Recensie van Alleen van kale reizen kom je thuis - Erwin Steyaert

Een krachtige roffel op de borstkas van de taal

Erwin Steyaert
Alleen van kale reizen kom je thuis
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339287
€ 17,50
96 blz.

Alleen van kale reizen kom je thuis is het omvangrijke debuut van Erwin Steyaert. De bijna vierkante bundel met een vrijwel witte omslag doet me denken aan het witte album van de Beatles. Een unicum destijds, zo’n dubbel-lp. Er was blijkbaar materiaal te veel voor een gewoon album, hoewel de heren op de derde en vierde kant af en toe het spoor behoorlijk bijster waren. De bundel van Steyaert kent maar liefst zeven afdelingen, die telkens openen met een cursief gezet titelgedicht. En dan krijgen we ook nog eens een losstaand openingsgedicht en slotgedicht cadeau.

De eerste afdeling is nogal ingehouden van toon. ‘Sedentair’: met een vaste verblijfplaats of standplaats. Zoals zoveel schrijvers onderzoekt Steyaert hier zijn huis van herkomst, met portretten van ‘Moeder’ en ‘Vader’, en het onvermijdelijke vertrek in ‘Leegstand’: ‘Geen steen wrikte ik los. Ik raakte niet / buiten. Dit pand blijft mij kraken.’

De afdeling ‘Cyclus’ gaat over de vrouw, over het vrouwelijke, over hoe de man tegen de vrouw aankijkt (opkijkt). Een geweldige gedichtencyclus. Het tweede gedicht hieruit is gewijd aan Molly Bloom, en wordt uitgebreid besproken op Ooteoote.nl. Laat ik me hier beperken tot de laatste twee gedichten uit deze afdeling: ‘Wat wil ze’ en ‘Wat ze niet wil’. Das Ewig-Weibliche (Goethe), ‘Was will das Weib?’ (Freud). In het hilarische eerstgenoemde gedicht probeert de ‘ik’ zich aan de grillen van zijn geliefde aan te passen, omdat ze hem ge-sms-t had: ‘Ik voel me niet op mijn gemak bij je’. Het eind van het liedje is, dat ‘ik’ gekortwiekt en gemuilkorfd op de bank ligt, terwijl zij zich verlustigt aan zijn dagboeken, ‘Je riep bars mijn naam en braaf en kom.’ Heel anders van toon is het gedicht op de tegenoverliggende bladzij. ‘Ik wil geen dichter, zegt ze.’ Om vervolgens in lyrische taal te schetsen wat ze wel wil: ‘Ik wil een man / die naar de poolnacht reist / op een hengst van licht // en bij zijn thuiskomst het donker / aan mijn voeten legt.’

De keerzijde van het vrouwelijke is het mannelijke. Steyaert durft ook dit onderwerp aan te snijden. Elegant is het, dat hij de afdeling ‘De droefheden van een man’ niet direct op ‘Cyclus’ laat volgen. Tussendoor belanden we in ‘Stalking the dead’, dat merkwaardig genoeg een Engelse titel draagt. In deze afdeling een aantal zeer uiteenlopende gedichten over dood en ouderdom. Het gedicht ‘Alzheimer’ is een ontroerend portret over een zoon en zijn verwarde vader, geschreven als variatie op de ‘Erlkönig’ van Goethe: ‘Een zoon draagt zijn vader, legt hem in bed. / Pillen. Een beker. Zijn hand houdt hem recht. / Vader glijdt kalm in de gleuf van de nacht, / slaapt weerloos zijn slaap, bij leven al dood.’ In het tweeluik ‘Le roi se meurt’ eert de dichter Hugo Claus. Een aparte vermelding verdient ‘Niet de kraaien, Vincent!’ Om nog iets toe te voegen aan alles wat over Vincent van Gogh geschreven is moet je als dichter een behoorlijk bord voor je kop hebben. Of een gezonde dosis lef. Op Steyaert is absoluut het laatste van toepassing. Geen Don McLean-achtige romantiek. Maar een frisse confrontatie met één van Van Goghs laatste werken. ‘De weg slaat een wig in het veld. Geknakt / loopt hij dood in het graan. Geen vogelschrik.’ (…) ‘Niet de kraaien, Vincent. Het is de maaier. / Hij komt uit de verf in het graan.’ De overschakeling naar een ander , meer romantisch ogend schilderij is verrassend. Maar de romantiek is schijn: de maaier is ook de man met de zeis.
Dat de moderne man het niet makkelijk heeft mag duidelijk zijn. Steyaert schetst in krachtige taal de dilemma’s en ontsporingen. Over de man die stiekem naar jongetjes kijkt: ‘Ik veracht mezelf tussen de struiken, / om jongens met geschaafde knieën’. Over de kroonprins die droomt van kracht en macht: ‘Koningschap knettert in mijn knoken. (…) Door het land draven op de volbloed / van mijn lust.‘ In ‘Moordkuil’ wordt een metafoor uitgewerkt die treffend in de eerste regels wordt neergezet: ‘Gesnurk. De man teruggebracht / tot zijn staat van varken.’

Nieuwe mannen

De vaders zijn moe. Altijd de man afzweren
die de kop opsteekt in ochtendstijfheid.
In lunchpauzes vegetarische slaatjes afwerken.
Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.

Als het huis voor hen alleen is, glijdt hun hand
onder hun schort. Hoe glad en haarloos zijn hun dijen.
Ze mijmeren op onopgemaakte bedden
van vrijgevochten dochters: over lot en chromosomen.

Hoe zitten ze gevangen in hun wol. Hoelang kunnen
ze hun haar nog in een staartje. Een gaatje in hun oor.
Met hun kopstem vermanen ze ongetemde zonen,
springen hen voor door brandende hoepels.

Op het aanrecht lezen ze de bijsluiters van pijnstillers.
In het glas bruist de branding van een Pacific.
Vergeefs spoelen ze het zout uit hun migraines.
Een eiland verdwijnt altijd eerst aan de randen,

maar vent zijn blijft een zeer voor het leven.

Van vorm of klank moeten de meeste gedichten het niet hebben. Maar veel beelden zijn sterk, en met een minimum aan middelen neergezet. ‘Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.’ Je ziet de bijpassende man onmiddellijk op je netvlies. Wel zijn er mooie associaties, feitelijk een vorm van beeldrijm. Zoals in de vierde strofe, waarin het bruisen van de pijnstiller een oceaan oproept, en die op zijn beurt weer een eiland. Zo ook staartje – (ver)manen – brandende hoepels.

In de afdeling ‘Trojaanse vrouwen’ vinden we gedichten als ‘Aisha’ (over de steniging van een onschuldig Somalisch meisje dat slachtoffer was van verkrachting), ‘Srebrenica’ en ‘De moeder van Beslan’. Poëzie en wereldpolitiek, kan dat wel samengaan? Bij Steyaert echter geen goedkope knieval naar de actualiteit. Het is eerder de werkelijkheid zelf die met geweld zijn gedichten binnendringt.

De moeder van de zelfmoordterrorist

Ik verzamel hem in mijn bed.
Hoe hij mijn buik opblies en later
hoe hij was als kind, voetbal spelend
met een blik in de steeg, snoep stelen

bij blinde marskramers. Hoe hij begon
te ruiken naar een man, gedachten kreeg
die ik niet begreep. Elke nacht puzzel ik
hem samen. Verwrongen klinknagels

haal ik uit zijn vlees, stapel ze in mijn bed.
De brandgeur spoel ik weg met rozenwater.
Mijn kam vol vragen haal ik door zijn haren.
Ik tel zijn tenen, overtuig mezelf ervan

dat niets ontbreekt. Dan hou ik me stil.
Ik weet: zolang ik niet aan hem denk,
blijft hij gaaf. Goed dat ik hem vergeet
of hij explodeert weer in mijn herinnering.

Adem na adem zoek ik rust op mijn spijkerberg.
Maar steeds opnieuw dat radioverslag:
alleen stoffelijke schade, geen slachtoffers.
Woede davert in de keel. Mijn verzet

haalt de slagpin over. Hoe hou ik hem heel?

Daags na de bloedige aanslag in Manchester komt dit gedicht extra hard binnen. Misschien is bovenstaand gedicht geïnspireerd op de knullige zelfmoordaanslag 24 juli vorig jaar bij een popfestival in Ansbach. De dader was daarbij de enige die het leven liet, in tegenstelling tot de aanslag in Manchester. Indrukwekkend hoe Steyaert dit onderwerp van binnenuit en zelfs met compassie belicht, door in te zoomen op de moeder van de zelfmoordterrorist. Vanaf de dikke buik van haar zwangerschap tot het wanhopige verdriet na zijn dood. Raak gekozen woorden. De ‘blinde marskramers’ roepen direct het beeld van een Oosterse markt op, het ‘blik in de steeg’ schetst de armoe, en het tellen van de tenen roept associaties op met de jonge ouder die kort na de geboorte zijn ogen niet geloven kan (‘Even kreeg ik kriebels in mijn keel / maar je had geen pink teveel’ – Herman van Veen).

En dan hebben we nog twee hele afdelingen tegoed. Jammer. In ‘Koningsmasker’ beschouwingen over het moderne leven met spitse titels als ‘SK8 2 HEAVEN’ en ‘Viagraman’, en een swingend gedicht over slammen: het valt allemaal een beetje uit de toon. ‘Sedimentatie’ grijpt terug op de eerste afdeling, maar ik mis het vuur en de zeggingskracht uit de rest van de bundel: ‘Er valt wat voor te zeggen, / of juist niets, als we zo de trap opgaan, // altijd zo beheerst, zo machteloos / beleefd de ander laten voorgaan.’

Toch is deze witte bundel een buitengewoon geslaagd debuut. Een laat debuut ook, als we kijken naar zijn staat van dienst. Misschien dat daarom ook deze bundel wat uit zijn voegen gegroeid is. Maar wat zou het mooi zijn als Buddingh’ volgend jaar zijn oog op een dichter als Steyaert liet vallen. Niet een man die de taal ontregelt, volgens de regels van de mode van de dag. Niet een fijngeslepen talent van de schrijversvakschool. Maar een man die iets te zeggen heeft, en zijn woorden tot stoere taalbaksels kneedt.

***
Erwin Steyaert (1959, Brugge) studeerde Klassieke Filologie en Filosofie in Gent en Leuven. Hij publiceerde onder andere in de ‘Poëziekrant ‘en ‘Het Liegend Konijn’ en won diverse poëzieprijzen, waaronder de Melopee Poëzieprijs, de prijs voor het beste gedicht dat het voorbije jaar in een Vlaams literair tijdschrift werd gepubliceerd. Veel van de gedichten uit zijn debuut bereikten de Turing Top 100, waar Steyaert in 2013 met maar liefst zeven gedichten in was vertegenwoordigd. Vanaf 2011 maakt hij deel uit van de Belgische dichtersgroep Pazzi di Parole, waarmee hij in 2015 de gezamenlijke bundel ‘Een kier in het rumoer – Handleiding voor het betrappen van stilte’ uitbracht.

Recensie van Erbarme dich - Marleen de Crée

‘Leven is een verblijf’

Marleen de Crée
Erbarme dich
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339263
€ 24,50
83 blz.

Zopas verscheen Erbarme dich, een nieuwe dichtbundel van Marleen de Crée (1941). Het werk is echter meer dan een dichtbundel, het is een Gesamtkunstwerk. In een intrigerende inleiding gaat Johan van Cauwenberghe op zoek naar de oorsprong van de titel, en hij staat stil bij de relatie tussen lijden, medeleven en kunst. Zijn korte verkenning gaat niet alleen over de gedichten van Marleen de Crée, maar ook over muziek en visuele kunst. In het spoor van Francis Bacon betoogt hij dat elke kunstenaar ‘het mysterie’ moet uitdiepen. Hij verwijst naar o.a. het werk van Bach, Goethe, Goya, Grosz en enkele oorlogsdichters. Kunst is voor de essayist ‘de ultieme plek waar er zinvol weerwerk kan worden geboden tegen elke vorm van onderdrukking en geweld’ (11).

Marleen de Crée zelf gaat een gesprek aan met een aantal sculpturen van Berlinde de Bruyckere (1964), in beeld gebracht door fotografe Mirjam Devriendt (1961), en de gedichten werden in het Engels en het Frans vertaald door Willem Groenewegen en Frans de Haes. Het Gesamtkunstwerk doet me aan middeleeuwse kathedralen denken, sculpturen komen immers tot leven in de ruimte en in de gedichten van De Crée is één van de kernwoorden licht. Licht en schaduw zijn bepalend voor de visuele verbeelding, vooral voor de beleving van sculpturen. In 2000 maakte ik voor het eerst kennis met de verminkte paarden van De Bruyckere in het museum In Flanders’ Fields (Ieper), en daar viel mij al het erbarmen op. Niet alleen de mens heeft geleden in de alles vernietigende offensieven die de Westhoek in een slijk- en bloedvlakte hebben veranderd.

De waanzin van de vernietigende mensenmassa wordt in tien sonnetachtige gedichten aangeboord, en ik citeer meteen enkele centrale begrippen: gescheurd, versmacht, verbeurd (23), het al vernoemde licht (29, 35, 41, 59, 65), dicht (29), schaamte, onschuld, geduld, gedoofd (41), wit (47), de museumkleur par excellence, bloed (53)… en ook stilte en het hart vallen op. In de gedichten vallen binnenrijm en assonantie op: gescheurd / verbeurd / gekleurd (23), licht / dicht, scheurde / gebeurde (29), licht / gewicht (35), hoofd / gedoofd (41), bedacht / nacht, omgespit / wit (47) – klankelementen die de gedichten mee structureren. In die zin zijn de gedichten van Marleen de Crée klassiek, hoewel ze niet voor duidelijke en repetitieve rijmschema’s heeft gekozen. Dichters maken altijd een keuze uit een groot aantal benaderingen van een thema dat hun menselijke gevoeligheid raakt. Erbarmen is één van de vele mogelijke benaderingen van hoe het was te sneuvelen in de IJzervlakte, en die relatie vergt een specifieke woordenschat, die sterk verschilt van het cynische vocabulaire van een toneelauteur als Karl Kraus en van de zakelijkheid van een historicus, zelfs al zouden Kraus en een historicus het met Marleen de Crée eens kunnen zijn dat ‘leven een verblijf is’ (71).
De – in humanistische zin – belangrijke vragen betreffen uiteraard de status van dat verblijf en of die status alleen voor de mens geldt of ook op ander leven van toepassing is. Verschilt het schichtige paard van de schichtige mens die in de loopgraven zijn persoonlijkheid dreigt te verliezen? Is de pijn van de paarden of de honden die een kanon trokken een ander soort pijn dan die van de mens die in zijn ellende naar het niets verlangt: ‘de lichten werden gedoofd / maar gods adem scheurde / hem in repen. hij had // het niet gehaald, dacht hij. / op de vaalt straalde een volgende / dag waarop weer niets gebeurde’ (29). Het net niet drijft zelfs de meest lankmoedige naar de schaduwzijde van het verblijf, de nachtzijde waar de ogen ‘dicht groeien’ (29) en waar de gedachte aan ‘toen was er nog licht’ (29) ondraaglijk wordt.

De vrouwenfiguur op bladzijde 33 (Hanne) is wellicht een ander soort oorlogsslachtoffer. Ze verschuilt zich achter haar lange haren en de beeldhouwster heeft haar in zijprofiel verbeeld. Is ze de strijd tegen haar demonen aan het verliezen? Wie belaagt haar ‘terwijl ze daar in het licht / staat. terwijl, met een gladde rug, / gespoeld, wit en roerloos. / terwijl er stilte in de wereld lekt. // ze schreeuwde niet. zeg het. iets klopt / in deze kamer op de muur. / terwijl je handen met een leeg gebaar / en zonder kind. ik wil terug. / ik wil voorbij dat witte gewicht / de schaduw plukken uit je haar. / het schroeit de uren dicht, bedekt ons // met een donker en dorstig vuur. / je lied is luid en niet te tillen. / rondom valt het hart in stukken’ (35). De confrontatie met het kwetsbare ik drijft veel mensen in een uitzichtloze eenzaamheid – ook dat is oorlog. En hebben we daar voldoende aandacht voor, voldoende begrip, voldoende erbarmen? En tastbare wonde zet de zintuigen onmiddellijk op scherp, maar een ‘gladde rug, / gespoeld, wit en roerloos?’ Wie ooit de repetitieve bewegingen van vrouwen met een gladde rug in nu bijna vergeten eilanden der ziel heeft geobserveerd, weet dat de voor de buitenwereld stille vijanden dieper en pijnlijker wonden maken dan een op hol geslagen stormfuselier. De Zweedse historica Karina Johannisson heeft dat overtuigend aangetoond in Den mörka kontinenten (1994) en Den sårade divan (2015). Het leven en het werk van de door haar bestudeerde kunstenaressen tonen aan dat het menselijke lichaam, het leven als verblijf, vaak op drijfzand is gebouwd en dat het erbarmen vaak veel te lang uitblijft. Maar niet alleen vrouwen met een ‘gladde rug’ vechten vaak tevergeefs tegen demonen. Marleen de Crée en Berlinde de Bruyckere hebben ook een man verbeeld die zijn plaaggeesten niet op een veilige afstand kon houden:

‘…
iemand had hem bedacht. ergens
tussen de wolken had hij hem gezien.
met gesloten ogen en open hand
was hij eraan begonnen nacht

over een mens te storten. toen had hij
zich vegist. in al zijn ijver sloop zijn
twijfel, zijn misschien. hoever, hoezeer

een deinend leven hem had omgespit,
hoe hij naakt en opgerold zich nergens
meer kon vinden dan in een vredig wit’ (47).

Sta me toe toch ook aandacht te vragen voor de paarden, die sierlijke dieren met breekbare poten en schuwe ogen. De Bruyckere heeft de dieren in de ruimte geworpen, één en al existentie waaruit de essentie bijna is verdwenen, en De Crée heeft hun aanwezigheid – hun verblijf – als volgt verwoord:

‘paarden hebben de schansen van
de schaamte bestormd. toen. met
vochtige ogen vol transparante onschuld.
het trillend lijf, voorwaarts, nooit terug.

zij vulden leven in op de lijst
van hun wensen, vurig en snel,
met het gewicht van een mens op
de rug. zo werd de wereld licht.

als zij vallen wordt de aarde zwart.
vloeibare manen. het hart verbaasd
wiegen zij het hoofd, zoeken het land.

zij vallen met het onbegrensde geduld
van liefde. leggen de hoofden aan de kant.
aan de hemel worden de sterren gedoofd’ (41).

Voor wie werd ‘de wereld licht’ en voor wie ‘wordt de aarde zwart?’ In hun lijden stijgen ze zelfs boven de pijn uit, want ze vallen ‘met het onbegrensde geduld / van liefde.’ Ook voor hen was leven een (pijnlijk) verblijf. Zonder schaamte, zonder enige terughoudendheid hebben de beeldhouwster en de dichteres die pijnlijke levenswijsheid gevat. Als bewonderaar van visuele kunst en als gedreven lezer ben ik beiden dankbaar voor hun erbarmen.

Recensie van Eistijden - Geert Viaene

Het geheim van de witregels

Geert Viaene
Eistijden
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339201
€ 18
96 blz.

Geert Viaene (1963) won in 2015 met zijn gedicht ‘En dan is alles anders’ de tweede plaats in de bekende Turingwedstrijd. In 2016 kwam zijn bundel Eistijden uit, waarin beslist meer gedichten staan die de moeite waard zijn dan dat ene, aan de hand waarvan ik meende zijn – niet per se Vlaams aandoende – poëzie te kunnen bespreken. Maar ik vrees dat het mislukt is. Hoe kon ik ook denken dat één gedicht als een fractal de hele handtekening van een schrijver kan bevatten! Stom natuurlijk. Niettemin: het kwaad was al geschied. Mijn eerste indruk was gevormd; en die laat zich geen twee keer vormen. Ik moet u verwijzen naar de bundel om meer te lezen. Mijn poging tot een recensie wil ik u echter niet onthouden. Die ging als volgt (voorafgegaan door een ietwat Kuifje-achtige titel):

HET GEHEIM VAN DE WITREGELS

Geert Viaene is een prettige dichter. Je denkt als lezer meestal dat je hem begrijpt en dat geeft zelfvertrouwen. Maar dan lees je nog eens en dan wordt het lastig. Er is iets weerbarstigs, dat zich weigert over te geven aan de gemakzucht van een vanzelfsprekende interpretatie. Something rotten in our state of mind? Misschien… Moeilijk te zeggen, maar gelukkig zijn daar nog de witregels om naartoe te vluchten:

IN DE WITREGELS

is er eerder iets dan niets. Daarom
zwijgen wij er op los. Ik onderbreek

jou nu niet meer, mama, spreek op.
Doe gewoon alsof je ergens anders

bent en dat je mij vergeet, dat je mij
vergat begrijp ik, want jij denkt dat ik

nog steeds jouw kleine jongen ben.
Jij bent even oud als toen de aarde

onder mij verdween. Ik wist, jij blijft
niet in die houten kist. Kwinkslagen

in jouw woordenschat heb jij in mij
geweven. Jij krikt mij op. Jij zweeg.

Zoals er leven vóór de dood is, zo is er ook in de witregels eerder iets dan niets. Een fraaie logica waarmee het mogelijk blijkt – in dit gedicht althans – de doden te laten spreken. Maar dat is niet meteen duidelijk. Aanvankelijk kan een lezer nog denken dat het om een levende moeder gaat. De dichter houdt de spanning erin. Pas bij de zin ‘Jij bent even oud als toen de aarde onder mij verdween’, wordt het menens. En de zin daarna laat er ook geen misverstand over bestaan. Of toch? Ik kom op deze kwestie nog terug.

‘Ik onderbreek jou nu niet meer, mama, spreek op’, schrijft de dichter. Dat lijkt even een heel gewone zin, maar blijkt na het lezen van de rest van het gedicht paradoxaal. Want hoe kan een dode onderbroken worden? Door hem tot leven te wekken misschien? Inderdaad gebeurt dat bijna. ‘Spreek op’ klinkt in zijn aanmoedigende toon haast als een gebiedend ‘sta op’. Een uitspraak die aan het verhaal van Lazarus doet denken.
De ik-persoon maant zijn moeder verder ‘gewoon te doen alsof ze ergens anders is’. Ergens anders ook in de betekenis van ‘anders zijn’ en ‘niet nergens’ zijn. Het grappige van deze zin is dat hij zowel waar als onwaar is. Overdrachtelijk gesproken hoeft de moeder niet eens te doen alsof ze ergens anders is, want dat is ze al (nl. in het fictieve land van de doden). Maar letterlijk bestaat ze niet meer: is ze feitelijk nergens. Dat maakt deze schijnbaar eenvoudige taal verwarrend. Heden en verleden, en bijna alles in dit gedicht loopt door elkaar en de dichter – zoals altijd – speelt zijn kostelijk spel met woorden ten koste van de oriëntatie van de lezer.
Ook de regel die het ‘dood-zijn’ van de moeder ‘onomstotelijk’ zou bevestigen (omdat op het moment dat de aarde onder de voeten van de ik-figuur verdwijnt haar leeftijd voor altijd wordt vastgelegd) blijkt uiteindelijk ambivalent. De aarde verdwijnt ook onder ons als we in een opstijgend vliegtuig zitten en daar zit (meestal gelukkig) helemaal niets dramatisch in. Hoe hoger iemand komt hoe meer de aarde onder hem verdwijnt. Misschien bereidt de dichter met deze beschrijving van een soort ‘hemelvaart’ de laatste regel voor, waarin de ik-persoon wordt ‘opgekrikt’ (omdat zij zweeg).
Om te begrijpen hoe zwijgen iemand kan opkrikken moeten we bedenken dat hoog en laag relatieve begrippen zijn, net als groot en klein. Wie zwijgt maakt zichzelf in zekere zin kleiner (lager), minder belangrijk, en geeft een ander daarmee de kans belangrijker (hoger), groter te lijken. En dat is ook wat witregels doen: ze staan de lezer toe in het nederige ‘niets’ van hun leegte ‘iets’ te lezen; iets misschien wel van hemzelf! En wat is bevredigender dan dat? Een lezer die een beetje het gevoel krijgt zelf aan het woord te mogen komen voelt zich uiteindelijk meer serieus genomen, toch? Zo zwijgt een dichter wat doodgezwegen in ons leeft eruit! Alle geschreven en ongeschreven wereldliteratuur! Nu ja, terug naar het gedicht. Wanneer de dichter het over de kwinkslagen in de woordenschat van zijn moeder heeft weet hij dat hij ze (alleen al door dat te zeggen) in zijn poëzie weeft. Eén van de mooiste bewaarde hij voor het eind: ‘Jij zweeg.’ Een geweldige vondst! De moeder liet haar zoon ooit uitspreken: ze zweeg; ze zweeg ook op het moment dat ze stierf; maar nu, door de verleden tijd van een woord, zwijgt ze in dit gedicht niet meer. 

Signalementen 2017 / 1

Samuel Vriezen, Netwerk in eclips

Netwerk in eclips gaat over poëzie in het digitale tijdperk. Leidraad vormen de bewerkte posts op Vriezen vindt … , de weblog die hij bijhield van 2006 tot 2013. Op het voorplat staat onder de titel de typering ‘essay’, maar dat is misleidend. Mijn eerste associatie was die met het ‘pak van Sjaalman’ uit de Max Havelaar: in zijn boek wisselt Vriezen poëzie af met essays en ‘passages’ over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals geëngageerde poëzie, eigenschappen van blogs, netwerkpoëtica’s en de lezer, waardevolle muziek en literatuur die ‘unboring boring’ zijn, honderd zinnen over Arjen Duinker en Jeroen Mettes, Thoreau en burgerlijke ongehoorzaamheid en de interpretatie van de laatste, lege post van Jeroen Mettes.
De teksten zijn gegroepeerd rond vier kernen: de werking van taal en poëtische vorm, ‘netwerkpoëtica’s’ en de implicaties daarvan, het ontstaan van subjectiviteit en ‘artistieke projecten die botsen met de (politieke) werkelijkheid en veelal stuklopen.’ Je hoeft het boek niet per se lineair te lezen: net als op internet maak je je keuzes op grond van het moment, je stemming, interesse et cetera.
Het is een aantrekkelijk boek, niet in de laatste plaats omdat de auteur regelmatig discussie uitlokt. Zo schrijft hij op p. 99: ‘Poëzie ontstaat niet uit reeds klaarliggende gedachten die dan verwoord worden of uit onderwerpen die behandeld worden in een bijzondere stijl.’ Hier generaliseert Vriezen. In een noot bij een betoog waarin hij zich afvraagt of er gevaarlijke poëzie bestaat, zoals weleens wordt verkondigd, schrijft hij: “Mohammed Bouyeri droeg het gedicht ‘In bloed gedoopt’ op zijn lijf, in de hoop door politiekogels doorzeefd te zullen worden na Theo van Gogh te hebben vermoord. Het bevat regels als ‘Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen / Je zal zeker het loodje leggen.’ Dat is wel degelijk poëzie.” Het lijkt me een schoolvoorbeeld van poëzie die wel op deze manier is ontstaan.

***
Samuel Vriezen (2016). Netwerk in eclips. Wereldbibliotheek, 349 blz. € 29,99

 

Frans Kuipers, Geen ander antwoord

Aan de nieuwe bundel Geen ander antwoord van Frans Kuipers gaat een citaat van Borges vooraf, waarin hij stelt dat poëzie ontstaat in de omgang van het gedicht met de lezer. Dat is natuurlijk zo, maar als je die probeert in te palmen, kan het mislopen. De valkuil van Kuipers is zijn behaagzucht: ‘[Ik] zei de gek zal u zeggen waar het om gaat: / een paar regels recht voor zijn raap, / het duister in dichterlaaie te zetten.’ Ik zei de gek. In dichterlaaie. Hij laat hier zijn ambities zien, maar doet dat op bescheiden, goedmoedige wijze: hij is maar een gewone jongen. Een gevoelige dromer is hij ook: ‘Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied’. En grappig: ‘Nooit wordt Kuifje ouder. / Niets brandt in het donker gouder/ dan eerstelieven lang geleden / hoezeer ook dikke tantes heden.’
Tot slot toont hij met enige zelfspot een deemoed die het in spirituele kringen ongetwijfeld goed doet: ‘Ik ben maar een eenvoudige, door de wringer van de zee gehaalde, / veelmaals verdwaalde dienaar van de Glimlachende zonder Gezicht.’

De bundel zou beter zijn geweest zonder deze behaagzucht.

***
Frans Kuipers (2016). Geen ander antwoord. Atlas Contact, 64 blz. € 21,99

 

Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (samenstelling), Aan de andere oever van het verlangen

Aan de andere oever van het verlangen is een uitgave van PEN Vlaanderen. De ondertitel luidt: ‘Arabische auteurs verleiden Vlaamse auteurs’ en dat is precies wat er gebeurt. De bundel bestaat uit paren van verhalen en gedichten. Ieder paar begint met een Arabische auteur en wordt gevolgd door een Vlaamse. De titels maken nieuwsgierig: Alhadi Agabaldour (Soedan, 1971) schreef het gedicht ‘De gekke papegaai’, Delphine Lecompte volgt met ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. In die nieuwsgierigheid word je niet teleurgesteld. Soms zijn de paren thematisch aan elkaar verbonden, soms ook inhoudelijk. Een voorbeeld van dat laatste zijn de gedichten van Adnan Adil (Irak, 1971) en Annemarie Estor. Op Adils lange gedicht ‘Een lichaam bemest met de verwachting van Larissa en het ei van Gilgamesj’, reageert zij met een eveneens lang gedicht dat ongeveer dezelfde vorm heeft: ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’. (In de inhoudsopgave staat gek genoeg een variant op deze titel). Adil – of beter: zijn lyrisch ik – heeft een gedicht voorgelezen, waarin een passage voorkomt die door het ‘ik’ van Estor wordt geciteerd: ‘De aarde heeft een luik openstaan / Daar kijk ik door naar de echtheid.’ Hij snapt niet dat zij daar bang van wordt, hij beseft niet dat zij die passage verbindt met zijn ogen die ‘glanzen als ruwe olie’, die ‘de galblaas van de nacht’ hebben geroken, ‘de bodem’ hebben gezien, die ‘ooit [zaten] ondergedompeld in de inktpot van de lasteraar.’ Maar die ogen ‘zijn vrolijk tegelijk.’ Hebben pijn en vreugde een geheime relatie met elkaar?

Een aanrader, deze bundel.

***
Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (2016). Aan de andere oever van het verlangen. Uitgeverij P, 86 blz. € 16,50.
De opbrengst van dit boek gaat naar twee projecten van PEN Vlaanderen.

 

Mark Meekers / Marcel Rademakers, Alleen in een lied kan ik wonen

In de periode 1955 tot ongeveer 1970 schreef Mark Meekers – het alias van Marcel Rademakers – een indrukwekkende hoeveelheid ‘poëtische chansons’ die hij zelf uitvoerde. De muziek was leidend bij het schrijven van de teksten en dat is een wezenlijk onderscheid met poëzie, die veelal bedoeld is om te worden gelezen. Dat neemt niet weg dat er een wisselwerking plaatsvond tussen Meekers’ chansons en zijn gedichten; hij zal zich ongetwijfeld kunnen vinden Gerbrandy’s uitspraak ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. Meekers schreef zelf een inleiding en onder zijn eigen naam, die hij als beeldend kunstenaar gebruikt, illustreerde hij het voorplat – sober en mooi. Een CD is meegeleverd, zodat de lezer die Meekers als zanger niet kent een goede indruk krijgt.
De chansons uit de tweede helft van de zestiger jaren vormen een herkenbaar tijdsbeeld: het is de tijd van de protestsongs van Bob Dylan, Boudewijn de Groot en anderen. In Vlaanderen was de macht van het episcopaat voor de meerderheid van de bevolking nog overheersend. Jongeren van de generatie ’68 verzetten zich daartegen en Meekers was een van hen, maar niet per se vanuit een anti-religieuze houding.
In zo’n omvangrijk oeuvre vind je natuurlijk veel meer dan protestsongs. Meekers bezingt het platteland op een weemoedige manier en toont zich daarmee verwant aan chansonniers als Jacques Brel en Ede Staal. Ook de stad is een bron van inspiratie, met name Antwerpen: ‘Ach, mijn stad, mijn stad, Sinjorenstad, / Havenstad, wonderstad’.

Het is lang geleden dat Meekers zijn laatste chansons schreef. Misschien komt het er opnieuw van als Antwerpen hem de functie van stadstroubadour aanbiedt.

***
Mark Meekers / Marcel Rademakers (2016). Alleen in een lied kan ik wonen. Concept, 160 blz. € 20,00

 

Germain Droogenbroodt, De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo

De efemere bloem van de tijd is een Nederlands-Spaanse bundel; de Spaanse versie schreef Droogenbroodt in samenwerking met de auteur Rafael Carcélen García. De bundel maakt al nieuwsgierig voor je hem hebt opengeslagen, want op het achterplat staat een intrigerend citaat van dichter en uitgever Thachom Poyil Rajeevan, mogelijk uit een brief aan Droogenbroodt: ‘Uw gedichten bevatten een serene diepte en kennis, een zeldzame kwaliteit in de hedendaagse internationale poëzie. Alleen Tagore benadert de manier waarover u over het woord mediteert.’ Tagore, de winnaar van de Nobelprijs 1913!
De Spaanse dichter, die ook het voorwoord schreef, acht Droogenbroodt eveneens hoog. Hij vindt hem een dichter van dezelfde hoogte als Celan, van wie hij niet alleen de overvloedige diepzinnigheid, vernieuwende lyrische stijl en stilte ‘perfect [heeft] geassimileerd, maar ook verrijkt heeft met het legaat van de taoïstische, hindoeïstische en boeddhistische tradities die hij in zijn werk doet samenvloeien.’
Die loftuitingen zijn vooralsnog wat overdreven. Strofen als de volgende komen bij Celan en Tagore niet voor: ‘Zoals de dag naar het morgenrood hunkert / zo hunkert ook het witte blad / naar het woord.’ De dag hunkert dus naar het begin van de dag. Vreemd. Of zou de voorgaande dag al naar de volgende hunkeren? Dat zou kunnen. Maar het woordje ‘ook’ maakt de strofe onzinnig. Vergelijk hem met een zin als: ‘Zoals hij hunkert naar het morgenrood, zo hunkert ook zij naar frisse lucht.’
Desondanks kan de bundel aantrekkelijk zijn voor mensen die houden van Oosters aandoende poëzie. Een van zijn ‘Reflecties’: ‘Het water dat zichzelf niet laven kan / berust er zich in / water te zijn.’

***
Germain Droogenbroodt (2016). De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo. Point-Editions & Boekenplan, 167 blz. € 15,90

 

Ron Elshout, In het voorbijgaan

In de nieuwe bundel van Ron Elshout staat een reeks van zeven gedichten over de schrijver Georges Perec. Het derde heeft als titel: ‘Al het andere’:

‘Het is de ervaring gevat
op het niveau van de omgeving
waarin het lichaam zich beweegt,

de handelingen die het doet,
heel de alledaagsheid die samen-
hangt met de kleren die je
draagt, het voedsel dat je eet,
de reizen die je maakt, hoe
je je tijd besteedt en hoe je
de ruimte verkent.

Al het andere blijft ongezegd –‘

Dit gedicht had geschreven kunnen worden als een karakteristiek van Elshouts werkwijze in deze bundel: hij schetst een zelfportret, in de eerste plaats door het beschrijven van personen – veelal vrouwen en meisjes – die hem lief zijn of waren. Daarnaast dicht hij over kleine wederwaardigheden uit het dagelijks leven, over musici, schrijvers en dichters die hij bewondert en, via natuurobservaties, zijn ‘winterse geest’.
De poëzie overstijgt het autobiografische. Het eerste gedicht, ‘Een opdracht aan mijn vrouw’, eindigt met de veelbetekenende regels: ‘Maar deze opdracht is voor andere ogen: / dit zijn eigen woorden aan jou in ’t openbaar.’ Hier spreekt een dichter die weet wat hij wil: hij maakt het persoonlijke herkenbaar voor de lezer en hij doet dat in ‘eigen woorden’ op een vormvaste, soepele manier die klassiek aandoet.
Enkele van die liefdevolle portretten doen wat vlak aan. ‘Angeliek’, een reeks van vier gedichten, heeft teveel ‘ik vin je zoo lief en zoo licht’- formuleringen om me te boeien. Een voorbeeld: ‘De slanke lelieblanke aanschouwt, / mijmert, weifelt, schudt haar hoofd, / / waarna ik haar met licht omgeef / dat nabij haar elpenbenen zwanenhals // breekt in de glinstering van haar / oorbel. ( … )’.
Maar die gedichten zijn in de minderheid. In het voorbijgaan is een aantrekkelijke bundel.

***
Ron Elshout (2016). In het voorbijgaan. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks 37, 90 blz. € 15,95

Recensie van 'status, het is ingewikkeld' - Jana Arns

Teveel ondertiteling

Jana Arns
'status, het is ingewikkeld'
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339096
€ 17,50
46 blz.

‘Jana Arns (1983) is muzikante, fotografe én dichteres, en dat nooit los van elkaar’, lees ik in het voorwoord van haar debuut. Ojee! Foto’s met toelichtingen en die toelichtingen zijn dan de gedichten, of andersom?

En inderdaad: gedichten en foto’s die later bewerkt zijn. Bijzonder spijtig dat ik mij nooit heb kunnen vinden in zo’n keuze. In ieder geval niet voor in een bundel, wel voor aan een muur. En dat zegt alles over smaak en niets over talent. Dit vooropgesteld en ter verontschuldiging.

De titel is ook modern: ‘status: het is ingewikkeld’. Inclusief de aanhalingstekens. Hiernaast, op de voorkant, staat gelukkig geen foto van een Facebookpagina (op alle foto’s staat Jana Arns), maar wel van een vrouw, met haar rug naar ons toe, met een ingewikkelde asymmetrische vlecht in het haar en later is er op de foto ingewikkeld gekrast.

Dit blijkt de toon van de bundel te zijn. Het ligt er dik bovenop. In alle ernst en zonder ondertoontjes, mis ik wat het voorwoord belooft: ‘(…) Fijnzinnig weeft ze metaforen tot een inzicht over het alledaagse, dat zo diep gaat dat het een wolkje van het universele doet opwaaien.(…)’

Zo begint Arns haar openingsgedicht ‘Zondagavond’ met ‘Er is sneeuw op tv.’ en maakt zij grapjes als ‘Er is niets dat ik minder vat dan slaap (…)’ (‘Zoldipem II’) en ‘Ik beeldde me in dat ik leed / aan het syndroom van dichter.’ (‘Cultuurgewas’). Of zij kiest ervoor dit alledaagse ingewikkeld en met hetzelfde soort grapjes te verwoorden:

Ochtendritueel

Het vroege uur
krast een gelaat in ons gezicht
dat hulpbehoevend zoekt naar ogen

tussen cosmetica en theezakjes
overgoten met wallen.

(…)

Campus Jana

De nacht moet hier verdeeld
over te veel zalen. Het ziekenhuishemd
sluit niet aan. Laat staan de uren.

(…)

[Tel tot zen, zei de dokter … ]

Tel tot zen, zei de dokter,
tel tot er geen schapen over zijn.
Dat ik allergisch aan schapen ben,
slikte ik weg, met lichte overdosering

(…)

En hier gaat het dus over kanker: ‘Hier lig je / in agressieve vorm, / uitgezaaid in het ziekenbed.’ (‘Tante G’)

Het is moeilijk je te verdiepen in de thematiek als de vorm wat tegenstaat. Het is nog moeilijker te beseffen dat het hier over een debuut gaat, waarin duidelijk veel werk zit. Niet alleen een debuut is bij voorbaat kwetsbaar, maar dit algehele zelfportret ook. Misschien dat dit Arns ervan weerhield de flauwe grapjes achterwege te laten?

Hier en daar durft ze, eventjes: ‘Je komt bij me en hoest bijna leeg. / Ik sus je; we lijden allemaal aan onszelf, / zo ben ik de beste van de minste moeders,’ (‘Miniatuurouder’).
‘(…) Het huis is blind en de muren liegen. / Met nagels slaat ze braille in haar handen, / maar ze voelt niet meer en niet minder // dan de omhelzing van de zetel / in haar vertrek bij de nooduitgang (…)’ [‘Ze is verslaafd aan glas …’]. Helaas hiernaast een foto van Jana Arns met haar gezicht op een (getekende) tafel waar een leeg wijnglas op staat. Een mooie foto. Mooie bewerking. Als onafhankelijke creatie wat mij betreft zeer geslaagd. Als illustratie of zelfs onderdeel van het gedicht ligt het er allemaal weer net iets te dik bovenop.

Maar dan is daar, er van uitgaande dat ook dit een zelfportret is, ineens deze ontwapenende en hartverscheurende verklaring:

Verloren kogel

Ze heeft zichzelf zo vaak weggestemd
dat in haar kamer geen zin meer zetelt.

Soms hoor je er nog een woord
zijn betekenis missen,

een klinker een linkse uitdelen,
de megafoon zijn volume ontregelen.

Er klinkt geen opera
in de taal van deze vrouw:

binnensmonds,
zonder ondertiteling.

Ja, nu wil ik door die bundel heen schreeuwen: ‘Je bent je kogel niet kwijt! Je hebt al die ondertitelingen niet nodig! Wat ben ik benieuwd naar die tweede bundel zonder.’

***
Jana Arns (Gent, 1983) is muzikante, fotografe en dichteres, en dat nooit los van elkaar. Als muzikante is ze verbonden aan het ensemble Aranis, waarmee ze al 15 jaar concerteert in het binnen- en buitenland. Na haar studie klassieke muziek aan het Koninklijke Conservatorium in Antwerpen volgde ze een opleiding fotografie aan het Sask. Ze exposeerde in onder meer de Salons in Sint Niklaas en Museum M in Leuven. Als dichteres werd ze al opgemerkt in Poëziekrant, Meander, De Contrabas en de bloemlezing Het gezeefde gedicht. ‘Status: het is ingewikkeld’ is haar debuut.