 

Martin Knaapen, Ik, mijn broer

(Door Hans Puper)

Als ik Martin Knaapen lees, denk ik aan blues. Relaties zijn moeizaam, de ‘ik’ is soms een underdog, het dagelijks leven zwaar, het verleden kun je het best vergeten en het verval is onherroepelijk. Neem de laatste drie strofen van ‘steeg’, eenvoudig, illusieloos:

het bankje in de kleine steeg
duwt rauwe latten
diep in mijn vlees

wanneer ik ga staan
strekt mijn lijf
zich oud versleten

en nestelt
de nieuw verloren dag
zich pijnlijk in mijn botten

Maar een depressief makend debuut is dit niet. Knaapen is ook de dichter van de schoonheid en ruimte van het Hoogeland in het noordoosten van Groningen, het land dat onverbrekelijk is verbonden met de weemoed van Ede Staal. Knaapen: ‘dit is het land van kleischilders / dromers en poters / van aardappelen en vis’. Maar idyllisch is het bij hem nooit. Hij vervolgt: ‘en de lucht van armoe en uitbuiting / van incest en drankmisbruik / en eenzame doden in de modder’. Het gedicht ‘vorst tot de dooi’ lijkt een uitzondering te vormen. In het lege landschap schaatst het lyrisch ik met ruime wind over zwart ijs, de omstandigheden zijn ideaal: ‘groter word / ik niet / dit is mijn rijk / ik ben vorst / tot de dooi.’ Eerder in het gedicht heeft hij gezegd dat hij al schaatsend de mens heeft verlaten; kennelijk is dat een voorwaarde voor zijn kortdurende geluk, maar na de dooi zal hij echter tot hen terug moeten keren.

De gedichten zijn eenvoudig, weerbarstig soms – het werkwoord ‘schuren’ komt in verschillende gedichten voor – en dat werkt goed. Je kunt uitgebreid vertellen dat je het verleden achter je wilt laten, maar je kunt het ook zo zeggen: ‘ik heb een minimaal verleden / en het liefst lees ik alleen / de laatste pagina’. Mooi.

***
Martin Knaapen (2016). Ik, mijn broer. Uitgeverij Stanza, 66 blz. € 15,-

 

Renaat Ramon, Draagvlak en vizier

(Door Hans Puper)

Draagvlak en vizier brengt je in een goed humeur. Dat komt door het robuuste, ritmische en heldere taalgebruik van Ramon. Zo zegt hij in het gedicht ‘Woordwisselwoord’ over de poëzie van Marc Insingel onder andere:

Er is zin
tussen de regels
er is
        tussenzin.

Zo worden zinnen
geregeld
tegen regels in

Anderen hebben voor zo’n typering enkele bladzijden ingewikkeld proza nodig.

Een ander gedicht heet ‘Stadhouderslaan 41’, wat het bekende eenregelige gedicht van K. Schippers in gedachten brengt: ‘Stadhouderskade 42’, het adres van het Rijksmuseum. Laat Stadhouderslaan 41 nu het adres van het Gemeentemuseum in Den Haag zijn!

De bundel kent drie afdelingen. ‘Dierbare vrienden’ is de eerste. De gedichten zijn zonder uitzondering opgedragen aan vrienden als Jozef Deleu, Claudius Asnedius Montanus (in wie ik door Ramons dichtregels H.C. ten Berge meen te herkennen), Ludo Frateur en anderen. De dichter kenschetst hen, suggereert een dialoog of houdt een monoloog. Het laatste gedicht van die afdeling heet ‘Reunie’. De pauze na de retorische vraag is een vermakelijke demonstratie van de bovengenoemde ‘zin / tussen de regels’:

( … )
Hebben we niet al te vaak
Naar versierde stemmen geluisterd?

Juist. ( … )

‘Memorandum is de titel van de tweede afdeling – niet vreemd voor een dichter die onlangs tachtig is geworden. Ramon gedenkt hierin dichters als Marc Braet en Marcel van Maele, maar bijvoorbeeld ook de zestiende-eeuwse filosoof en Copernicusaanhanger Giordano Bruno.

Het derde deel, ’Grand Café Parnas’, bestaat uit een cyclus van vijf gedichten. Hierin laat de dichter – zelf toeschouwer – vier totaal verschillende dichters bij elkaar komen. Over een van hen zegt hij: ‘Een middelvinger / klopt regelmaat op het tafelblad. / Duidelijk iemand die van amfibrachen / houdt en het raadsel ritmisch vergroot.’ Dat zijn regels die ik zonder moeite onthoud.

***
Renaat Ramon (2016). Draagvlak en vizier. PoëzieCentrum Gent, 48 blz. € 19,95

Recensie van Archaïsch de dieren - Hester Knibbe

Het menselijk tekort

Hester Knibbe
Archaïsch de dieren
Uitgever: De Arbeiderspers
2014
ISBN 9789029589215
€ 18,95
84 blz.

Stel dat ik in een paar zinnen een karakteristiek zou moeten geven van Archaïsch de dieren. Ik zou dat als volgt doen:

Deze bundel gaat over de condition humaine. Grote schrijvers en dichters zijn Knibbe voorgegaan, maar het lijkt of zij daar als eerste over schrijft. Dat komt door haar onmiskenbaar persoonlijke werkwijze, zowel vormtechnisch als inhoudelijk. Daarnaast laat zij zien dat het schrijven van deze poëzie voor haar niet vrijblijvend is, maar noodzaak. Als je dat over kunt brengen, heb je een uitstekende vormbeheersing. Velen voelen hetzelfde, maar kunnen dat niet uitdrukken.

Misschien zou ik het bij deze opmerkingen moeten laten en de lezers de bundel vervolgens aanbevelen. Deze is zo rijk, dat iedere bespreking hem tekortdoet. Ik doe toch een poging.
Vooraf: Archaïsch de dieren is een tweeluik, bestaande uit Vrijspraak voor Kaïn en Er is altijd. Het eerste deel heeft vier subafdelingen, het tweede geen.

Vrijspraak voor Kaïn
La condition humaine, de roman van Malraux, werd door Du Perron vertaald met de titel Het menselijk tekort. Zijn interpretatie is ook op deze bundel van toepassing.
De afdeling heeft een motto van Queen, regels uit de song’ Bohemian Rapsody':

                    I see a little silhouetto of a man,
                    Scaramouche, Scaramouche, will you do the Fandango.
                    Thunderbolt and lightning,
                    Very, very fright’ning me.


De man is angstwekkend, hij vormt een gevaar. Ons gedrag als spel om een bedreiging te bezweren: dat is een belangrijk motief in Vrijspraak.

In tegenstelling tot dier en kind is een volwassene zich niet alleen van het heden bewust, maar ook van het verleden en de toekomst. Het gelukzalige hier en nu hebben zij moeten verlaten. Ze weten. Er is geboorte, maar ook de angst voor verlies. Er is toekomst met aan het einde de dood. En dat alles in een onherbergzame, onveilige wereld, waarin ook je medemens een bedreiging kan zijn.
Knibbe gebruikt de verdrijving uit het bijbelse paradijs als beeld voor la condition humaine. Adam en Eva, aangeduid met het universele ‘wij ‘, beginnen te twijfelen: een rivier komt ergens vandaan en gaat weer ergens naartoe, pitten die ze op de grond spugen ontkiemen. ‘Dus moest er wel// meer zijn onder de zon, iets/wat je aanvang zou kunnen noemen en einde.’ Gevolg: de verbanning die het begin is van alle ellende. Zonder een thuis kunnen mensen niet:

We zochten een weg naar slaapplaats
en blijven, hadden zo’n lijf

dat een plek wilde hebben iets
eigens van minstens twee armen wijd

En schuldig zijn ze niet: ‘hadden we/ hersens gekregen om niet te willen//weten? (… ) Hadden we dáár om gevraagd?’
Dit zijn tevens voorbeelden van Knibbes vaak ontnuchterende, licht humoristische stijl. Die maakt constateringen soms lichter, draaglijker, soms schrijnender.
De mens voelt zich bedreigd en eenzaam. Dat is het begin van godsdienst:

Eenzaamheid werd een stem
die ons toesprak, kreeg van die ogen. Doen

zei de stem ondanks je zachtheid ben je
geschapen voor de verwoesting.
Dat het

moest, blonken die ogen en dat we daarna
als een kind zouden slapen. ( … )

Wat moest is ‘profetieën schrijven over wat de wereld te veel heeft// tekortkomt en dat alleen een vonnis/ dat wegsnijdt en rafelt voorgoed/ kan genezen.’
En wat is het gevolg? We ‘bliezen in onze dooie// uppies verderf over het land opdat/ men zou weten van ons zou weten.’ 
Let wel, het gaat om een beeld. Je kunt bijvoorbeeld ook denken aan de heilsprofeet Marx en zijn toegewijde volgelingen Stalin en Mao.

Als de zaken zo staan moet je wel vrijspraak bepleiten voor Kaïn, zoon van Adam en Eva. Hij is barmhartig. Denkend aan zijn broer Abel overweegt hij het volgende:

Schuld is een afspraak. Ondanks
alle heimweeverhalen van onze ouders
over hoe vrede o vrede eruitziet moest hij
het lam grijpen en slachten om zelf hoger

te stijgen ( … )

Offer: een leven voor een gedachte.

Dacht: schuilt er dan een belofte
in dood? ik, zijn hoeder, zal hem uit erbarmen
van zijn povere staat hier op aarde
verlossen.

(Nog een bekende regel uit ‘Bohemian Rapsody': Mama, just killed a man – )

De laatste subafdeling van Vrijspraak voor Kaïn heeft als titel ‘Archaïsch de dieren’, net als de hele bundel en een gedicht dat hieronder nog aan de orde komt. Op het laatste gedicht na, bestaat dit gedeelte uit de serie ‘Thebe’. Knibbe was daar in 2012, waar zij vergeefs de restanten van het oude paleis buiten de stad probeerde terug te vinden. ‘Thebe’ doet natuurlijk ook denken aan het gedicht van Achterberg, waarin hij een geliefde uit de dood probeert op te roepen. In beide gevallen wordt nog eens benadrukt dat het verleden voorgoed onbereikbaar is en daarmee de doden die je het allerliefst waren. Het gruwelijkst is het als je een kind verliest. Dat kan alleen nog in de verbeelding bestaan:

Vannacht kwam hij thuis, jong als we waren
geen jaren verstreken, bekeek me en zei
je bent ouder geworden.
( … )
En ik gaf hem tijd en spelen

Al dit lijden wil je kinderen besparen, je wilt niet dat ze van het wrede leven weten. Laat hen onbezorgd leven in het paradijselijke hier en nu:

Onder de Melkweg zonovergoten
archaïsch de dieren. Maar laat

de kinderen met rust, zij moeten nog
komen te weten ( … )

Voor hun onwetendheid zijn desnoods zoenoffers beschikbaar, zegt de dichter gekscherend, zoals je haren zaligheid nagels of

( … ) een handvol
graan voor het brood dat je eet en zorgzaam
geeft aan het kind dat speels de muis aan
de kat voert, luid zingend de spin een poot
de duif een slagpen ontvreemdt.

De ironie is, dat ook kinderen in hun onwetendheid al wrede beesten zijn.

Archaïsch de dieren
Drie keer ‘Archaïsch de dieren’. Veel nadruk dus. In dit gedicht een beeld voor bedreiging, archaïsch omdat het om beelden uit de Egyptische oudheid gaat, maar ook omdat die bedreiging al sinds mensenheugenis bestaat. Als titel van de hele bundel: in hun overlevingsdrang zijn mensen wreed. De oudste delen van onze hersenen reageren als die van dieren. En, op een heel andere manier, een verwijzing naar het gelukzalige hier en nu in het paradijs, het ontbreken van het tragisch bewustzijn, alleen voorbehouden aan dieren en kinderen.

Het is niet uitsluitend droefenis. De subafdeling eindigt met het gedicht ‘Ja’. De liefde maakt het menselijk tekort aanvaardbaar:

( … ) we zijn
al zo lang samen dat we ons in elkaar hebben
opgeslagen, niet meer zoek niet weg kunnen raken.

( … )
we houden elkaar gewoon
Bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen

Mooi is de regelafbreking na zijn: ondanks alles zijn we, we leven.

Er is altijd
Er is altijd heeft geen subafdelingen en is aanmerkelijk korter dan Vrijspraak voor Kaïn. De toon is lichter en de bijbelse metaforiek ontbreekt vrijwel geheel. Wij zijn de uitvinders van ons verlangen, luidt het motto. Knibbe beschrijft op originele wijze een universele levenscyclus die zij op een persoonlijke manier uitwerkt:

Ook als het nest
een ratjetoe is
van toevallige
vondsten
legt zich het ei
en breekt
ten slotte.

Een belangrijk motief is het slordige hoofd, een eerste kindertekening van jezelf, het begin van een persoonlijkheid dus. Aanvankelijk is die tekening nog rudimentair:

( … ) met twee
ogen geen
mond nog wel
armen en benen geen
handen en voeten

Gaandeweg wordt die ingevuld: er komt een hand die begint aan een onvolmaakte curve: ‘het is tijd het is tijd het is// tijd voor ( … )’ en dan komt er een invulling. Tijdsbesef dus, maar op een veel lichtere manier dan in Kaïn. Aan het eind van het leven vindt het ‘oog in het slordige/ hoofd ( … ) zonder de moeite van handen en voeten de weg.’ Dit is een voorstelling van de dood: ‘er is altijd/ een laatste// breken door vlies en schaal.’

Tot slot
Ik hoop dat ik een goede indruk van deze bijzondere bundel heb gegeven. Er is nog veel meer: de wanhoop van de moeder die haar kind niet kan beschermen (‘de paniek van zijn moeder// die riep: er is noodweer op komst. Hij/ zat daar maar veel te niet bang’); de uitgeholde beschaving, verbeeld door het toeristenbezoek aan Jeruzalem: ‘op de kruisweg een luidruchtige bende/ met klikkende fototoestellen en amberkleurige/ kruidenverkopers, god hebbe hun handel.’
Een aanrader.


***
Hester Knibbe (1946) debuteerde in 1982 met de bundel Tussen gebaren en woorden. Nadien publiceerde zij nog een tiental bundels, waaronder Een hemd van vlees (1994), Een dunne duurzaamheid (1999), De buigzaamheid van steen (2005), Bedrieglijke dagen (2008) en Het hebben van schaduw (2011). Haar werk is bekroond met de Herman Gorterprijs (2000), de Anna Blamanprijs (2001) en, in 2009, de Adriaan Roland Holst-Penning. De uitreiking van de laatste viel vrijwel samen met de verschijning van Oogsteen. Een keuze uit de gedichten 1982-2008.

Recensie van Oogsteen - Hester Knibbe

Worsteling met de vergankelijkheid

Hester Knibbe
Oogsteen
Uitgever: De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers
2009
ISBN 9789029571579
€ 25,-
319 blz.

Met de keuzebundel Oogsteen (2009) uit de periode 1982 tot 2008 ligt een prachtig uitgegeven verzameling gedichten van Hester Knibbe voor ons. Haar laatste optreden op het poëziefestival Het Tuinfeest 2009 te Deventer liet mij een wat bedachtzame, ingetogen dichteres zien, die meer vertrouwd is met de rol van toeschouwer. Wat dat aangaat, is haar introverte live-optreden in overeenstemming met haar teksten. Eerlijk gezegd vind ik dat haar teksten een sterkere uitwerking krijgen als je haar niet hoort en niet ziet. Misschien is de poëzie van Knibbe meer geschikt voor de beslotenheid van een huiskamer, zoals het Haagse poëziefestival.

Het openingsgedicht oogsteen waaraan de titel van de bundel is ontleend, is speciaal voor deze bundel geschreven. Een ontwikkelingsgang door de tijd. Van kindertijd naar volwassenheid. Van toen naar nu. Spel maakt plaats voor de ernst van het leven. Eenvoud en overzicht maken plaats voor complexiteit van het leven. De grenzen tussen de tuinen van goed en kwaad vervagen gaandeweg. “Zij verruilde haar stuiters voor stuivers/ en zocht naar oogsteen en ziel.” Een steen met de uitstraling van een oog. Met in de laatste strofe die prachtige metafoor: “Gisteren staat met een blos/ achter glas en morgen is een mooie formule/ die zich nog moet bewijzen: het is nu./” De overige gedichten komen uit eerder gepubliceerde bundels. Oorspronkelijke onderverdelingen zijn soms veranderd. Afdelingen zijn samengevoegd. Meestal is de structuur wel gehandhaafd. In enkele gevallen zijn gedichten herzien en aangepast.

Uit haar debuutbundel Tussen gebaren en woorden (1982) is slechts één gedicht opgenomen: “Er is de stilte/ waarin de mens/ een tijdelijke waarneming/ doet en is// waarin hij de aarde beziet de vrucht/ noemt en eet// waarin hij tijd en geluiden/ verdeelt en vervoegt// waarin hij onzichtbare goden/ en dromen verzwijgt// er is de stilte/ die zich bevindt binnen/ wat genoemd wordt:// dat wat verstaan wordt//” In de notendop ligt in dit vers de kern van de gedachte- en gevoelswereld van Knibbe besloten. Met woorden als waarneming, aarde, stilte, tijd, onzichtbaar, droom, steen, taal, noemen, zwijgen en verstaan legt ze een aantal belangrijke sleutels voor het verstaan van haar poëzie aan ons voor. Binnen de coulissen van haar subtiele waarneming beschrijft ze de decorstukken van haar leven en dat van anderen op een heel bijzonder behoedzame wijze. Daarin staat het her-inneren op de voorgrond. Ze is vooral gericht op de innerlijke bewegingen van mensen en dingen. Een steen als levenwekkend fenomeen voor de mens.

In haar tweede bundel Meisje in badpak (1992) zet zij de vervreemdende ervaring uiteen die je krijgt als je naar oude jeugdfoto”s kijkt: “het valt mij op hoe nauw verwant ze lijkt/ aan wat met heel diep slapen samenhangt/” […] alsof ik naar een oude foto kijk/ alsof ze eeuwen verder reist//”. De halfjaarlijkse verschijning en verdwijning van de Griekse godin van het dodenrijk Persephone past in die vervreemdende ervaring: “dompelt oud dood in eeuwigheid/ waaraan ze ademloos vroeg licht/licht uit de dichtstbijzijnde tijd//”. Tegenstellingen en paradoxen zijn eigen aan de poëzie van Knibbe. Daarin vangt ze het onvoorstelbare en het onmogelijke dat voor de duur van het gedicht mogelijk wordt. Zo ook de kletsende vrouwen op het terras van het literaire café La Rotonde te Parijs: “en of ze eeuwig zijn, vergeten wonder,/ vertellen ze elkaar de nieuwste roddels// op deze foto, onderdeel van een seconde//”. Knibbe is terughoudend met leestekens. Daarmee wil ze laten zien dat de tijd in eeuwigheid overloopt en zich later weer even in de tijd nestelt. Leven en dood zijn terugkerende verschijningsvormen in het leven van Persephone, en niet alleen in het hare. Geen noemenswaardige grensovergangen, althans niet zichtbaar gemaakt. De Aleph, eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, roept een vreemde vertrouwdheid op die de ik met de jij heeft. Uit het oog verloren, goeddeels vreemden voor elkaar, probeert ze de ander terug te zoeken in de tijd. Dromen over het vergeten sleutelwoord om langs die weg de ander te naderen. Maar ook de geliefde die in haar woorden huist, trekt zich terug in een stilzwijgen, wordt weer moeiteloos en die ze “betrekt in oogopslag en strelen van mijn lijf//” Vervreemden, vreemd zijn en een vreemde van jezelf zijn, zijn terugkerende thema’s.

Haar derde bundel Een hemd van vlees (1994) staat in het licht van een maxime van T.S. Eliot. We kunnen nu wel zeggen dat we er geweest zijn, maar niet hoe lang, waar en wanneer. Deze bundel staat in het teken van het bevreemdende besef dat we bestaan en dat we het niet goed kunnen grondvesten. Om dat besef te naderen gebruikt ze de verhalen uit de Griekse mythologie. Een bezoek aan de ruïnes van Delphi draagt de stille hoop in zich nog oog in oog te zullen staan met de tempels en beelden uit het antieke verleden: “er zouden tempels, het gezang klonk hoog.// Restanten steen in slagorde van dood/wijzen ons bot terecht. Noch god noch / muze zij geloofd, Apollo is verdwenen./ Men heeft een koord rond het gemis gelegd//”. Zo’n laatste versregel is geladen met een diepzinnige suggestie. De onafgemaakte eerste versregel versterkt de idee van de verwachting die niet uit kan komen. Het verleden laat zich niet terughalen in het heden. Zo roept een bezoek aan de Parijse begraafplaats Père Lachaise de herinnering op aan de dodenstad Thebe, de stad “vol heimelijk leven.//” De wandeling brengt de bezoekers bij “een onafzienbaar gat”. Dit onder ogen zien van de dood leidt tot een emotionele conclusie in het bijzijn van de ander: “Ik zou niet treuren/ op je graf, […] dat kan ik niet, ik zou/ je missen, missen zou ik je.//” De omkering in de laatste versregel maakt duidelijk dat het ‘missen van de ander’ zo overweldigend lijkt te zijn, dat de ik daarachter denkt te zullen verdwijnen. De maan van Endymion zorgt ervoor dat in de zwarte nacht “alle kiezels blinde vlekken wit” krijgen. Er is niet te verhoeden dat een mens ouder wordt, van uiterlijk verandert, maar de maan blijft onverminderd zijn schijnsel werpen in deze zwarte nacht van het leven. In het onverbiddelijk voortschrijden van de tijd zijn we onderworpen aan onoplosbare tegenstellingen in dit bestaan. In de tegenstelling ligt de dreiging van en tevens de beweging naar een nieuwe toekomst toe. Een mens is als een hemd van vlees rond de botten. Houd het voorlopig nog even aan, is het advies van de dichter. Deze bundel bevat ten slotte de afdeling ‘Val’ waarin de aftakeling van een dementerende moeder is uitgebeeld die zichzelf verliest en met wie de ik haar strijd heeft te voeren.

De vierde bundel Een bittere navel (1997) heeft vooral het menselijke lichaam tot onderwerp. De Pièta van Michelangelo toont het dode lichaam van Christus in de armen van zijn moeder Maria: “Ging dood aan een geloof en werd een nieuw/ gelijk.” Hij die een offer bracht aan de goden van de tempels te Paestum, ging niet dood: “je stierf/ een ander leven, een bijna eender./” De Boeddha “woont bij ons alsof hij er niet is, geen spaander lijkt hij zich van ons/ bewust./” Gedichten waarin die wonderlijke samenhang en overgang tussen dood en leven worden afgetast. In het titelgedicht van de bundel valt de aandacht op een paradijselijk tafereel. Binnen en buiten het berghuisje met weids uitzicht wordt door mens en dier de liefde bedreven. In aansprekende beelden spreekt de dichter zich daar in helwitte en gitzwarte tinten over uit. Een tocht door de straten van Pompeï volgt: “Bij zoveel verschoten dood lijkt het goed/ om langzaam te leven. Andante un poco/ sostenuto ga ik neuriënd over de stenen.//” De bundel wordt besloten met de afdeling ‘antidood’. Daarin het dichterlijke verslag over een kind dat “te voortijdig valt.” De beelden zijn telkens weer heel aards, concreet en dicht op de huid van de ik: “Vlees van mijn vlees ligt met de ogen/ dicht. Hij ademt log, zijn lichaam/ schokt soms rond zijn hart dat moeizaam// pompt./”. Deze woorden ademen de persoonlijke levensgeschiedenis van de dichter.

De zesde bundel Een dunne duurzaamheid (1999) heeft als motto van Ovidius ‘et in arcadia ego’, dat verbonden is met het verhaal van de vluchtende Arethusa. Zij veranderde in een bron om te ontkomen aan de stroomgod Alpheus. Het tijdeloze beeld van een lezend meisje in steen. En de tocht naar de bloeiende anemonen te Staverden. Hoe het oude stramme echtpaar in schril contrast staat tot het frisse groen van bloemen, terwijl de ik “slenter/ in het stof tussen hen in, verzamel zorgzaam als een kind hun stramme/ rolpatronen en de anemonen, help ze/ de auto in./”. Korte, duurzame momenten van eeuwigheid in een voorbijgaande tijd. Knibbe is zeer goed in staat de taal te vormen naar de situatie die voorhanden is, zoals in het gedicht ‘Voren’: “Er ligt een oude man in bed./ Ik breng een oude vrouw bij hem/ […] Ze praten in herhalingen: /uitzaaiingen van hun gebeden en/ schaarse aardse zekerheden en / binding die ze eeuwig weten./ Ik laat ze met hun lippen samen.//”. Haar taal vertraagt als het ware de voortgang van de tijd. Ik had tot nu toe nog niet zo intensief kennisgemaakt met de poëzie van Knibbe, maar ik ben onder de indruk van de kracht van haar onafgemaakte zinnen, enjambementen en beelden. Maar vooral van de helderheid, de compacte en trefzekere formulering en soberheid van taal. In de afdeling ‘Onder de tijdschaal’ staan de antieke wederhelften tegenover elkaar op de bladzijden: Persephone/Demeter – Eurydice/Orpheus – Icarus/Daedalus. Mijn dochter is telkens weer terecht, zegt Demeter. Wij zijn ons lichaam ingedaald: één vorm die niet te delen is dan in verscheurdheid en gemis. In een labyrint van gruis en stof zit ik domweg te houwen en te bouwen aan mijn kind. De vergeefsheid van het onophoudelijke verlangen drijft hen voort. Knibbe ontleent veel van haar inzichtgevende waarnemingen aan de antieke oudheid. Dat doet ze op een zodanige wijze, dat die elementen in haar gedichten een nieuwe actualiteit krijgen.

De kleine bundel Mijn verwisselbare kop toont in het onnavolgbare licht van Rembrandt vijf van zijn zelfportretten die telkens de eendere en andere Rembrandt door de jaren heen laten zien. In de opeenvolgende verandering van uitmonstering laat Knibbe met enige ironie weten, dat Rembrandt zichzelf ook niet altijd even serieus heeft genomen, wetend dat hij zich met welke uitmonstering dan ook niet verweren kan tegen de aftakeling door de tijd: “Ik die met 28 in de spiegel sta alsof ik/ me verweren moet: /”.

De zevende bundel Verstoorde grond (2002) bevat onder meer de afdeling ‘muziekschool’. Het terugzingen in de tijd kan beginnen. “Je mond beweegt/ geluidloos mee met het verleden, de rest/ zit hier aan deze avond vast./” De reeds bestaande melodie als basis voor een nieuwe meerstemmige compositie weerklinkt omspeeld door andere instrumenten. De ik luistert “als een vreemde/ tussen vreemden/” Eigen jeugdherinnering dooradert deze muzikale exercitie van een kind. “Vandaag/ de wetten van het lied en op de balken/ in mijn schrift kalk ik wat klinkend/ al wat wordt uitgewist, tel/ Kinderszenen.//”. Het laatste gedicht in de reeks ‘Goede Vrijdag’ vertelt van de moeder die zich Maria voelt maar niet als zodanig wordt gezien. Ze zingt de passie over haar ter dood veroordeelde kind: “stem in met toegeknepen. Strot: Erbarme Dich, mein Gott.//”. Dan volgt de afdeling ‘Verstoorde grond’. Opnieuw de geschiedenis van Jezus, maar dan geschilderd door Rogier van der Weyden. Het boek dat moeder en kind verbindt, bevat begin en einde van zijn geschiedenis: “Speels/ wijs ik haar op al wat kreukt tussen/ het eerste en het laatste blad.//” Een serie gedichten over de relatie moeder en zoon. De zoon blikt vanuit zijn eeuwige positie naar de moeder die ontroostbaar schrijft, “dus troost ik haar/ niet, ze wil me niet kwijt./”. Het kind zweeft boven zijn bloedeigen lijf. Daarnaast beschrijft Knibbe het gevoel van gemis van de moeder: “Het is zoiets simpels dikwijls, het is/ gemis van je stem bijvoorbeeld,/”. In de droom vindt ontmoeting plaats tussen moeder en zoon: “Ik droomde dat ik van je/ droomde: we zaten op de bank en praatten wat,/” Op die manier weet Knibbe op bijzondere wijze tijd en eeuwigheid met elkaar te verbinden.

In haar achtste bundel De buigzaamheid van steen (2006) staat opnieuw een motto, ontleend aan T.S .Eliot. Het einde is waar we vandaan komen. De gesloten cirkel. In de vooronderstelling dat steen buigzaam zou zijn, lijkt er bijna een zuil te wankelen op haar benen, wanneer zij zich verlegen gaan bewegen ten opzichte van elkaar: “of nee/ één buigt zijn slanke gestalte in een/ uiterste smeekdans om twee waardoor/ drie zijn voet een slordige fractie/ dient te verzetten. Alleen hun hoofden/ vormen samen een vaste gedachte gebeiteld in één kapiteel.//” Gedachten kunnen de tijd bijeenbrengen en –houden. We komen in de eerste afdeling ‘hier om te beginnen’ een kind tegen dat in de herinnering van de ik opstaat. Opnieuw de sterke behoefte het verleden naam en stem te geven. In de afdeling ‘Steen’ benoemt de archeoloog de stenen van de “rijkdoortekende/ gang van de tempel.” Het Egyptische heiligdom wordt doorkruist. Ook de doden hier begraven: “ook zij dachten in lichaam, waren/ bezeten van leven dat uitdooft/ verstoft./” […] “Grensgevallen/ waren ze zijn we, een hemd over niets/ of een ander geloof./” Besef van vergankelijkheid, mensen zoals wij waren het. Altijd maar weer die worsteling met de tijd. Onder de bezoekers van de tempel staat niemand te bidden. Het jongenskopje in het museum dat eeuwen versteend was, in scherven viel en weer tot leven werd geboetseerd: “Maar geheeld ben ik nooit, onuitwisbaar/ loopt door mijn oude gezicht steeds/ die streep die je niet meer vergeet.//” “Zo de goden worden geboren in hoofden, doven uit tot ene mythe.//” Deze regel uit het gedicht ‘Thetis’ hiel’ vertelt de geboorte van Achilles die bij geboorte zijn moeder Thetis vasthield aan haar hiel. Dat deel van haar lichaam vertegenwoordigde nog haar sterfelijkheid. De worsteling met de sterfelijkheid is thematiek van deze bundel: “Hoe krijg ik/ klaar wat achter horizon en dieper nog/ verborgen is, hoe graaf ik mij zo in/dat wieg en kist, de zin van / helder wordt, hoe tem ik ooit/ de dooi boel die in mij// woedt./” Slaap, wek mij: “sla de steen/ bij mijn hoofd weg en zeg: het is// voorjaar, je moest maar eens opstaan,/” Veel afdelingen in deze bundel van Knibbe wijzen op een worsteling met de vergankelijkheid, zo ook ‘Tegen het verdwijnen’. Waarom moeten er zoveel mosselen ter ziele voor één mens die ze verorbert? En dan zo’n fraaie typering van de vergankelijkheid in het gedicht een ‘Dame met hoed’: Zij “draagt haar hoed als een wapen/ waarmee ze de vingerafdruk van de jaren/ elegant overschaduwt./” Een matroesjka in de arbat, vuil en verwaarloosd, buigt zich vuil “voor waar ze in gelooft: een prentje/ dat van doen heeft met ene kind, ene kruis, een beter// thuis voor straks./ Onder vodden […] schuilt/ het kind dat ze eens was,/” In het gedicht ‘Zijnstra BV’ spreekt ze over al die bermgrafmonumenten. De ik staart ernaar terwijl ze wacht voor de brug.: “Nu je er niet meer bent/ ben je dichterbij dan ooit./”. In de afdeling ‘Kunst van het dragen’ opnieuw die angst voor het verlies, het voorbijgaan. Muziek bij de intocht dringt de harten van de deelnemers binnen. “Acht/ droegen zijn beeld op een baar./ Dat het de kunst is/ goed te dragen, een ritme te vinden samen balans te bewaren zagen we daar./” In deze afdeling een serie gedichten waarin het dragen van het kind tijdens de zwangerschap, het dragen door het leven en het dragen van zijn dood centraal staan: “we vroegen hoe laat komt de dood/voorbij en ze zeiden we weten het niet/ alles is voorbestemd nu en hier/ dus we weten het niet./” De paradox viert hoogtij in deze bundel. De worsteling met de vergankelijkheid en het onbegrip daarover.

Haar negende en voorlopig laatste bundel Bedrieglijke dagen (2008) opent met het titelgedicht ‘Een bedrieglijke dag’. Typisch een Knibbe gedicht gebouwd op het schema van licht en schaduw. Een vrij vers. Een zonnige dag die begon met zoveel blauw. Een dag waarop “zwaluwen begonnen/ muggen te ziften, vlogen de diggelen/ van de dag aan elkaar en vrouwen op/ zondagse hakken omarmden// hun tassen.[…] er kwam iemand/ voorbij, krom van het jichtige/ leven, die groette: vrede zij.//” Er volgt een aantal gedichten met een vergelijkbare strekking. Enige scepsis kan Knibbe niet ontzegd worden. De ik in haar gedichten voelt zich voortdurend aangevochten door het leven. Doel en zin ervan is niet altijd duidelijk voor de ik. Hij probeert het kleine geluk op het spoor te komen. “Het is altijd toch altijd/ dringen op weg naar een ergens// wezen we ver voorovergebogen./” De moeizame ratrace naar het doel dat geen doel blijkt te zijn. De afdeling ‘Huidig’ vertelt over onze illusies omtrent vrijheid, veroudering en liefde. De jaren zestig en zeventig met al zijn uitbundige flowerpower schemert door de verzen heen: “Kijk die foto’s, hoe we ons destijds/ vertoonden: flowerpower met reusachtige/ brillen en alles zat onder het grote// geluk.?” De illusie van een tekening met Caran d’Ache kleurpotloden tovert “een jonge bekende/ die er weer aankomt, die je niet uitgomt.//” Ook in deze bundel situaties die laten zien dat “the end is where we start from”. Op een plek die geen plek is, waar het oude het nieuwe opheft. Knibbes levensvisie schuilt in een versregel als “wij zijn blijven// steken in onbegin, in permafrost zonder/ kou, we bewegen beneden het absolute/ nulpunt waar geen kleumen meer is, bewaren// een stilte die onbewogen de stilte niet is.//” De bundel eindigt met en serie gedichten die gewijd zijn aan de laatste periode uit het leven van de moeder van de dichteres.

Deze keuzebundel van Hester Knibbe vertegenwoordigt een rijke verzameling van gedichten die op velerlei wijze de vergankelijkheid van het leven tonen. Het bij de tijd willen leven. Haar behoefte de tijd te vereeuwigen maakt dat ze schrijft in tegenstellingen en paradoxen. Haar zinnen soms niet voltooid. Ze maakt in haar vrije verzen veel gebruikt van verrassende enjambementen. Haar beelden zijn zeer aansprekend. Persoonlijke ervaringen en belevenissen heeft ze op een behoedzame wijze ingevlochten. Nergens komen sentimentele of larmoyante passages tevoorschijn. Haar toon is zuiver en haar waarneming scherpzinnig. Een absolute aanrader voor elke poëzieliefhebber die van geserreerde poëzie houdt die in de ware zin van het woord klassiek is te noemen. Ze verdient met haar poëzie meer waardering dan ze tot nu toe heeft gekregen.