Recensie van Nachtefteling - Martijn Benders

Prachtige rompslomp van woorden

Martijn Benders
Nachtefteling
Uitgever: Van Gennep
2017
ISBN 9789461648082
€ 17,90
86 blz.

De Efteling in volslagen duister, als de vele bezoekers huiswaarts zijn gekeerd en niemand meer in de rij staat. Is dat de Nachtefteling, of is het meer een heel ander soort pretpark waar duistere sprookjes de inspiratie zijn geweest? Maar zijn de bestaande sprookjes niet al duister genoeg? In de brief die de bundel afsluit, geschreven door ‘Martinus’ Benders op Camping ‘De Zwarte Bergen’, lezen we over de ambitie om een Nachtefteling te starten en rendabel te maken: ‘Nacht na dag na nacht zat ik te peinzen over hoe ik deze Nachtefteling zou gaan scheppen, en hoe ik er alle dichters van Nederland een baan in zou verschaffen. (…) Een plek waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt, hier ga ik hem bouwen, hier in De Zwarte Bergen. En deze bundel dient u dan maar te beschouwen als een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking, als een eerste, kleine verkenning.’

Hij is er weer, de dichter/grappenmaker, waarbij je niet goed weet wat ernst is en wat een grap. Albert Hagenaars beschreef in een recensie over Martijn Benders’ bundel Lippenspook de dichter als: ‘nar en jongleur ineen’. Dat is een gevaarlijk compliment. Nar en jongleur. Clown én acrobaat. Zowel Bassie als Adriaan. Tijdens het Tuinfeest in Deventer zag ik Benders optreden met naast hem een lange man in een regenjas die op gezette tijden iets in de microfoon mocht roepen. Het leek op VPRO-kindertelevisie in zijn beste jaren, maar het boeide mij niet, en ook niet toen er werd overgeschakeld naar het zingen van simpele kreten. Benders zoekt het experiment, de absurde vorm, maar ik haakte af omdat het voor mij te ver af staat van de essentie van poëzie, zoals Benders dat in de brief zelf aanduidt: ‘Je buiten de tijd zetten, een fractie van een seconde maar.’ Die gekkigheid trekt je heel hard de tijd in.

Clown en acrobaat. Hier schuilt gevaar voor de dichter: zoveel aandacht voor de humor in zijn werk en zijn uitzonderlijke taalvaardigheden is vooral aandacht voor de vorm. Maar veel vorm verstopt de inhoud en verhult ook het gebrek aan inhoud. Dat gevaar heeft Benders kunstig afgewend in Nachtefteling. De nieuwe bundel is allesbehalve een ‘nietszeggende voorbode’, er zit veel inhoud en gelaagdheid in de gedichten.

De bundel bestaat uit drie onderdelen: NOKS, ELPH en TOELINK. Het eerste deel bestaat uit 16 gedichten die onderling samenhang vertonen, het tweede deel is één groot gedicht en het laatste bevat 20 uiteenlopende gedichten die als een soort toegift zijn toegevoegd.

ELPH is te lezen als een zwarte variant op Gorters Mei, en is daarmee de hoofdattractie van de Nachtefteling. Er is sprake van een monster dat door een piepklein gaatje naar buiten kan kijken, waarna we een uitvoerige beschrijving krijgen van wat het allemaal niet kan zien. Lieflijke beschrijvingen van de natuur met subtiele verwijzingen naar dood en oorlog: ‘de pierlala van de wind’, de ‘torpedojager van een gele narcis’. De verwijzing naar Gorter is expliciet: ‘Het gortert door de eeuwige goot, waar dit gedicht opgekrast staat.’ Maar in die eeuwige goot treffen we ook Guido Gezelle ‘op het nulleke van de horizon’, ‘op het noerke van de horizon’ en Paul van Ostaijen als wolkenformaties worden getekend met het woord ‘wolk’. En dan aan het slot zijn we terug bij het monster:

(…)

Maar niets ziet monster 
door dit piepkleine gaatje, 
door het vizier Gods, 
de hemel niet en niet het nulleke van de zee. 
Het ziet alleen jou. En mij. 
En het heeft tijd noch kogels meer.

Heb meelij met ons, Lieve Heer.

Dat is toch wel een belevenis waar je de lange wachttijden in de Nachtefteling voor wil trotseren? En als je de ervaring wil herbeleven, ga je gewoon nog een keer, gewoon weer achteraan sluiten.

Waarin schuilt dat veelgeprezen jongleerwerk van Martijn Benders? Benders (nomen est omen) buigt betekenissen zo dat woorden opeens meer betekenen, er komen veel nieuwe woorden in zijn gedichten, maar dat lijken hele gewone, heel vaak gebruikte woorden. Wat te denken van lieden die ‘ogelen naar wiffels’. Je voelt meteen aan dat er een penetrante stank om dat soort types hangt. In het gedicht ‘Wicht’ denk je even dat de titel verwijst naar een jong onschuldig meisje en misschien doet het dat ook, maar misschien ook weer niet of misschien is het een homoniem. Het werkwoord ‘wichten’ heeft vast verwantschap met wegen, wachten, wiegen en het voelt net zo vertrouwd als ‘dorven’ aan het graf.

Wicht

Argwanend knispert grint onder haar voeten, 
Wanneer zij het graf van haar vader bezoekt.

Ze heeft een goudgele orchidee en in haar sproeten 
tekent zich een ander gezicht, dat alleen hem is.

Zo dorven zich de dochters aan onze graven, vaders. 
Alle verlokking bedacht in het wilde steen.

De ogenblikken graven in, op de bottenradar 
wicht het goudgeel licht zijn orchidee.

En zo staan we even een paar seconden buiten de tijd. Door de nauwkeurig geregisseerde ‘rompslomp van woorden’ die ons verblijf zeer aangenaam maakt in Martijn Benders’ Nachtefteling zoals het door de dichter ontworpen omslag het presenteert. Nergens de neiging om de bundel in de mond van Holle Bolle Gijs te mikken. Als dit de voorbode is, ben ik erg benieuwd hoe het poëziepretpark zelf uitpakt.

***
Martijn Benders (1971) debuteerde in 2008 met de bundel Karavanseria, die genomi­neerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.  Nachtefteling is zijn zevende bundel.

Recensie van De tere bloemen van het verstand - Myrte Leffring

De brug – Een eigentijdse moraliteit in verzen

Myrte Leffring
De tere bloemen van het verstand
Uitgever: Van Gennep
2016
ISBN 9789461644480
€ 14,95
64 blz.

Myrte Leffring (1973) is bureauredacteur bij Awater. De tere bloemen van het verstand is haar tweede bundel bij uitgeverij Van Gennep. De recensies van haar eerste bundel waren niet al te positief. Maar soms ook aantoonbaar oppervlakkig.
Bij eerste kennismaking doet de bundel me denken aan Een man begraaft een boom van Shari van Goethem. De genummerde gedichten op de linker bladzijde hebben een mysterieuze sfeer, en kennen een duidelijk gecomponeerde verhaallijn. Ze maken indruk, hoewel ik niet uitsluit dat ze tenslotte als een zeepbel uiteenspatten. De gedichten op de rechterbladzijde zijn cursief gedrukt, en lijken op meer lyrische toon verdieping te geven van of commentaar te leveren op de gebeurtenissen aan de linkerzijde. In deze gedichten is vaak sprake van een man en een vrouw, van verlangens en verwikkelingen in een relatie.
Kort samengevat gaat het verhaal over een vrouw die in het eerste gedeelte van de bundel (‘Wankelend licht’) een brug beklimt. Het middelste gedicht heet ‘Iemand is een brug’. In het derde gedeelte van de bundel (‘Totdat ook de nachten verdwijnen’) vindt de afdaling van de brug plaats. De brug kan gezien worden als een levenstrap, als een symbool voor de levensloop van een mens, met een stijgende en dalende lijn die ontwikkeling en neergang belichamen. Het zou veel meer voor de hand hebben gelegen, als de dichter haar bundel ‘De brug’ had gedoopt. Dat had een mooie parallel opgeleverd met De rotonde van Mark Boog, eveneens een bundel met een sterke verhaallijn (gepresenteerd als ‘Roman in verzen’). De tere bloemen van het verstand is wel een meer prikkelende titel, die direct nieuwsgierig maakt. Een poëtische titel ook, met een subtiel ritme.

Zoals gezegd beklimt in de eerste afdeling een vrouw een brug. Dit heeft iets van een proces van vallen en opstaan. In gedicht 1 lezen we ‘een vrouw stond voor een brug’. Na enige schermutselingen blijkt ze aan het einde van gedicht 2 weinig verder gekomen te zijn: ‘en ze stond weer onderaan de brug’. In het midden van gedicht 5 worden bijna dezelfde woorden gebruikt: ‘en weer stond ze / onderaan de brug’.
Mooi is de openingsstrofe: ‘Het licht leek van vloeipapier / en gaf een schijn van vrede / en verdraagzaamheid’. Het doet denken aan regels uit het gedicht ‘Stof’ uit haar vorige bundel, waarin zij over een stervende schrijft ‘je houdt je ogen / voor mij altijd jouw ogen / achter ouwelblad verborgen’. Erik Lindner schreef in de Revisor dat hij zich bij het woord ‘ouwelblad’ iets op de ogen kon voorstellen als iemands gezicht verzorgd werd. Mij deed het woord ‘ouwelblad’ in deze context meer denken aan het flinterdunne gesloten ooglid zoals je dat ziet bij hele oude mensen. En vanuit dit uitstapje kunnen we ons voorstellen, dat het licht van vloeipapier in de openingsstrofe misschien wel een omschrijving is van het gefilterde licht dat de baby in de baarmoeder waarneemt.

In de tweede strofe van gedicht 6 herkennen we ‘De schreeuw’ van Edvard Munch.

6.

Een vrouw liep uren
en uren zonder te stoppen
om haar heen lispelde de stilte
en stralen zonlicht hulden de brug
in een matte glans

de vrouw ging dichtbij de
reling staan, tuurde in
de verte en hoorde haar
eigen angst gillen
zoals een varken dat wordt opgetild
de vrouw drukte haar handen
tegen haar oren
de angst zweeg en verdween

een jongen kwam voorbij
hij groette zonder
de vrouw aan te kijken
zong een lied dat zij niet verstond

ik zoek… begon de vrouw, maar
de jongen schrok en zette het
op een lopen
wat is het ingewikkeld
zuchtte de vrouw
en de jongen riep haar
vanuit de verte toe
helemaal niet! het is doodeenvoudig!
stop met zoeken want
je bent er al

de vrouw schudde
haar hoofd en slikte moeizaam
een meeuw vloog langs
de zon en nam alle warmte mee

De jongen in dit gedicht is een van de vele mannen die de vrouw op haar tocht tegenkomt. De één ‘pakte haar uitgestrekte handen / drukte er een kus op en zei: / ik zal voor eeuwig bij je zijn / en na een jaar vertrok hij en / nam alle vogels mee’, een ander heeft ongelijke benen waarmee hij achteruit de brug afloopt, en weer een ander vraagt haar ‘ben je bang om dood te gaan?’ en springt vervolgens van de brug.
Net als in de beroemde 15e-eeuwse moraliteit Elckerlijc worden allerhande begrippen gepersonifieerd. De vrouw ‘greep overmoed bij de kladden’ (5), ‘spijt stak zijn lelijke kop om de hoek / en hield haar in zijn greep’ (7), ‘en de vrouw danste / met de schaamte op de brug’ (8) enz. De ontmoetingen met deze personages zijn echter kortstondig en kennen geen echte ontwikkeling. Het verhaal in deze bundel kent ondanks de verwantschap met Elckerlijc ook geen duidelijke moraal. Dat is niet zo vreemd, omdat met het wegvallen van religie als vanzelfsprekendheid ook veel waarden zijn verdwenen. Er is wel een terugkerend spel met zwart en wit: ‘zwart was de lucht / of wit’, ‘er was het licht / het zwarte, witte licht / dat ons omringde’. De precieze betekenis hiervan binnen deze vertelling is mij echter niet duidelijk geworden.

De gedichten op de rechter bladzijden vormen een aanvulling op het verhaal zoals dat zich in de genummerde gedichten aan de linkerkant ontwikkelt. Niet altijd voegen deze gedichten evenveel toe, ook zijn ze vaak te weinig uitgekristalliseerd om als gedicht op eigen benen te kunnen staan. Neem bijvoorbeeld het begin van het gedicht tegenover nummer 17:

Er was een vader
er was een
moeder

vroegoude mensen
woorden en dingen
die je niet mocht zeggen
dingen die te belangrijk waren
om uit te spreken

(…)

We komen hier gevaarlijk dicht in de buurt van de zeepbel uit de inleiding van deze bespreking. In de loop van de bundel lijkt de urgentie af te nemen. In de eerste gedichten is de vervreemding voelbaar aanwezig. De mens (een vrouw) op weg in een leven waar hij/zij niet om heeft gevraagd, in een wereld die per definitie onbegrijpelijk is. In de tweede helft van de bundel komen gebeurtenissen uit een latere levensfase aan bod, waarbij ik vermoed dat de dichter minder uit eigen ervaring kan putten. Dat neemt niet weg, dat De tere bloemen van het verstand een intrigerende bundel is, die uitnodigt tot aandachtige lezing en herlezing.

Recensie van Lippenspook - Martijn Benders

Een baldadig dichter in de overdrive

Martijn Benders
Lippenspook
Uitgever: Van Gennep
2016
ISBN 9789461644497
€ 16,90
61 blz.

De nieuwe bundel van Martijn Benders, Lippenspook, brengt je wat je als lezer van Benders kunt verwachten na een bundel als Sauseschritt uit 2015: een bonte verzameling van luttele pagina’s over liefde, dood en andersoortige tegenstrijdigheden en weerzinwekkendheden. Benders dient dat alles op in een atmosfeer van verlangen, tederheid, humor, ironie, sarcasme, cynisme, relativering en verslagenheid. Zo nu en dan is het om te grimlachen. Neem het korte gedicht ‘Postbode verzuipt op weg’ met de beginregels: ‘Zag jou in het haardvuur van mijn dromen! / In de herfst van het haardvuur van mijn dromen! //’. Terwijl het geluid van de bunker buster alles overstemt, ‘als ik je verkruimelde lippen kus’ en voorkomen moet worden dat de rivier ‘alsjeblieft niet [gaat] heupwiegen tegen het raam, / ik weet het, de jazz, de bevrijding, de bevrijding, de jazz. /’ besluit hij met de versregels: ‘Maar weet je wat het is, lieveling. / De halve wereld staat in brand. //’ Eenzelfde kritische, absurdistische maar humorvolle woordenacrobatiek lezen we in een gedicht als ‘Bank': ‘Triester dan de halfwaardetijd van boerenkool, / heers jij op een gekrompen lederen wolk, / over een koninkrijk van stompjes en te langsgefietst volk. //’. Zoals Benders zijn blik laat neertuimelen op de baby, ‘dat zieltogend monster’ in het gelijknamige gedicht is hij ten voeten uit in beeld als de spottend toekijkend en relativerend vader of oom of vriend die zijn gedachten niet voor zich weet te houden. Vaders hebben geen navelstreng. In dat gedicht waart het ‘lippenspook’ drastisch rond, dat het liefst ongevraagd de woorden aan de jij of de ik ontrukt.
   Benders weet met zijn associatieve werkwijze, zijn eigentijdse taalgebruik, zijn neologismen en beelden de tijdgeest van het directe, het ongepolijste en het ongeciviliseerde in de omgang tussen mensen in zijn poëzie aan ons voor te zetten. Woorden als maan, nacht, lippen, kus, dood en sterren vormen terugkerende decorstukken in deze bundel. Zijn kracht zit hem niet in zijn vormvaste verzen, metrum of klankrijkdom, maar wel in de onverwachte opeenvolging van beelden en gedachten. Hij heeft een scherp oog voor alles wat er in de huiselijke kring en daarbuiten tussen mensen doodloopt. Met zijn opzichtige manier van verwoorden plaatst hij zichzelf volop in het schijnwerperlicht van zijn neonletterachtige poëzie vol glitter en geschetter. Je voelt een sterke onderstroom van haast, van ergernis over hoe de dingen zijn, en zo gelopen zijn. Ik proef daarin zijn oprecht en driftig engagement.
   Er staan enkele gedichten in de bundel waarin Benders de actualiteit met kritische zin een plaats geeft, zoals in het gedicht ‘Hand in hand tegen de vernietiging’:

Jij droomt, schatje, dat je tegen ISIS vecht.
Strenge mannen met baarden
die nog nooit een liedje van Leonard Cohen hoorden.

Landen hebben geen religies, landen dromen niets.
Liggen landerig te liggen in het grenzeloze niets,
net als jij en ik, ooit, hand in hand tegen de vernietiging.
Geluidloos tegen alle dood. Maar ik overdrijf, dat weet je.

Die laatste versregel geeft een voorname karakteristiek van het lyrisch subject die wel erg sterk terugslaat op het dichterschap van Benders zelf.
   Binnen zijn geconstrueerde wereld heerst een sfeer van sensuele hardhandigheid en sentimentele klunzigheid. Hij deinst er niet voor terug zijn gevoeligheid te tonen. Je merkt op diverse plaatsen in zijn bundel dat hij tegelijkertijd een diep verlangen koestert naar genegenheid en intimiteit, maar hij ziet daarvan ook direct de relativiteit in: ‘Als je slaapt, liefje, / zacht als aardappelpuree, / ruik ik wel eens aan je portemonnee. // Alleen een dode zou zoiets opbiechten. //’. Telkens betrapt hij zich erop dat hij zich koest moet houden, want het lippenspook dreigt telkenmale de sfeer te verzieken.
   De hele bundel door wekt Benders bij mij de indruk dat het lyrisch subject zich merendeels unheimisch voelt in deze verburgerlijkte samenleving met zijn ‘ellenlange verjaardagsfeestjes en flatteuze begrafenissen’. Hij ervaart deze wereld van aantrekken en afstoten, als een wereld van onvoorziene trouw en afzichtelijke ontrouw. Bovenal verfoeit Benders de dood als de grote spelbreker van zijn levensdrift die met zijn onberekenbare bewegingen, zelfs als geliefden zijn overleden, ons blijft manipuleren. Er is ‘Niets pretentieuzer dan wat dood is’, en dat betreft de mensen van statuur die reeds overleden zijn.
   Benders is niet te beroerd om de dichter met hoge pretenties ervan langs te geven. Alle hypocrisie zou hij de wereld willen uitbannen, ware het niet dat het hem ook de kans biedt om bijtende poëzie te schrijven, zoals in ‘Vreselijke dichter met rietje’: ‘Daar zit ie. Een verschrikkelijke vent. / Een kruk. Een pak. Dat bekakte rietje. // En die dauwdruppel. / En dat tempo.//’. Over roem is hij ook al helemaal niet te spreken. Wat doet het er toe om ‘Het themaliedje van de necrofiel in de lift [te] horen.//’. Niet alleen de dichter krijgt een sneer, maar ook de lezer krijgt ervan langs. In ‘Aan de lezer’ zegt hij: ‘Ik hoop dat je sterft als je dit leest. / […] Dag ondier. //’. Zijn poëzie is ‘streetwise’ en heeft iets hoekigs, iets scherps, iets scherpzinnigs en iets dwingends. Ik zou zijn werk als tegendraadse én aanstekelijke poëzie willen karakteriseren. Aanstekelijk in de zin dat ze in haar metaforiek wendbaar en verrassend is, zoals ‘irritant ritselen van boomkruinen’ of ‘Kathedralen staan zo dicht op elkaar / dat het lijkt of ze willen copuleren. //’; tegendraads en ‘streetwise’ in de zin van een doorslaande alledaagsheid en onaangepastheid in taal en beeld. Het is waar dat veel mensen in het dagelijks leven met elkaar spreken en met elkaar omgaan als in het ‘Dode Dichterscorvee’, maar in dat geval komt deze poëzie bij mij als weinig poëtisch over:

ZombieBloem achtervolgt me overal
omdat ie goede liedjes van me wil bietsen.

Bij slager, supermarkt of Gal & Gal
met die vervallen kop,
die opgeviste fietswrakblik.

Leen mij eens wat te zingen, Benders.
Sterven is ook schrappen, Benders.

Benders bekritiseert zichzelf, maar roept zichzelf in het laatste voorbeeld tevens tot de orde, en terecht, want op meerdere plaatsen in de bundel is hij tot verrassend pakkende versregels en beelden in staat die gelaagdheid in zich dragen, zoals in het gedicht ‘Euforische witte mollen, gazerige mollenmaan’ : ‘Sterren – de interpunctie van God – /’ of zoals in het gedicht ‘Kapotgemaakt’: ‘Altijd schilders van stilleventjes die zich van kant maken. / Fruit kan knap deprimerend zijn. / Behalve meloen. / Met zijn grijns, / in zijn opgeblazen clownspak. // Als de dood zijn stilleventje maakt / is er niets op te herkennen behalve bloemen. //’. Die grijnzende meloen in dat kleurrijk clownspak is een pakkende personificatie. In deze nature morte ontneemt de dood in dubbele zin aan de schilder het leven. De bloemen op zijn graf en het schilderij zijn er de bewijzen van. Deze vervlechting van waarneembare realiteit en verbeelde voorstelling laat zien dat Benders over een sterke creatieve imaginatie beschikt.
   Benders heeft nogal eens de neiging in de overdrive te gaan in zijn wijze van uitdrukken en in zijn beeldkeuze, zoals in ‘Een gehersenspoelde walnoot die boomweigert’ of in ‘De oneetbare, onbeleefde en kleurenblinde vlieg / wrijft met lichtsnelheid in de pootjes / zodat de klok in brand vliegt.//’. Hij weet zijn conflicten goed neer te zetten, maar niet op te lossen, zoals in het gelijknamige gedicht waarin de rooktherapeute zozeer gesteld was op het werk van Lucian Freud vanwege de individuele vrijheid die het behelst, terwijl de ik haar uit het misverstand wil helpen door erop te wijzen dat Lucian Freud een beeldend kunstenaar is, en geen psycholoog; ‘Ze zei / dat maakt niet uit. // Ik zei / waarom maakt dat niet uit. //’
   Benders eindigt zijn bundel met het gedicht ‘Een stad met fijne straten’. Hij biedt ons daarin een uitzicht op ‘Sierlijke, fijnvertakte, aangename straten / met eenvoudige mensen zonder toekomst. //’ Er spreekt een verlangen uit naar het gewone, het afgewogene, het overzichtelijke, maar eronder ligt tevens de zweem van cynisme, van perspectiefloosheid, van zinloosheid in dit verlangen. Dat fijne is niet zo fijn als het er uitziet. Geweld, vluchtelingen, moord- en doodslag (Kennedy), ontrouw, onbereikbaarheid, de beklemming van sociale verbanden, de onvrijheid voluit jezelf te zijn, te zeggen wat je wilt zonder jezelf maatschappelijk schade te berokkenen blijft een verlangen dat hij koestert. Daarvoor gebruikt Benders schrille beelden, soms vuige taal, en laat hij Jezus Christus scheldend ten tonele verschijnen. Die ongeremdheid maakt zijn poëzie ook spannend, aantrekkelijk, maar soms ook afstotelijk en vervreemdend. Het kan niet ontkend worden dat we hier met een eigenzinnige dichter te doen hebben van wie we nog veel hebben te verwachten. Welke kant het uit zal gaan, blijft nog ongewis.

***
Martijn Benders (1971) heeft al een aantal prijzen in ontvangst mogen nemen voor zijn poëzie. In 1994 kreeg hij de Meervaart Literatuurprijs. In 2002 kwam zijn veelgeprezen gedicht Haydar gaat naar Istanbul om een pauw te kopen uit. Hij woonde een periode in Istanbul, maar keerde terug naar Nederland. In 2009 krijgt hij de C. Buddingh prijs voor de bundel Karavanserai. De prestigieuze Europese poëzieprijs krijgt hij toegekend in 2013. In 2015 verschijnt zijn bundel Sauseschritt. Benders is een talentvol en eigenzinnig dichter.

Poëzie Kort, april 2016

Turing Foundation, Een toon die in de stilte zoemt. De 100 beste gedichten van de Turing gedichten wedstrijd 2015 -

door Lennert Ras

Een toon die in de stilte zoemt heeft een rijk palet. Omdat het een bloemlezing is, komen heel veel verschillende onderwerpen aan bod. Zo komt het vreemdelingenvraagstuk voorbij, en is er een soort apostolisch gedicht over een gorilla, de dood komt voorbij, soms iets over psychiatrie. Er is zelfs een enkel prozagedicht opgenomen, zoals van David Nolens en ook het gedicht van Milou Voskuilen doet prozaïsch aan. Een enkel gedicht is in de vorm van een dialoog opgeschreven. In hoeverre kun je dan nog spreken van een gedicht? Het zijn vooral veel vrije verzen. Er wordt wel eens van Turing gezegd, dat ze niet van vaste vormen houdt. Dat dat niet vernieuwend genoeg is. Het niveau is best hoog. Alhoewel je af en toe ook een wollige bombastische zin tegenkomt, waarvan je je afvraagt, wat die nu weer doet in een verzameling van 100 beste gedichten. Het zijn gedichten met een geheim, of een aparte draai op het eind, gedichten met een dissonant erin. Zoals in het winnende gedicht dat eindigt met de prachtige uitsmijter dat lopen in het Russisch twee werkwoordsvormen heeft, afhankelijk of men een bestemming heeft of niet. Of het gedicht ‘Appeltaart op zee’, dat inderdaad over appeltaart gaat, maar ook eindigt in een heel andere richting. Hemingway komt voorbij met zijn kortste verhaal: ‘for sale: baby shoes never worn’, dat gelogen zou zijn en eindigt met een mooie uitspraak dat de kunst van het liegen bestaat in het ontwijken van details. Al met al een lezenswaardige bundel. Volgens mij heeft de jury haar werk goed gedaan.

***

Een toon die in de stilte zoemt. De 100 beste gedichten van de Turing gedichten wedstrijd 2015. Samenstelling Turing Foundation (2016). Van Gennep, 128 blz. € 14,95

Charles Ducal en Roel Richelieu van Londersele, Het gezeefde gedicht

door Hans Puper

Het gezeefde gedicht is een bloemlezing uit de gedichten die verschenen op de gelijknamige site: www.hetgezeefdegedicht.be. In de inleiding van de bloemlezing zeggen de samenstellers dat deze site ‘een vrij unieke plek [is] in het huidige literaire veld’. Het is hun bedoeling ‘een alternatief te bieden voor enerzijds de geslonken ruimte voor nieuw talent in literaire tijdschriften en anderzijds poëziewebsites die debutanten opnemen zonder kwalitatieve literaire eisen.’ Zij willen ‘beginnende dichters in de zeef leggen en dan schudden.’

Het overgrote deel van de gedichten kun je karakteriseren als ‘rechttoe-rechtaan’, zowel wat de vorm als de inhoud betreft. Een aantal gedichten is daardoor oninteressant. Dat geldt niet voor Gerard Scharn (1946): hij laat voldoende over aan de lezer. Bovendien werkt zijn taalplezier aanstekelijk.

ijstijden

is een vrouw bang als ze met
haar man op reis is en de honden
weigeren de slee te trekken?

Inuit hebben mooie namen
ik denk aan Navarana Mequpaluk
die twee kinderen baarde
Mequsaq Avataq en Pipaluk Jette
voor zij aan de spaanse griep bezweek

nooit proefde zij de smaak
van jonge sla komkommer of radijs

Van de jonge dichters vielen Dorien de Vylder (1988) en Aloys Vonckx (1992) als eerste door mijn zeef. De Vylder heeft weinig woorden nodig om een situatie te schetsen: ‘Lakens had je niet, / wel mooie woorden en een deken / bevlekt met gemorste minnaressen.’

Vonckx is al redelijk bekend. Hij publiceerde in verschillende tijdschriften en won de Poëzieprijs Melopee Laarne 2015 met zijn gedicht ‘Kamer 832’. In 2014 gaf hij een interview aan Meander, waarin hij in soms vermakelijke bewoordingen zijn poëtica en de positie van de dichter uitlegde. http://meandermagazine.net/wp/2014/07/een-dichter-is-een-heilige-parasiet/ , Hij was toen nog ex-student Kunstwetenschappen in Leuven. Inmiddels lijkt hij zich een nieuwe identiteit aangemeten te hebben. In de aantekeningen achterin de bloemlezing valt te lezen dat hij theologie studeerde in Leiden. En dan volgt een humoristische zinnetje: ‘Heeft geen ambitie’. Het komt wel goed met die jongen.
In de twee gedichten die in de bundel zijn opgenomen doet Vonckx zich kennen als een verre nazaat van de illustere Piet Paaltjens, eveneens student theologie te Leiden en voor het laatst gezien aan de voet van ‘den onmetelijken oceaan’ – de Waddenzee. Het gedicht ‘Vuurwerk’:

we hebben ons best gedaan
alles staat zoals het staat op p. 35
de orchidee past perfect in zijn pot
geluk heeft genoeg aan een vorm

parels barsten in de glazen
in onze ogen krijgt leegte een blik
en onder onze drogen tongen
planten kakkerlakken zich voort.

we tellen af, dat is hier mode
we overladen elkaar met kussen
en als wij onze wensen afsteken
ruikt het heelal naar plastiek

Ik verwacht dat Vonckx niet lang bij Paaltjens zal verwijlen; daar is hij te levendig voor.

Het is jammer dat uitgeverij P nauwelijks informatie over de mooi uitgegeven bundel verstrekt. Achter het ISBN-nummer kom je alleen als je de bundel in handen hebt, de prijs is niet te vinden en bij de bekende webshops vind je hem niet terug.

 ***

Het gezeefde gedicht. Samenstelling Charles Ducal en Richelieu van Londersele (2016). Uitgeverij P, 149 blz.

Kees Godefrooij, Afscheid. 99 gedichten over afscheid nemen voor bijna niets

door Hans Puper

Afscheid is de negende bloemlezing in de serie ‘dichters voor bijna niets’. Hij is laagdrempelig: veel dichters die nog niet eerder hadden gepubliceerd – niet bij een uitgeverij, tenminste – krijgen hier een kans.

Schrijven over afscheid blijkt voor velen een valkuil. Het is een zwaarbeladen onderwerp dat kan leiden tot particuliere gevoelsexpressies in heftige bewoordingen – dat is geen spotternij van mijn kant, het is volkomen begrijpelijk. Alleen: het komt niet over, vooral als er ook metaforen in een gedicht voorkomen die mank gaan, grammaticale afwijkingen niet functioneel zijn, er sprake is van dik aangezet rijm et cetera.
Hoe breng je gevoelens over? Hier speelt bekende paradox van de pianist die zijn publiek tot tranen toe wil ontroeren en zijn stuk heel weloverwogen moet spelen om dat voor elkaar te krijgen. Hij moet alert zijn; als hij ook zelf ontroerd is, lukt dat niet. Datzelfde geldt voor een dichter. De aanleiding kan zwaar zijn, verdrietig, ontroerend, maar hij moet iets vormgeven in taal. Die is weerbarstig en vraagt om een heldere, kritische aandacht; is het niet tijdens het schrijven, dan toch achteraf.
Het is mooi om deze gedichten te vergelijken met die van dichters met meer ervaring, zoals Antoinette Sisto, Alja Spaan, Mattie Goedegebuur en Ton Huizer. De onderwerpen verschillen niet, maar het verschil zit hem in de behandeling daarvan. En dat is grotendeels een kwestie van vorm: die ondersteunt de inhoud en omgekeerd.
Ook een dichter als Hiltsje Jongsma is interessant, omdat je haar Friese gedichten kunt vergelijken met haar eigen vertalingen. Hoe doet zij dat? Welke keuzes heeft zij gemaakt?

Niet alles is even zwaar – of lijkt niet zwaar. ‘Tante T’ van Mattie Goedegebuur is grappig, maar kijk eens naar de tegenstelling tussen de eenzame tante en de druk twitterende ‘ik’:

zeker 1x per jaar
was ik haar lieveling
#koudetanteTruusthee

bezocht ik haar
ze zat met mokkataart
#verwachtingsvolopgedirkt

tante is weduwe
eenzaam kinderloos
#kruiswoordpuzzeldagen

haar slechtziende blik
herkende mijn stem
#gezelschapsblijdschap

ook vroeg ze me
drie keer hetzelfde
#zestigjaargeleden

Wat moet je als lezer nu met ‘haar slechtziende blik / herkende mijn stem’? En waarom staat dit gedicht in een bloemlezing over afscheid? Het is aan u.

 Afscheid. 99 gedichten over afscheid nemen voor bijna niets. Samenstelling Kees Godefrooij (2016). Uitgeverij Spleen, 125 blz. € 8,-. Te bestellen bij boekhandel Perdu Amsterdam.

Anton Ent, Hoe het licht valt

door Lennert Ras

Als je de achterflap van de bundel leest met het stukje over het werk van Ent door Jaap Goedegebuure (en Tom van Deel schreef een kort voorstukje, ook niet de minste), dan heeft de bundel tamelijk veel pretenties. Het werk zou op en neer pendelen tussen hartstochtelijk beleden obsessie en de neiging tot berusting en verstilling. De hartstochtelijk beleden obsessie herken ik niet zo in de bundel. Berusting en verstilling wel.

In het gedicht ‘Vakmanschap’ wordt de taal geschuurd, geschaafd en gezaagd zonder waarom .. en dat vind ik een aantal keer terug in de bundel. De eerste gedichten vind ik te rustig .. Het gedicht ‘Aan het strand’ dat dan volgt is wel sterk. Met een goede uitsmijter: de vuist van oma voor ze verdronk. Ook het einde van het gedicht ‘Rammelende hazen’: ‘angst was het, ook wel liefde genoemd’, is sterk. Maar bij ‘Uitvaagsel’, een einde als ‘op weg naar het licht’ .. vind ik dan weer niet zo sterk. En ook het einde van ‘Uitgang’ is hol.

Bij het gedicht ‘Eenkennig’ is het dan wel weer grappig, dat het laatste woord er niet uit komt door haar gehijg. Maar een vreemde draai als in ‘Gekweld’: ‘Ze was verbijsterd toen ze Spinoza las,’ of ‘en rits mijn windjack open’ in ‘Wandeling in het bos’. Ik kan er niks mee en vind die gedichten een beetje wegkwijnen.

Goedegebuure noemt Ents poezie ook Achterbergiaans. Inderdaad is in het gedicht ‘Zeven brieven aan dove M’ wel iets Achterbergiaans te herkennen en ook de laatste zin in ‘Verlangend’ (‘kan hij mijn hoofd afhakken?’) kun je misschien zo betitelen. Goedegebuure verwijst ook naar Luceberts ‘Ik draai een kleine revolutie af.’ Misschien is in de zin ‘marineblauwe mannen zien’ in het gedicht ‘Villa Bethel’ iets te herkennen van dit fameuze Lucebert gedicht, maar goed.

De oorlogsgedichten ‘Baby Bibi’ en Anekdote zijn weer wel heel sterk. De poëtica van Ent is volgens Van Deel het onzichtbare zichtbaar maken. Dit herken ik niet zo. In het gedicht ‘HR’ opent de vrouw haar benen wijd en weigert de ik te komen .. is dat nu zo het onzichtbare zichtbaar maken? Het zou kunnen natuurlijk ..

Al met al vergelijk ik de bundel met een flakkerend vlammetje. Soms licht het erg sterk op, dan weer is het zo goed als uitgedoofd.

***

Anton Ent (2016). Hoe het licht valt. Uitgeverij Kleine Uil, 64 blz. € 15,-

Recensie van Sauseschritt - Martijn Benders

Het gevecht met de aartsengel

Martijn Benders
Sauseschritt
Uitgever: Van Gennep
2015
ISBN 9789461644008
€ 17,90
141 blz.

We hebben in deze bundel van doen met een soort logboek, zoals in het mottogedicht van de Servische dichter Novica Tadic staat vermeld. De bundel bevat twee omvangrijke hertalingen: de derde en vijfde afdeling. De algehele atmosfeer in deze bundel is emotionerend en heftig te noemen. De gedichten uit Sauseschritt suizen in sneltreinvaart aan je voorbij. Martijn Benders bedient zich van een grote toon en zou te typeren zijn als een poëtische straatdichter, een performer, een dichter voor het gemene volk, maar wel met een fonds aan interessante invalshoeken, gekwelde voorbeelddichters en existentiële inzichten en oog voor het diepliggende verdriet dat onder de mensen en het leven schuilgaat.
Benders heeft de neiging grote cirkels te trekken, werelden die elkaar vreemd zijn te omspannen, weidse perspectieven op te roepen, de wereldomspannende emoties onder de woorden te krijgen. Deze Benders wil poëzie schrijven, die nog niet eerder geschreven is. Enige megalomanie is hem niet vreemd. Hij ervaart de leegte en de eenzaamheid van het dichterschap. Hij verfoeit het onbegrepen zijn van zijn positie als dichter, maar wentelt zich er graag in rond, op zoek naar het beste ‘zombiewoord’. Zijn mate van onaangepastheid is nog net niet zo groot dat hij niet meer in staat zou zijn poëzie te schrijven. In die zin lijkt hij op de nieuw-Griekse dichter Yannis Ritsos. Zijn verlangen naar de leegte van de dood reikt nog niet zo ver als die van de dichter Rogi Wieg, maar we hebben wel van doen met ‘zo’n gevalletje/ van een gevoelige ziel, die een betere wereld wil.//’.
Benders is een wereldverbeteraar tegen beter weten in. Een echte poëet dus. Romanticus op en top, en hij weet het, maar wil het tegelijkertijd ook niet zijn, omdat hij midden in het leven wil staan, en het wil snappen, het voor wil zijn, en bovenal doorgronden. Hij is eigenlijk bang voor de wereld van de anderen. Hij wil zijn angst voor hun wereld overwinnen. Daarom staat hij zo nu en dan in deze bundel wanstaltig te schreeuwen en te oreren. Hij vloekt zich een weg door de jungle die leven heet. Hij wantrouwt ook zijn lezers, met ‘hun liefde in hun lichtgevende ogen/ en doodwolkjes in de mond,/’. Het blijkt ook een schreeuw om aandacht en liefde van deze verloren zoon, de dichter die een moederskindje lijkt te zijn. In de laatste afdeling zet hij zich in de rol van die legendarische verloren zoon. In de dialoog tussen moeder en zoon overweegt hij terug te keren naar zijn oorsprong. Daarmee doet Benders in deze bundel een allesomvattende poging om het leven met de dood, en de dood met het leven te verzoenen. Dat geeft de bundel een mythische spankracht, ondanks al het spetterend taalvuur dat niet overal even geslaagd te noemen is. Naar inhoud en vorm bedient hij zich zeer vrij van allerlei benaderingen.
Het logboek Sauseschritt bestaat uit vijf afdelingen: ‘radio’, ‘het dode huis’, ‘lectuur uit een ijzeren long’, ‘verdieping’ en ‘herz’. Het betreft verdichtingen die door zijn psyche zijn verwerkt tot leeswaardige poëzie. Fris, direct van toon en zegging, heftig van onderwerp.

De eerste afdeling ‘radio’ bestaat deels uit eerder verschenen gedichten, bewerkingen gebaseerd op gedichten van Otto Orban, al dan niet vertaalde liedteksten van George Brassens, Bonnie Prince Billy en Zeki Müren. Hij wil een dichter zijn die gezien wil worden. Het is enerzijds heerlijk ‘om vergeten rond te lopen’, maar anderzijds heerlijk door ‘Ooit zal ik af zijn, perfect, paspop in de grote wereldetalage./’. Hij is ondertussen een dichter die heel intensief beleeft dat de wereld van de liefde bij hem binnendringt. Zo kan een pokdalig meisje dat ‘fakking goed kan dichten/’ hem danig van zijn stuk brengen. Dichterschap en liefde strijden in deze afdeling om de voorrang. Daarnaast spelen paniek en angst een voorname rol: ‘Paniek en angst moet je niet verwarren./ Paniek inspireert en angst doet verstarren.//’. Voor hem is de liefdespoëzie terug van weggeweest. Tegelijkertijd beseft hij in het gedicht ‘Liefde in tijden van grote poëzie’ dat poëzie de wereld niet kan veranderen, zelfs niet als de dichters over de liefde schrijven.

Natuurlijk, poëzie kan niets veranderen. Ze staan er, allemaal.
En onder de grote adelaarsvlag kussen soldaten hun meisjes onder
lamplicht en schrijven de dichters steeds vlijtiger over steeds
universelere onderwerpen: de liefde, de liefde de grootste kracht,
de kracht die alles schaft.

En toch is de liefde ‘profetisch van eeuwig goed’. Tussen het dromen over en schrijven van poëzie door rakelt de ik zijn liefdesperikelen op: zijn wanhoop, conflicten en teleurstellingen over zijn geliefde, zijn en haar gevoelens voor elkaar. Ondertussen gebruikt hij verrassende metaforen: ‘Het sterfelijke, waaraan niemand herinnerd wil worden / als ze een boek lezen met de vertraging van een vliegtuig’. Of : ‘Langzaam verdwijnt alles / in de stropdasachtige schaduwen.’
Als de liefde eenmaal daar is, trekt ze als een onopvallende revolutie aan hem, een ieder voorbij: ‘Iets was niet hetzelfde. Maar niemand kon zijn vinger erop krijgen./’. ‘In het Art Hotel’ trekt de ik 50 euro uit zijn zak, vouwt geëngageerd een vliegtuigje, ‘dit is de MH17’, terwijl hij hem zachtjes in de balie laat landen. ‘We zullen de onderste steen bovenhalen!/ We zullen niet rusten tot het eindje boord is.//’. In deze afdeling is de inleving in de ander zo ver gegaan, dat de ik het moeilijk vindt de ander, de vreemde nog aan een andere vreemde te moeten geven. Een empathie die tot ernstige zelfvervreemding kan leiden.

In de tweede afdeling ‘Het dode huis’, een hertaling van het gedicht van Yannis Ritsos, beschrijft de wederwaardigheden van een familie die aan oorlogsgeweld op twee zussen na ten onder is gegaan. De ik spreekt met de zus die een tijdje onder de druk der omstandigheden krankzinnig is geweest. Het huis symboliseert in al zijn hoeken en gaten de geschiedenis van het huis. Het verleden speelt tegen de wanden van het onheilspellende huis op. Alles heeft hen verlaten. Er heerst een ‘netelige, vreemde sensatie, van horror en slacht, / een blinde, fijne geur van grenzeloze schoonheid / en naakte absentie. Zo is het. Alles verliet ons.’
De wrede aanwezigheid van soldaten geeft aan het huis een onheilspellende sfeer mee: ‘een plek vol ontwijkende eenzaamheid en oprechtheid./’. Een noodlottige plek beschreven als een Griekse tragedie die staat voor de menselijke conditie. Een moderne Griekse mythe. Als in de ‘Aantekeningen als uit het dode huis’ van Dostojewski. Deze aantekeningen maakten het de ik gemakkelijker om weer aan zijn eigen leven te beginnen.

In de derde afdeling ‘Lectuur voor in een ijzeren long’ neemt Benders zichzelf op de korrel. Er is de dichter Benders en de persoon Benders, die de hele dag bezig is hoe hij mensen kan uitleveren aan de woorden. Hij houdt hierin een poëtisch pleidooi voor de kunst om de verwoesting die haast maakt ongedaan te maken. ‘Toen jullie vroegen om poëzie die zich bemoeit met de wereld/dacht ik: die zijn aan het juiste adres. Ik ben een leunstoel generaal/als geen ander. Ik meander volledig in uniform, maar het is saai/de baas van het internet te zijn. Het internet is voor mij te klein. //’

Beeldspraak aan deze tijd ontleend, megalomaan en egocentrisch van inhoud, humoristisch van toon, geëngageerd van intentie. Dat proef je deze hele afdeling door. Daar tussendoor zinspeelt hij op de rol van de seksualiteit als perpetuum mobile die als een ruitenwisser werkt. ‘De lul sponst door het bestaan,/’ […] ‘En elke dag opnieuw:/ putten op de rits.//’. Deze afdeling staat bol van seksuele verwijzingen: ‘een beetje liefde is al snel/ net zo kittelorig als kippenvel/’. Het blijft heel dubbel als hij zich voorstelt dat de vogeltjesdans op zijn graf wordt gedanst: ‘Wou dat ik een vak had geleerd.//’. Maar ook

Ik ben overal tegen.
Tot ik een gedicht schrijf, dan ben ik voor.
Lijkt me logisch.

In poëzie moet iets gebeuren
voordat er iets gebeurt.

Hij beschouwt zijn poëzie als ‘een isoleercel voor oude koningen die een bloedhekel aan/ Gesamtkunstwerken hebben. ‘Ik sloot ze op voor jou.//’. En in dit gedicht komen liefde en poëzie weer bijeen. Zijn grootspraak blijft: ‘mocht ik ooit de nobelprijs voor literatuur krijgen, dan ga jij van mijn bangalijst. Maar ook de Martijn Benders Dag.’ Hoewel Benders niets van hermetische poëzie moet hebben, blijft er in zijn dialogische, anekdotische, geëngageerde en mythische poëzie nog genoeg te raden over. Alleen wil hij niet dat lezers zijn poëzie niet begrijpen, en zich erin zouden gaan opsluiten.

In de vierde afdeling ‘Verdieping 13’ heeft Benders wat zoekplaatjes uitgeschreven. Stukken geïnspireerd door de sciencefictionschrijver R.A.Lafferty, vertaling van werk van Zabolotsky en Roethke in verkleinde lettergrootte afgedrukt, met een vergrootglas te lezen. Poëzie die op afstand blijft, als je het raadsel niet onder ogen wil zien.

In de laatste afdeling ‘Herz’ een hertaling van een werk ‘De jongen die in een Hert veranderde schreeuwde door de Geheime Poort’ van de Hongaarse dichter Ferenc Juhasz. De gelijkenis van de verloren zoon, de mythe van Narcissus schemeren tussen de regels door in dit hertaalde gedicht. Een moeder roept haar zoon toe tot haar terug te keren, waarop de zoon in alle toonaarden aangeeft dat niet te willen en te kunnen. In een mythologische context roept zij hem tot zijn oorsprong, zijn bron. Zij voelt haar levenseinde naderen. Ze voelt zich vol met visioenen en wil zich daarvan bevrijden. Op haar verzoek hangt de jongen zijn hoofd boven een poel en verandert in een hert. Vanaf dat moment is hij bang haar te verwonden. Het sprookje van de gouden vogel komt het gedicht binnen. Hij blijft vrezen voor haar vernietiging als hij haar zou ontmoeten. Wanneer zij hem herinnert aan zijn vroegere vriend en vriendin, neemt zijn afkeer alleen maar toe. De moeder probeert de zoon uit zijn versteende wereld terug te roepen. Alleen om te sterven is hij bereid terug te keren.

 Het anekdotische karakter met mythische spankracht verleent aan deze poëzie een grillig vormelijk geheel. Het is poëzie die zich goed leent om op het podium voorgedragen te worden om nog beter uitdrukking te kunnen geven aan het geëngageerde karakter. Gelet op zijn bediening van een omvangrijk taalregister maken we kennis met een zeer taalvaardige dichter.

De derde afdeling toont Benders gevecht met het eigen dichterschap om zijn lezers uit te leveren aan de woorden en etaleert de vraag in hoeverre hij zich met de wereld moet en kan bemoeien als dichter. Veel gedichten in strofen met een maatschappelijke oriëntatie; hij is overal tegen, totdat hij een gedicht schrijft. Een gedicht als ‘Aantekeningen uit de isoleercel’ is een voorbeeld van een caleidoscopisch gedicht waarin hij liefdesperikelen en maatschappelijke thema’s tot een bruisende cocktail weet te mixen. De centrale thematiek lijkt voornamelijk ‘liefde en verdriet in tijden van grote poëzie’ te moeten zijn. Daarin schuilt de nodige ironie naar de dichter zelf, zijn collega-dichters en zijn lezers toe. Bovenal is Benders in deze bundel in gevecht met zijn eigen dichterschap, zijn aartsengel.

***

Met deze bundel Sauseschritt (2015) publiceert Martijn Benders zijn vijfde bundel. Hij wordt tot één van de meest originele en onberekenbare dichters van zijn generatie gerekend. Hij debuteerde in 2009 met Karavanserat en werd ervoor genomineerd met de C.Buddingh-prijs voor Nederlandstalige poëzie.