Recensie van Nicola - een soort van antenne - Ruben van Gogh

Poëzie proeven, maar dan anders

Ruben van Gogh
Nicola - een soort van antenne
Uitgever: crU
2017
ISBN 9789079993161
€ 22,50
55 blz.

Een experiment. In 2012 vroeg de componist Paul Oomen aan Ruben van Gogh het libretto te schrijven voor zijn opera Nicola – a Techno  Opera  in 4D Sound, waarin een machine, de Nicola, gedachten hoorbaar maakt. Na veel wikken en wegen werd dit libretto geen verhalende tekst maar een serie van negenendertig gedichten die de gedachten vertegenwoordigen.
Bij dit muziekwerk komen klank en tekst, afhankelijk van waar men zich bevindt ten opzichte van de vele speakers op verschillende manieren op de luisteraar af. Zo ervaart ieder zijn eigen opera.
In  de bundel Nicola – een soort van antenne wordt iets soortgelijks geprobeerd door in elk exemplaar een andere volgorde van de gedichten op te nemen; elke bundel is hierdoor in zekere zin uniek. De hier besproken Nicola is nummer negentien.
(De facto heeft men met één bundel overigens alle exemplaren in handen; de volgorde van lezen is immers naar eigen keuze en bijna eindeloos).
In proza zijn vergelijkbare experimenten gerealiseerd, onder andere door Julio Cortàzar in Rayuela, een hinkelspel, waarin men de hoofdstukken in verschillende sequenties kan lezen en zo meerdere sluitende romans aantreft in één boek. Een meesterwerk.
Interessant, maar bij het beluisteren van de opera gaat het om de plek waar men zich bevindt, bij het lezen van de poëzie om de volgorde waarin men de tekst tot zich neemt. Bij proza geen probleem, de lezer houdt de lijnen van de verschillende verhalen gemakkelijk vast. Proza is doorgaans eenduidig. 
Bij de dichtkunst ligt het complexer; poëzie is vaak meerduidig, geserreerd, bevat beeldspraak en toverspreuken en vraagt derhalve om rustmomenten (de witregels) en om herlezing en contemplatie.
Toch proberen.
De bundel bestaat uit drie delen en omdat de gedichten in elk deel verwantschap tonen lees ik om een idee te krijgen zonder pauzes en in hetzelfde tempo het hele laatste deel: dertien korte gedichten.
Het blijkt geen wereldschokkende ervaring, maar de taal wordt hierdoor wel dynamischer en roept andere associaties en verbanden op dan wanneer men zich focust op de gedichten afzonderlijk – naar ik aanneem omdat een en ander je ontgaat en/of omdat je niet leest wat er staat. Daar titels en een index ontbreken en de toon in de verzen min of meer gelijkluidend is kan men, mits hardop lezend, zo’n reeks echter wel degelijk als één geheel beleven. (Wat niet wil zeggen dat dit geheel meer is dan de som der delen).
Ter illustratie zou ik een aaneenschakeling van gedichten zonder cesuur aan kunnen halen, maar dat zou teveel ruimte innemen. Ik beperk me daarom tot het aaneenrijgen van enkele strofen van verschillende gedichten zonder aan te geven welk deel bij welk gedicht hoort. Een potpourri.

er daalt sneeuw neer vanavond
en gefragmenteerde zinnen

iedere sneeuwvlok
een gedachte

elke vlaag een schreeuw
om aandacht

ik moest aan mensen denken
en ik zag ze

moleculen, ridicuul informele
informatie uit een immer

uitdijende brei van woorden

Voor zover het experimentele aan Nicola.  

Inhoudelijk gaat het in sterke mate over wat een gedachte, een woord, bij de lezer of luisteraar teweeg kan brengen, namelijk het oproepen van andere woorden, die op hun beurt  weer andere woorden naar boven halen: ‘ieder beeld / leidt tot nieuwe // opgeroepen beelden, / één woord wordt al een waterval (…)’.
Voorwaarde is wel dat men zich openstelt, een ‘soort van antenne’ wil en durft te zijn. Dit laatste is waar de dichter ons meer bewust van maakt en alleen daarom is deze bundel het uitgeven al waard: hij schudt ons wakker.
Genoemde aanmoediging wordt in soepele, niet opdringerige maar wel indringende beelden overgebracht. Hoofd en hart in evenwicht. Weliswaar kan het obsessief (?) gebruik van enjambement storen, maar voor het overige is het poëzie van hoog niveau.
Tot besluit een gedichtje dat dit aantoont:

er klinkt geruis door
in de stemmen die mij

omringen, gefluister
waar ik wel naar moet
luisteren, als zijn het

sirenen die zingen

maar ergens daar
doorheen hoor ik
een hulpeloze stem

die zo persoonlijk naar mij
roept, dat ik haast denk
dat ik dat ben

***
Ruben van Gogh (Dokkum, 1967) is dichter, presentator, librettist, vertaler en bloemlezer.
Hij debuteerde in 1996 met De man van taal. Zijn vierde bundel Klein Oera Linda zorgde door een afwijkende typografie voor opschudding en ook zijn anthologie Sprong naar de sterren, de laatste generatie van de twintigste eeuw deed veel stof opwaaien. Hij vertaalde onder anderen Jacques Prévert en gaf voordrachten op talloze nationale en internationale podia.

Poëzie Kort 2017 / 3

Hester van Beers, Het einde van de roltrap

In het debuut Het einde van de roltrap van Hester van Beers (1995) baant een jongvolwassen lyrisch ik zich moeizaam een weg door het leven en de liefde. Ook het doodsbesef komt onvermijdelijk aan de orde, zoals in ‘Helium’, dat in deze context doet denken aan een snelle en pijnloze manier om een einde aan het leven te maken. In dit gedicht heeft de dichter weinig woorden nodig om haar onrust te verwoorden en dat doet ze ook nog eens indirect: de ‘ballonnenwinkel’ heeft in deze context en door de titel een dreigende connotatie en de ironie die zij gebruikt kan een manier zijn om angst te onderdrukken:

Helium

De piano klinkt door de hal van het ziekenhuis.
Het is bijna mooi.

Ze verkopen hier gebakjes
en bloedtransfusies.

Ik drink kersencola uit de ballonnenwinkel.
Af en toe loopt er een infuuspaal langs de leestafel.

Dit is de wereld maar dan wit, de plek
waar men veilig dood kan gaan.

Deze sobere gedichten zijn aantrekkelijk: met weinig woorden roept zij een wereld op. Ook kan Hester van Beers heel beeldend zijn. De eerste strofe van het titelgedicht luidt:

Ik was altijd bang dat ik zou worden verslonden
door het einde van de roltrap. Ik klemde me vast
aan de hand die uit de hemel leek te hangen,
maar later gewoon van mijn vader bleek te zijn.

Een klein meisje dat zich vastklemt ‘aan de hand die uit de hemel leek te hangen’: een kinderlijke angst en een onvoorwaardelijk vertrouwen in zowel haar hemelse als haar eigen vader vallen in deze regels mooi samen. Later blijkt de angst te zijn gebleven, maar het vertrouwen is verdwenen. De roltrap blijkt een beeld voor de moeizame gang naar volwassenheid te zijn: ‘Soms wou ik dat de roltrap me verslonden had.’

De gedichten zijn niet altijd geslaagd, meestal doordat de beeldspraak ontspoort. In ‘Sneeuwbol’ maakt zij metaforen van metaforen: ‘Mijn hoofd in je handen / schud je tot het sneeuwt, / watersnippers voor mijn ogen // dwarrelen als droge kapucijners wanneer de pot door je vingers glipt, ( … ). Bovendien kan ik me bij ‘dwarrelende kapucijners’ kan niets voorstellen, bij vallende wel.
Deze gedichten zijn in de minderheid. Hester van Beers heeft in ieder geval laten zien dat zij talent heeft. Meer gedichten kunt u lezen in Meander.

De uitgever is helaas nogal slordig. In het stukje over de dichter en Katja Fred, die de illustratie op het voorplat heeft gemaakt, staan maar liefst acht spelfouten. Ik noem er een paar: ‘je [ … ] word’, ‘verantwoordelijkheid gevoelens’, ‘( … ) dat je een soort schuldgevoel overhoud’. Onnodig en ontsierend.

***
Hester van Beers (2016). Het einde van de roltrap. Lipari, 48 blz. € 14,90

 

Nanne Nauta, Bokalen

Bokalen is zijn meest intieme bundel tot nu toe, stelt Nanne Nauta in zijn inleiding. Hij ontdekte dat hij droombeelden in hun geheel terug kon halen als hij er korte notities van maakte. Zijn interesse in dromen was gewekt, vooral omdat recent onderzoek naar de werking van de hersenen veel nieuws heeft opgeleverd: ‘Zo weten we tegenwoordig waarom een droom vooral visueel is en een aaneenschakeling van willekeurige fragmenten. Waarom je je een droom moeilijk of niet kan herinneren. Waarom er geen waarom is in dromen.’
Hij besloot een bundel te maken van droombeelden die hij gedurende een jaar noteerde: één zin per beeld. Met die moeizame herinneringen valt het dus nogal mee. En het visuele vangt hij in taal, in zijn taal, die natuurlijk de beelden kleurt. Vervolgens moet je zijn notities weer omvormen tot taalloze droombeelden.
De gedichten hebben de vorm van bokalen – de lezer mag ze leegdrinken. Een voorbeeld:

5.5

rij vanaf het vakantieadres terug in een 2CV met het stuur aan de rechterkant.
      wacht bij het CBR tot ze alledrie hun rijbewijs hebben opgehaald.
         betrap mijn vriendin in bed met een ander en loop huilend weg.
             rij met een voor een bruiloft afgehuurde tram door Parijs.
                 eet de laatste zelfgemaakte maaltijd met tomatensaus.
                            fotografeer een molen die verlicht wordt.
                                  drink een beker melk op IJsland.

De bundel roept veel vragen op en dat maakt hem amusant. Lukt het je de zinnen te vertalen in droombeelden? Je doet dat per definitie in je eigen stijl, als filmregisseur. En roepen ze ook eigen droombeelden op? Zie je per bokaal beelden uit één droom of uit allemaal verschillende? Je zou zeggen: het laatste, want de notities lijken uitgezocht op lengte om de vorm van een bokaal mogelijk te maken. Maar maakt dat wat uit? Een droom is immers een aaneenschakeling van willekeurige fragmenten. Het is trouwens de vraag of we die willekeur als zodanig ervaren: we zijn geconditioneerd op het scheppen van een samenhangend geheel. Met enige fantasie is die in ieder gedicht aan te brengen.
Ook leuk: zie je relaties met andere bundels van Nanne Nauta? Met andere woorden: leren we de dichter beter kennen door zijn dromen? En als er geen waarom is in dromen, waarom droomt hij dan regelmatig over ‘een dichteres’, sport, school en een camping?

Raymond Queneau (1903 – 1976) is een belangrijke inspiratiebron voor Nauta. Aan hem ontleent hij het motto: ‘Il y a des rêves / qui se déroulent comme / des incidents sans importance …’. Kan zijn, maar ze hebben wel een mooie bundel opgeleverd.

***
Nanne Nauta (2017). Bokalen. crU, 64 blz. € 16,95

 

Anton Korteweg, Het oog van de dichter

Ons Erfdeel bestaat zestig jaar. Ter gelegenheid daarvan schreef Anton Korteweg de essaybundelbundel Het oog van de dichter, waarin hij vijfentwintig schilderijgedichten heeft opgenomen, ieder in een vaste volgorde: het schilderij, het gedicht en, in de woorden van Korteweg, een opstel. Het oudste is van Jan van Nijlen, het meest recente van Joost Zwagerman. Verder heeft hij gedichten opgenomen van Claus, Boutens, Heytze, Nijhoff en anderen. Charlotte Mutsaers schreef een prachtig gedicht bij ‘ Vader op fietstocht ’, het schilderij van Roger Raveel, waar ik naar kan blijven kijken. (Het hangt in het Centraal Museum in Utrecht).
Beeldgedichten over etsen, tekeningen, foto’s, non-figuratieve schilderijen en plastische kunstwerken heeft Korteweg niet opgenomen. In zijn verantwoording geeft hij aan welke criteria hij nog meer heeft gehanteerd: ‘Geen cumulatieve [gedichten, handelend over de totaalindruk van het hele oeuvre van een schilder], biografische, loftuitende, verguizende of fictieve schilderijgedichten [ … ], maar uitsluitend gedichten waarin de dichter zich verhoudt tot één bepaald schilderij.’

Een mooi voorbeeld is het ‘Middeneeuws portret’ van de jonge, nog bleue Jan van Nijlen (1884 – 1965). Een goed sonnet vind ik het niet, maar dat doet er in dit geval niet toe. Hij was zeer onder de indruk van de ‘ Idealbildnis einer Kurtisane als Flora ’ van Bartolomeo Veneto (ongeveer 1480 – 1531), te bewonderen in het Städelches Kunstinstitut Frankfurt. Zij was mogelijk ‘de scandaleuze dochter’ van paus Alexander VI en de minnares van paus Borgia.

Middeneeuws portret

Prinses! geschilderd door een primitieve
en eedle hand wier geen lijn is ontgaan,
waarom blikt gij mij dezen avond aan
in dit onzeker licht met uw naïeve

gevaarlijke ogen, die zo plots vergaan
en weer ontluiken? ‘k Durf niet naar believen
lachen of wenen, wanneer straalt uw lieve
onkuise blik dien niemand heeft verstaan.

Uw jonge borst is, half-omsluierd, naakt,
en met een hand wier lijn de kunstenaars roemen,
biedt gij een tuil van witte en rode bloemen …

Waarom staart gij zo onverschillig? Haakt
gij soms naar iets dat nooit uw hart genaakt,
prinses of vrouw! hoe zal mijn angst u noemen? …

‘Sletvrees van een timide en geïmponeerde adolescent?’ vraagt Korteweg zich af. Hoe anders keek de grote esthetisch-decadente schrijver J.K. Huysmans (1848 – 1907) naar dit schilderij. Hij noemt haar ‘die onverbiddelijke mooie androgyn’, voor wie hij heeft staan huiveren: ‘[ … ] zij is ontuchtig maar zij speelt open kaart; zij prikkelt maar waarschuwt ook [ … ]; zij zet aan tot wellust en tegelijk kondigt zij de boetedoening van de geneugten des vlezes aan [ … ]. Zij is bekoorlijk en ze is gevaarlijk [ … ]; zij heeft iets van een keelsnijdster en gifmengster in zich’. (Het citaat komt uit The Romantic Agony; de vertaling is van Anton Haakmans).

Gedichten over non-figuratieve schilderijen nam Korteweg niet op: er zouden er simpelweg te weinig zijn door het autonome, niet verwijzende karakter van deze werken. Via een achterdeurtje geeft hij in zijn verantwoording toch een mooi voorbeeld, hoewel het in mijn ogen een grensgeval is, omdat het schilderij wel degelijk een verwijzend karakter heeft. Het is het gedicht ‘Mondriaan’ van Tom van Deel over Bloeiende appelboom , met de mooie beginregels: ‘Dit is geen boom, dit is het metrum / van de boom. Een eenvoud waartoe alles, / ooit, moet herleid om heel en afgerond / begrijpelijk te zijn ( … )’. Korteweg schrijft er nog een mooie alinea over.

***
Anton Korteweg (2017), Het oog van de dichter. 25 schilderijgedichten belicht. Ons Erfdeel vzw, 272 blz. € 35,00

Poëzie Kort 2016 / 9

 

Koenraad Goudeseune, Vet hart

Koenraad Goudeseune doet in zijn thematiek denken aan Reve: ‘liefde (of geen liefde), / en ouder worden, / en dan de Dood.’ Ook aan Bukowski, die zich, in tegenstelling tot Reve, niet veel gelegen liet liggen aan de vorm: de inhoud prevaleerde. In het werk van allerdrie de auteurs speelt drank een belangrijke, maar vergeefse rol als middel om de dagelijkse ellende draaglijk te maken. Alle drie voelen zij zich buitenstaanders.
Dit betekent niet dat Goudeseune een navolger of poseur is: hij heeft een eigen geluid, de overeenkomst zit hem in het levensgevoel. Pathetisch is hij soms wel. Zijn laatste bundel Vet hart opent met veertien zeegedichten. De ik-persoon woont in een appartement aan de Vlaamse kust, maar de zee, een beeld voor eeuwigheid en dood, biedt geen troost. In ‘Dan sneeuwt het op dit late uur’ schrijft hij: ‘Vissers zijn met kerstmis thuis. Kom nu, dood, bevrijd me. / Kom nu en laat mij los. ( … ) Kom nu dood, het is genoeg geweest. Kom nu, // laat mij gaan, laat boten loeien in de mist, ik hoor ze smeken / om een zeemansgraf.’ De gordijnen kunnen maar het best worden dichtgedaan en er moet ‘met strengheid’ worden geluisterd naar Marvin Gaye – de soulzanger die werd vermoord door zijn vader. Het helpt niet: ‘Kom nu, neem mij mee.’ De zin ‘Kom nu, dood, bevrijd me’ heb je dan al in twee eerdere gedichten gelezen, uiteraard steeds in combinatie met drank. De zeegedichten hadden meer indruk gemaakt als Goudeseune wat selectiever was geweest.
De overige gedichten zijn gevarieerder: beelden uit zijn jeugd, verloren liefdes, grappige gedichten over bezoekjes aan de cardioloog, verlangen naar liefde. Humoristich is hij ook. In ‘Oorlog & terpentijn’ schrijft hij zijn eigen Hartmans. Bij een bombardement rent de ik-figuur een schuilkelder in. Een vrouw heeft een koe meegenomen: ‘Het arme dier stond op haar vier poten te trillen en opeens / besefte ik / dat de tragiek van een beest twee poten erger kan zijn dan die / van een mens.’ En een grote eenzaamheid beschrijft de dichter vol zelfspot:

Liefje

Ik heb me met koud water gewassen.
Mijn schouders. Mijn buik.
Mijn rug zover ik kon.
Alles met koud water.
Mijn oksels ook.

Ik keek in de spiegel en zag iemand
die zich aan het wassen was.
Het was eerlijk gezegd geen zicht.

Koud water over mijn billen.
Koud water over mijn gezicht.
Mijn haar nat van het koude water.
Mijn voeten en ook mijn gat.

Had ik maar een liefje!

Het gedicht ‘Wierook wacht niet op een roman’ is mij uit het hart gegrepen. Hierin zet de dichter geërgerd en sarcastisch uiteen dat veel schrijvers hebben geleerd een romantechniek toe te passen, waardoor ‘we zo langzamerhand kunnen spreken van een monocultuur / in het romanlandschap’, maar geen idee hebben waar het echt om gaat en wat zich niet laat vangen: ‘Het wezen van de romantechniek loopt [die schrijvers] alleen maar / in de weg.’ Logisch: ‘Het wezen van de romantechniek geeft de rode draad aan het / labyrint terug / daar waar de romantechniek dat labyrint tot rode draad herleidde.’ Het eerste kunnen alleen echte schrijvers.

***
Koenraad Goudeseune (2016). Vet hart. Uitgeverij Bokeh, 106 blz. € 16,50.

 

Sven Staelens , m.n.m.”l

In m.n.m.”l schrijft Sven Staelens pwoermd, of pwoermds, daar wil ik vanaf zijn. Het gaat in ieder geval om ‘one-word-poems’, aldus zijn grote voorbeeld Geof Huth die het voorwoord schreef en daar twee dagen over deed: ’29-30 August 2016’. Hij deed dat bovendien in New York City; aan dit voorwoord kunnen we daarom niet voorbij gaan. Geof Huth deelt met de lezer een paar rake observaties over de werking van woorden: ‘Words appear to us to be solid in meaning, resolute, a small but essential barrier between civilisation and chaos.’ ( … ). Maar: ‘Every word is fungible. It insists different meanings in different contexts. The same word can be praise or an insult based on the tone of the voice speaking it or the phrasing of the hand writing it.’ Ik was het meest onder de indruk van zijn opmerking over dichters: ‘And, for the poet, they are malleable: they can be twisted into new shapes. They can become new things.’

Het is een mooie, goed verzorgde uitgave, die het visuele van de gedichten recht doet. Helaas is daar alles mee gezegd. De bundel begint en eindigt met een aantal grappige verschrijvingen op de linker pagina en grappige uitwerkingen op de rechter. Oordeel zelf. Kent u het visuele gedicht ‘ Revolutie ’ van Paul de Vree, een volmaakt voorbeeld van de eenheid van vorm en inhoud? Zulke gedichten komen in de andere afdelingen voor – over kwaliteit heb ik het hier niet. Voorbeeld: een molen, gemaakt van hoofdletters ‘i’ met een gemeenschappelijke punt in het midden. Het fundament is uiteraard een ‘m’. Ander voorbeeld: een sterk uitvergrote B op zijn kant (linksom) en daarachter, in minder grote letters ‘rest’. Een woordspeling. De ‘B’ lijkt op een tweepersoonsbed en ook op borsten. Rest, brest, en over die combinatie kun je dan nog even prettig verder fantaseren. Een ander soort pwoermd: ‘SKE?SIS’. Nog een: ‘ V’RDW’N’N ’.

Pwoermd. Het kan nog kleiner, dat liet Harriët van Reek zien in Lettersoep waarvoor zij in september terecht de Gouden Penseel kreeg. Hoe zullen we haar lettertekeningen noemen? Pletterd?

***
Sven Staelens (2016). m.n.m.”l. Uitgeverij CrU, 82 blz. € 18,95

 

Jozef Deleu (samenstelling), Het liegend konijn 2016 / 2

Het mooie van Het Liegend Konijn is dat het je nieuwsgierig maakt naar nieuwe bundels. Neem Maarten van der Graaff. Na Dood werk met zijn lijsten en klokgedichten heeft hij zijn werk weer vernieuwd en toch is hij direct herkenbaar. Vijf keer maakt hij op een linkerpagina een opmerking over ‘de nederlandse commune’ en op de rechter- volgt dan een bijpassend gedicht. Hij beschrijft de invloed van de gemeenschap op het maken van poëzie. Een vermakelijk voorbeeld:

de nederlandse commune mag zonder bevelschrift je hele lichaam onderzoeken
de officiële versie wijkt vaak af van de werkelijkheid

 —

dagelijks metaforen slikken
om de viagrajunk te worden
die ik al was
toen ik nog als bloedklomp leefde
en me voedde met het netwerk

seksuele vrijheid leverde de commune
goederen op en markten
waarin m’n bloedklomp werd uitgebroed
en met de benodigde capaciteiten toegerust

opgeilen en opgegeild worden
ontvangen en verzenden

Naast dat van Maarten van der Graaff heeft Deleu werk opgenomen van zes andere dichters die na 1980 zijn geboren: Ilona van Braam, Yannick Dangre, Sylvie Marie, Sander Meij, Marieke Rijneveld en Dorien de Vylder. Sylvie Marie is vertegenwoordigd met zeven gedichten met de overkoepelende titel ‘Houdingen’. Ze spiegelen elkaar. De eerste zin van de reeks luidt: ‘vertedering, beminde, heeft veel weg van vertering.’ De laatste: ‘de vertering, beminde, ze werkt / soms vertederend.’ Tussendoor laat zij zien hoe die vertering in zijn werk gaat. Er staat veel op het spel: ‘haha, je houdt niet // voor mogelijk hoeveel mensen sterven / nog voor ze hun laatste woorden zeggen.’, merkt het lyrisch ik op in ‘zoveel vragen en nog lopen we verveeld …’ .

Ook de voorgaande generaties zijn goed vertegenwoordigd. In dit nummer gaat de vaststelling van Pieter Boskma in ‘Dankbaar verval’ niet op: ‘De imperia verkruimelen, gelukkig maar, want bleven zij / ongeschonden in hun staat van hoogste bloei, dan had / geen generatie ruimte voor een eigen grootsheid’. Boskma zelf is met zeven gedichten goed vertegenwoordigd en van een achteruitgang in de kwaliteit van zijn gedichten valt niets te merken. Hij is overigens nog jong, al vindt hij van niet: zestig. Maar alles is betrekkelijk: Roland Jooris is tachtig, publiceerde een paar maanden geleden de bundel Bladgoud en staat nu met vijf gedichten in Het Liegend Konijn. Ook zeventigers en bijna-zeventigers zijn goed vertegenwoordigd.

***
Het Liegend Konijn 2016/2. Samenstelling Jozef Deleu (2016). Uitgeverij Polis, 232 blz. € 20,00

 

Dichters uit de bundel. De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten

De bloemlezing Dichters uit de bundel (1880 – nu) ziet er veelbelovend uit: hij is mooi uitgegeven en ligt lekker in de hand. De verwachtingen worden getemperd als je op het achterplat leest dat de regel ‘voor wie ik lief heb [dat moet zijn: ‘liefheb’ – HP] wil ik heten’ niet aan Neeltje Maria Min, maar aan Vasalis wordt toegeschreven. Zulke slordigheden komen meer voor: ‘Sonnet van de burgerdeugd’ in plaats van ‘Sonnet van burgerdeugd’ (Du Perron) bijvoorbeeld. Pijnlijk, zeker voor een bloemlezing, ook als het kleinigheden betreft als leestekens. Aan het eind van regel tien van hetzelfde gedicht staat een dubbele punt. In de gebruikte bron, de verzamelbundel Parlando, staat toch echt een puntkomma. Een pietluttige constatering misschien, maar voor de interpretatie van een gedicht kunnen leestekens heel belangrijk zijn.

De samenstellers, de dichter Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens, journalist en poëzierecensent van Het Parool, schreven een inleiding van bijna dertig pagina’s. In de kern komt het erop neer dat poëzie niet populair is bij het grote publiek en de bundel is op sterven na dood. Dat betekent ‘een eeuwig leven in de ramsj en uiteindelijk een tragische begrafenis in de oudpapierbak.’ [Cursivering van mij – HP]. Die verwijdering tussen de insiders en het grote publiek begon al bij de Tachtigers: denk aan de opvatting van Kloos dat poëzie een gave is ‘van weinigen voor weinigen’. Toch is de poëzie niet dood: ‘Poëzie leeft volop buiten de bundel: online op Facebook en weblogs, op straat, in bloemlezingen en bovenal op podia, zoals De Nacht van de Poëzie, Dichters in de Prinsentuin, of Kunst- en Poëziefestival Watou.’ Inderdaad: poëzie wordt met name beluisterd. Lezen is nog net zo impopulair als voorheen, hoewel half Nederland en Vlaanderen poëzie schrijft en niet alleen met Sinterklaas. Bloemlezingen worden misschien iets beter gelezen dan bundels, maar ook in goedgevulde boekenkasten vind je ze vrijwel niet en als je er toch een tegenkomt, gaat het in negen van de tien gevallen om de dikke Komrij. Het is daarom vreemd dat Breukers en Mertens niet voor CD’s hebben gekozen, net als Ramsey Nasr toen hij Dichter des Vaderlands was. Ze hadden dan ook kunnen kiezen voor podiumversies in plaats van voor lezers herschreven gedichten.

De samenstellers proberen dit probleem te omzeilen door voor ‘klassieke gedichten’ te kiezen ‘die de traditionele begrenzing van de (papieren) bundel negeren en op hun eigen wijze tot het nationale cultuurgoed zijn gaan behoren’.
De nadruk ligt op de poëzie van de laatste vijftig jaar; de poëzie van 1880 tot de jaren zestig lijkt er met de haren bijgesleept te zijn. Het moeten gedichten zijn ‘waarvan iedereen [?] een deel of een losse regel kent’. (‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, ‘alles van waarde is weerloos’) en gedichten die niet één of twee keer, maar aan de lopende band worden ‘gebloemleesd’ – de vervoeging is van de samenstellers – zoals ‘Herinnering aan Holland’ en ‘Het huwelijk’. Een steekproef leert, dat dit voor lang niet alle gedichten geldt: zo staan de titelloze gedichten ‘Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen, … ’ van Lodewijk van Deyssel en “k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw, … ’ van Hélène Swarth, de kwatrijnen ‘Gedronken wijn’ en ‘Vloek’ van Jacob Israël de Haan en ‘Dieuwertje Diekema’ van Kees Stip niet in de gezaghebbende bloemlezingen van Komrij en Deleu, en ook niet in ‘Hier komt de poëzie!’ van Ramsey Nasr. In een oudere bloemlezing als – ik noem maar wat – O wereld, jij zingt, speelt en lacht. De bekendste gedichten van alle tijden (Kwadraat – Utrecht, 1994) vind je ze ook niet terug.

Dichters uit de bundel is onevenwichtig samengesteld, onvriendelijk gezegd: het is een bijeengeharkte hoop bladeren. Toch heeft de bundel enige waarde vanwege de periode van 2000 tot nu. Voor het kleine groepje poëzielezers welteverstaan. De meeste festivalbezoekers zullen de bloemlezing links laten liggen.

***
Dichters uit de bundel. Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens (2016). Uitgeverij Marmer, 656 blz. € 29,95

Recensie van De zaal van baards! - sadà\exposadà

Een woekeraar met taal

sadà\exposadà
De zaal van baards!
Uitgever: crU
2016
ISBN 9789079993123
€ 24,95
106 blz.

Ik vermoed dat iedereen de ongemakkelijke relatie wel kent tussen twee mensen die elkaars taal niet spreken. Nog ongemakkelijker is die, wanneer ogenschijnlijk dezelfde taal gesproken wordt, maar men geen overeenkomst kan vinden tussen de gebruikte, de bedoelde, en de verstane woorden. Het is voor de tweede keer dat ik een bundel van sadà\exposadà te recenseren krijg, en maar niet begrijpen kan wat hij bedoelt, waar hij op zint. Wanneer je een dichtbundel leest, ga je in zekere zin een gesprek aan met de dichter. Hij moet je op de een of andere manier raken, je mee kunnen nemen in zijn betoog. Wanneer maar één van de deelnemers zich kan plooien (de lezer) zonder dat er van de kant van de dichter ook maar enige moeite lijkt gedaan om de ander te benaderen, dan kun je je afvragen met welk doel deze poëzie geschreven is: moet de lezer tot nieuwe begrippen komen? Zijn de begrippen die de dichter hanteert waardevoller dan de algemeen geaccepteerde, omdat de taal versleten is? – benaderen zij de werkelijkheid dichter? – Want dat is toch waar het uiteindelijk om gaat?

De werkelijkheid van de dichter kom je niet tegen, er is nergens sprake van een ‘ik’. Het is vooral de werkelijkheid van de literatuur. Het zijn voornamelijk Griekse en Romeinse mythen, en het werk van een groot voorbeeld: Ezra Pound. Met name in diens Pisaanse canto’s heeft de zaal van baards! een illustere voorganger, waarmee ontrafelaars zich al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw bezig houden.

Laten we bij het begin van de bundel beginnen, de afdeling ‘zaal’ die zich over vijf ongenummerde pagina’s uitstrekt. Let wel, het zijn afzonderlijke gedichten:

Het begint met ‘de maatval van de klok’, en het eindigt met de klok die gloort. Zo gebeurt er ook het een en ander met de zonbekranste ossen; en engelen, met kut, troosten zich: teut. ‘Teut met kut’.

Na het verschillende malen gelezen en de gevarieerde onderwerpen gecombineerd te hebben, voelde ik mij zelf een ‘ontbergrader’. Met de nadruk op rader. Je komt hem in deze bundel een aantal malen tegen.

Het ‘usura-ez’ slaat op Ezra Pound (1885 – 1972). Usura betekent ‘woeker’ (latijn), waarmee de Joodse naam Ezra een klankovereenkomst heeft. En de achternaam Pound herinnert aan de Engelse pond. Erza’s vader was muntmeester bij het ministerie van financiën in Philadelphia, en Ezra schreef na de eerste wereldoorlog het ‘ABC of economics’. Poëzie en economie, dus politiek, waren verbonden in zijn wereldbeschouwing, die hem ook tot het fascisme bracht. Al in de zesde regel van de eerste Pisaanse canto, die hij in Amerikaanse gevangenschap schreef, opgesloten in een tijgerkooi, schrijft hij: ‘Opdat maden de dode os zouden eten’, daarmee doelend op Mussolini. Ik vermoed dat sadà\ exposadà met zijn ‘usura’ vooral doelt op het woekeren met woorden, door ze elke keer in andere context te plaatsen en zo hun betekenis te verrijken: de bundel bevat eindeloos veel verbanden van bepaalde woorden, een intellectueel spel dat helaas op geen enkel moment in staat was mijn hart te raken. Poëzie die cerebraler is dan deze kan ik mij moeilijk voorstellen. Maar nu bewegen we ons op het gebied van smaak.

Hoe ver de intertekstualiteit gaat laat sadà\exposadà goed zien aan de hand van dit fragment en de toelichting daarop in het notenapparaat:

 

De persoonsnamen buiten het gedicht moeten het van sadà\exposadà ook zonder hoofdletters stellen.

Ik blijf maar zitten met de vraag naar de bedoeling, de betekenis van deze poëzie. Een nieuwe inhoud heeft niet direct een nieuwe vorm tot gevolg, zie Baudelaire. Andersom is het evenmin het geval. Wanneer je ze met elkaar vergelijkt is de zaal van baards! van sadà\exposadà extremer en minder eenvoudig leesbaar dan De Pisaanse Canto’s van Ezra Pound die zelfs Chinese en Griekse lettertekens door zijn tekst mixte en dus erudiete vertalers nodig had. Er is nog een opvallend verschil: de tekst is ook veel schraler. Het aantal kernwoorden, kernbegrippen is beperkt.
Wat het er niet gemakkelijker op maakt, is dat je er niet even een fragment uit de zaal van baards! kan plukken om op je gemak te ontcijferen; de bundel vraagt om een lezing als geheel, wat de vraag naar de bedoeling evenwel niet beantwoordt. De band met ‘onze’ werkelijkheid is ver te zoeken. sadà\exposadà geeft je wel heel weinig houvast. De ‘baards’ van wie de zaal (welke zaal?) mag zijn, blijft een onbekende. Wanneer zijn leven niet voornamelijk verliteratuurd is, valt er voor de lezer niet zo heel veel te genieten, ben ik bang. Dat ik niet erg van puzzelen houd, beperkt mijn mogelijkheid om van deze tekst te genieten ook wel een beetje…

De bundel is prachtig uitgegeven, met een mooie omslag, twee kleurendruk, (als extra een paar maal grijs) met getekende symbolen, en een klein, noodzakelijk (wie leest er Hebreeuws?) glossarium.

***

sadà\exposadà debuteerde in 2015 met de grote middag, dat samen met de zaal van baards! een tweeluik vormt.

Poëzie Kort
maart 2016

 

Nanne Nauta, Moralen

Door Hans Puper

Op 21 februari was het 113 jaar geleden dat Raymond Queneau werd geboren en daarom was er op 28 februari jongstleden een Queneau-herdenkingsdag in Utrecht – geheel in overeenstemming met de ontregeling die hem kenmerkte. Organisator was de dichter Nanne Nauta. Ter gelegenheid van de herdenkingsdag schreef hij de bundel Moralen.
De 51 gedichten zijn geschreven in de vorm van de ‘morale élémentaire’, die is bedacht door Queneau. Ieder gedicht van Nauta heet ‘De moraal van de dag’, gevolgd door de datum. In eerste instantie lijkt het om willekeurige data te gaan, maar dat is niet zo. Tussen ieder gedicht zit een week tussenruimte; alle moralen spelen zich af op woensdag.
In zijn woord vooraf schrijft Nauta dat een ‘morale élémentaire’ bestaat uit ‘3 x 3 + 1 woordparen die gevormd worden door een zelfstandig naamwoord voorafgegaan door een bijvoeglijk naamwoord, dit alles voorzien van herhaling, rijm, alliteratie en vrije associaties. Dan volgt er een tussenstuk van 7 regels met een verslengte ven 1 – 5 lettergrepen (het Franse vers werkt niet met voeten maar met lettergrepen). Het geheel wordt afgesloten met 3 + 1 woordparen. Als basis voor het schrijven van een morale élémentaire gebruikte Queneau een bestaande tekst zoals een roman of een gedicht om daarmee die bron samen te vatten en/of van een bepaald gezichtspunt te voorzien. Latere auteurs gebruikten andere bronnen zoals films of kranten.’

Nauta doet dat laatste. De gedichten moeten voldoende houvast geven, want geen lezer weet meer wat er op iedere woensdag van 2015 is gebeurd. Die houvast geven ze. Neem ‘De moraal van de dag 1 april 2015’:

 

1 april moest erin, denk ik. Misschien heeft Nauta daarom voor woensdagen gekozen. Het gaat tenslotte om Queneau en die hield wel van wat opwekkende flauwekul tussendoor – en dat is beslist geen afwijzend kwaliteitsoordeel.
Hoe lees je zo’n gedicht? Horizontaal, dus ‘Digitale …’, ‘Slimme …’ ‘Ondergrondse …’? Of ‘Digitale …’, ‘Slimme … / Beste …’ ‘Ondergrondse … ? Of drie kolommen verticaal? Of alle drie? Het is aan de lezer.

Het is een amusante bundel. Een tweede zou meer van hetzelfde betekenen, maar die komt er hoogstwaarschijnlijk niet: daarvoor is Nauta te veelzijdig.

Nanne Nauta (2016). Moralen. Uitgeverij crU, 60 blz. € 14,95

*

Tim Pardijs, Dromen die aarde openbreken

door Hans Puper

Dromen die aarde openbreken , de tweede bundel van Tim Pardijs, heeft een ongebruikelijke inhoud: het leven in een Vinex-wijk, ideeën van architecten, de gang van zaken in bouwputten. Een deel van de gedichten is in opdracht geschreven, onder andere van het Jaar van de Ruimte, de tijdelijke netwerkorganisatie van instellingen en personen die met nieuwbouw te maken hebben.
Je zou kunnen denken dat dit oninteressante poëzie oplevert, maar dat is beslist niet zo. Dat komt in de eerste plaats door zijn invalshoek. In het nawoord schrijft Pieter Hoexum, auteur van Kleine filosofie van het rijtjeshuis, dat je veel moois ontgaat door gewenning aan je woonomgeving. Kunst die zowel herkenbaar als vervreemdend is kan je op die alledaagse, maar bijzondere dingen opmerkzaam maken. Hoexum pleit voor ‘onpoëtische poëzie, waarin de dichter zich houdt aan de opdracht van K. Schippers: ‘Doe maar gewoon, dan doe je al poëtisch genoeg.”
Ook als je zulke ‘gewone’ poëzie maakt, moet je wel een vaardig dichter zijn en dat is Pardijs. Neem het weemoedige sonnet ‘Nieuwbouw’, herkenbaar voor iedereen die betekenisvolle plaatsten uit zijn jeugd heeft zien vervangen door nieuwbouw – in dit geval nog niet meer dan een met hekken afgeschermde bouwplaats die je niet zonder helm mag betreden. Het is eerder gepubliceerd in Meander: http://meandermagazine.net/wp/2014/04/gedichten-236
De samenvoeging van heden en verleden in het hoofd van de dichter maken het onherroepelijke verlies – het schoolplein van spel, strijd en eerste liefde – schrijnend duidelijk: ‘om de ruimte in mijn hoofd staan hekken in de wind / te rammelen’. Mooi.
Humoristisch is hij ook. ‘Of het mogelijk is daar een dezer dagen iets aan te doen’ zou een titelgedicht kunnen zijn voor het programma De rijdende rechter. En met een lichtvoetige beschrijving van de condition humaine heeft hij geen moeite. ‘Als huizen afbranden, bouwen jullie / ze weer op, gaan terug in holen als / konijnen, als geiten achter hekken’ laat hij een vogel zeggen in ‘Dierenpark’.
En waartoe dromen kunnen leiden laat Pardijs zien in het gedicht dat direct aansluit bij de titel van de bundel. Wie herkent in de hoekige spreker nog de jongen die hij was?

EEN DAG IS PAS GESLAAGD ALS JE THUIS COMMENTAAR OP JE KLEREN KRIJGT

Terwijl zijn stem in de microfoon zinnen van
beton en papier maakt, ziet hij over open-
gebroken aarde een jongen de bouw uit rijden.
Zijn hoofdhuid prikt in de warme stralen licht,

er kriebelt iets in zijn onderbroek, zijn shirt plakt
op zijn rug. Hij schikt zijn overhemd onder zijn colbert,
ruikt zijn deodorant. Hij ademt alsof hij kilometers
door rul zand heeft gefietst, stopt. Glimlacht. Buigt.

Het applaus klinkt als brullende shovels, kiepauto’s
onder pluimen grijze rook. Om hem heen de geur van
diesel, vochtige aarde en als hij zich omdraait, zich met

gespreide armen acht erover laat vallen, denkt hij aan
de vlekken in zijn broek die morgen tonen dat hij neer-
komt op een grote bult zacht zand, daar uren speelt.

Een aantrekkelijke bundel.

Tim Pardijs (2015). Dromen die aarde openbreken. In eigen beheer (www.timpardijs.nl), 44 blz. € 14,95

*

 Hans Franse, De tarantella van Pulcinella

 door Romain John van de Maele

 Voor wie regelmatig Meander leest, is Hans Franse (1940) geen onbekende. Hij laat nu en dan zijn kritische blik vallen op nieuwe bundels. Hij schrijft echter ook artikelen voor Den Haag Direct, en publiceerde in 2013 Van nieuwe truffels en oude heiligen. Onder die titel heeft hij indrukken uit Italië gebundeld. Hans Franse woont afwisselend in Nederland en Italië. In 2010 verscheen zijn terugblik op het leven met een ‘foute’ vader: In naam van de vader en de zoon. Kind tussen waarheid en schaamte. Het is maar een greep uit de bibliografie van de vroegere schouwburgdirecteur, die ook onder het pseudoniem Jan van Frankrijk van zich liet horen.

De tarantella van Pulcinella is een soort lofzang op het zuiderse straattheater en bestaat uit eigenzinnige sonnetten, die aan de regels van het sonnet voorbijgaan. Op het achterplat wordt uitgelegd hoe en waar Franses liefde voor de harlekijn, een figuur uit de commedia dell’arte, is ontstaan, en in een voorwoord legt de dichter de geschiedenis van het sonnet uit. Naast elk gedicht staat een illustratie uit Masques et bouffons (1860) van Maurice Sand (1823-1889). Toen ik voor het eerst het voorplat zag, dacht ik spontaan aan de stangpoppen van het poesjenellentheater in Antwerpen en Brussel. Poesjenel – in het Brusselse Frans een pouchinelle – is een verbastering van Pulcinella. Door de lange tekst op het achterplat, de inleiding en de illustraties heeft de bundel een didactisch karakter gekregen. Het is jammer dat in de inleiding niet naar het onderscheid tussen het Italiaanse (petrarcaanse) en het Engelse (shakespeariaanse) sonnet wordt verwezen, en dat ook het begrip sonnettenkrans (vermeld op het achterplat) niet wordt toegelicht. Franses bundel bevat, zoals het in een sonnettenkrans de regel is, wel vijftien sonnetten, maar het werk beantwoordt niet aan de strenge eisen van het genre. Ik vermeld slechts één vereiste: de slotregel van het eerste gedicht is gelijk aan de beginregel van het tweede gedicht. Op het achterplat wordt naar het ‘sociale sonnet’ verwezen, en ook dat begrip wordt niet toegelicht.

Wat de opbouw betreft, maakt Franse meestal gebruik van twee kwatrijnen gevolgd door twee terzinen. Soms worden de terzinen samengevoegd tot één strofe, soms bestaat een gedicht uit slechts twee strofen. Het gedicht ‘Cornuto?’ bestaat uit een octaaf en een sextet. Laat me even het zoeklicht op het eerste gedicht richten. ‘Pulcinella in Napels’ (p. 11) – let op de assonantie en de alliteratie – bestaat uit drie kwatrijnen en een distichon, en het is precies het distichon dat naar het sociale karakter van het straattoneel verwijst en zelf een uiting is van sociale poëzie: ‘De arme die de harde wereld kent / lacht en deelt zelfs zijn laatste stuk brood.’ Het straattoneel is een uitnodiging tot solidariteit. Het laatste gedicht, ‘Pulcinella en ik’, is een variant op een versregel van Vondel: ‘De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.’ Aan het strand in Scheveningen blikt Hans Franse terug op zijn eigen leven en hij vraagt zich af of ook hij een masker heeft gedragen, hij speelde immers al zijn hele leven mee. In het afsluitende sextet vat hij de uitkomst samen:

Het einde van alles: een onthullend demasqué
voert mij tot aan mijn eigen grens: mijn winterzee
is het eindpunt van deze harlequinade;
aan het eind ligt de vergetelheid
het einde van de tijd en de ijdelheid:
het zachte slot van elke maskerade. (p. 39)

De dichter herinnert aan het vanitasmotief en de onuitgesproken oude wijsheid ‘memento mori’. Hij beseft dat hij geen plaats zal krijgen naast Petrarca of Shakespeare, en dat vrijwel alles van voorbijgaande aard is.

 Hans Franse (2015). De tarantella van Pulcinella. Uitgeverij Liverse, 40 blz. € 15,95

 *

 Jacob Peereboom, Rood Zwart Rood

 Door Hans Puper

 Laatst sprak ik met Nol Krentsch, dichter en beeldend kunstenaar, over de bundel Rood Zwart Rood van de gekwelde dichter Jacob Peereboom (1904 – 1944). Hij had het omslagontwerp gemaakt. Ik vroeg hem waarom op het voorplat ‘Zwart Rood Zwart’ stond en op de titelpagina ‘Rood Zwart Rood’. Hij kon het me niet vertellen: vreemd genoeg had hij de proefdruk niet ter inzage gekregen. Nog vreemder: de bundel is in het laatste kwartaal van 2015 verschenen en voor zover ik kan nagaan alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Gelukkig heeft de uitgever van De Manke God hem ter beschikking gesteld op zijn site: www.demankegod.nl/jacob/files/index.html.
Ik had Peereboom (1904 – 1944) iets beters gegund. Hij vond geen rust, maar niemand wist waarom, niemand zag ‘De schaduw van twee vleugels, die hem joegen / Den fellen klauw in zijn gebogen nek’, om met Bloem te spreken. Zoals bekend, maakte Peereboom een einde aan zijn leven. Een korte biografie is te lezen op de site van het Rob Scholte Museum: robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-verdrinken-in-een-gele-of-zoutgrijze-oceaan/
Volgens Du Perron schreef Peereboom poëzie ‘buiten de gangbare orde om.’ Ik ben het met hem eens. De minachting voor wat de dichter zag als gevaarlijke domheid, leidde soms tot een vernietigende ironie. Sinds het onderstaande gedicht in december 1933 werd gepubliceerd in Forum is van de extreem-rechtse Stephan Bodijkat nooit meer iets vernomen.

HET VERTROUWEN IN DE SALON VAN DE TEN KORTENAERS

1

De salon van de Ten Kortenaers
Mijn God de salon van de Ten Kortenaers
Die daar komen
De goden die daar komen
Geef ze absolute macht
Zij zullen de wereld veranderen

In de salon van de Ten Kortenaers
Spreekt men van eilanden in het luchtruim
Om het gepeupel op te bergen

Excuseert u mij mijn naam is van geen belang
Maar desondanks Stephan Bodijkat

Ook delibereert
Men onder het genot van een drankje zeer
Beslist over het lot van de kippen en hoeren

 Jacob Peereboom (2015), Rood Zwart Rood. Uitgeefhuis De Manke God, 37 blz. € 7,00