Recensie van Wax Hollandais - Abdelkader Benali

Speelgoed, sportief verlies en literaire revanche

Abdelkader Benali
Wax Hollandais
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514675
€ 19,99
104 blz.

De dichtbundel Wax Hollandais van Abdelkader Benali is een waardige opvolger van Panacee uit 2006. Het is een uitdagende, gevarieerde bundel geworden. Gedichten over Nederlandse steden, over Marokko, over het huishouden en vaderschap, over culturele diversiteit en over het schrijven zelf. Kenmerkend voor zijn poëzie is de vitale toon en de speelsheid in het merendeel van zijn gedichten. De titel Wax Hollandais is een verwijzing naar een batiktechniek van het Helmondse bedrijf Vlisco, dat vooral de Afrikaanse markt bedient met zijn zeer kleurrijke textielontwerpen en stoffen. De vormkenmerken wisselen sterk in de gedichten, zowel qua strofebouw als het gebruik van hoofdletters en interpunctie. De korte openingstekst in proza ‘De ontdekking van de poëzie’, een dialoog tussen de ik-figuur als kind en een onbarmhartige deurwaarder over wat speelgoed is en wat speelgoed kan zijn, is een boeiende leidraad voor de lezer. Een klein fragment:

‘We hebben geen speelgoed,’ zei ik tegen de man. 
‘Dat zullen we nog wel zien,’ zei hij en begon door het huis te lopen, die paar kamers, en voordat ik het wist was hij naar me toe gekomen met onder zijn arm allerlei zaken waarvan ik niet had geweten dat ik ze in mijn bezit had.

Benali is een dichter die de steden waar hij komt op aanstekelijke wijze in een fraaie, korte openingszin wegzet. Het gedicht ‘Den Helder’ begint met ‘Veel marine, weinig hart’ en ‘Rotterdam’ met ‘Op de tram wachten.’ Soms gebruikt de dichter meer woorden. Boxmeer mag het hier mee doen: ‘Ik kon me niet herinneren ooit in Boxmeer / te zijn geweest totdat ik het me weer herinnerde, / ik was in Boxmeer geweest.’ Ik heb zelden de kleurloosheid van een plaats zo verwoord gezien. Hoe leer je Dordrecht kennen? Het is ‘Een stad die ik leerde kennen van de Wibra- / reclamefolder die maandelijks op de mat / viel.’ Deze afdeling ‘Urbi et Orbi’ (Voor de stad en voor de wereld) is een reis langs Nederlandse steden die de dichter bezoekt omdat hij er lezingen houdt of hardloopt. De poëzie is in zijn taalspel bijna argeloos te noemen, maar intussen word je als lezer geregeld gedwongen te stoppen met lezen en na te denken over de betekenis van de versregels. Ook het gedicht ‘Nijmegen’ begint met een opmerkelijke openingszin:

Ik was niemand nog, de Waal was alles. Ontvangen
werd ik als een schrijver van de buitencategorie – wat
ik vertelde klonk hun bekend en ook vreemd in de oren.
Later kwam ik terug om een sprintje te trekken,

zonder het te beseffen penetreerde ik Duitsland,
onderdeel van het verzet, liet een geheim spoor
achter, zestig jaar na de oorlog deelde ik de laatste
tik uit. De heuvels die in november de kleur van

molshopen aannemen. En de regen barricadeert
de ramen en de deuren. Denkt en leest men
grondig over een wereld die ooit zal komen. Dat
Nina Simone hier rust en reinheid vond. Vanzelf-

sprekend. Men werkt er serieus aan een mystiek
lichaam dat zichzelf bezweet in slaap wiegt.

Het gedicht bevat verwijzingen naar het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Ik vraag me zelfs af: wordt hier de spot gedreven met al die mensen die er na de oorlog prat op gingen in het verzet te hebben gezeten? Ook refereert de dichter aan de traditionele Zevenheuvelenloop, aan Frans Kellendonk (‘mystiek lichaam’) en aan Nina Simone, die in 1988-1990 in Nijmegen verbleef en daar blijkbaar wel ‘rust en reinheid’, maar niet de r van regelmaat vond. Veel van Benali’s gedichten in deze bundel hebben de structuur van bovenstaand gedicht, namelijk 14 versregels, drie kwatrijnen en één distichon, het zogenaamde Shakespearesonnet. Omdat andere eigenschappen van het sonnet, zoals rijmschema’s, metrum en wending ontbreken wil ik deze gedichten niet zonder meer sonnetten noemen omdat de vorm erg vrij is.  

Sport in het algemeen, niet alleen hardlopen, is een belangrijk onderdeel van de bundel. Sport gaat altijd over vormen van bewegen, zoals springen en neerkomen, stijgen en dalen, vertragen en versnellen. Dat geeft de dichter de mogelijkheid om deze bewegingen te verbinden met aspecten van tijd en ruimte. De bewegingen worden een metafoor. In ‘De polsstokhoogspringster’ schrijft de dichter wanneer hij vol bewondering de voorbereiding en de sprong van een atlete waarneemt: ‘Tot grote hoogte gekomen beroerde ze me, / ik stond op springen, ook ik.’  En in ‘Afrikaan in Lelystad’, dat uit twee gedichten bestaat, vraagt de dichter zich af: ‘Wat doet een Keniaan in Lelystad? Durf te vragen. / De weg naar huis vinden natuurlijk.’ In het tweede gedicht neemt hij als dichter achteraf wraak op zijn falen als hardloper (‘hopeloos uit vorm’) in de wedstrijd, waaraan ook de Keniaan deelnam. Hij dicht: ‘jouw hoogmoed / afstraffen door je achter me te laten, op papier, enkel, / sportief verlies is een literaire voorwaarde voor revanche’. Wat een uitspraak! Sport en dichtkunst vullen elkaar niet alleen aan, sport is een voorwaarde om in de dichtkunst het hoogste te bereiken.

Het lange gedicht ‘De luit van mijn oom’ in de afdeling ‘Marokko Express’ is een ode aan dit muziekinstrument, aan ‘zijn geliefde’. Zijn reis naar zijn geboorteland heeft in dit gedicht een louterende werking op de dichter; het is een vorm van opgelegde catharsis: ‘Fris / in de kleren gestoken / op de duizelingwekkende / boot die Europa verliet, werden we / onder de douche gezet, gewassen, / verschoond, zodat we schoner / aankwamen dan we ooit waren geweest / De nieuwe mens.’ De dichter is niet alleen een ambitieuze hardloper, maar ook een reiziger die zich in de bundel enkele malen afvraagt wat nu precies zijn geboorteplaats of -land is. Hij is op zoek naar wie hij nu eigenlijk is.    

Als recensent zeg ik niet gauw dat ik plezier heb beleefd aan het lezen van een dichtbundel. Dat kan als een negatief oordeel overkomen dat de gelezen poëzie oppervlakkig is, dat de gedichten me niet geraakt hebben. Meestal geef ik een oordeel in andere bewoordingen. Veel poëzie heeft nu eenmaal een ernstige toon, heeft een bepaalde mate van abstractie of is op een andere manier speels. Bij Abdelkader Benali ligt dat in Wax Hollandais anders. Hoe hij het leven ziet, wordt duidelijk uit de beginregels van het laatste gedicht:

We leven omdat het leven voor ons ligt,
we rollen het op als een tapijt en wat
we kwijtraken, komt nooit meer terug,
dus feest als je feesten kan, leef vrij van
dwang en ontmasker de vrijheid.

Benali’s dagelijkse levenservaringen zijn uitgangspunt voor zijn toegankelijke gedichten. Deze gedichten zijn vitalistisch van aard, ze hebben een milde toon als ze kritisch zijn en gaan het bespotten van actuele situaties niet uit de weg. Zijn poëzie is aangenaam om te lezen, zij is toegankelijk en authentiek en bevat een persoonlijke diepgang. Nergens krijg ik het gevoel dat de dichter met mij als lezer een spelletje speelt. Benali neemt zijn lezers op speelse wijze serieus.

***
Abdelkader Benali (Aghazzazen, Marokko 1975)  debuteerde met de roman Bruiloft aan zee (1997). Voor zijn tweede boek De langverwachte (2003) ontving hij de Libris Literatuur Prijs. Zijn oeuvre bevat ook verhalenbundels, gedichten en beschouwend proza. Zijn laatste dichtbundel Panacee verscheen in 2006. Hij presenteerde voor de Nederlandse televisie twee programma’s over literatuur en Nederlandse schrijvers, namelijk De schrijver en de stad (2010) en Benali boekt (2011-2012). In 2018 is hij voorzitter van de jury van de Libris Literatuur Prijs.

Recensie van Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar - Anna Enquist

Het gratis theater van de ontkenning

Anna Enquist
Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514248
€ 19,99
168 blz.

Dan bouw je een heel oeuvre op met goeddoordachte taalconstructies die het zicht op je zielenleven afschermen en dan sluit je vriendschap met een specialist in psychoanalyse: dat wil zeggen iemand die heeft geleerd om het verhaal te zoeken tussen datgene wat níet wordt gezegd, datgene dat verstopt moet blijven omdat het pijn doet. Het overkwam dichter Gerrit Kouwenaar toen hij na een gezamenlijk optreden bij Poetry International in 1992 in gesprek raakte met Anna Enquist. Daaruit vloeide een warme en betrokken vriendschap tussen de twee dichters en hun gesprek stopte pas met het overlijden van Kouwenaar.

Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar is een uitgave in de Privédomeinreeks, de intelligente variant op de behoefte aan ‘human interest’ en roddel, waarin Anna Enquist met liefde en respect vertelt over haar oudere dichtersvriend. Respectvol maar ook in alle eerlijkheid. Want een gemakkelijk mens was Gerrit niet altijd, routes reed je zoals hij ze dicteerde, in zijn vriendschappen was hij beter in krijgen dan in geven, leningen werden al snel giften. Anna kende in die vriendschapsperiode haar eigen onbeschrijfelijke verdriet door het verlies van een dochter. Dat was iets waar Gerrit niet mee uit de voeten kon, maar ze bleef braaf terugkomen bij Gerrit die, zoveel jaar ouder dan zij, in de herfst en de winter van zijn leven belandde. Totdat hij overleed in 2014.

Alle trieste levenservaringen komen voorbij: het ziekbed van Kouwenaars echtgenote Paula en uiteindelijk haar overlijden, zijn eenzaamheid daarna, zijn aftakelen en tenslotte de laatste periode in het verpleeghuis. Elke fase krijgt een eigen deel in de winterse tuin, als scènes in een dramatisch toneelstuk. Maar de basis van de voortdurende vriendschap is de poëzie en het zijn juist de poëtische beschouwingen die het boek voor de poëzieliefhebbers zo waardevol maken. Zoals over hun gesprekken over het juiste gebruik van witregels en het nut van naslagwerk Het juiste woord. En er is de veelzeggende uitspraak van Kouwenaar over het ontbreken van bomen op IJsland. Bomen spelen een belangrijke rol in zijn werk omdat de boom tal van bruikbare metaforen aanreikt. Een wereld zonder bomen is een wereld die niet klopt. Kouwenaar kan niets met IJsland.

De poëzie ligt altijd op de loer bij hun contacten. Als het gaat over waardering van andere dichters is er de mijmering van Enquist over het ongekende fanatisme van de Vijftigers [p.118]:

Ik denk dat ik (..) niet besefte hoezeer de verbetenheid waarmee de Vijftigers de ‘oude’ literatuur afwezen met de net voorbije oorlog te maken had. Ze hadden allen als jongemannen de heftigheid van die tijd beleefd en moeten intens teleurgesteld zijn geweest dat alles na de bevrijding op de oude voet voortging, dat de hiërarchieën hersteld werden, dat het leek alsof er helemaal niets was gebeurd. Onverdraaglijk. Niet alleen de poëzie moest totaal veranderen en opnieuw worden uitgevonden, maar álles. Het verdringen en negeren van de gebeurtenissen , de concentratie op schoonheid, het vasthouden aan de verdufte en verzuilde maatschappelijke structuren – het was allemaal even verwerpelijk. Dan wordt het lezen en waarderen van Nijhoff, Vasalis of Gerhardt bijna een misdaad, een verraad. Dan duurt het tientallen jaren voor de opstandigen over de rivier heen willen kijken naar wat er eigenlijk groeit op die andere oever.

Een terugkerend thema in de biografische schets is de relatie tussen het werk van Kouwenaar en zijn gevoelsleven. Bij Kouwenaar mogen gedichten niet te veel emotie uitstralen en vooral geen troost bieden. Het gevoel achter de woorden moet afkoelen en stollen in de loop der tijd, universeler worden, minder het ‘ik’ en steeds meer het ‘men’. Enquist heeft daar zo haar gedachten bij:

[p. 18] Als Gerrit tijdens onze duopresentaties voorlas, luisterde ik met een oor dat naar betekenis zocht. Daarmee deed ik zijn werk vermoedelijk onrecht, maar ik kon niet anders, het is de manier waarop ik denk, werk, waarneem. De psychoanalyticus is een zoeker naar betekenis. Schijnbaar toevallige of triviale invallen vertellen een verhaal dat iets zegt over de bedenker, ook al ontkent die alles. Ik had het makkelijker met de latere gedichten, die altijd maar gingen over hoe alles ten einde liep, tot stilstand zou komen en sterven, binnen afzienbare tijd. Hij omhelsde het einde terwijl hij nog overeind stond.

[p. 26] Hij zag zichzelf als constructeur en taal was het materiaal waar hij ‘dingen’ van maakte. Ik wist daar nooit goed raad mee. Woorden zijn betekenisdragers, ze torsen associaties en connotaties met zich mee. Ze hebben met gevoelens te maken. Het idee van de constructie begreep ik wel en daarover spraken we ook graag, maar hoe hij over de bouwstenen dacht is mij nooit echt helder geworden.

En zo zijn er meer voorbeelden te citeren. Kouwenaar laat in zijn laatste bundels wat van de afstandelijkheid varen en dat bevestigt Enquist in haar vermoeden dat zijn gedichten wat minder hoefden te dienen als ‘gevoelsafweer’. Hij zal zich dat zelf ook bewust zijn geweest als hij taal zelf omschrijft als het ‘gratis theater van de ontkenning’ in het gedicht ‘maar nu de taal’ uit de bundel Vallende stilte. Is afweren en ontkennen de essentie van Kouwenaars dichterschap? Enquist: [p. 89] ‘(…) de kwaliteit van Gerrits latere werk heeft te maken met het symboliseren van herkenbare autobiografische gegevens. De witte kamer is de eeuwigheid, de boomgaard is de wereld.’

Een tuin in de winter is een boek dat je uitleest op een lome zomeravond. Het zorgt ervoor dat je zin krijgt om zowel gedichten van Kouwenaar als van Enquist te gaan lezen. Natuurlijk kun je tussen de regels lezen dat Anna haar vriend spaart door niet al te sappige details uit zijn leven prijs te geven. De relatie van Kouwenaar met zijn kinderen wordt voorzichtig aangestipt maar niet verder uitgewerkt. Die moeten maar terugkomen in de biografie waar Enquist op aanstuurt. Die zal zij zelf niet schrijven. Uit respect voor haar vriend, de Vijftiger die negentiger werd…

Gelijk met de herinneringen werkte Anna Enquist op verzoek van Kouwenaars uitgever Querido aan de bloemlezing met een selectie van zijn gedichten waardoor deze twee boeken elkaar versterken. Door Een tuin in de winter leren wij hoe zij kijkt naar Kouwenaar en zijn werk en dat helpt bij het doorgronden van haar keuzes. Maar daarover meer in de recensie van de bloemlezing Van woorden gemaakt.

***
Anna Enquist (19 juli 1945) studeerde piano en psychologie. Ze is musicus, dichter, schrijver en ook werkzaam als psychoanalyticus. Haar dichterschap begin met publicatie in Maatstaf in 1988, haar debuut Soldatenliederen verscheen in 1991 en werd meteen goed ontvangen door kritiek én publiek. Dat gold ook voor haar latere bundels en haar romans die in veel talen zijn verschenen. Gerrit Kouwenaar ontmoette zij in 1992 en daar groeide een vriendschap uit die in stand bleef tot aan diens overlijden in 2014.

 

Recensie van As, vuur - Hester Knibbe

Kiezelstenen in de knapzak

Hester Knibbe
As, vuur
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514293
€ 17,99
77 blz.

Ik heb een voorliefde voor reeksen. Dichters die (een deel van) hun bundel door middel van een aantal samenhangende gedichten in een groter verband brengen, hebben bij mij een streepje voor.
Om die reden wekte ‘Drift’, de eerste afdeling van Hester Knibbe’s nieuwste bundel As, vuur, meteen mijn interesse. De drieëntwintig gedichten in deze afdeling hebben, zoals Knibbe in de aantekeningen achterin de bundel toelicht, elk één van de ‘oerwoorden’ uit de zeven Euraziatische taalfamilies als uitgangspunt. Een onderzoeksteam onder leiding van bioloog Mark Pagel kwam tot deze lijst onder de aanname dat de meest gebruikte woorden het minst veranderen.

De overeenkomst tussen de drieëntwintig woorden berust overigens niet op klankverwantschap, maar op betekenis. Dit geeft Knibbe de gelegenheid om rond deze woorden in haar gedichten een web te spinnen van klanken en beelden, waarmee de lezer steeds weer via een andere gang zijn eigen hoofd in kan kruipen. Knibbe bedient zich op een plezierige manier van haar taal: het geoefende oog merkt veelvuldig binnenrijm op, het geestesoor hoort muziek in de klankherhalingen die deze gedichten kenmerken. Een fraai voorbeeld is het gedicht ‘As’, dat de onderafdeling ‘Mond’ besluit:

As

          wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaap kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Stuk voor stuk geeft de dichter kleur aan de kiezelstenen, die wij zonder het te weten blijkbaar in onze knapzak meedragen, onderweg door tijd en ruimte.
Hoewel ik er bij herlezing geen concrete bewijzen voor op het spoor kwam, vertelden deze gedichten mij niet alleen een verhaal van de taal die mij verbindt met een Indiër of een Aleoet, maar vormen ze tevens een verzameling scènes met een ik en een jij (een zij en een hij), die de lezer meenemen van een eerste plek in het ooit naar een tweede plaats in het nu, als een soort eigen versie van het scheppingsverhaal. Zo krijgt deze reeks ook een ontologisch perspectief, waarin de mens niet ontstaat uit water en aarde, maar uit woorden met ritme en klank.

Want de taal speelt in deze bundel de hoofdrol, met als verdienstelijke tegenspelers de dingen die geweest zijn, verbonden, verwantschappen en ontmoetingen van vroeger. Het is de as die de lezer kan doen denken aan een vuur, ooit, waarbij hij zich in de gedichten alleen kan warmen aan de nagloeiende sintels.
Knibbe is in deze bundel nergens een strijder, nooit een brandstichter, die de lezer met taal van zijn richel wil duwen. Veel is geschreven uit het perspectief van de beschouwer, als verhalen die aan nagelaten kinderen worden meegegeven.
Ze kent haar klassieken: Orpheus, Sisyphus en Charon passeren de revue, maar ook verwijzingen naar Achterberg (de gasfitter) of middeleeuwse symboliek (de vos). Gelukkig geen modieuze beeldengrabbelton die voor surrealisme moet doorgaan. Als lezer voel ik me vrijwel altijd verbonden met Knibbe’s taalgebruik, dat door het muzikale karakter ervan vrijwel altijd meer geeft dan betekenis alleen. Veel beelden blijven nog lang nagloeien in het onderbewuste.

‘Stroom’, het tweede deel van de bundel, bestaat uit een aantal kortere en langere reeksen, waarvan ‘Leeftocht’ met vijftien gedichten de meest omvangrijke is. Volgens de aantekeningen is deze reeks kleiner en in een andere volgorde reeds gepubliceerd als gedichtendialoog met Miriam Van hee.
Hoewel de titel lijkt te wijzen op een reis door het leven, gaf deze serie mij meer dan eens de indruk van een verzameling vakantie-indrukken met een Zuid-Europees decor. De gedichten zijn minder pregnant dan die van de eerste afdeling, de contouren zijn vager en de tinten lijken meer pastel. Ik neem hier het slotgedicht over, met name omdat het de voor mij mooiste passage van de bundel bevat (‘[…] En terwijl ik hier in de kou van de avond / op noorderlicht sta te wachten, […]’):

Waar je ook bent, men moet zich
een huishouden maken, schreef je.

Ik nestelde mij tussen bergen en fjord, wiegde
mijn lichaam in wind, ving regen, vergaarde
voor wat ik moest maken. Had ook dit keer

verwachting op zak, ging er als altijd
mee voor het raam staan, zag, vergeleek, ja in elke
stad op iedere plek die ik aandeed keek ik wat

het verschil was en het verschil maakte de reis
tot het vreemde waarnaar ik verlangd had. Zoveel

bruggen overgestoken, door zwarte verkreukelde
aarde gegaan. En terwijl ik hier in de kou van de avond
op noorderlicht sta te wachten, zit jij daarginds

in het zuiden misschien voor het laatst deze zomer
onder de sterren aan tafel, hoor je de roep van de uil
sluit af.

***
Hester Knibbe (1946) is een Nederlandse dichteres. Ze woont sinds 1972 in Rotterdam, waar ze in 2015 tot stadsdichter werd benoemd. Knibbe beheerde als klinisch-farmaceutisch analiste lange tijd het laboratorium van een ziekenhuisapotheek. In 1982 debuteerde ze met Tussen gebaren en woorden. Daarna verscheen van haar een tiental dichtbundels. Haar werk is diverse malen bekroond. As, vuur is haar twaalfde bundel.

Recensie van Vonkt - Marije Langelaar

‘Want wat is de echte wereld?’

Marije Langelaar
Vonkt
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511681
€ 17,99
88 blz.

Het is niet makkelijk om gedichten te lezen wanneer de buurvrouw twee tuinen verderop een verhaal afsteekt over een uitschuifbare tuintafel en daar meer woorden voor nodig heeft dan ik voor deze recensie. En zo toegankelijk is Vonkt nu ook weer niet. Daarom was ik erg blij met het volgende gedicht:

En ze vroegen me terug voor dat radioprogramma
ik weet nog steeds niet waarom
want ik had vooral gezwegen
maar de presentator benadrukte dat men daar
nood aan heeft vandaag de dag.
Dus zat ik daar weer achter een microfoon
en zweeg
en ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mijzelf natuurlijk
en de presentator die zenuwachtig aan zijn snor ging
wrijven. Dat ging me goed af. Ik had mijn talent ontdekt.
En vanuit het niets vertelde ik over het vonkje, klein
en zoemend waardoor ik voorzichtig weer in de
wereld, getallen, fenomenen, planeten, materialen
en mensen ging geloven. Er zit een vonk in u.
Jazeker vonk in u. Want die vonk is in mij, ik weet
verder niets mijn denkkracht is nihil, geen zicht,
geen gehoor, ik zwem in het niets maar ik weet
er is een vonk in deze tafel, deze lamp en in u beste
luisteraar.
Ik was dusdanig op dreef dat mijn woorden vlam vatten.
(…)

Rijm: check. Metrum: check. Vaste vorm: check. Beeldspraak: check. En toch is dit onvervalste poëzie. We worden een ongekende wereld ingezogen, die tegelijkertijd commentaar levert op de wereld die we kennen. De dichter heeft veel woorden nodig om de kracht van het zwijgen voelbaar te maken. Maar in r.7 vallen vorm en inhoud opeens volledig samen: ‘en zweeg’. In het alledaagse lawaai van standpunten en analyses wordt het zwijgen van de ‘ik’ als veelbetekenend opgevat. Het maakt de gladde presentator onzeker. Wolven willen graag dat je meehuilt, of juist er tegenin gaat, want ook dan speel je het spel mee.
Veel gedichten in Vonkt zijn langer dan één pagina. Ook bovengenoemd gedicht, ‘Vonk’, gaat nog een tijdje door. Hoe babbelig het gedicht ook overkomt, bij nadere beschouwing is veel aandacht besteed aan exacte woordkeus. Vergelijk bijvoorbeeld eens de twee opsommingen, waarbij alleen het woordje ‘fenomenen’ in beide voorkomt, maar ook mooie parallellen aanwezig zijn: dingen/materialen, wezens/mensen. In het gezelschap in de studio ligt voor de hand te zeggen, dat de vonk aan tafel zit, maar de dichter gaat een stap verder: ‘er is een vonk in deze tafel’. Die lamp daarna is weer hilarisch, want dat er een vonk in de lamp zit is logisch, een lamp die geen licht geeft is geen beste lamp.
Gesterkt door deze lezing herlas ik op een rustiger avond de eerste van de drie afdelingen: ‘Een afgrond omsingelen’. Het eerste gedicht opent absurdistisch: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ De relatie met deze vriend lijkt het thema van deze eerste afdeling te zijn, ‘een verontrustend verslag van een persoonlijke strijd’, aldus de achterflap. Langelaar schotelt ons geen zure anekdotes voor, maar sprankelende, uit de hand lopende improvisaties . ‘Wat was het precies dat er brak? / Brak het of sleet het? / Ging het geleidelijk aan? / Sloop op de tenen de kracht weg? / Trok kauwgom ongelijk het?’ De agrammaticale formuleringen geven het gedicht iets spontaans, doorbreken de op de loer liggende clichés. En dan eindigt het gedicht dubbelzinnig: ‘Wordt dat wat scheef weer recht echt?’, waarbij het laatste woord een schurend binnenrijm geeft, maar ook betekenissen openhoudt richting ‘werkelijk’ en ‘huwelijk’. Vooral bij het twee pagina’s lange gedicht ‘Put’ kwam bij mij het beeld van een echtscheiding of verbroken relatie naar boven. Bij Langelaar geldt nadrukkelijk: vorm = inhoud. De gebeurtenissen zijn niet logisch, dus het gedicht ook niet. De werkelijkheid is niet mooi, dus het gedicht streeft ook geen schoonheid na. ‘Ik had niet veel meer op dat moment – een / vloerkleed 100% wol rechtstreeks geïmporteerd uit / Pakistan, een stapeltje boeken en cd’s waar ik / allang op was uitgekeken / bovendien een kwade echtgenoot die er niet over / dacht om mij te vergeven’. In dit laatste gedicht uit de eerste afdeling wordt letterlijk de bodem van de put bereikt. Maar net zoals in het hierboven geciteerde ‘Vonk’ vanuit stilzwijgen beweging en inspiratie ontstaan, zo herbergt ‘de donkere vochtige bodem’ van de put ook een keerpunt.

De tweede afdeling, ‘Een slag op de trom’ bevat een aantal langere, meer verhalende gedichten. De soms bizarre vertellingen worden onderbroken door abrupte stijlbreuken en terzijdes. ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten, / maar nee enkel de kat in de tuin en ik.’ En even later: ‘Nee er was geen tijd voor verbazing in de echte / wereld, want wat is de echte wereld, ben je toch / ook niet verbaasd dat er horloges tegen je praten?’
Op een geheel andere manier komt het verschil tussen twee werelden terug in het gedicht ‘Stad’, waarin het lyrisch ik ‘al een paar slordige maanden’ tussen twee steden in ligt. ‘De verleiding was groot voor de stad van het Noorden te kiezen. / Hoge bergtoppen! Wilde dieren! Krolse mannen in het licht van / tl, damspel, vrijen om de haverklap, tomeloos plezier, versnelde / hartslag, aderlatingen, aflaathandel, roemloos ten onder.’ Hoewel even later ook reclameborden en haarlak passeren, geven genoemde aderlatingen en aflaathandel het gedicht de sfeer van een middeleeuwse vertelling. Tegenover de vleselijke verleidingen uit het Noorden staat de meer esoterische aantrekkingskracht van de stad van het Zuiden ‘Waar de lakens langzaam wapperden, ijle lucht opsteeg van de / kelders, pruttelende kruiden, zingeving, prekers, wijze mannen / met priemende geslachtsdelen. / Om de haverklap een blikseminslag van de toekomst, de / verschijning van de stigmata of wonder, / de wegwijzering met vissen, het duiden van wolken en paarden.’ In beide steden gebeurt iets ‘om de haverklap’, en ook de mannen blijven in beide steden mannen, maar verder wordt de ‘ik’ verscheurd door tegenstrijdige behoeften.

De laatste afdeling uit de bundel heet ‘Love songs for the Absolute’. Hierin komt het thema van de stad nog een aantal keren terug. Een ander belangrijk thema is dat van bevruchting, incarnatie, geboren worden. Langelaar onderzoekt in uiteenlopende stijlen en fantasieën wat het betekent om mens te zijn, op deze aarde geworpen te worden, vrouw of man te zijn. Direct al in het eerste gedicht: ‘Dat jaar werden we geboren in / een lichaam. / Het viel ons op dat we sloegen. / We sloegen de trom. // Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. // Zo leefden we ons leven. / We sloegen de jaren weg.’ Het staat er heel terloops: ‘Het viel ons op dat we sloegen’. Zijn gaat vooraf aan Bewustzijn. In het gedicht vindt langzaam een bewustwording plaats: ‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats die trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen? / Had ons het ritme opgelegd? En waar waren we eerder? Waarom?’ Hoe absurdistisch het verhaal van de ‘ Trommel’ ook is, er worden wel vragen aangesneden die ertoe doen.

Zwaluw (fragment)

We kwamen aan op de rug van een zwaluw.
We landden aan de kust
daar waar de zee het land omarmt.
We duwden onze hakken in de grond.

We namen de omgeving in ons op
de dieren, kleine insecten, die ons staken
hoefgetrap vanuit het struikgewas.

We wilden het zien om te weten dat het bestond
onze aanraking, een vinger op de huid,
klamme spieren, een nat oog, maakte het levend.

We wilden niet langer met concepten leven en alles
wat ons was verteld of voorgelezen
we wilden Zelf. Echt. Voelen. Leven.

(…)

Ook in dit fragment toont de dichter lef en beheersing van de taal. Zinnen ontsporen vanzelf wanneer de betekenis de overhand krijgt. En dan die schaamteloze vier losse woorden met hoofdletters. Alles om de zeggingskracht te onderstrepen. In de eerste strofe lijkt sprake van een overbodige precisering: ‘daar waar de zee het land omarmt’. Toch is het geen slordigheid. Het begrip ‘omarmen’, ‘omsingelen’ komt regelmatig terug, denk bijvoorbeeld aan de titel van de eerste afdeling.

Er staat teveel in deze bundel om in één recensie weer te geven. Hoe langer ik de bundel lees, hoe toegankelijker zij wordt. Er zit maar één ding op. Zelf. Gaan. Kopen. Lezen.

***
Marije Langelaar (1978) debuteerde in 2003 met De rivier als vlakte. Haar tweede bundel, De schuur in (2009), werd genomineerd voor de Jo Peterspoëzieprijs en de J.C. Bloemprijs en werd bekroond met de Hugues C Pernathprijs. In 2012 trad zij op op Poetry International .
Klik hier voor een uitgebreide bespreking van het gedicht ‘Optellen’, uit de eerste afdeling van Vonkt.

Recensie van De boom valt op mij - Ilse Starkenburg

De boom valt niet op mij

Ilse Starkenburg
De boom valt op mij
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 978029511780
€ 17,99
56 blz.

De nieuwe bundel De boom valt op mij van Ilse Starkenburg bevat veel herinneringen aan de jonge jaren, de studententijd, het familieleven, en in het bijzonder aan de vader. Genegenheden tussen geliefden en jeugdervaringen vormen onder meer de ingang naar dieper liggende gevoelens en inzichten. De bundel staat vol minimaal uitgewerkte ‘gedachteoefeningen’, zoals ‘gewone dagen’ die vroeger bijzondere dagen waren door een bepaalde activiteit. Ze hebben sindsdien hun bijzonderheid verloren, omdat een bepaalde activiteit niet meer op die dagen plaatsvindt. Geuren als dragers van herinneringen zijn onder meer daarbij werkzaam. Bij Starkenburg lopen werkelijkheid en droomwereld dikwijls scherp opeenvolgend door elkaar heen, zoals de ‘ik’ die de rotsen bij Santorini bekijkt. De ‘ik’ lijkt er pas bij betrokken te raken als ze zich voorstelt als ware de ‘ik’ een buitenstaander voor wie de natuur ‘een decor op een toneel’ is.
      Ik denk dat de uitspraak van Ludwig Wittgenstein ‘Das Ich, das Ich das tief Geheimnisvolle!’ een belangrijke kern aanduidt van wat Starkenburg ons in deze bundel wil zeggen. In dat spoor staat een aantal gedichten waarin ze de zoektocht naar het eigen subject tracht te volgen, zoals in het gedicht ‘Wens’:

ik wil je zien
als je alleen bent
maar dat kan niet
want dan ben je niet meer alleen

ik zou willen dat je mij zag
als ik alleen ben
maar dat kan niet
want dan ben ik niet meer alleen

      Er zijn verschillende momenten waarop het verlangen naar de ander, naar zichzelf, naar erkenning haar gedichten binnenkruipt. In het gedicht ‘Nu’ wil Starkenburg tot uitdrukking brengen dat haar ‘ik’ en zijn ‘alter ego’ het niet altijd even goed met elkaar kunnen vinden. Daarop volgen twee korte strofen: ‘terwijl vandaag zichzelf / nog bij elkaar probeert te rapen // bedelt morgen al / doe iets goeds voor mij’. Die overstap van ‘ik’ op de gepersonifieerde abstracties van ‘vandaag’ en ‘morgen’ is een nogal schielijke overgang die vaker voorkomt in deze bundel. Daarop volgt ten slotte een nieuwe en grote overstap op naar een nog grotere kosmische eenheid als ‘planeet’ en ‘zon’ die de eerdere ervaring van de innerlijke tegenstelling van de ‘ik’ daarmee zo weinig invoelbaar maakt: ‘alleen planeten, planeten alleen / verlangen niets van ons // we gaan naar de zon’. Grote stappen, snel thuis.
      Het gedicht ‘Ierse tweeling’ is een voorbeeld van een zoektocht waarin ‘mijn broer en ik’ zich voor de zoveelste keer met weer een andere camera op de foto laten zetten. Ze willen in elkaar opgaan. Hoewel ze na elkaar ter wereld zijn gekomen lijken ze op de foto als die Ierse tweeling die aan elkaar vastzaten bij de geboorte, en daarna voor een leven lang. Wat die tweeling ‘van nature’ gewoon is, namelijk om om als tweeling op de foto te komen, is deze broer en ‘ik’ niet gewoon. Ze zullen ‘het proberen: poseren’. De achterliggende gedachte lijkt te zijn: de verbondenheid die voor de Ierse tweeling ongewild gewoon is, is wat de broer en ‘ik’ zich wensen. In deze gedichten probeert Starkenburg in woorden te vangen hoezeer we niet in staat zijn onszelf en elkaar te kennen.
      Misschien heeft de blik van Starkenburg op het leven hier en daar wel wat clowneske trekken. De speelse wijze waarop ze in het gedicht ‘Clownesk’ ‘een foto van Charlie Chaplin met een meisje’ beschouwt wijst in die richting. De taal van het meisje is ‘zo kaal / als het hoofd van haar vader’. Hij verdwijnt op het laatst ‘met haar met / haar’, evenals de taal die hij sprak in zijn stomme films. De (lach)bewegingen zijn bewaard gebleven, maar de taal is verdwenen. In het gedicht ‘Money, money, money’ zingen ‘mijn zus en ik’ een lied van ABBA. Ze herkennen de betekenis niet van wat het viertal zingt. Daarom schrijft de ‘ik’ de tekst fonetisch voor haar zus uit. Nu weten ze ‘waarover / het niet zou moeten gaan’. De onbegrepen woorden geven inzicht in wat niet van belang is in het leven. De vergankelijkheid maakt niet alleen mensen en voorvallen zoek, maar ook de taal die uitgesproken wordt.
      Het op verschillende plekken in het vliegtuig gaan zitten in het gedicht ‘Samen naar New York’ is weer zo’n voorbeeld van een licht absurdistische voorstelling van zaken over het wel of niet met elkaar willen reizen en bij elkaar willen komen maar toch niet samen kunnen vallen. Dat geldt ook voor een gedicht over ‘een eenzame uitvaart’ voor een overledene die geen familie en vrienden heeft. Het betreft een aap die ‘nog nooit gestorven’  en ‘nooit geboren’ is. Het ‘weggeven van de aap’ aan degene die gestorven is, is een mooi gebaar van aandacht geven, maar krijgt in dit gedicht zo weinig zeggingskracht mee dat het geen poëzie wordt die tot de verbeelding spreekt.
      Over de bundel hangt in de zoektocht naar de ander en de ‘ik’ de nevel van de eenzaamheid. De eenzame mens, al dan niet met psychische problemen, in park, in binnenstad en café, waart rond in deze bundel, zoals in het aandoenlijke gedicht

Roos is de vrouw
die elke ochtend bij
alle buren aanbelt

ze is haar hoofd
verloren  de zachte
blaadjes dwarrelen

alle kanten op
met de wind mee en
zij is toch zo’n mooi

meisje en op haar
was toch geen boom
terecht gekomen

de wijkagent noemt het geen
noodgeval , de GOD eist eerst
een rechterlijke machtiging

nu doe ik maar of het
god is die mij attent
elke ochtend wakker belt

      Deze Roos dwaalt rond in haar eigen leven. Op haar is ‘geen boom terecht gekomen’. Letterlijk en/of figuurlijk? Is dit haar redding of haar noodlot? Haar privacy wordt geduld tot er vanwege aanhoudende klachten uit haar leefomgeving een rechterlijke machtiging afkomt. Zo ontsteelt deze vrouw zoals een ieder aan het leven een dag. Ook die echtparen die na een uurtje zwemmen elkaar vluchtig kussen en daarna elk ‘een eigen leven in gaan’ uit het gedicht ‘De beste van alle voordeuren’ dragen die eenzaamheid in zich. Eenzaamheid, vergankelijkheid en het zichzelf en elkaar niet kennen keren telkens weer in samenhang met elkaar terug.
      Het titelgedicht ‘De boom valt op mij’ geeft een goede indruk van hoe Starkenburg veelal te werk gaat. Harde opeenvolging van het concrete en het abstracte. De ‘ik’ lijkt op een groene boom, omdat zij zich hult in een groene jurk als ware zij een ‘wandelende tak’. Of op het einde de kreet ‘van de gevallen kruin’ voorkomt uit het feit dat aan alle bladeren de kleur is ontnomen door het wit makende blauwsel, of dat er sprake is van een zachte kreet van ‘groen’ protest tegen de ontbossing vanwege de fabricage van kleurstoffen, het gedicht mist de scherpte van een treffende metaforiek en laat ons op het laatst in het duister ronddolen. Het gedicht blijft hangen in een alledaagse observatie uit de jeugd, zonder dat het naar een verder strekkende gelaagdheid leidt die haar vervolg vindt in de bundel.
      Starkenburg bedient zich nauwelijks van gelaagdheden die meerdere betekenissen tegelijk aanduiden. Een dergelijke gelaagdheid maakt ons ervan bewust dat een dichter zich niet zomaar opzettelijk in moeilijk verstaanbare bewoordingen uitspreekt. Het is hem nu eenmaal eigen te stuiten op observaties en ervaringen die zich moeilijk in woorden laten uitdrukken. De dichter heeft metaforen nodig om zich daartegen te verweren.
      Bij herhaalde lezing miste ik die gelaagdheid. Starkenburg schrijft in parlando, wat er in haar geval niet bepaald toe bijdraagt dat haar poëzie de nodige spanning meekrijgt. Poëzie kan in haar eenvoud opzienbarend zijn, maar de hare is eerder nogal bleek en flets te noemen: -Ben jij weleens bang ’s nachts? / – Nee, niet speciaal ’s nachts’. Aan het einde van haar gedichten voorziet ze die dikwijls van een omkering of een open einde, maar het merendeel van de gedichten geeft de indruk van een nog niet voldoende doordachte afhechting van het gedachte-experiment. De notatie zonder leestekens is daaraan misschien ook enigszins debet.
      Al met al is de lezing van deze nieuwe bundel voor mij niet een inspirerende kennismaking geweest met het werk van Ilse Starkenburg. Zoals een schilder niet de meest treffende kleurnuances op het doek weet te brengen, zo mis ik bij haar het pakkend arrangement van woorden en beelden. Wat ze aan thematiek wil overbrengen is wel interessant, maar ze weet daarvoor niet voor mij de meest aansprekende weg in de taal te vinden. Daarom valt deze keer de boom niet op mij.

***
Ilse Starkenburg (1963) is dichter en schrijver. Ze debuteerde in 1987 met vier gedichten in het tijdschrift Maatstaf. Sindsdien verschenen bij De Arbeiderspers vijf bundels en een verhalenboek. Haar werk is in talrijke bloemlezingen opgenomen waaronder in de De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer.