Recensie van Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk - Hans Plomp

Letteroefeningen van een romantische backbencher

Hans Plomp
Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk
Uitgever: In de Knipscheer
2017
ISBN 9789062659159
€ 17,50
172 blz.

Het voor mij liggende boek, waarin niet alleen een bloemlezing te vinden is van 50 jaar dichtarbeid van Hans Plomp, maar ook een door Peter de Rijk op basis van gesprekken met de auteur geschreven levensschets, ziet er fris en zonnig uit. Op het goudgele omslag springen twee van het leven genietende naakte mensen in psychedelische kleuren elkaar in de armen tegen de achtergrond van een wereldkaart. Op de achterkant van het omslag staat een zonnige foto van een breed lachende Hans Plomp (een foto van Iris Freije) in een soort gewaad met oosterse motieven, een afbeelding van een erotische Indiase godin waaronder een krans doodkoppen hangt: eigenlijk geeft het omslag alles weer wat er in de poëzie en de levensbeschrijving te vinden is: leven, dood, liefde, erotiek, levensvreugde en oosterse mystiek. De achtergrond met de wereldkaart, in aquarelachtige tinten, sluit daarbij aan door de in de bundel opgenomen vertalingen, niet alleen uit de ‘westerse’ culturele sfeer, maar ook uit Indiase en Iraanse poëzie.

Of de levensschets nu een begeleiding is bij de poëzie of de poëzie bij de levensschets weet ik niet. Er is een grote samenhang in thematiek: wat in de schets genoemd wordt, is in de gedichten te vinden. Het is alleen jammer dat bij de gedichten geen jaartallen vermeld zijn, waardoor de op het omslag vermelde ‘terugreis in de tijd’ niet te volgen is. Ik heb allereerst de levensschets gelezen en zag wie Hans Plomp was, een alom aanwezige persoonlijkheid in de poëtische en maatschappelijk-culturele stromingen van na de Vijftigers als provo, hippie (make love not war), de neo—romantiek en de terugkeer tot een spirituele levenshouding waarbij ook een modernere visie op de dood een rol speelt. De betekenis van Hans Plomp die met Gerben Hellinga en Heere Heeresma als kunstzinnige actievoerders erin slaagden om de sloop van polderdorp Ruigoord een halt toe te roepen en de ontwikkeling van deze kunstenaarskolonie te bevorderen, ligt in ieder geval in zijn participatie aan de stromingen die het land, de kunst en de bestuurlijke cultuur veranderden. Of hij als dichter bekend zal blijven dan wel als inspirator of chroniqueur van de woelige jaren zestig en zeventig, ligt in de schoot van de tijd verborgen. Hij was in ieder geval, zeker als belangstellende backbencher, overal bij.

De poëzie van Hans Plomp is uiterst helder, zijn taalgebruik eenvoudig, zijn woordkeus alledaags, wat ook logisch is gezien zijn bijdrage aan het ’Manifest van de jaren zeventig’, waarin de uitdrukking ‘nieuwe wartaal’ voorkomt, waarmee deze groep schrijvers zich tegen de Vijftigers afzette. Zijn rijmen zijn soms aan de platvloerse kant (ik wil / niets meer willen, / inslapen / tegen jouw billen, (p.91) / (…. ) in mijn mond / telkens lieve engel / moet ik denken / aan je goddelijke kont, /neem niet kwalijk, / aan je goddelijke vonk (p. 92), maar zijn thema’s zijn duidelijk: liefde, bezinning, levensvreugde, erotiek. En zijn meest recente poëzie ene bezinning op de dood. Dat levert poëzie op die plezierig is om te lezen, zoals een eenvoudig liefdesliedje (p. 94) :

MIDDAGDUTJE

Zit ik aan de oever
van mijn stille binnenzee
komt een scheepje langs gevaren
met aan boord mijn liefste fee
roept de stralende gestalte
van de kleine boot mij aan:
loopt het tegen hoogtij, vraagt ze,
anders moet ik verder gaan.

Gooi het roer om lieve dame
vaar in godsnaam niet voorbij
ik heb hier de dood gevonden
hem net huid en haar verslonden
en mijn leven dat ben jij.

Het liedje, want dat is het, zou een negentiende-eeuwse romanticus niet misstaan.

Soms zoekt Plomp naar spiritualiteit. Een fragment uit een gedicht zonder titel (p. 70):

Doe open
er zit een engel
in mijn diepste kelder
opgesloten.

De sjamaan krimpt
in openbaringsweeën.
Tussen beide oevers
van de ondergrondse vloed
is hij de brug.

Doe open dichter.

Eenvoudige taal, simpele beeldspraken, het lijkt wat onuitgewerkt, dit gedicht. En er zijn meer van dit type, die voortkomen uit emotionele momenten.

Soms lijken regels te verwijzen naar een trip: ‘Diep, diep, zo diep ben ik nog nooit gevallen / duizenden jaren diep! / Nog nooit zo zacht geland / op een onbekend strand, / Een stralend wezen streelt mijn ballen’.

Er is geen moeilijk woord te vinden in de gedichten, er zijn amper dubbele bodems. Hans Plomp is overigens goed thuis is in zijn klassieken: Pluto, Venus, Orpheus komen voorbij. De laatste inspireerde Plomp tot een fraai, zij het naar mijn gevoel ritmisch wat stroef lopend gedicht, waarvan, en ook dat gebeurt regelmatig, de titel deel uitmaakt van het gedicht:

TOEN ORPHEUS STIERF

Ontwaarde hij
links naast de woning van Pluto
een bron
onder een sierlijke cipres

Drink daar niet,
het is vergetelheid
waarin je wegzinkt,

Ga op zoek
naar het meer van herinneringen
daar is nog een bron
bewaakt door wezens.

Zeg hun
dat de aarde je genoeg is,
dat je terug wilt naar de oersprong.

Zeg hun: ‘Ik ben uitgedroogd
en wil alles weten,
geef me water
uit de bron van de herinnering’.

Ze geven je te drinken
en je zal ontwaken
als een god onder de goden.

Een trip of een verzuchting? Zelfs een moeilijk stoïcijns begrip als Apokastasis levert een gedicht op (p. 32 ). Opdrachten aan Gust Gils, Simon Vinkenoog, Gerben Hellinga, Allen Ginsberg bewijzen zijn plaats in het netwerk, waarin hij als ‘dichtend backbencher’ of ‘vooraanstaand maatschappelijk actievoerder’ alles meemaakte. Op gevorderde leeftijd is hij met de dood bezig, die hij kennelijk niet vreest. Hij praat er met zijn vriend Simon Vinkenoog over die reeds de grens overging. Onder invloed van ayahuasca of soms zonder geestverruimend middel ( ayahuasca is een Zuid-Amerikaanse hallucinogene drank) communiceren beide dichters. Het biedt hoopgevende inzichten. Vele collega’s, zegt Plomp, lijden aan de tijd en proberen zich van het leven te beroven. Maar de communicaties bieden Plomp de mogelijkheid deze tijd toch te zien als ‘de beste aller tijden’, waarmee, met dank aan Simon Vinkenoog, de titel van de bloemlezing verklaard is ( p. 170).

Een deel van deze bloemlezing is gewijd aan vertalingen die Plomp maakte. Het taalgebruik van zowel de Europese als de exotische gedichten was prachtig. Ik heb een paar gedichten in de oorspronkelijke taal nagezocht en geconstateerd dat de vertalingen niet alleen mooi taalgebruik opleveren, maar ook goed zijn. Wat mij stoorde was, en ik verwees er eerder naar, het ontbreken van titels. Zo moest ik langs zoeken naar het gedicht van Marceline Desbordes – Valmore (1786 – 1859) ‘Les roses de Saadi’, maar het loonde de moeite: het is een sierlijke vertaling (p. 102). Ook zocht ik wat Engelse en Duitse teksten na: zeer de moeite waard. Vooral die van een tweetal Frans-Duitse dichters die ik niet kende, maar wel mijn aandacht hebben getrokken: Yvan en Claire Goll, beiden rond 1890 geboren, beiden rond de helft van de 20ste eeuw overleden.

De levensschets, opgeschreven door Peter de Rijk, is als een monoloog van Hans Plomp zelf. Lees eerst de levensschets. Daarna de poëzie en dan nog eens de levensschets.

Samenvattend: een zeer leesbare bundel met goed te begrijpen poëzie van een duidelijk romantisch karakter. Vandaar dat ik, en het is als compliment bedoeld voor het lid van het ‘neo-romanties genootschap’, het woord ‘Letteroefeningen’ heb gebruikt. Wel stoorde mij soms het platvloers taalgebruik; ik denk niet dat Hans Plomp dat nodig heeft. Het feit dat er geen jaartallen bij de gedichten vermeld staan ontneemt een lezer de mogelijkheid het gedicht maatschappelijk in te passen. Ik zou Hans Plomp graag chronologisch hebben gelezen, omdat zijn wereld ook de mijne was. De levensschets is verhelderend. Wie kennis wil nemen van poëtische reacties op grote maatschappelijke bewegingen, moet deze bloemlezing zeker aanschaffen en meerdere malen lezen.

***
Hans Plomp, geboren in 1944 in Amsterdam. Hij studeerde Nederlands en was enige tijd leraar. Hij ontmoette veel schrijvers. Zijn debuutroman ‘Ondertrouw’ uit 1968 vertelt over de contacten met Reve en Johan Polak. Groot gebruiker van geestverruimende middelen., werd actief in Provo en schreef met toneelschrijver Gerben Hellinga een drugshandleiding ‘Uit je bol’ . Werd vooral bekend als actievoerder die de sloop van Ruigoord tegenhield, nu een bloeiend kunstenaarsdorp. Op het festival ‘Vurige tongen’ werd de hierboven besproken bundel gepresenteerd. Als lid / stimulator van het Amsterdams ballonnengezelschap organiseert hij in Paradiso het ‘ballonnenfeest’.

Recensie van In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (1962 - 2015) - Peter de Rijk (samenstelling)

Dag ogen, dag haar, dag hand om mee te schrijven

Peter de Rijk (samenstelling)
In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (1962 - 2015)
Uitgever: In de Knipscheer
2017
ISBN 9789062659524
€ 16,50
154 blz.

Er zijn kunstenaars die meer betekenen voor hun vakbroeders dan voor het grote publiek. Zo’n dichter was Rogi Wieg. Geen verkoopcijfers als bij Vasalis of Vroman, wel een grote groep bewonderaars onder dichters. Een dichters dichter is Wieg, die, nomen est omen, soms het begin vormde voor het dichterschap van anderen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de lang aangekondigde dood van Rogi Wieg menig vers teweeg heeft gebracht. Die gedichten zijn verzameld door Wiegs uitgeverij In de Knipscheer en gebundeld in de bloemlezing In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (1962 – 2015). Op de 154 bladzijden staan 107 gedichten van 100 dichters, gesorteerd op de alfabetische volgorde van hun voornaam. En zo staan Maarten van den Elzen, Maarten Embrechts en Maarten Inghels gebroederlijk naast elkaar. De titel dankt de bundel aan het opgenomen gedicht van F. Starik waarin de uitvaartleider na het zakken van de kist het gezelschap aanmoedigt om dicht bij elkaar te gaan staan, ‘in de kring van menselijke warmte’. Een anekdote rond de ‘eenzame uitvaart’ van een man zonder familie of vrienden waar Rogi aanwezig was als ‘dichter van dienst’. De ‘ik’ heeft uitvaartleider en dichter beiden liefgehad. ‘En ze zijn allebei dood.’

Elk van de in de hommage opgenomen dichters heeft een eigen beeld op Rogi Wieg, op zijn leven, op zijn dood of op zijn werk. En het mag allemaal naast elkaar staan. Menno Wigman doet in het gedicht ‘Pijn’ een poging om ons als buitenstaanders duidelijk te maken welke heftige pijnen Rogi moet hebben gevoeld: ‘Half vijf. Hoe moet ik slapen op een mes? / Half vijf. Hoe kom ik uit dit lichaam weg?’ Daartegenover schrijft Walter Palm in het gedicht ‘Voor wie suïcide overweegt’ dat wie overweegt om te stoppen met het leven moet bedenken dat ‘ook jij weer kunt opbloeien / als deze tegenwind draait en je zeilen bollen’.

Ook van Joost Zwagerman is een gedicht opgenomen. Dat is er een uit de periode dat hij met zijn Godgedichten bezig was want Zwagermans gedicht gaat in op de relatie tussen God en ‘de nog-niet-dode’ dichter Rogi Wieg: ‘Worstelende intimi, die twee.’ Joost Zwagerman heeft zich sterk verzet tegen de doodswens van Rogi, maar heeft later zijn eigen geheime gevecht opgegeven. Die worsteling met God gaat achteraf misschien meer over Joost Zwagerman zelf dan over Rogi. ‘Vloek je de dood / dan zoek je de dood’ schrijft Hans van Pinxteren in zijn eerbetoon:

Bestaan blijft niets van je dan je gedachten

Ik heb je niet gekend, Rogi, en zelfs als vriend had ik niet 
gepoogd je van je zelfdood te weerhouden, want ik weet: 
de dood, daar is geen houden aan. Vloek je de dood 
dan zoek je de dood, en ieder gaat daarin zijn eigen weg.

Ik zie hoe deze dood zich uitwist, niet bestaat, hoe niets 
van je bestaan blijft dan je gedichten, deze poëzie. 
Omdat je dichtend je een plaats schiep waar te leven 
blijf je bestaan, Rogi, in dit dichten dat zo aangrijpend is.

Een heuse hommage, een eerbetoon aan een overleden dichter in de vorm van een bloemlezing, wie kan daar een kritische noot over kraken? Er is het respect voor de dichter, diens lijdensweg, diens sterke en breekbare oeuvre. Er is de goede intentie van iedere opgenomen dichter, elk met een eigen verhaal, een eigen beleving van Rogi of Rogi’s gedichten. In de ‘kring van menselijke warmte’ bij de teraardebestelling of crematie klaagt geen mens over de kwaliteit van de koffie of de geserveerde cake. En toch…

Ik had het ook sterk gevonden als er iets minder gedichten waren opgenomen en er daardoor wat meer ruimte was voor het duidelijk maken aan de niet-dichters, aan het grote lezerspubliek, waarom iedereen het werk van Rogi Wieg een kans moet geven. De inleiding van Franc Knipscheer, mede-oprichter van de uitgeverij, doet een poging maar het blijft erg ons-kent-ons. De bloemlezing geeft geen informatie over de relatie tussen de gebloemleesde dichters met Rogi waardoor goede vrienden, geliefden zelfs, naast vage kennissen of verre bewonderaars staan. Mooie gelijkheid, maar ook een gemiste kans. Een bescheiden biografie, een bescheiden opsomming van zijn werk, er is geen ruimte voor ingeruimd.

Wel eindigt de bundel met reclame voor een uitgave van Rogi’s werk bij dezelfde uitgever. Samensteller van deze bundel Peter de Rijk stelde in 2015 de bloemlezing samen, getiteld Even zuiver als de ongeschreven brief, met een selectie uit het gepubliceerde werk van Rogi Wieg. Reclame met citaten over de bloemlezing in de media. Hé daar tref ik mijn eigen naam aan, een citaat uit mijn Rijmrijkblog waar ik de lezers overtuig om Rogi Wieg te lezen. Dat werk verdient het namelijk. Hoe goed bedoeld ook de leer-mij-Rogi-de-mens-kennen-gedichten, de basis is de poëzie. Volgens Judith Flier, een ex-geliefde die ook al eens een bloemlezing heeft samengesteld, was het ene uur dat Rogi aan het dichten was, ook het ene uur op een dag dat hij leefde, bijna pijnloos, even los uit dat lastige, ondraaglijke, leven. De sleutel van de dichter die zichzelf beschrijft als ogen, haar en een hand om mee te schrijven is diens dichtwerk, dat mooi ongrijpbare dichtwerk. Dichter en dichtinstructeur Yke Schotanus verwoordt zijn relatie met Wiegs werk in ‘Wolk’, het laatste gedicht van de bundel.

Wolk

Ik wist niet waar ik was 
in die vage gedichten van je 
die vage droomwerelden waar 
mannen, meisjes en moeders zonder contour 
verschenen en vooral verdwenen

Ik hoorde het ritme niet van je stem 
ik wist toen nog niet dat ik verkeerd las 
dat ik in mijn hoofd een dichterlijk, dromerig, timbre op- 
zette 
traag ook, terwijl jouw taal kaal moet, de klank kort 
omdat je geen droomwerelden schept 
maar mededelingen doet 
over een werkelijkheid

Ik wist ook niet waar jij was 
in die pagepose, dat zwelgen in zwart 
jij voelde de aarde trekken 
ik wou los van de zwaartekracht 
het maakte je hermetischer 
voor mij dan de poëzie 
waar ook ik mij van wilde bevrijden

Jaloers dat het jou lukte 
zag ik niet dat je ook schreef 
over de schoonheid 
van wiskundige vergelijkingen 
in een denkbeeldig veelvlak 
of dat je jezelf als een wolk 
onder een brug door zag drijven

Pas nu jij weg bent, jouw hermetische duister 
is ondergegaan als een zwarte zon 
zwagermanlicht

Hoor ik het ritme in je woordflarden 
doemen er beelden uit op 
hoor ik Coltranes jam met medische instrumenten 
huiver ik van de Yellow River man

En weet ik dat ik rivieren passerend 
voortaan even naar beneden zal kijken 
wolken zoekend, drijvend 
stroomopwaarts onder de bruggen door. 

***
Rogi Wieg werd geboren in 1962 als zoon van Hongaarse vluchtelingen. Hij was actief in de populaire muziek en begon in de jaren tachtig met het publiceren van gedichten. Wieg werkte als redacteur voor Tirade en Maatstaf en was tussen 1986 en 1999 poëziecriticus bij Het Parool. In 1999 begon Wieg met schilderen en tekenen. Rogi’s leven werd getekend door ernstige depressies. Hij werd regelmatig opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen, onderging  elektroshocktherapie  en deed meerdere pogingen tot  zelfmoord . Hij overleed in juli 2015 op 52-jarige leeftijd nadat hij toestemming had gekregen voor euthanasie  wegens ondraaglijk psychisch en lichamelijk lijden.

Recensie van Tussen hond en wolf - Klaas Jager

Droom van bloemrijke poëzie maar plant ze niet

Klaas Jager
Tussen hond en wolf
Uitgever: In de Knipscheer
2016
ISBN 9789062659081
€ 18,50
100 blz.

“In De wereld heeft geen overkant, Jagers vorige bundel, maakte het persoonlijke ‘ik’ al meer en meer plaats voor het onpersoonlijke ‘iemand’. In Tussen hond en wolf is de ‘ik’ van het toneel verdwenen en speelt nu iemand de hoofdrol”, aldus de flaptekst. Wie die iemand is laat zich raden. ‘Neem iemand / pluralis van niemand’, staat in het openingsgedicht van de eerste afdeling. Maar een paar gedichten verder lezen we: ‘neem iemand, pluralis van zoveelste sterveling’. Twee tegenstrijdige uitspraken, die in zichzelf ook paradoxaal zijn. Wiskundig gezien kan ik me bij ‘pluralis van niemand’ weinig voorstellen, twee keer nul blijft nul. En ook de ‘pluralis van zoveelste sterveling’ is lastig te duiden, aangezien ‘iemand’ in deze gelijknamige eerste afdeling toch heel erg één persoon van vlees en bloed lijkt te zijn. Met ‘iemand’ heeft de dichter het woord ‘ik’ vermeden, maar erg onpersoonlijk is dit personage niet. Het lijkt ook geenszins op de hoofdpersoon van het beroemde ‘Iemand stelt de vraag’ van Remco Campert, want in dat gedicht is ‘iemand’ telkens iemand anders, waardoor tenslotte een massa ‘iemanden’ in verzet komt. ‘Iemand’ heeft meer weg van het ‘men’ van Kouwenaar. In Tussen hond en wolf is ‘iemand’ bovenal een eenling, die worstelt met zijn relatie tot de wereld.

Is dit hoe het hoort te gaan

Is dit hoe het hoort te gaan, de zin
van het leven eerst een onderwerp
en dan een lijdend voorwerp geven

iemand denkt daar amper over na,
het bloed wordt anders dik en traag
dus weg met die filosofie, effen het pad,
zorg dat het vooral geen zijwegen heeft,
neem een eerlijk belegde boterham mee,

kom iemand tegen die luistert naar een naam,
wissel een woord of twee, maak een kwinkslag,
verdeel de tijd, glimlach wanneer het tegenzit,
pluk de dag zo lang de dood zijn roes uitslaapt,

onderhoud het huis dat geen escapades gedoogt,
verricht het werk dat een zekere toekomst biedt,
droom van bloemrijke poëzie maar plant ze niet.

Dit is een kenmerkend gedicht voor de bundel. Het niet al te originele spel met het dichterlijke ambacht in de eerste strofe, de innerlijke tweestrijd van de hoofdpersoon en de troost die in het eigen huis (een kernbegrip in de eerste afdeling) gevonden wordt. Opvallend is, dat ‘iemand’ hier in verschillende betekenissen gebruikt wordt. Eerst als de hoofdpersoon, die het een groot deel van de bundel is, maar in de derde strofe als de ander, die men kan tegenkomen.

De tweede afdeling, ‘Er is geen metafoor voor geluk’, heeft als opdracht ‘Voor mijn Lieveschatbewaarder’. Dit klinkt als een koosnaampje voor een geliefde, die in volgende gedichten aangesproken wordt als ‘Lieveliefste’, ‘Lievelieveling’, ‘Lievemijn’ of kortweg ‘liefste’. In het tweede gedicht blijkt al, dat de liefde geen lang leven is beschoren: ‘Lieveliefste, / het hart liep over // toen het erop aan kwam / bleek het niet diep genoeg’ (…) ‘je wist al van begin af aan dat de tijd die / voor ons lag slechts een voorwendsel was.’ In de eerste twee strofen voegt de dichter een mooie nieuwe interpretatie toe aan het cliché van ‘het hart dat overloopt’. De rest van het gedicht blijft, evenals de meeste gedichten, echter vrij verhalend van toon. In de tweede helft van de afdeling overheerst de rouw: ‘lieve muze, wie je ook bent, wijs / de weg die zijn volgeling kwijt is, / de toekomst ligt opgebroken, er / is vrijwel geen vooruitzicht meer’ en in een ander gedicht: ‘liefde zelf was een te groot begrip voor / het snoepje dat hem voor op de tong lag, // al gesmolten was voor jij er erg in had.’ Inherent aan de verhalende toon zijn de regelafbrekingen, die soms buitengewoon slordig zijn, zoals in de voorgaande fragmenten na ‘er’ en ‘voor’. De tweede afdeling ademt een sfeer van traditionele ik-jij gedichten. Toch duikt ook ‘iemand’ regelmatig op, in een vorm van afstandelijkheid die geforceerd aandoet. En wat het gebruik van de derde persoon enkelvoud betreft: deze is zo ver doorgevoerd, dat de dichter ook in de autobiografische noten aan het eind van de bundel over ‘hij’ spreekt.

De vorm van de gedichten is wisselend. Wel worden de meeste gedichten gekenmerkt door een min of meer regelmatige strofeopbouw, met vaste regellengte. Zo bestaan veel gedichten uit kwatrijnen of terzinen, soms met een losse regel als laatste strofe. Ook hanteert de dichter disticha of andere verslengtes, waarbij soms één of twee strofen afwijken qua lengte. Uit deze constatering blijkt ook al, dat de gedichten vrij lang zijn, twintig regels is geen uitzondering. Rijm is zeldzaam, maar wordt vooral in de derde afdeling wel vaker gehanteerd. Het is de vraag, of dit een bewuste keuze is, of dat het een ontwikkeling in zijn dichterschap weerspiegelt, gesteld dat de bundel een chronologische opbouw kent. Een opvallend stijlkenmerk in de bundel is tenslotte, dat in veel gedichten de titel in de laatste regel van het gedicht terugkomt.

In de laatste afdeling –‘Het andere gezicht’– slaat de dichter een geheel andere toon aan. Een aantal gedichten heeft een meer positieve, bijna mystieke sfeer: ‘zodat het misschien uit kan groeien / tot een opzichzelfstaand soevereine zin, // die spontaan een witregel laat inspringen, / klaar om in één adem te worden gedicht.’ De hoofdpersoon ‘iemand’ is veelal afwezig, vaak zijn de gedichten aansporingen of aanroepingen. De ondertitel van de afdeling luidt ‘Nis in het licht’. In het gedicht met de gelijknamige titel treffen we een confronterende waarheid aan: ‘niet beseffend dat zijn levenspad ook / zonder doel een eindbestemming heeft’. Eindelijk komen we ook de wolf tegen, zonder dat de titel van de bundel, Tussen hond en wolf, geheel helder wordt: ‘wees genadig voor het vlees, / spreek de waarheid niet tegen, / geef de wolf genoeg te eten, / zijn bloed behoeft het meest.’ De gedichten in deze afdeling zijn af en toe wat lyrischer, waarbij soms ook –zoals in het voorgaande fragment– (half)rijm optreedt. Maar naarmate het einde van de bundel nadert, nadert ook dat andere einde, en lijkt de dichter zich verontrustend genoeg al vrijwel uit de bundel te schrijven, wanneer ‘de dag van morgen op niemand is berekend’.

Wat kan hier nog gebeuren

Wat kan hier nog gebeuren
zodanig dat iedereen ervan opkijkt
behalve degene die het aankomen zag
bijna alsof hij de aanstichter was

van zoiets als ongrijpbare dreiging
zonder dat het tot uitbarsting komt
hoogstens een lichte paniekaanval
wat kreupel gekeuvel bij een beklemmend beeld

een willekeurig tafereel op een willekeurige plaats
een willekeurige tekst oplepelende levende
over een willekeurig nietszeggende dode

terwijl de kijker er ijskoud mee instemt
het tijdstip er geen seconde om stilstaat
de nacht het donker in zijn slaap vergeet.

***

Klaas Jager debuteerde met de bundel Windwakken in de tijd (2001), gevolgd door Klipgeiten (2004) enDe wereld heeft geen overkant (2008). Laatstgenoemde bundel werd door Joop Leibbrand besproken in Meander onder de omineuze titel ‘Iemand zijn’.

Poëzie Kort 2016 / 7

Frederik Lucien De Laere, In uiterste staat

Door Lennert Ras

In uiterste staat is een bombastische bundel met grote woorden, en een christelijk sausje – er wordt nog naar Maria Magdalena verwezen –. Ook de holocaust speelt een rol. De bundel is een beetje bitsig. Het grote aantal vreemde woorden, vooral Engels, die als een duveltje uit een doosje op poppen en de technocratische termen in de bundel wekken bij mij irritatie op.

Veel regels zijn liefdeloos. Zoals in het gedicht ‘Stunten’: ‘met het innerlijk van een robot.’ En ik lees ook in ‘Blues’: ‘Er is een tot bloedens toe getokkel / en een intonatie van pijn / bij gratie van het verheerlijkt verleden.’ Ik kan me er weinig bij voorstellen.

Er is wel een enkele aardige vondst in de bundel. Zoals in ‘Bloeddorst’: ‘Zelfs al zijn we lief, / we blijven haaien.’ En ook de regel ‘het ontmenselijkt residu’ spreekt nog wel tot de verbeelding. Maar als er dan weer in het volgende gedicht gesproken wordt van ‘de nucleaire capaciteit’, dan doet dat weinig poëtisch en wat ambtelijk aan.

De bundel eindigt met het bijna vier pagina’s lange gedicht ‘De code’, waarin een enorme cadans van de herhaling zit. ‘Ik ben je slaaf, ik ben je werker.’ Het gaat om een Joodse uitspraak en twee regels uit de lyrics van ‘Die Roboter’ van Kraftwerk. Het lijkt of de dichter met dit stijlmiddel van de herhaling de bundel nog leven probeert in te blazen. Geen enkel gedicht spreekt mij eigenlijk aan. Misschien dat ‘met het innerlijk van een robot’ de inhoud van de bundel nog het best weergeeft. De bundel probeert aan groot drama te raken, maar raakt nergens. Misschien wil de dichter dat ook. Laten zien, hoe gevoelloos wij met groot drama omgaan. En dat is dan best treurig.

***

Frederik Lucien De Laere (2016). In uiterste staat. Uitgeverij Vrijdag, 54 blz. € 19,95

 

Irene Wiersma, Kraanstaren

Door Hans Puper

Kraanstaren is de tweede bundel van Irene Wiersma. Hij bestaat uit vijf afdelingen die voor zichzelf spreken: ‘Velen’, ‘Enkelen’, ‘Twee’, ‘Anderen’ en ‘Eén’.

Het merendeel van de gedichten is heel toegankelijk en herkenbaar. Zo herkenbaar, dat ze soms clichématig of weinig betekenisvol zijn: zo maakt iemand de zinnen van de gesprekspartner af en hoort daardoor niet wat zij zegt; geliefden liggen lekker in bed tot de smartphone stoort als was het een indringer. Wiersma stijgt daar bovenuit als handelingen of gebeurtenissen uit het drukke hedendaagse leven van alle tijden blijken te zijn. Het gedicht ‘Drukte’ gaat over mensen die ‘met haastige stappen’ naar werk of afspraak snellen. Soms vertragen ze even om tussendoor te appen: sorry, vnvnd gaat niet lukken, / maar we zien elkaar zsm!’, maar dat komt er niet van: ‘het denken aan verdampt / tot voornemens uitwaaieren / over dagen, weken, maanden // en stilte de grenzen markeert.’

Het beste gedicht uit de bundel is ‘Mug’, waarvan een niet-uitgesproken dreiging uitgaat:

Tussen voorbijrazende treinen
vangt hij vanzelf een mug

die toen hij in de schemer sliep
zes rode bultjes op hem achterliet

’s ochtends, nog wazig van weinig slaap
opent hij met een elleboog balkondeuren

met uitzicht op blaffende honden
en een man die wild op zijn laptop tikt

en laat haar vrij.

Deze dreiging wordt nog versterkt door twee gedichten die een paar bladzijden verderop staan. ‘Machinist’ eindigt met de raak geformuleerde regels ‘meestal bestuurt hij een trein / maar soms botst hij plotseling / op iemands einde’; de schrijnende tweede en laatste strofe van ‘Machinist II’ luidt: ‘springers slapen op pillen door winters / en verschijnen in zomerse bermen / als alles op zijn mooist is / als alles oké lijkt.’

De kwaliteit van de gedichten wisselt en dat ligt vooral aan de inhoud: is die veelzeggend is of niet? Ik hoop dat Wiersma in een volgende bundel wat selectiever is.

***

Irene Wiersma (2016). Kraanstaren. Uitgeverij Passage, 53 blz. € 19.90

 

Emile Verhaeren, Dorpen van zinsbedrog

Door Hans Puper

Stefaan van den Bremt vertaalde Les villages illusoires van de Franstalige Vlaming Emile Verhaeren (1855 – 1916). In Nederland is hij niet zo bekend, in tegenstelling tot zijn tijdgenoot, geestverwant en Nobelprijswinnaar Maeterlinck. Dat is onterecht, want aan het eind van de negentiende eeuw was Verhaeren een internationaal bewonderd en invloedrijk symbolist. Hij beschouwde zich als Vlaming – wat je terugziet in zijn werk – ,ontwikkelde zich van symbolist tot humanitair expressionist en is in Nederland vooral bekend als Vlaams oorlogsdichter, die zich fel tegen de Duitse agressor keerde.

David Gullentops schreef een voorwoord. Les Villages illusoires verscheen in 1895, maar de vertaling betreft de derde, gewijzigde herdruk uit 1913. Hij legt uit wat Verhaeren heeft veranderd en waarom, maar het is jammer dat zijn betoog nogal wat voorkennis vereist, waardoor dat aan veel lezers ten dele voorbij zal gaan.
Lieven D’ hulst, hoogleraar vergelijkende en Franse letterkunde, schreef een interessant nawoord, waarin zij ingaat de op de vertaling van Stefaan van den Bremt, de keuzes waarvoor hij zich gesteld zag en welke consequenties die hebben. Zijn vertaling is over het algemeen bewonderingswaardig en creatief, al bevreemdde mij de anachronistische taal die hij een enkele keer gebruikt. Een voorbeeld, uit de eerste strofe van het gedicht ‘De schrijnwerker’: ‘Hij demonstreert met vaste hand / Hoe ‘s mensen ziel nauwlettend / En volgens vaste en wijze wetten / De wereld op de kaart kan zetten.’ [De cursivering is van mij]

In vijfentwintig gedichten van twee tot drie bladzijden beschrijft Verhaeren het dorpsleven op het Vlaamse platteland. De natuur is krachtiger dan de mens en zijn godsdienst. Als de bliksem inslaat in de kerktoren, vliegt deze in brand, de klokkenluider komt om, ‘En als de nok neerstort, valt ook het kruis / In de vuurgloed die het verwringt, / De armen breekt en ze verminkt.’ (‘De klokkenluider’). En aan sneeuw valt niets lieflijks te ontdekken, integendeel. In ‘De Sneeuw’ maken de herhalingen het desolate landschap zichtbaar; voelbaar in de personificaties is de dreiging. De eerste strofe:

Sneeuw dwarrelt neer, ononderbroken laadt
Een trage en lange en arme wol
Een doodse en lange en arme vlakte vol,
Van liefde koud, witheet van haat.

De meeste gedichten beschrijven een persoon. Het zijn symbolische prototypen: de veerman voert een ongelijke strijd met de dood, maar verliest niet de hoop zijn levensdoel te bereiken: als hij levenloos wordt gevonden heeft hij een riet tussen zijn tanden. De grafdelver verbeeldt de alomtegenwoordigheid van de dood en de suggestie wordt gewekt dat hij zelfmoord pleegt om een einde te maken aan zijn doodsangst: ‘Hij kan niet anders dan toedekken, onder aarde, / Zijn dood die, stuksgewijze, hij vergaarde’; in de duisternis van onrecht en onwetendheid beheerst de smid het vuur van een nieuwe wereld: ‘Er is geen godmens met de aardbol in zijn hand. ( … ) De tijd ontvliedt het rijk van schemer en van bloed; / Ontluikt een orde, edelmoedig, krachtig, goed, / Dan wordt zij op een dag de grond van het bestaan.’ Hierna volgt het laatste gedicht, ‘Brandende hooischelven’, en dat is niet toevallig: het dorp gaat ten onder en dat wordt gesymboliseerd door hooischelven die overal in de omgeving ontbranden. Er komt ruimte voor een ander leven.

Een bijzondere bundel. Ik zeg daarom nog maar eens dat het heel jammer is dat uitgeverij P geen informatie verstrekt. De website is nog steeds buiten werking en bij de bekende webshops vind je de bundel niet terug. Ik hoop dat boekhandelaren wel in staat zijn de benodigde gegevens te achterhalen.

***

Emile Verhaeren (2016). Dorpen van zinsbedrog. Vertaling Stefaan van den Bremt, voorwoord prof. dr. David Gullentops, nawoord Prof. dr Lieven D’hulst. Uitgeverij P, 80 blz. Prijs: onbekend.


Djordje Matić, Haarlem nocturne

Door Hans Puper

De Kroaat Djordje Matić woont sinds 1993 in Nederland. Haarlem Nocturne is zijn Nederlandstalige debuut; in 2013 verscheen in Kroatië zijn bundel Lingua franca.

Het is een bundel over ballingschap en Matić is dichter; het is daarom niet verwonderlijk dat hij die ontheemding vaak koppelt aan taal: ‘Ik heb niet meer dan één naam / ik heb meerdere versies ervan / honderd verschillende manieren waarop ze / – een naam als deze – onmogelijk / geschreven en gesproken hebben.’ Mooi is, dat hij het gevoel van ontheemding in de tweede strofe van dit gedicht niet direct beschrijft, maar via de worsteling van anderen met de uitspraak van zijn naam. Ik citeer de tweede strofe van ‘Ik heb niet meer dan één naam’ in zijn geheel:

Eerst, geïrriteerd en dreigend
aan de grenzen, in treinen en bussen
bij de politie, in gemeenten en op ambassades
ongeïnteresseerd, in postkantoren en banken
hoe ze gevochten hebben met de naam
die arme ambtenaren hier, en ik met hen.
Ze probeerden, ze worstelden ermee
benaderden het met sympathie.
Ze werden boos en sloten er vrede mee
ze voegden letters toe, trokken klanken af
verplaatsten de accenten, zochten de juiste intonatie
ze knepen hun ogen samen, fronsten
en hapten naar lucht voor ze langs de uitspraak roetsjten.

Dit is een gedicht uit de eerste afdeling, ‘Een ander geluid’. Je vindt daarin ook een treffend beeld van de vluchteling, voor wie de wereld nooit meer hetzelfde wordt – iets wat helaas van alle tijden is. In de noot bij ‘Swift departures’ staat dat ‘swift’ niet alleen het Engelse bijvoeglijk naamwoord ‘snel’ is, maar ook ‘gierzwaluw’. Een rake titel. Als gierzwaluwen hun nest verlaten, blijven ze anderhalf jaar in de lucht en als ze landen zijn hun poten zo vervormd dat ze nooit meer op vlakke grond kunnen staan: ‘Zo meten hun veranderde poten / precies hoeveel schever de wereld is geworden / sinds zij weggevlogen zijn’.

De kwaliteit van de gedichten uit de tweede afdeling, ‘Blauw’ is over het algemeen minder goed dan die uit de eerste. Ze zijn gegroepeerd rond jazzmusici als Miles Davis, Chet Baker en Thelonious Monk, die in zekere zin ook balling zijn. Zo beschrijft hij Ben Webster, die ‘letterlijk achter de geraniums’ zit, ‘zijn hand op het plastic tafelzeil ( … ) // Misschien was dit zijn straf uiteindelijk. / Als je hem zo ziet zitten / ergens in de Waalstraat / is het duidelijk: voor hem was ’t het einde’.

Je zou verwachten dat ritme in deze tweede afdeling een belangrijke rol speelt, maar dat is niet of nauwelijks het geval en een enkel gedicht kun je niet anders dan geforceerd noemen. In ‘De stad en die plek’ zien we de dichter als nieuweling in Amsterdam, die, ‘zoals altijd’, eerst naar de Dam gaat en vervolgens ‘per toeval’ in de hoerenbuurt terechtkomt. Dan volgt een tenenkrommende woordspeling die Matić ook nog eens heeft gecursiveerd: ‘Niets warms aan de Warmoesstraat’. Het is een helletocht: ‘Ineens aan het einde, links in deze duivelse rechthoek / verschijnt toch een opening. / We lopen ernaartoe met zware voeten / hijgend als na een nachtmerrie.’ Deze beelden zijn nodig om de gruwelijkheid van de plaats te benadrukken waar het in dit gedicht om gaat: daar waar Chet Baker uit het raam viel.

De bundel eindigt met het lange titelgedicht Haarlem Nocturne, een stad die ‘langduriger / stil verleidend / troostrijker is / dan de transparante hemel van het zuiden.’

Matić heeft met name in het eerste deel laten zien dat hij veel in zijn mars heeft. Een gedicht als ‘De stad en die plek’ moeten we daarom maar als een incidentele misser beschouwen.

 ***

Djordje Matić (2016). Haarlem Nocturne. In de Knipscheer, 54 blz. € 15,-

Recensie van Door het vanggat - Aly Freije

Juweeltjes, vlekjes en een misser

Aly Freije
Door het vanggat
Uitgever: In de Knipscheer
2016
ISBN 9789062659074
€ 17,50
84 blz.

Herinneringen; hoe een vrouw het landschap van haar jeugd probeert op te roepen, en daarbij de wereld van het kind in zich terug te halen. Daar gaat deze debuutbundel van Aly Freije (1944) over. Zij is docent aan de Schrijversvakschool Groningen, dicht zowel in het Gronings als in het Nederlands en won in 2008 de Freudenthal-prijs voor Nedersaksische literatuur.

Het moet een moeilijke opgave zijn geweest, immers zowel het landschap als de dichter en haar vermogen te herinneren, zijn met de jaren veranderd. Het heden kleurt en vertekent per definitie het verleden.
Maar toch. Marcel Proust overkwam het een deel van zijn jeugd haarscherp voor de geest te zien door als volwassene dezelfde soort in lindebloesemthee gedoopte gebakjes (Petites Madeleines) te nuttigen als die hij in zijn kinderjaren had gegeten. Kennelijk kunnen smaak en geur deze plotselinge reminiscenties teweeg brengen.

Ik weet niet of er zoiets bij Aly Freije is gebeurd, maar je zou het bijna denken. Haar dichterlijke beschrijving van de belevingswereld van haar jeugd in de vroegere Oost-Groningse Veenkoloniën is soms zo treffend en precies tot in de details, dat het moeilijk is dit alleen aan haar verbeeldingskracht toe te schrijven.
Lees maar:

Hokkelingen*

Een hoopje nattig bont leert te beginnen
op hoge poten, de vastberadenheid
om steeds weer struikelend op te krabbelen

ik kruip in het kalverhok tegen haar krullerig lijf
in vers stro, roestig bloed en moederkoek
van nageboorte, gespeend van melk en tepels
dromen we elkaars adem weg

straks dansen we de wankelbenen los
in klavervelden, reikhalzen aan de waterkant
al weten we van kuddegeest, wetten
van ruilverkaveling, prikkeldraad, we leggen ons
in de avond neer, herkauwen, leren bivakkeren in onszelf

en in alle weiden bij tegenwind, gesloten hekken
de plek die we verlaten hebben, de warmte
blijven voelen, waar de moeder lag.

(*Kalfjes, pas gescheiden van de moeder.)

Helaas zijn niet alle gedichten zo geslaagd, hoewel men in de mindere ook pakkende regels aantreft: ‘schaduwhoofden praten tegen blikjes bier/ uitgeschopte sandalen, broekomslagen:/ – de huisslak slierde vanmorgen weer/ straalbezopen door mijn plantenkasje-’ en ‘ Paarden galopperen haar bloedbanen door/ die nacht buigt hij zich over, het wilde wit/ van ogen, het abrupte schrapen van een hoef/zijn hartslag klimt, een paard kan nooit op schoot’.

Overigens worden deze mindere gedichten nogal eens ontsierd door te nadrukkelijke alliteraties als ‘broek met bretellen’, ‘malende manie’, ‘het waaien van de wolken’, ‘zoute zomerzon’- en lauwe metaforen als ‘muziek stroomt de piano uit, woorden trekken zich terug’.
En om nog even kritisch door te gaan: het cursiveren van bepaalde strofen is onnodig en daardoor storend, en een platitude als ‘witte dorpen tegen heuvels aangeplakt’ past meer in een reclametekst van een reisbureau.

Wat deze laatste aangehaalde regel betreft, deze komt uit ‘In lichtbundels danst het stof ’, het pagina’s lange (cyclische) gedicht dat bij uitzondering niet Oost-Groningen oproept, maar dit met Andalusië probeert te doen. Aly Freije mag met de Groningse versie van dit gedicht de Duitse Freudenthal-prijs 2008 hebben gewonnen, ik vind het in deze bundel een binnendringer die niet in deze bundel thuishoort en ernstig afbreuk doet aan de eenheid ervan. Jammer.

Samengevat: een bundel van wisselend niveau met meerdere juweeltjes, meerdere vlekjes en één misser.