Recensie van Hoe ik een bos begon in mijn badkamer - Maartje Smits

Hoe een mens leven uitknipt

Maartje Smits
Hoe ik een bos begon in mijn badkamer
Uitgever: De Harmonie
2017
ISBN 9789463360173
€ 17,50
69 blz.

Maartje Smits studeerde ’beeld en taal’ aan de Gerrit Rietveld Academie en  voltooide eveneens een Master in Design aan het Sandberg Instituut. In 2015 debuteerde ze met Als je een meisje bent bij uitgeverij De Harmonie.  Voor deze tweede bundel ontving Maartje de debutantenbeurs van het Nederlandse Letterenfonds. Smits is docente aan de Gerrit Rietveld Academie en ArtEZ en schrijft columns voor De Groene Amsterdammer.

Hoe ik een bos begon in mijn badkamer heeft voor mij de hebbeding-factor zodra ik de cover op de sociale media voorbij zie komen. Het groen omsluit, als een bos van boven gezien, twee stopcontacten. Met het hebbeding in mijn handen zie ik dat het groen meer op koraal lijkt dan op bomen. Koraal past mooi bij het waterthema van de badkamer en stammen wij, doet het beeld mij retorisch afvragen, inclusief het groen niet allemaal uit het water? De stopcontacten suggereren dat de moderne wereld en natuur in de gedichten een fascinerende dialoog met elkaar aan zullen gaan.
Voor we naar binnen gaan in de wonderlijke wereld van Smits, nog één opmerking over de voorkant. Door de associatie van mijn partner werd ik me bewust dat de voorkant een perfect beeldrijm maakt met de hoes van de animatiefilm The secret of kells. Op de cover van de betreffende film kijken twee witte ogen door een twee ogen groot gat in het bladergroen. Hierdoor ben ik benieuwd of in de bundel Keltische symbolen of sferen aangehaald zullen worden, in de vorm van moderne natuurgedichten, wat me spannend lijkt.

Maar al snel blijkt tijdens het lezen dat ik mijn verlangen naar sprookjes en romantisering moet laten varen. (Wakker worden Laura, we leven in 2017!) Smits draagt de bundel op aan alle ecoducten die ze (stiekem) overstak en benoemt deze persoonlijk. Zo zegt ze in moderne, niet romantische taal dat ze eigenlijk een hert is, denk ik. De stijl van de gedichten grenst hier en daar aan postmodern. Ze observeren, benoemen, breken af, ontleden, spelen met betekenissystemen. Smits legt originele verbanden, niet alleen tussen de woorden maar ook tussen woord én beeld.  De zinnen (of woorden, lettergrepen) ontregelen door originele verbanden te leggen, talen (Nederlands mit bits of Duits en Engels) te mixen en herhaling als stijlfiguur in te zetten, alsof het een associatief soort muziek betreft. Ervaar als voorbeeld een fragment van het zintuigelijke ‘Hindernissen’.

(Lärm stinkt en lonkt en slalomt het speelplein over

hufterproof beton
boom
hufterproof beton
boom
hufterbroof beton
boom)

Ziedaar, ‘boom’, gaat het hier nu om een groene boom? Of is het een onomatopee voor een knal die poogt het hufterproof beton om te leggen? Het is maar net wat onze associatie ermee doet en Smits lijkt daar niet wakker van te liggen. In deze zin wordt het gedrukte gedicht overgelaten aan de verbeelding van de lezer. De speelse muzikaliteit van de taal herinnert me aan werk van Paul van Ostaijen..
Persoonlijk blijf ik achter met een leeg gevoel , wat me willekeurig doet denken aan het boeddhistische hart-sutra: leegte is vorm en vorm is leegte. Vanuit mijn streven naar zingeving (wat volgens het sutra eveneens leegte is), beweer ik dat Smits in haar creatief proces haar ego (het ik-concept) afbreekt om iets nieuws te kunnen maken. Als ik inzoom zie ik dat ze niet alleen afbreekt, maar ook weer opbouwt, zoals in het gedicht ‘Instructies om jezelf te troosten’ (fragment).

(ruik
het beeld van een net geschoren
berm
de  close-up van het houten kruid
geknipt tot waar knippert hoe hard
ze je inhalen (auto’s wezens etc.)

ga liggen tussen weiland en straat
wrijf grijze kevers schoon lak watervogels
mat en bedenk waar wagens
tegenwoordig naar vernoemd worden wacht
tot iemand je ziet zonder te kijken hoe jij jezelf on-dekt
snuif en bepaal de richting en geschiedenis van
dit ongehoorzame geluid

Vluchtheuvel op een razend weiland
prevel: van alles hier leef ik nu het meest)

Bovenstaand gedicht dat ik op zichzelf in knappe taal filmisch vind, wordt overigens onderbroken door twee foto’s.  Zo staan in de bundel meermaals foto’s midden op de pagina tussen twee ‘strofes’ van een gedicht. De zin hiervan ontgaat me soms. Ik ervaar de afbeeldingen op deze manier als onderbreking, een afleiding van de tekst die me ook al regelmatig laat stoppen met lezen om na te denken over het geschrevene. Ook wordt op sommige foto’s, zoals wij op de kunstacademie in theatertaal omschreven, de rode deur rood geverfd. Dat wil zeggen dat op de foto hetzelfde staat als in de tekst. In een gedicht wordt duin genoemd, op de foto staat een duin. Zou op de foto bijvoorbeeld een berg afval te zien zijn, dan zou het woord ‘duin’ een andere lading krijgen. Desalniettemin zou ik geen enkele foto uit de bundel geschrapt willen zien, ze weten nuchter en met een knipoog tegelijk adembenemend mooi te zijn.  Toch kan ik me een vorm voorstellen, zeg fotoboek of expositie, waarin de foto’s beter tot hun recht zouden komen. Op de bladzijdes dat de foto’s het rijk voor zich alleen hebben, met een enkele zin, komen ze naar mijn mening direct veel beter tot hun recht. De foto’s van Maartje Smits zijn gedichten op zich.  

Over het algemeen gezien hebben de kortere gedichten van Smits, die op de bladzijden meer witregels krijgen, de meeste zeggingskracht. Waar in de conceptuele vormgeving ‘wild’ wordt gedaan met groene strepen die naar de naastliggende bladzijde doorlopen raak ik weer wat de weg kwijt, maar dat terzijde. Het volgende gedicht, ‘Oververhitting bij tandelozen’, is eveneens een goed voorbeeld van het ‘stopcontact temidden van het groen’, de verwrongen en gelaagde dialoog tussen natuur en civilisatie.

(traject palliatieve zorg sloeg in
ontheffing vroeg onze aandacht

het dier rustig laten sterven:
1. intravasculaire injectie
2. vuurwapen
3. explosieven

Rendac stond klaar voor vewerking
rug- (kop, flipper) staartvin

na afloop
bleek Johanna
boterzacht

het snijwerk nam twee dagen in beslag.)

De taal van civilisatie is zakelijk en hard en vormt een confronterend contrast met Johanna’s ‘boterzacht.’ Het snijwerk komt daarna extra hard aan. Zo hakt een gedicht er wel in met een engagement dat observerend aanstipt zonder te oordelen.

Het mooiste vind ik wanneer Smits emotie in haar teksten toelaat, zoals in mijn favoriete zinnen uit het titelgedicht.

(mijn plantenmix huilde onder de douche
waar ik hun weke onderlijven ontpotte en begroef
in de uitgeknipte aarde )

Hier spreekt Maartje Smits zich uit en ik weet, nee ik voel, wat haar boodschap is.
Ze vertelt van personificatie en eenheid met de natuur en schetst tegelijk een mensbeeld. De mens die het leven uitknipt dat hij wil hebben, als plaatjes uit een catalogus op een verlanglijstje en de natuur die hieronder lijdt.

Ik vermoed dat ook de gedichten die onpersoonlijker lijken meer tot leven komen als de dichteres ze voordraagt. Gelukkig kon ik op haar website direct mijn verlangen stillen en mijn vermoeden bevestigd weten. In de voordracht worden gedichten die op papier moeilijk zijn te volgen vanzelf toegankelijk. Naast haar talent voor beeld en taal is Smits namelijk ook een perform-talent en ze zal zeker, op steeds weer verrassende wijze, nog veel van zich laten horen. 

Recensie van Om en nabij - Hans Tentije

Vorm nee, vent ja

Hans Tentije
Om en nabij
Uitgever: De Harmonie
2016
ISBN 9789463360029
€ 15,90
56 blz.

De schrijver en dichter Hans Tentije werd in 1944 te Beverwijk geboren.
In 1979 won hij met ‘Wat ze zei en andere gedichten’ zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs en in 2005 de Guido Gezelleprijs van de stad Brugge voor Deze oogopslag.

Als er iets onontbeerlijk is bij het werken aan een gedicht, dan is het wel het weglaten: het schrappen en schaven. ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’, onderwees Goethe tweehonderd jaar geleden, een adagium dat wereldwijd nog altijd ter harte wordt genomen.
Zo niet door Hans Tentije.
Niettemin kan ik het niet laten Tentije te volgen. Zijn werk intrigeert in positieve zin door zijn aandachtige kijk op de dingen, de sfeer die hij oproept – hier met name in de cyclus over Cesare Pavese – en zijn diepgang, maar de vorm waarin hij zijn taal giet maakt me kriegel: die aaneenrijging van adjectieven, de grote woorden, het dikwijls ongelukkig afbreken van de regels en het vaak niet passend archaïsch woordgebruik, ze storen en bieden weinig ruimte voor de verbeelding van de lezer.
Waren de gedichten een stromende lyrische reeks van woorden geweest, zoals bijvoorbeeld bij Herman Gorter, ik zou er geen moeite mee hebben, maar lyriek onderga ik niet of nauwelijks bij Tentije.
Nieuw werk van hem lezend hoop ik altijd weer dat ‘Less is more’ de dichter heeft bereikt, maar ook bij het openslaan van Om en nabij werd ik in eerste instantie teleurgesteld door overtolligheid. (Wat de titel van de bundel overigens niet doet vermoeden).
Een voorbeeld:

Bij benadering

(uit vers 3)

( … )
         elke vooruitgang wordt aldus belemmerd, maar het ergste is
nog dat het mij de boodschap ontzegt
                      die het behelst, een waarschuwing, een bericht
                              misschien van levensbelang –

        door een bodemloze slaap overmand, die schemerzone
grenzend aan dood en verdwijnen, in het verlengde
                      waarvan het keelsnoerende, hartbrekende zich afspeelt
( … )

Sorry.

Laten we overgaan tot de inhoud, want die is interessant.
Direct in het openingsgedicht ‘Al met al’ wordt duidelijk waar het bij Tentije om gaat: het verglijden van de tijd en het zich met weemoed (kunnen) herinneren van wat voorbij is; en dat laatste niet alleen door mens en dier maar ook door de dingen!
‘( … ) en de straten, de portalen, hebben zij soms / ondertussen de echo’s van onze voetstappen bewaard / als ze niet weten konden /waarheen die moesten leiden? ( … )’

Het vermenselijken van de dingen is niet uitzonderlijk – Armando spreekt van het schuldig landschap bij Kamp Amersfoort en Irene van Lippe-Biesterfeld die de harmonie zoekt tussen mens en natuur omhelst bomen – maar Tentije doet dit toch op een eigen manier. ‘( … ) ook hier is geen plaats genoeg om het vele te bewaren en zoekt / stuifzand vergeefs achter de stoepranden / beschutting, terwijl rook van loof dat verstookt wordt / komt overgewaaid van de landjes / en er rond een lantaarnpaal heelhuids / een sleetse fietsband ligt – // hoeveel moeite getroosten zich de dingen niet’ (Uit: ‘Hieromtrent’).
Een andere kwaliteit van Tentije is zijn inlevingsvermogen, hier in dat van een vrouw: ‘( … ) en terwijl ze daar vol ongeduld wachtte, verbeeldde ze zich / de vrouw te zijn in de film waar ze samen / naartoe waren geweest en voerde, kleumend, hele / gesprekken met hem, had binnenpret / om allerlei ietwat gedurfde zinspelingen over en weer ( … )’ (Uit: ‘Op de afgesproken plaats’).

Wat deze bundel ontbeert, ik noemde het al, is relativering, een beetje hoop en humor, maar in het laatste deel van de bundel wordt de toon lichter en het gedicht ‘Dat alleen’ trof me:

Dat alleen

Langs de vloedlijn slenteren acht, negen, misschien
tien nonnen in wit habijt, de ochtendzon
is juist vanachter de eerste duinenrij te voorschijn gekomen
en zusterlijk zweven hun schaduwen
boven het water, afwezig speelt de zeewind
met hun smetteloze sluiers

na een poosje krijgen ze zelfs iets dartels
over zich en helemaal als een onverwacht verre uitloper
bijna iemands voeten spoelt – wie
durft het aan met enigszins opgeschort gewaad
te gaan pootjebaden?

eenmaal terug in het sanatorium brengen ze
weer maaltijden en medicijnen rond, rijden de ledikanten
van enkele patiënten naar de balkons
die uitzien op het dorp en het duingebied, dat geleidelijk aan
in waziger geestgronden, in tuinderijen
en onland verandert –

wanneer een van hen zich dan ’s avonds laat
voor de nacht gereed maakt, vermijdt ze het angstvallig
zichzelf ook maar even te bekijken
omdat de aanblik van het eigen onbedekte
lichaam zondig is

en in de plooien van haar pas nog verschoonde
beddegoed zullen vast nog wel zandkorrels achterblijven –
wat droomschilfers bovendien

Een lief en teer gedicht en er staan nog enkele van dit niveau in de bundel, maar om het werk volmondig te durven aanbevelen, zouden het er toch meer moeten zijn.

Recensie van In die tijd die - Elly de Waard

Rationele poëzie in een te strak jasje

Elly de Waard
In die tijd die
Uitgever: De Harmonie
2016
ISBN 9789463360036
€ 15,90
48 blz.

Elly de Waard (1940) maakte in de jaren zeventig en tachtig naam als popcriticus. Twintig jaar lang schreef zij interviews en artikelen over popmuziek voor de Volkskrant en Vrij Nederland. Vorig jaar verscheen Het jasje van David Bowie, een bloemlezing van haar werk als popjournalist. Als dichter debuteerde zij in 1978 met de bundel Afstand. In de jaren tachtig werd zij actief in de vrouwenbeweging, en leidde zij een poëzieworkshop waaruit de groep ‘De Nieuwe Wilden’ ontstond. Tevens nam zij het initiatief tot de instelling van de Anna Bijns Prijs, de tweejaarlijkse onderscheiding voor het vrouwelijke geluid in de literatuur. Begin jaren negentig verscheen haar monumentale Eenzang-trilogie, waarvan Eenzang Twee (1993) genomineerd werd voor de VSB-prijs 1994. Nadien lijkt haar poëzie minder in de belangstelling te staan.
Haar jongste bundel wordt op de achterflap weinig bescheiden neergezet: ‘In die tijd die overspant de ruimte van het heelal tot aan het bolletje van de konijnenkeutel, de tijdsperiode van de naaste toekomst tot aan de Tempel van Poseidon, zesentwintig eeuwen geleden; en van de Tweede Wereldoorlog tot de aanstaande. Dit alles in versvormen van hymne tot en met rap.’
Afgezien van de titel van één van de gedichten wordt deze laatste belofte niet nagekomen. De gedichten ogen traditioneel, met vaak regelmatige strofeopbouw, en zijn veelal ingehouden van toon. Het gedicht ‘Van rap tot hymne’ zelf is noch een rap noch een hymne: ‘Als wij aannemen dat het heelal een / gesloten systeem is, bepaald door zijn / oneindigheid, dan zal het, zoals alle / gesloten systemen, onderhevig zijn / aan de wet van het behoud van energie (…)’. Let op de superieure enjambementen in de opening van dit gedicht. In een interview over een vorige bundel, In het halogeen, licht zij haar vakmanschap toe: ‘Wat ik zelf eigenlijk het mooiste vind en waar ik naar mijn gevoel steeds meer in slaag is om ogenschijnlijk heel gewone regels te schrijven, die dus dichtbij de denk- en spreektaal staan, maar die toch ten hoogste poëzie zijn. En dat komt doordat ik inwendig technische regels van gedichten zoals metrum, het ritme en de verdeling over de regels, een steeds andere verdeling van het ritme en de afbreking van de regels [beheers], als je daarvan enigszins op de hoogte bent dan kun je dit doen.’ Dan kun je dit rationeel geopende gedicht afsluiten met lyrische regels over de wind: ‘die vooral zichzelf / verandert en in vele gedaanten tegelijk / kan bestaan in de quantumverstrengeling / van zijn superpositie, multilokaal en / onsterfelijk: de wind’.

In die tijd die kent vier afdelingen: ‘Tijd, ruimte’, ‘Materie, aarde’, ‘Slaap, evenwicht’ en ’Oorlogscyclus’. Grote onderwerpen, hoge verwachtingen. Evenals in het zojuist geciteerde gedicht deinst de dichter er niet voor terug haar kennis te etaleren. Direct al in het eerste gedicht (‘Triniteit van pi’) poneert zij pontificaal: ‘Achter het leesteken slingeren / al sinds het ontstaan van het heelal / de decimalen zich de ruimte in.’ Al sinds het ontstaan van het heelal? De decimalen achter de komma (het ‘leesteken’, wat een vondst) horen bij het decimale stelstel, een menselijke, dus vrij recente vinding. Pi is bovendien een abstractie, die in zekere zin los van tijd en ruimte bestaat. Vijf van de zeven gedichten van de eerste afdeling ‘Tijd, ruimte’ ademen dezelfde sfeer van verbazing over de kosmos, gelardeerd met feiten. Alleen in het vierde en vijfde gedicht kunnen we even op adem komen. Dan schrijft De Waard over haar andere passie:

In our time of living

Het is muziek, muziek
die de tijd draagt, elke tijd –
meer dan ooit die wij leefden

Ik luisterde naar wat
een halve eeuw geleden
ik bij mij droeg – hervoelde

de vervoering die
gelaagdheid gaf aan wie ik was
Door ruimten met een wormgat

als een keel stroomde en
echode de zang, die aangekleefd
door woorden en de hoor

en wederhoor van koren
ons stuwde uit onszelf, op weg
op weg, naar het geheel!

De derde afdeling is de meest persoonlijke van de bundel: ‘Slaap, evenwicht’. De dichter buigt zich hier over haar bewustzijn en verwondert zich over de verschillende toestanden daarvan: ‘Altijd is er wel één / stuk dat aan je ontsnapt en wakker blijft’. De gedichten zijn zeer uiteenlopend van toon. Zwaarmoedige overwegingen (‘Wat is er in de lichtheid / van mijn leven overdag / dat het betaald moet worden / met de zwaarte van de nacht?’), humoristische anekdotiek (‘De kappertjes zijn / eigenlijk wel erg groot – het zal hier / toch geen dierenhumor betreffen?’) en moderne cultuurkritiek (‘Nu iedereen zelf kan drukken / vrijwel niemand meer kan schrijven’). Bijzonder is de vertaling van een gedicht van de Kroatische dichter Slavko Mihalič. In de aantekeningen biecht zij zonder blikken of blozen op: ‘Ik vertaalde het tijdens een Poetry International via een Engelse versie waarover ik niet meer beschik’.

In het maanlicht

Ook al weet je dat de Maan
maar een lelijke, dorre tand is
die verdomd precies draait
om de schuimende aardwoestijnen

ook al voel je wel dat je zo ontzettend
sterfelijk bent alsof je niet eens
geboren was en dat ik een schaduw
ben van iets dat al weg is voor het

is aangekomen, ben je toch zo mooi

Geheel duidelijk is dit gedicht niet, misschien omdat het over twee schijven vertaald is. Is ‘ik’ een uitgedoofde ster, waarvan het licht ons jaren na zijn dood toch nog bereikt? En wie is ‘je’ in de laatste regel? Slaat ‘ben je toch zo mooi’ op de maan, als tegenstelling van ‘lelijke, dorre tand’? Dan is de laatste ‘je’ niet dezelfde als in het begin van het gedicht. Misschien moeten we er niet zo veel achter zoeken, en is ‘ben je toch zo mooi’ slechts een romantische uitroep aan het einde van een kosmisch geïnspireerd gedicht.

In de laatste afdeling buigt de dichter zich over de bedreigingen van het huidige tijdsgewricht. ‘Ooit werd ik in een oorlog geboren / Aan het eind kleurt de wereld opnieuw in bloed // In de tijd daartussen had ik het goed’. Maar liefst vier gedichten wijdt zij aan de ramp van de MH17. Indringend is het portret ‘De jongen die viel’: ‘Wie was ik voor ik viel? Mijn voet / verloor, mijn hart, mijn oor / wie was ik dan hiervoor?’ In het laatste gedicht van de bundel identificeert zij zich met een mythologische zieneres:

Als Cassandra

Wie is er geen Cassandra in een tijd
waarin je zonder visionair te zijn
kunt zien dat Troje zal gaan branden?

Aan rafelranden van de stad en in
de buitenwijken smeult het al –
Luister, het is de wind niet, blijf niet doof

en blind, het zijn miljoenen naderende
voeten, aanschuifelend tot een storm
die weinig overeind zal laten staan

Berg je nu het nog kan, want wie gesteld
is boven ons is machteloos en arrogant
en zal alleen zichzelf trachten te redden

Hier laat de dichter een krachtige stem horen, al weet ik niet goed hoe ik ‘Berg je nu het nog kan’ moet opvatten. Als geheel is In die tijd die echter een wisselvallige, pretentieuze bundel. Tijd, ruimte, materie, aarde – we belanden soms ongewild in een encyclopedie. Het enige verschil met Wikipedia is dat in deze bundel de zinnen vaak op volstrekt willekeurige plaatsen afgebroken zijn. Daarbij gaat in veel van de gedichten de gedachte nadrukkelijk aan het gedicht vooraf. En dat is geen goed recept voor poëzie.

Recensie van Hoe het komt - Hans Tentije

Een prachtig oeuvre in namiddagkleuren

Hans Tentije
Hoe het komt
Uitgever: De Harmonie
2015
ISBN 9789076174693
€ 24,50
447 blz.

Als poëzieconsument, -producent en -criticus ben ik altijd op zoek naar schoonheid. Naar schoonheid van het creatieve woord, naar een mooie vorm, al kan een perfect gevormd gedicht zonder enige emotionaliteit dodelijk saai zijn. Naar een mooie stemming, al kunnen gedichten die uit een stroom persoonlijke emotie bestaan zonder dat er enige vorm te herkennen is, irritaties oproepen alsmede de vraag wat ik er als lezer mee te maken heb. In mijn leesavonturen ben ik altijd op zoek naar dat ene woord, die ene regel, die alle andere regels overstijgt, maar vooral naar dat mysterieuze ondefinieerbare gevoel, dat van een gedicht grote poëzie maakt en ontroert. De verzamelbundel Hoe het komt van Hans Tentije voldoet volledig aan het gevoel geconfronteerd te worden met grote en belangrijke poëzie. De melancholieke kleur en de prachtige taal maakte mij soms warm achter de ogen.

In Hoe het komt zijn alle bundels, verschenen tussen 1994 en 2010, bijeengebracht: een deel van het verzameld werk waarin een dichterscarrière van veertig jaar zichtbaar wordt. Het is niet alleen een prachtig, maar ook een belangrijk boek. Het biedt namelijk de mogelijkheid de constante thematieke kwaliteit van Tentije te ervaren: de weemoed, het verlangen en steeds opnieuw te zien hoe hij observeert, kijkt, beschrijft , vertelt en voelt . Zijn taalgebruik voegt al die elementen samen in gedichten in prachtige en sfeervolle kleuren, die mij aan een warme namiddag doen denken: er is licht en zon en regen, en een heimwee naar een mediterrane omgeving.

Ik vind Tentije op zijn best als hij ergens in een stad rondloopt. In de bundel Wat het licht doet, observeert hij kathedraal en een recevresse in het Noord-Franse verpauperde Avioth: luisterrijk maar verwaarloosd verleden: ‘Binnen hangt een geur van kelderschimmel / en dorre hersenspinsels, de kilte van een lichtjaren ver van ons / verwijderde God, opgeslorpt als Hij misschien al is /door het zwarte gat in zijn zelfgeschapen heelal en alle / sterrenstelsels met zich meesleurde’. Hij schrijft over Praag (en hoe, hij wandelt er ook nog met de eenarmige fotograaf Josef Sudek doorheen), over Berlijn en München, maar ook over zijn geboortestreek: Beverwijk, Wijk aan zee, IJmuiden. Het verdwijnen van de natuur voor de uitbreiding van de Hoogovens, waarvoor veel ongerept landschap moest sneuvelen, laat hem niet koud: ‘voor weer een nieuwe koud- / of warmbandwalserijen- in mijn slaap valt het klaphek dat er stond / af en toe hard achter mij dicht.’ (‘Beekzang’, pag. 423)

Als hij een portret schetst van een nazi-jongen, die, geïndoctrineerd, tot de SS toetreedt en ‘bordeelhouder’ wordt, is het een sterk sociaal bewogen Tentije die ook nog de gelegenheid te baat neemt – hij heeft de jongen immers zelf geschapen, zegt hij – een ontmoeting met een Joods gezin weer te geven. Het is een lang, ingrijpend gedicht.

Hij moet ongelooflijk veel van het zuiden en vooral van Italië houden. Zelf woonachtig in de buurt van Perugia ken ik de stad door en door, maar tijdens de wandeling door Perugia die ik, al lezend, maak met Tentije , zijn gevoelens en ogen delend, werd de stad opnieuw gecreëerd: ‘Elk terras naar omhoog heeft zijn hof / van olijven, van gepijnigde, hoefgespleten /en deerlijk verminkte, gebochelde, maar onverwoestbare stammen… ‘. (pag.157). Hij toont in dit gedicht wederom zijn sterke bewogenheid met mensen als hij de hoeren beschrijft die hij ‘wilde orchideeën’ noemt als zij zich in de berm verzamelen bij hun stacaravans: ‘vluchtige, mossige geuren, het weemoedig / bloesemen van de acacia’s, aroma’s / van een nooit te leven leven’, waarachter na een regel wit een losse regel iets oneindigs weemoedigs suggereert, wat tot het geheim behoort van Tentije: ver draagt de roep van de hop-‘. Ik heb me af zitten vragen waarom die regel de weemoed van het gedicht zo versterkt. Het is het geheim van de woordensmid. Gedichten over Orvieto, Chiusi, Val d’Arno, Rome, Ferrara en de volstrekt vervallen fascistisch aandoende Terme di Manzano – zou Tentije op de hoogte zijn van de politieke verwikkelingen in Cortona rondom dit verval? – geven steeds opnieuw een meekijk- / meeleefervaring. Er is altijd verlangen. Er is altijd verval. Er was liefde. En er zijn passende kleuren, bijna pasteltinten, soms aquarelachtig, soms is het het licht van de namiddag dat over zijn hoogtepunt heen is dat de taal kleurt. Ook de laatste gedichten uit zijn laatste bundel ‘Als het ware’, de ‘Venetiaanse passages’, behoren tot de mooiste gedichten uit het boek.

Ik realiseer me dat het gevaar bestaat te veel te citeren, terwijl het juist bij een dichter als Tentije om het hele gedicht gaat, zelfs om het hele oeuvre, dat een grote consistentie vertoont. Dit boek biedt de mogelijkheid de samenhang in dit oeuvre te zien, waar te nemen met de dichter, te reizen naar Antwerpen, waar de dichter wat mee heeft. Of te blijven in de buurt van Wijk aan Zee, en met hem heimwee en verlangen te ervaren. En dat alles in een taal die zo vol kleur is, zo lenig, dat je er alleen maar of ontroerd of jaloers om kan worden. Ik zou voor poëzieproducenten en poëzieliefhebbers deze bundel als verplichte kost beschouwen.

Hoewel de gedichten over de metamorfosen van Ovidius mij wat minder aanspreken, – maar dat is toch een zeer persoonlijk gevoel – vind ik de rest van de poëzie zeer consistent. Een klein puntje van kritiek: de bundel In de tussentijd bestaat uit gedichten bij foto’s van Peter Bes. Die foto’s zijn niet gereproduceerd. De gedichten op zich zijn melancholiek en mooi, en autonome kunstwerkjes, maar ik mis hier de foto’s. Juist de samenhang tussen woord en beeld zou deze gedichten, die op zichzelf sterk genoeg zijn, misschien een extra dimensie geven. Ik kan dat nu niet beoordelen.

Maar het is genieten, het is ontroerd worden, het is een ontmoeting met een groot dichter en dat maakt deze uitgave tot iets heel bijzonders. Bedankt voor het mooie boek.

***

Hans Tentije (pseudoniem van Johann Krämer) werd in 1944 geboren in Beverwijk. Als docent Nederlands voelde hij het verlangen te schrijven en vooral om dichter te worden. Zijn eerste gedichten ontstonden in de jaren zestig van de vorige eeuw en zijn sterk politiek gekleurd. Deze stijl ging over in cynisme toen de vernieuwing uit leek te blijven en overging tot gevoel, melancholie en verlangen. Vooral zijn vele reizen en bijna emotionele banden met steden (Antwerpen, Berlijn) inspireerden hem. Hij won de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Herman Gorterprijs, de Guido Gezelleprijs en de Karel van de Woestijneprijs.

Recensie van Als je een meisje bent - Maartje Smits

Meisje uit de bocht

Maartje Smits
Als je een meisje bent
Uitgever: De Harmonie
2015
ISBN 9789076174679
€ 15,90
48 blz.

Als je een meisje bent is het debuut van Maartje Smits (1986). Ze studeerde onder andere Beeld en Taal aan de Gerrit Rietveld Academie en maakt naast poëzie ook video’s. Op haar website staan voorbeelden van gedichten en beeldend werk. In de bundel omhelst Smits het meisje en neemt er tegelijkertijd afscheid van, aldus de tekst op de achterkant. Ik ben benieuwd hoe ze dat doet.
In het gedicht ‘Een moeder een meisje’ somt ze op wat de verschillen zijn tussen een moeder en een meisje. ‘//een moeder maakt zich zorgen / een meisje moet trakteren / een moeder vermaakt / een meisje versiert’ … etc. Dit is aardig gevonden.
Iets verderop in de bundel verschijnen de borsten, die niet helemaal welkom zijn, gezien het ‘borsten wegbidden’. Het meisje is nog slechts een halfmeisje. ‘Stil schaduw schip’ is een letterlijk kantelpunt. Het meisje zweeft in een ‘schip’, een soort schommel, in een pretpark. ‘//Vlak voor alles kantelt, staat het / stil.’ Dit vind ik mooi, een invoelbaar moment verbeeld. Zulke gedichten lees ik graag.
Ik word geraakt door de zin ‘/ mijn vader condoleert een vriend via Wordfeud /’, te vinden in het gedicht ‘Zondaggebied’, dat afstandelijk een gezin beschrijft dat gewoontegetrouw recreëert. Vanaf ‘Afwegen’ lijkt een aantal gedichten anorexia of boelimia tot onderwerp te hebben. Eten of niet eten, dat is de kwestie.

Schifting

de dag was een werkdag
ik fiets een tussendoortje dat uit de hand liep
dit doelloos verplaatsen schendt mijn rugzak
de dag eist trappen tot we weer stilstaan
waar we begonnen waar ik slikte zonder te schiften

ik wil een ondoorzichtige
lunchbox luchtbuks

ongezien blijven
als ik eet

In ‘lusteloos gras’ wordt de ik-figuur ‘//… wakker en ik haat / iedereen die mager is // (ook dieren)//’

In de tweede helft van de bundel vliegt het meisje uit de bocht en heb ik steeds meer moeite haar te volgen. De gedichten worden warriger en Smits gooit verschillende talen door elkaar. Dit levert soms aardige klankovereenkomsten op, maar ik heb moeite contact te maken met bijvoorbeeld:

Keri South Beach Overloper

open:
http://12.132.45.200:4000/view/viewer_index.shtml?id=171
tijdens kantooruren
open:
keri south beach
drop down Gemälde
daalt in op je
browser loads
water en land
in een Welle
dat vergezicht
valt
folds
schokt in op je

over
stop over
ver vaal falls
valt neder
skrieuw helder und gris
shuffles in
over
in over in
live viewer wie wohnt da
wer schoffelt daar
zand tot vloedlijn
Sie kust shows

een update
onder ein ander

keri’s south beach
en een zeevrouw
die wacht hoe licht het
rechtsaf gaat
weilen macht
zij when die
shoals schellen
lêcher and reload:
eine Seezunge frißt de letzte pixels
des Tages die nog restende
data stream schaut sie
het wreten worden die Welt

Dit zand is me te los. Misschien is het meisje in de loop van de bundel meer en meer in verwarring geraakt en zoekt nog naar een nieuwe, eigen vorm om poëzie te bedrijven. Wat mij betreft gaat die vorm wat meer terug naar het begin. Opdat het meisje een volwassen dichter wordt, die het meisje omhelst en de verwarring achter zich laat.