Recensie van Waar leg ik mijn hart - Wendela de Vos

Geen gewoon liefdesverhaal

Wendela de Vos
Waar leg ik mijn hart
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411235
€ 15
72 blz.

De kleuren van de debuutbundel van Wendela de Vos zijn verrassend sober. Een zacht groengrijs, met op de achterkant een diep blauwgroen. Niet de kleuren die je verwacht bij een ‘liefdesverhaal in gedichten’. En ook in het lettermozaïek dat de voorkant siert ontbreekt de kleur rood nadrukkelijk. Waar leg ik mijn hart  is dan ook geen gewoon liefdesverhaal. In de opbouw klinkt de theaterachtergrond van de auteur duidelijk door. De verschillende gedichten zijn als losse scènes in een toneelstuk, het is aan de lezer om hier een verhaallijn doorheen te weven. En dat verhaal is alles behalve een zoet vissersromannetje, geen Zout op mijn huid in verzen.
Het scenische karakter wordt versterkt doordat elk gedicht op zichzelf staat, tegenover een lege linkerbladzijde. De witte ruimte wordt deels gevuld met grote letters, die één woord uit de tekst (niet per se de titel) eruit lichten. Het losse karakter van deze grafische illustraties, van de hand van Frans Lieshout, brengen een speels element in de af en toe zware tekst.
Het openingsgedicht zet de toon:

Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed

De toon is sober. Weinig interpunctie – ik kom hier later op terug. De vraag van de laatste twee regels klinkt onheilspellend. Dat wordt versterkt doordat de eerste twee woorden vetgedrukt zijn: Liefde baart. Naast ‘geboorte’ klinkt vanzelf de vaste combinatie: ‘dat baart mij zorgen’ mee. Het woord ‘muilen’, dat hier de linkerpagina siert, voert ons terug in de tijd. Het ‘kunstig geborduurde’ wijst op het oude handwerk in lange, donkere winters. We krijgen een beeld van een traditionele protestantse gemeenschap. De confrontatie met het hogere neemt -als in een variant op Job- in de bundel een belangrijke plaats in.
In de volgende gedichten maken we kennis met de zee en het zand, en met de vele generaties (‘waar achter mannen droomden van / mijn moeders moeder in het maanlicht’) die hier geworteld zijn. Dan ontspint zich een idylle: ‘Wacht / nog niet weggaan // nog een keer / ruiken / je vettige vest / strelen / je raspende wang / proeven / je bittere mond’. De stem van een vrouw, die haar geliefde niet wil laten gaan. Het volgende gedicht is in dialoogvorm geschreven. De stem van een man, die zegt ‘Ik wil je niet’, maar de achterblijfster ook aanspoort niet ongerust te worden als het weer omslaat en slechte tijdingen binnendruppelen. Misschien wil hij de vrouw wel beschermen voor verdriet, door haar nog niet aan zich te binden. De vrouw antwoordt met één van de mooiste gedichten uit de bundel:

Wilt mijn lief bewaren
voor sterloze nachten
voor ondiepe geulen
voor masthoge golven
voor mist en voor ijs

wilt mijn lief bewaren
voor striemende regens
voor snijdende winden
voor losslaande ankers
voor uitwaaiend vuur

wilt mijn lief bewaren
voor brekende touwen
voor scheurende zeilen
voor splinters en nagels
voor rotting en koorts

wilt mijn lief bewaren
voor roepende stemmen
voor lokkende vingers
voor zingende rotsen

wilt mijn lief bewaren

heer

voor mij

De zee is immers vol gevaren. Maar ook vreemde havens kunnen de liefde bedreigen, evenals de ‘zingende rotsen’ waarin we de Lorelei herkennen. De werkwoordsvorm ‘wilt’ is statig, passend bij de aanroep van de heer, die hier -anders dan God en de Grote Storm verderop in de bundel- geen hoofdletter krijgt.
In sterk afwisselende gedichten ontvouwt zich een geschiedenis van liefde, verlies, wanhoop en rouw. Om het een beetje spannend te houden zal ik het verdere verloop, zo dit al eenduidig is, niet uit de doeken doen. In de aantekeningen vertelt de auteur, dat de dichtbundel geïnspireerd is op de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke in Denemarken. Deze 13e-eeuwse Deense kerk raakte vanaf 1775 meer en meer onder het duinzand bedolven. Aanvankelijk lukte het de gelovigen nog om na elke storm de kerk weer uit te graven, maar na een laatste grote storm gaven zij het in 1795 op. Nu steekt alleen nog een deel van de witte toren boven het zand uit.
De Vos weet met rake details de barre omstandigheden van het vissersleven in voorbije tijden op te roepen: ‘planken een dekzeil / spaanders turf kisten / strobalen houtskool (…) het raast het vlerkt / stuitert tolt grauwt / slaat zichzelf stuk’. Veel zintuiglijke indrukken, stank, kou en pijn. En overal zand. De illusie van een maagdelijk strand, waar je als eerste je voeten op zet. Zand dat nieuw land vormt. Maar ook de verpletterende kracht van ‘korrel boven korrel’. En tenslotte: ‘Als alles verloren / dan nog altijd het bed van zand’.
Zoals gezegd is er een grote variatie in stijl in de gedichten. Meer dan van klank maakt de dichter gebruik van parallellie en opsommingen. Vaak smalle gedichten, met regels van hooguit drie woorden. Vrijwel geen interpunctie en alleen aan het begin van het gedicht een hoofdletter. Een uitzondering vormt het gedicht ‘Zijn storm’, waarin de korte, schuingedrukte regels staccato op de lezer inbeuken. De eerste regel van elk gedicht is, bij wijze van titel, vet gedrukt. Alleen in de eerste twee gedichten is slechts een gedeelte van de regel vet, terwijl de titel in de inhoudsopgave toch uit de hele eerste regel bestaat.
De uiteenlopende scènes leveren geen pasklaar verhaal. De lezer wordt uitgenodigd de verschillende fragmenten verder in te vullen, en misschien zelfs te verbinden met eigen ervaringen. Want hoewel Waar leg ik mijn hart is ingekleurd met historische details, is het bovenal een tijdloos verhaal waarin universele menselijke vragen en verlangens de hoofdrol spelen.

***
Wendela de Vos (1947) volgde een opleiding aan de Theaterschool en was tot 2006 werkzaam bij diverse grote en kleine theatergroepen. Waar leg ik mijn hart is haar eerste dichtbundel. Zij schreef het libretto voor het oratorium ‘Nova Zembla’ en onder de naam Tupla M. literaire thrillers. Haar oeuvre strekt zich uit van kort verhaal tot kinderpoëzie, van column tot toneeltekst.

 

 

Waar leg ik mijn hart is de negende uitgave in de reeks OPEN van uitgever Kontrast.

 

Poëzie Kort 2017 / 2

Saskia Stehouwer, Vrije uitloop

(Door Lennert Ras)

Vrije uitloop is de tweede bundel van Saskia Stehouwer (1975). Met haar debuutbundel Wachtkamers won ze de C. Buddingh’- prijs 2015.

Was Wachtkamers misschien wat verstikkend, met familiaire perikelen en verwijzingen naar zelfdoding, Vrije uitloop is pittiger, meer sambal, scherper. Een dolk. Vrije uitloop laat je dingen zien, zoals je ze soms in de krant ziet, op internet of op het NOS journaal .. dingen die je eigenlijk helemaal niet wil zien. Vrije uitloop verwijst ook meer naar de wereld en naar de media dan Wachtkamers. Zo wordt het vluchtelingenprobleem aangestipt, inclusief terrorisme (‘Een keel werd doorgesneden’, p. 7). ‘Ook mensen hebben een bepaalde hoeveelheid bewegingsruimte, afhankelijk van waar hun wieg stond, hun opleiding, middelen en talenten’, lees je op de omslag. Dit tipt naar mijn gevoel direct het vluchtelingenprobleem aan. Meer verwijzingen dus naar de wereld dan in Wachtkamers. Zo wordt er verwezen naar de Tweede Wereldoorlog (in ‘Schutting’, p. 54). Ook ‘Document’ (p. 35) lijkt naar de oorlog te verwijzen.

Ook in Vrije uitloop komen familiaire verbanden aan de orde, maar minder pregnant dan in Wachtkamers. De bundel is agressiever, gewelddadiger, de verwijzing naar zelfmoord in Wachtkamers wijst nu meer naar moord: ‘We staken een duif de ogen uit’ (p.7), alhoewel zelfmoord niet helemaal weg is: ‘soms vertrekt het halve volk / om aan een boom te gaan hangen / kauwend op de keuze / tussen werk en dood’ (p. 51). En er worden schoten gelost op p. 25.

Op de omslag van Vrije uitloop lees je dat de bundel een pleidooi is voor een open en minder arrogante houding ten opzichte van andere mensen en de natuur. Eerlijk gezegd haal ik dat er niet zo uit. De bundel zou, zoals ik hem lees, net zo goed een verheerlijking van geweld in zich kunnen hebben, als een veroordeling ervan. ‘Hij stelt zich een reiziger voor // via het geluid van een zaag die zijn hoofd aansnijdt.’ (p. 9). Ook tanden van een gans lijken te worden weggezaagd. De dood is nooit ver weg.

***
Saskia Stehouwer (2016). Vrije uitloop. Uitgeverij Marmer, 60 blz. € 15,00

 

Hanz Mirck, Drie steden twee ogen

(Door Hans Puper)

Hanz Mirck (1970) schreef in opdracht stadsgedichten over Arnhem, werd in 2007 stadsdichter van Zutphen en in 2014 van Apeldoorn. In Drie steden twee ogen heeft hij zijn beste gedichten geselecteerd.
In zijn bundel kun je niet alleen zien wat een dichter doet met een stad, maar ook wat een stad doet met een dichter. De steden blijken hun eigen eisen te stellen, al is in dit geval enige relativering op zijn plaats: de bundel bestrijkt een periode van twaalf jaar en het dichterschap van Mirck is natuurlijk niet hetzelfde gebleven.
Het meest verschillen de gedichten over Zutphen en Apeldoorn: de Hanzestad aan de IJssel met een rijk en gevarieerd verleden tegenover het bescheidener, lang dorps gebleven Apeldoorn. Enigszins overdreven gesteld kun je de buitenwereld verbinden aan de Zutphense gedichten en de binnenwereld aan de Apeldoornse. Zo beschrijft hij de Zutphense bokbierdag vanuit de ogen van de historische alcoholist ‘Droge Nap’, naar wie een van de vijf torens is genoemd; één gedicht gaat over de ronde van Zutphen en zeven gedichten beginnen met: ‘Een stad is …’. In een aantal Apeldoornse gedichten daarentegen valt de verstilling op. In ‘Veluws eiland’ schrijft hij bijvoorbeeld: ‘de tijd is hier anders, niet trager / maar in een vriendelijker licht // en het licht is hier / waar niet alles knippert en schreeuwt / geduldiger: zoals jij nietsvermoedend / in dit gedicht bent gelopen’. Mooie regels. We zien hier ook een constante: de beleving van de tijd. Het historische kan actueel worden, er is verval en soms een paradijselijke stilstand – die overigens zal worden opgeheven door ambitieuze wethouders en bouwers.

In zijn inleiding stelt Ingmar Heytze dat je al dichter moet zijn voor je stadsdichter wordt: ‘Alleen een echte dichter is het waard om stadsdichter te zijn, want alleen echte dichters schrijven stadsgedichten die hun directe aanleiding en zelfs hun stad overstijgen.’ In Mircks meeste gedichten is dat inderdaad het geval, al moet je een enkele keer googelen om het plaatselijke algemeen te kunnen maken.
Het stadsdichterschap stelt bijzondere eisen. Mirck formuleert ze in ‘Bouwen in het stiltegebied’, aan het begin van zijn Apeldoornse periode, waarin hij een romantisch onderscheid maakt tussen de poëzie die zich aandient en de persoon van de dichter:

Hier heeft u mijn stem, als ik mezelf hoor
lijkt het altijd iemand anders die zulke dingen zegt
Ik heb mezelf vaak gelukkig geprezen
met een instrument om trillend onrecht
te uiten, zachtjes dankbaarheid, schreeuwend
recht, fluisterend wat beschamend was
Soms brak hij tussen koopzondagen op het Raadhuisplein
Vaak heeft hij nog eerder een antwoord dan ik

Hij groeide met me mee; werd lager
toen ik hoger werd, ik nam mezelf te serieus
Want ik hoor mezelf te graag praten,
zingen met mijn hele lijf, terwijl ik van de stad
nog veel te weinig weet. Hier heeft u mijn stem,
laat hem iets verstandigs zeggen. Alstublieft

Een mooi gedicht, niet in het minst door de vorm: een onopvallend gebruik van halfrijm bijvoorbeeld, en ‘zachtjes’ tegenover ‘schreeuwend’, dat bijna hoorbaar wordt door het sterke enjambement. En dat de dichter inderdaad zingt met zijn hele lijf, kunt u ervaren door het gedicht hardop te lezen.

***
Hanz Mirck (2017). Drie steden twee ogen. Uitgeverij Kontrast, 64 blz. € 15,00


Susan Smit,
Die aarde is ’n eierblou ark

(Door Yolandi de Beer)

Die omslag van Die aarde is ’n eierblou ark is goed gekies. Dorre droe aarde herinner aan die enorme droogte en tekort aan lewe gewend water. Veral in Afrika. Ek smag na ’n bietjie Afrikaans en my verwagting is dat die gedigte, wat ook handel oor ’n onderwerp wat my na aan die hart le, soos ’n koel stroom oor my sal vloei.

Maar vanaf gedig een is dit duidelik dat hierdie hard kou en moeilik sluk gaan wees. Die mens verwyderd van die Moeder. Blind vir die effek van ons omgang met ons voeder. Blindvir wat wag. Die aarde lank geen ark meer wat ons gaan help wanneer dit alles ineenstort.

Nou eerder ’n uitgeholde eier met ’n bros droe dop.

Moedverloor se vlaktes. Veel minder van die redding wat die oorspronklike bybelse ark bring en veel meer van Moses wat die Isrealiete steeds blindelings die woestyn in ly. Die ritme van die gedigte herinner swaar aan ’n NG Kerk dominee se preek. Waar is die liefde? Waar is die verbintenis, die teerheid wat nodig is om as aangewese heerser die natuur te bewaar?

Susan Smit het ’n gawe om natuurwesens en verskynsels te beskryf met woorde. Met haar gedig ‘Saad’ verbind sy die mens en die natuur op ’n biologiese vlak met dna. Die gedig vertel van goed en kwaad, teenstelling en ’n onvermoe om uit ons foute te leer. Oppervlakkigheid, persoonlike geskiedenis, lesse…diep in ons verweef. Van die gedig kan ek byna liries raak. Hier vaar jy wel met die digteres se woorde deur haar eie persoonlike groei mee.

Dit word egter nie vir my beter nie. Alleen moeiliker om te lees. Ook in ‘Die Alfabet van water’ benadruk sy dit:

wat nodig is
is ’n dubbelreis
van jou luisterende self
na die glip van water
oor klip waarin jy
medeklinker is

Daar sit ’n stukkie sinneloosheid in en benadruk die onnodigheid van die mens. Hoe erg ons die aarde faal. Ons is gemerk as die medeklinker, bywoner, sondebok.

In opsomming kan ek alleen met lof van die bundel praat. Letterkundig gesien fantasties. Ek ruik en proe die gedigte. Maar dit lees vir my moeilik omdat dit so emostioneelen familiar is. Tog die moeite werd en aktueel van belang. Ek voel aangespoor om ook van die skryfster se ander werk te lees.

***
Susan Smit (2016). Die aarde is ’n eierblou ark. Protea Boekhuis , 96 blz. € 11,70

Recensie van Hoe een zee een woord werd - Antoinette Sisto

Zonder wijzers

Antoinette Sisto
Hoe een zee een woord werd
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411174
€ 15,00
86 blz.

Hoe een zee een woord werd is de vierde bundel van Antoinette Sisto. De titel is in eerste instantie onopvallend, maar roept bij nadere beschouwing nieuwsgierig makende vragen op. In de eerste plaats het woord ‘hoe’: is er sprake van een vertelling? Laat de bundel een transformatie zien van zee naar woord, in casu poëzie? En dan dat onbepaalde lidwoord ‘een’: gaat het niet om een specifieke zee?
Het is al snel duidelijk dat ‘een zee’ onderdeel is van een metafoor die vaak voorkomt in spreektaal. In een van de gedichten zegt ze soms de wetenschap te missen ‘dat er een zee / van tijd was om in te zwemmen.’ ‘Een zee van tijd’ en ‘zwemmen in de tijd’: die beelden kent iedereen.

Het gaat om een bundel over de beleving van tijd. Op de vraag hoe die tijd poëzie wordt, kom ik nog terug. De dichter presenteert het tijdsverloop niet lineair: ze weet op een soepele manier te schakelen tussen verleden, heden en toekomst, soms in één gedicht. Haar werkwijze in de hele bundel vind je terug in de titels van de gedichten in de laatste afdeling, ‘Speelduur 05.12’: ‘Rec’, ‘Play’, Ffwd’, ‘Pause’, ‘Rewind’, ‘Stop’.

Het schuiven met tijd kan onder andere een manier zijn om te leven met verlies. Sisto’s vorige bundel, Dichter bij de dagen, ging over de ziekte en dood van haar geliefde. Ook in deze bundel verwijzen sommige gedichten zichtbaar naar hem, wat niet betekent dat je de gedichten per se als autobiografisch moet lezen: ze zijn herkenbaar voor iedereen die het verdriet kent of zich daarin kan inleven. Een van de meest ontroerende liefdesgedichten die ik de laatste jaren heb gelezen is ‘Allerliefste (ongedateerd) s.v.p. thuis openmaken, wanneer je alleen bent, alleen-lezen document’. Het is een zeer eigentijds gedicht met een verrassend perspectief: niet de achterblijver is aan het woord, maar de dode: hij heeft een digitale brief achtergelaten. We zien hier de overtuigende kracht van de verbeelding: door deze vorm te kiezen komt de geliefde heel dichtbij. Het gedicht is lang, maar ik kan het niet laten om het in zijn geheel te citeren.

Wanneer je deze brief leest
ben ik onvindbaar
buiten bereik van uren en dagen
er zijn geen sporen die mij terughalen
alleen gelaten heb ik jou in alle vrijheid.

Wees gerust, je Facebookvrienden kennen me niet
op Google krijg je 0 resultaten
en ook andere zoekmachines
hebben mij gewist en opgegeven
in hun bestanden kom ik niet voor.

Ik heb voor honderd procent van je gehouden
dat zal ik altijd blijven doen
er is geen scherm waar wij ontmoeten
maar in elke spiegel zie je mijn ogen
kijk gewoon wanneer je behoefte voelt.

Een foto van ons samen in the cloud
is opgeslagen
waar ik ook ben en niet ben
ik zie ons hoe we waren
zonder klokken om ons
te herinneren aan tijd en dat wij eindig zijn.

Weet je nog hoe we lachten om niets
hoe we samen ’s avonds laat zonder slaap
ik zie ik zie wat jij niet?
Doe het licht uit en ik ben daar.

voor altijd, X
je W.

Een klok wijst op de eindigheid van het leven, een zee van tijd doet dit vergeten: waarom de dichter die zee in poëzie wil omzetten, is nu wel duidelijk. Poëzie kan je de illusie van oneindigheid geven – zolang het gedicht duurt.
Maar hoe doet ze dat? Door alledaagse metaforen te combineren met een interne symboliek die zij opbouwt door woorden, woordvelden of -groepen te herhalen in vergelijkbare contexten. Ramen of vensters blijken zicht te geven op andere tijden, spiegelglas weerkaatst het heden, een geliefde kan een stad zijn waarin je steeds beter thuis raakt, een huis biedt geborgenheid. Met symbolen kun je verbeelden wat zich moeilijk laat zeggen.
Sisto doet dat soms op een verrassend luchtige manier. In ‘Dolce far niente’ beschrijft ze een heerlijk luie zomermiddag: ‘Leg jezelf in een zachte hangmat ( … ) plaats je voeten als wijzers in de middagzon // blijf dan star als een hagedis / bedenk wat je met die zee van minuten / ogenblikken, blauwe golfslagen / allemaal nog meer niet hoeft te doen’. Om terug te komen op bovengenoemde ‘Speelduur 05.12’: het afspeelapparaat staat nu op pauze en de dichter kan alles even van zich af laten glijden.
Het apparaat staat ook weleens op stop. Een mooie illustratie biedt ‘De lengte van een zomer’, waarin de dichter in haar droom gelukkige momenten uit haar jeugd stilzet. De laatste strofen doen denken aan Annie M.G. Schmidt:

’s avonds komt oma op sherrybezoek
zie je wel het gaat toch dooien
ik voel het aan mijn likdoorn, zegt ze
morgen vallen er chocoladehagelstenen

in mijn droom is het jarenlang zomer
ik blijf vijf op mijn elfde verjaardag
mijn opa wordt er niet grijzer op
ik fiets rondjes om steeds dezelfde woning.

Hoe een zee een woord werd is een mooie bundel. Op die interne symboliek moet je greep krijgen, maar als je die moeite neemt, word je ruimschoots beloond.

***
Antoinette Sisto (Almelo, 1963) is dichter, vertaler, poëzieredacteur bij Meander en editor Italië bij Poetry International. In 2006 verscheen haar debuutbundel Het verre huis, in 2013 Dichter bij de dagen en in 2014 Iemand moet altijd gemist worden.

Signalementen 2016 / 1

Peter van Lier e.a., Op de breuklijn van het ijs

In Op de breuklijn van het ijs schreven elf dichters reacties op fragmenten uit het dagboek van Hidde Dirks Kat, een nauwelijks bekende Amelandse walvisvaarder die in de winter van 1777 en 1778 schipbreuk leed voor de kust van Groenland: ‘Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te zien of te vinden. Wij stonden hoopeloos op het geweldig stootend ijs, in vreeze, om ieder oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden.’ Een deel van de bemanning werd na een barre tocht gered door zeer gastvrije Inuits.
In de bundel zijn bijzondere tekeningen opgenomen van beeldend kunstenaar Egbarta Veenhuizen in Oost-Indische inkt en pastel.
Een van de gedichten is van Bartie Laverman. Hij schreef in het Fries en Nederlands ‘De Oanspielder’ (‘De aanspoeler’) over een man die zich van de inmiddels geredde groep bemanningsleden had afgescheiden en in zijn gedicht in Ierland lijkt te zijn aangekomen. De eerste strofe: ‘wij fûnen him / op de rotsen fan West / de oanspielder / ús grutte blonde noardman / mei hillich wetter / en whiskey / brochten wij him stadichoan / bij sûp en stût’ (‘bij zinnen’).

Egbarta Veenhuizen en fotograaf Dolph Kessler hebben de tentoonstelling buro HDK 2018 ingericht. Deze aantrekkelijke bundel is een onderdeel van het project.

***
Peter van Lier e.a. (2016). Op de breuklijn van het ijs. Mauritsheech Publishers, 33 blz. € 10,-

 

Charles Bukowski, Katers en poezen

Mocht ik in de toekomst als onhanteerbare oude man met niet meer dan een half plankje boeken in een verpleeghuis worden opgeborgen, dan zou Bukowski daarbij zitten. Het doet me daarom veel plezier dat er een boek is verschenen met onbekende gedichten en een aantal korte tot zeer korte stukken proza. De meeste gedichten zijn nooit in bundels verschenen en als dat wel het geval is, wijken de hier opgenomen manuscriptversies zo sterk af dat ze als nieuw kunnen worden beschouwd. Andere verschenen in tijdschriften met een oplage van maximaal 300 exemplaren. Katten en poezen heet de bundel, maar het gaat niet om lieflijke gedichten. Zijn lievelingsdieren zijn ondoorgrondelijk, altijd uit op seks, soms genadeloze jagers en vechtersbazen, soms schuw en vrijwel altijd mooi en vertederend. Maar ook raken ze gewond, verongelukken.

Bukowski laat zien dat zij het leven op een superieure, coole wijze leven. Ze wekken ook zijn humor op. Als hij zit te schrijven, maken een paar kittens ‘kreukels en piepkleine gaatjes’ in het papier. Vervolgens ‘springen ze in de grote doos met brieven die ik van / mensen krijg / maar ze beantwoorden ze niet, ze zijn / zindelijk.’ De kwaliteit is wisselend – zoals vaker, maar bij hem is dat een van zijn charmes – maar ook in deze bundel toont hij zich een onnavolgbaar meester. Zie bijvoorbeeld het gedicht ‘Ik ben geboren om met rozen te leuren langs de lanen van de doden’. De schijnbaar terloopse laatste regel, geeft een wending die keihard aankomt. Hij beschrijft vechtende katten. De verliezer ‘rende weg stond stil krabde aan zijn oor / tikte naar een strootje in de lucht en / schoot weg verslagen plannen smedend terwijl / een witte (een andere) langs de / andere kant van het hek achter een / sprinkhaan aan zat terwijl iemand / Kennedy doodschoot.’

Moet ik nog meer zeggen?

De bundel is uitstekend vertaald door Gerda Baardman.

***
Charles Bukowski (2016). Katers en poezen. Vertaald uit het Amerikaans door Gerda Baardman. Lebowski Publishers, 144 blz. € 17,50

 

Maja Panajotova, Landschap van een man

Maja Panajotova (1951) is in Vlaanderen bekender dan in Nederland. Ze verhuisde in 1981 van Bulgarije naar Vlaanderen. Naast dichter is ze vertaler en docent Bulgaarse taal- en letterkunde bij de universiteiten van Gent en Leuven. In 1983 debuteerde ze in het Nederlands met haar bundel Verzwegen alibi en in 1988 verscheen Sofia blijft een mysterie. Haar nieuwe bundel, Landschap van een man, is een bloemlezing uit de voorgaande bundels en bevat ook nieuw werk.
Ze is altijd hartstochtelijk van Bulgarije blijven houden: ‘Neem me, Sofia, / in jouw omhelzing van gele stenen, / want jij bent het centrum van mijn wereld. / Parijs is een minnaar voor enkele nachten, / en Brussel – een flirt, voor even.’
Aanvankelijk heeft ze moeite met de nieuwe taal (‘Wat ik denk en voel zit opgesloten / binnen de kille muren van een vreemde taal.’) en dat is aanvankelijk ook te zien: een aantal gedichten maakt een indruk van vertalingen, maar al snel had ze de beschikking over een rijk arsenaal van woorden, constructies en beelden. Ze heeft ook een eigen stem. Neem de volgende strofe uit ‘De vrouw 1’, uit een korte cyclus van vier gedichten – of ze hier een speciale vrouw beschrijft, de vrouw in het algemeen, of dat er sprake is van sarcasme laat de dichter in het midden. Het is aan de lezer.

Ze kan zich ’s ochtends geven
aan de gast,
zoals de bloem aan de zon,
’s middags haar man
tussen haar benen drukken,
en zich ‘s avonds ontfermen
over hem, die gek van liefde is.
En ondertussen: koken en wassen
en toegewijd zijn.
Dag in dag uit
bemind en misbruikt en begeerd zijn.

Liefde, dood en het verglijden van de tijd spelen een belangrijke rol in haar werk – net als bij vele anderen en je moet van goeden huize komen om niet in clichés te vervallen. Dat overkomt haar niet.

***
Maja Panajotova (2016). Landschap van een man. Uitgeverij P, 79 blz. € 18,00

 

Hugues C. Pernath, Exodus. Geïllustreerd door Lies van Gasse

Exodus is de graphic poem die beeldend kunstenares en dichter Lies van Gasse (1983) heeft gemaakt van de cyclus van vijf gedichten die Hugues C. Pernath in 1970 liet verschijnen in een kleine bibliografische uitgave. Ze volgt de tekst letterlijk, maar weet die door haar tekeningen te verbinden aan actuele problemen zoals de vluchtelingenstroom. Het schitterende resultaat is te zien op haar site. Een inleiding van Joris Gerits gaat aan de graphic poem vooraf en de cyclus zelf is daarna opgenomen.
Pernath droeg Exodus op aan de Joodse Myra, zijn tweede vrouw. De dichter verbindt de bijbelse exodus zowel aan het lot van de Joden in de vernietigingskampen als aan zijn persoonlijke vertrek uit ongelukkige herinneringen naar een leven met zijn geliefde vrouw. Dat lijkt theatraal, maar omdat de dichter zijn leven tot een voorbeeld weet te maken van het universele lot van de mens, doet dat niet zo aan.
In de inleiding beperkt Gerits zich tot een parafrasering van de cyclus en enige biografische gegevens. Dat is begrijpelijk, want de poëzie van Pernath is tamelijk hermetisch en als Gerits daarop in zou gaan, werd de inleiding wel erg lang. Maar wie enige moeite doet, dringt in de cyclus door en dat is zeer de moeite waard.

***
Hugues C. Pernath (2016). Exodus. Geïllustreerd door Lies van Gasse. Poëziecentrum Gent, 64 blz. € 19,95

 

Fiet van Beek, Vierende lijnen

Vierende lijnen is de debuutbundel van Fiet van Beek (1959). De gedichten zijn toegankelijk, helder en het meest aantrekkelijk voor lezers die niet in de eerste plaats gericht zijn op de vorm. Ze spelen zich veelal af in de directe leefomgeving van de dichter, wat te zien is aan titels als ‘Buurvrouw’, ‘Dorp’ en ‘Woonerf’. Dat wil niet zeggen dat haar poëzie braaf is. Haar gedichten kunnen gaan over angst, ergernis of afkeer, zoals van een zich voornaam voordoende vrouw die zich nog steeds gedraagt als femme fatale, maar onherroepelijk ‘passé’ is: ‘Diep decolleté prikkelt / alleen nieuwsgierigheid / naar welk verleidelijks / zij ooit heeft kunnen etaleren.’ Over eenzaamheid schrijft zij zo: ‘In het interbellum / tussen Kerst en Oud en Nieuw / beweeg ik mij naar het station / voor het geval er een trein vertrekt.’ Een aantal gedichten gaat over verloren liefdes, het leed van een scheiding en ook de gêne die daarmee gepaard gaat. In ‘Weerzien’ beschrijft de dichter een paar dat beseft dat hun liefde voorbij, of in ieder geval op haar retour is:

de dag
dat we het jong van een buizerd zagen
dons op het nest
een grazende ree
in bedeesde avondzon
sporen
van een das

we op een bankje zaten
als vanouds
stokbrood aten
zalm tomaten rucola
bevroren
dranken dronken
een raaf hoorden krassen
en niet zeiden wat we dachten

Die raaf doet het hem in dit gedicht.

***
Fiet van Beek (2016). Vierende lijnen. Uitgeverij Anderszins, 60 blz. € 15,00

 

Martin van de Vijfeijke, Een eigen hoofd

Een eigen hoofd is een bundel met light verse, maar – volgens de tekst op het achterplat – dat is vaak schijn. Zo’n gedicht is ‘Kerstverhaal’, waarin Jezus acceptabel wordt verklaard als vluchteling. Immers: ‘Herodes is uit op kindermoord’. Een vlucht naar Egypte ligt voor de hand: opvang in de regio. ‘Maar komt nu ook / de rest van Bethlehem en Judea / met heel zijn kinderschaar?’ Of het gedicht ‘Onderwijsklimaat’: ‘Het regent academici. / Het druppelt loodgieters. // De minister van onderwijs / verklaart in een interview: / ‘Ik neem elke dag / een zware loodgieterstas / mee naar huis.’ // Bij elke lekkage / bel ik de minister.’
Helaas staan er in de bundel teveel gedichten die het bij een lichtelijk beschonken gezelschap ongetwijfeld goed zullen doen, maar op papier te mager zijn. Zo heeft Drs. P. nooit de P. C. Hooftprijs gekregen, maar in een zeker café wel de ‘P. Hoofdprijs’. Voor zeugma’s schrikt hij niet terug: ‘Verlaat flitsend langs de Zuidas / gewapend met smartphone en laptop / komen forenzen aan en hogerop.’ Verwijzingen zijn niet sterk. In Bloems regels ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten / Voor de rechtvaardiging van een bestaan’ vervangt hij ‘gedichten’ door ‘kinderen’. Een echtgenote klaagt over een man met ‘een leesplank voor zijn kop’ – dat is wel weer aardig – en constateert: ‘Mij heeft hij uit en hij wil mij niet herlezen’. De regel ‘Mijn vrouw is een mooi boek / maar ik heb het uit’ uit de Kronkel van Carmiggelt is veel sterker.

Light verse blijft een lastig genre.

***
Martin van de Vijfeijke (2016). Een eigen hoofd. Reeks ‘Open’, uitgeverij Kontrast, 78 blz. € 15,00

Recensie van Als niets - Arjen van der Linden

Poëzienovelle in alcoholische nevelen : ‘Bier blijft binden’

Arjen van der Linden
Als niets
Uitgever: Kontrast
2016
ISBN 9789490834920
€ 15
109 blz.

Een novelle is een literair verhaal, dat minder uitgewerkt is dan een roman. De karakterontwikkeling is minder duidelijk, het is vaak meer een vertelling. Voorwaarde is wel dat het verzorgde taal moet blijven. Dit toepassend op een poëzienovelle zou men kunnen zeggen dat deze minder uitgewerkt is dan een poëtisch epos. Voorwaarde is wel dat het poëzie moet blijven. De eerste oppervlakkige lezing van Als niets van de voormalige Amersfoortse stadsdichter Arjen van der Linden (1956), aangekondigd als een ‘poëzienovelle’ stemde me niet hoopvol. Ik had soms wat moeite met het taalgebruik: ‘Trots als een hond/ Met minstens 7 lullen..’(p.13) of een woord dat me aan mijn goede geboorteplaats deed denken: ‘Typhushoer?’ (p.98). Hoewel ik een groot bewonderaar van Marnix Rueb en zijn creatie ‘Haagse Harrie’ ben, zou ik zijn taal in serieuze poëzie minder snel gebruiken. Ik speelde ook wat met strofes. Wordt de zin: ‘De auto die ik aan mijn buurman gaf is al platgereden, dus de taxicentrale staat als nummer 1 in mijn mobiele geheugen geschreven’ tot poëzie als je hem als volgt noteert?

De auto
Die ik aan mijn buurman gaf
Is al platgereden
Dus de taxicentrale Staat als nummer 1 In mijn mobiele geheugen
Geschreven.

Het geheel leek mij dus weinig toe te voegen aan de Nederlandse literatuur. Dit gezegd zijnde, keek ik in de spiegel en vond van mezelf dat ik wel erg snel en te gemakkelijk oordeelde. Ik herinnerde me opeens de afgang van Bertus Aafjes toen hij poëzie van de Vijftigers beoordeelde als ‘poëzie van het schuifgat’ (Elseviers weekblad). In dat artikel vertelt hij dat een opstandig jongetje uit de klas achter een schuifgat (=in de kast) wordt gezet. Als hij van ellende brult doet de meester de kast open en het jongetje staat bloot. Aafjes ( ‘lieve kinderen, bid maar braafjes voor Piet Worm en Bertus Aafjes’) zag de Vijftigers dus als opstandige kinderen in een brave klas die poëzie schreven die bloot was. Het was het einde van poëziecriticus Bertus Aafjes, vooral omdat de obsessieve en angelieke rijmer (‘lieve kinderen….’) over de dichter Lucebert, die hij niet herkende als de dichter wiens nieuwe taal voortkwam uit de wens de taal te zuiveren van die van de collaboratie en die vond dat schoonheid na Auschwitz niet meer kon bestaan, een sneer meegaf. Hij schreef: ‘Lees ik Luceberts poëzie dan heb ik het gevoel dat de SS de poëzie is binnengemarcheerd’. Hij herkende evenmin het terugvallen op de kindertaal, zoals Jan Hanlo deed , noch de taal van het licht en de illusie van Andreus of het pogen van Kouwenaar die het alomvattende, magische woord zocht en zijn zoektocht eindigde in een kamer die wit gemaakt moest worden. Ik vroeg mij af of ik niet dezelfde fout maakte als Aafjes en of ik te oud of te bevooroordeeld was een nieuw genre en nieuwe ontwikkelingen te herkennen. Ik heb dus het werk herlezen. Of deze bundel een echt nieuw genre oplevert, weet ik niet; ik herken wel iets van deze tijd: snelle poëzie die ‘performed’ wordt, snelle reacties, weinig uitgewerkt, soms fel reagerend op de actualiteit, meer aandacht voor emoties dan voor de vorm, een op ‘entertainment’ gerichte muziek- en tekstindustrie die singer/songwriters oplevert en emotionele bakfietsdichters en –dichteressen. Ik denk aan de vaak fascinerende rappers als Alie B. en Typhoon, wier teksten ik schitterend vind. Ik denk, mirabile dictu, ook nog aan ene Nico Dijkshoorn die in DWDD (komt ook in deze novelle voor: op p.55) elke week een ‘gedicht’ staande de uitzending produceert dat ook vaak vol zit met grappen, grollen en flauwekul. Ik prefereer overigens Haagse Harrie. En na nog een paar keer goed gelezen te hebben ook deze poëzienovelle, die een beeld geeft van een wereld waarin het drank – en seks gerelateerde plezier centraal staat: een popconcert afgewisseld met avonturen van de drummende hoofdpersoon.

Ook deze in de wereld van rock en roll gesitueerde poëzienovelle kent actualiteit en grappen. Zo heet de band die een van de kameraden van hoofdpersoon opricht ‘Fred en de Teeven’( hij zit met die voormalige staatssecretaris in DWDD). Een concert begint:

Het openingsnummer
Is een ode Aan een dode
Herman Bad en Brood……

Zo hoort het
Boerensoul met
Boerenkool

Daarvoor vraagt men zich af of men in het Engels of Nederlands zal zingen: het is te leuk om niet te citeren:

Hoe cares
Fout steenkolenengels
Voor de slappe lach
Zoals van Gaal
In kronkeltaal

Het verhaal is een aaneenschakeling van drank, vrouwen en desillusies. Een ik- figuur, een drummer, verkoopt zijn huis en valt daarna terug op zijn vrienden. Hun feesten en concerten worden afgewisseld met persoonlijke belevenissen van de drummer, die ook schilder is, wat een nieuwe bron van verhalen oplevert. Zo heeft hij een opdracht van tandarts Kroon(!), en krijgt mede daardoor moeilijkheden met diens vrouw die hij portretteert. Zij bekeert zich tot schilderen. Een opdracht van de gemeente Arnhem gaat een beetje de mist in: het schilderij moet reeds gerestaureerd worden als het uit het papier wordt gehaald. Een redelijk serieuze geliefde, Luna (ze loenst een beetje), verwaarloost hij en ze kiest voor de manager van de band. Hij blijft alleen achter, met drank en gedachten.

Wat mij aangenaam verraste waren de gedichten die in het verhaal voorkomen, ze becommentariëren de tekst en geven echte poëtische verdieping. Ze zijn anders afgedrukt en soms buitengewoon poëtisch en vormvast , zoals het sonnet op p. 51 met de mysterieuze titel ‘IS WAS’. Of het echt mooie gedicht op blz. 68 ‘Voor Ingrid’ . Het geeft een heel ander beeld van het dubbeltalent van deze Amersfoortse dichter/schilder: ik vind dat gedicht lyrische liefdespoëzie en dat vergoedt veel. Ik weet niet wie Ingrid is.

VOOR INGRID

Je keek me niet aan
Wendde je af
Zocht de brug
Die wegdreef

Terwijl de zomer
Opvroor
En de beuk
Verdorde

De haag verdichtte
En de zon
Voor eeuwig
Afscheid nam

Wist jij ineens
Geen woord meer
Warm
Te houden

Of hard
Te maken

Toch
Tot ik lachte
En jij wat later

Schaterde

Nadat zijn laatste meer serieuze liefde, Luna, met de manager verdwenen is, staat hij alleen, gaat terug naar zijn hotel, voelt zich eenzaam en gooit zijn mobiel weg in de vuilcontainer: het is een bijna navrant beeld.

Mijn mobiel
Zoemt en zeurt
Nog Minuten lang
In de kliko

Naast de kerk
Die langzaam
Volstroomt

Met bezwaren die ik heb tegen sommige woordkeuzes, het vervangen van woorden door cijfers en tegen een vrij willekeurige regelindeling, herken ik in dit werkje een poging een dichterlijk verhaal te schrijven, gesitueerd in de wereld van het pop- en echt en would-be kunstmilieu. Het is zeker maatschappelijk bewogen en er staan prachtige regels in, met name in de gedichten die een echt poëtisch commentaar geven, naast willekeurige soms zelfs semi-poëtische regels.

***

Arjen van der Linden is schilder en schrijft poëzie. Zijn eerste bundel gaf zijn beide talenten weer: in Als was (2010) zijn naast zijn gedichten zijn schilderijen opgenomen. Ook zijn tweede bundel Voor jou en jij (2013) was geïllustreerd, nu met foto’s van Nico Brons. De hier besproken bundel is zijn derde. Hij was stadsdichter van Amersfoort tussen 2010 en 2012, wat in zijn derde bundel qua couleur locale goed te bemerken is.