Recensie van rond is moeilijk - Harry van Doveren

Zoekwoorden in waterverf

Harry van Doveren
rond is moeilijk
Uitgever: Opwenteling
2017
ISBN 9789063381639
€ 14,50
64 blz.

reis, maak me een ander

rond is moeilijk waar ik begin
valt verse sneeuw op oude sneeuw
tussen de lijntjes van een lineaal
doodt een idioot de tijd en plukt
de appels van vreemdelingen

Met het titelgedicht uit de bundel rond is moeilijk van Harry van Doveren wordt veel en tegelijkertijd weinig gezegd over de verdere inhoud van deze bundel. Het gedicht is van alle gedichten een van de meest compacte, zowel qua lengte als breedte, maar wat de breed uitwaaierende associaties betreft wel sterk gelijkend op de andere. De spelfout (correct is ‘liniaal’) stoort mij. De taal wil ik volgen en ervaren en bij ‘valt verse sneeuw op oude sneeuw’, ‘lijntjes – tijd’ en ‘doodt een idioot’ lukt mij dat door de aangename klankherhaling en het ritme, maar de reisbeschrijving die me van rond over moeilijk, sneeuw, lijntjes en tijd naar appels van vreemdelingen moet voeren volg ik niet.

Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Evenmin als muziek hoeft een gedicht een verhaal te vertellen. Wanneer de suggestie van taal sterker is dan de veronderstelde betekenissen, kan de lezer een gedicht door zijn ervaring het zijne maken. In de meeste gedichten heeft Van Doveren echter erg veel ruimte nodig om zijn taal over uit te smeren, waardoor ze flets worden.
De dichter mijmert en mompelt, alsof hij schroom voelt om zijn taal eens krachtig in de mond te roeren.

Mogelijk hinkt de dichter op twee gedachten. Zowel de tekeningen van Asaka Imamura als de bijna tot waterverf verdunde taal doen mij sterk denken aan de Japanse traditionele poëzie, haiku, senryu en tanka, die met de taal van Van Doveren gemeen hebben dat ze hun beelden in zachte, liefst bijna onzichtbare tinten schilderen. Waar de Japanse traditie zich met opzet in de omvang zeer streng begrenst, kiest Van Doveren ervoor om zijn gedichten zich te laten uitstrekken over twee, soms drie pagina’s. De associaties die hem van begin tot eind voeren, lijken vrijwel ongebreideld. Ik vrees dat dat niet werkt. Een gedicht dat lijkt te gaan over bijna alles, gaat uiteindelijk over bijna niets en daardoor blijft het je ook niet bij.
Af en toe moest ik ook denken aan de vroegere teksten van Spinvis, waarbij de muziek en de stem nodig zijn om de taal een blijvende indruk te laten maken op de toehoorder. Een lezer komt dan tekort.

Veel van de gedichten in deze bundel lijken te zijn geschreven vanuit het perspectief van een kind: het gaat over moeder (p. 8) ‘moeder voedt mij / moeder wast mij’, over vader (p. 8) ‘vader bouwt twijfelaars / ik ken hem van mijn naam’, over ‘ik, keizer’ en zijn drie vrienden en ‘zij van vier’, over een clown, een paard en een circus. De dichter kiest er daarbij voor om de beleving van het kind te vermengen met observaties en overwegingen vanuit de volwassenheid, wat een risico met zich meebrengt: de lezer ervaart niet het kind, maar de volwassene die zich als kind voordoet. Daarmee dreigt de poëzie als een pose te worden ervaren.

De meeste gedichten in deze bundel houden mij niet vast. Meestal omdat er te weinig verborgen (maar met de belofte vindbaar te zijn) blijft om naar terug te keren. Een aantal keren omdat een vondst ((p. 8) ‘ze meet met metaal’ of (p. 59) ‘de afgebroken punt / van een komma’ ) te weinig gewicht in de schaal legt om het hele gedicht te dragen.
Er is echter één gedicht dat ik een aantal keren heb herlezen en dat ondanks dat zijn geheim niet prijsgeeft en zijn aantrekkingskracht niet verliest.

uit een jonge wolk

uit een jonge wolk valt een jonge zee
een oude zee komt uit een verdwenen wolk

uit een jonge wind groeien jonge golven
oude golven zijn van een verdwenen wind

de zee en de maan hebben dezelfde moeder
de zee en de maan zijn van tweeën één

van vis en vlees uit één schelp
ze slapen samen

de zee bezweert de maan met jonge opvattingen
jonge opvattingen zijn jonge golven van jonge wind

de maan beweegt de zee met oude opvattingen
oude vissen in oude zeeën

***
Harry van Doveren (Haaren, 1953) schrijft gedichten en essays en is beeldend kunstenaar.
Hij publiceerde in Bzzlletin en in De Groene Amsterdammer over Robert Musil en Paul Valéry. In de jaren tachtig gaf hij het satirisch periodiek De Haan Kraait Kippen uit, en schreef hij voor het tijdschrift Over Leven. Met het Zeepblind Collectief publiceerde hij het experimentele boek Nagelvaste Kalktriller (2015). In dat zelfde jaar verscheen ook De Gelezen Stad, een reeks van (mini) essays over de Japanse stad Kyoto in samenwerking met Angeline van Doveren.
Na Rumoer van de nacht (2013) is Rond is moeilijk (2017) zijn tweede bundel.

Poëzie Kort 2016 / 8

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeijffer, Duetten

Door Hans Puper

Wat doen we met die man die lacht in het publiek,
omdat hij elke dichter liefheeft als komiek
en poëzie beschouwt als heerlijk cabaret
dat ook nog eens bij vlagen aan het denken zet?

Deze verzuchting van Pfeijffer aan het begin van het vijfentwintigste duet laat precies zien wat er mis is aan de mailwisseling met zijn mededichter Erik Jan Harmens. Zij presenteren zich wel degelijk als cabaretiers en dringen de lezer de rol van buitenstaander op. En die buitenstaande moet genieten: het gaat immers om twee grote dichters. Hun brille wordt nog eens benadrukt in de verantwoording: ‘Ze hebben nooit enig overleg gevoerd. Zelfs over het plan om gezamenlijk iets te schrijven bestond geen overeenstemming, totdat het begon. De duetten ontstonden, in de vorm en volgorde zoals ze in dit boek zijn afgedrukt, strofe voor strofe, door middel van uitwisseling van e-mails zonder enig commentaar. Achteraf is niets herschreven.’ Samen doen ze denken aan een schizofrene Bilderdijk, die beweerde dat zijn verzen door God zelf kant en klaar werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met ganzenveer en papier. Achteraf bleek dat zijn manuscripten vol doorhalingen zaten, maar dat terzijde.

In een ver verleden kende ik leraren Nederlands die elkaar probeerden te overtreffen met ‘puntige kwatrijnen.’ Ze hadden dat afgekeken van de helderste ster in hun universum, Simon Vestdijk. Een enkele keer schreef een van hen een sonnet waaruit een onvervulbaar verlangen sprak naar een mooie, jonge collega of een femme fatale uit de examenklas die binnen enkele maanden uit hun blikveld zou verdwijnen. Hun gedichten zaten vol allusies op bewonderde Nederlandstalige dichters. In wezen doen Harmens en Pfeijffer hetzelfde als deze brave, plichtsgetrouwe onderwijsmannen. ‘[I]k ben een gelukszoeker in het diepst van mijn bananenrepubliek’, schrijft Harmens bijvoorbeeld en Pfeijffer zou Pfeijffer niet zijn als hij niet naar twee voorgangers tegelijk verwees: ‘Ik dans een rare negerdans uit Mozambique.’ (Je ziet hier eindrijm, maar dat is toeval. De regels komen uit verschillende duetten).
De ene leraar-dichter was beter dan de andere en dat is ook hier het geval. Hoe goed Harmens ook is, de souplesse en wendbaarheid van Pfeijffer liggen buiten zijn bereik. Pfeijffer schrijft paarsgewijs rijmende alexandrijnen die heel natuurlijk aandoen, iets wat wonderwel past bij deze vruchtbare gedachtewisseling tussen heren van stand. De gedichten van Harmens zijn vrijer van vorm, maar over het algemeen wat stroever en een enkele keer gezocht. Dat laatste geldt overigens niet voor zijn antwoord op de eerder geciteerde strofe:

ik ben wie hij ziet in zijn binnenspiegel
hij ruikt wat ik had op mijn brood
objects in mirror are closer than they appear
eerst lachte hij maar nu niet meer

De rol van bewonderende lezer bevalt mij niet. Misschien moeten ze zich toch maar weer richten op die man die lacht in het publiek en de ‘leesclubdames in de zaal, / die als de poëzie gedaan is allemaal / een leuke foto met de dichters willen maken’. De mannen gaan weliswaar zwaar gebukt onder hun voorstellingen, maar lijden is goed voor de poëzie en cabaret voor de portemonnee.

***
Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer (2016). Duetten. Lebowski, 80 blz. € 17,50

 
 

Patrick Conrad, De Cadillac van Mallarmé

Door Lennert Ras

De Cadillac van Mallarmé bestaat uit collages van Conrad (schrijver, plastisch kunstenaar en filmmaker), die een ode zijn aan Conrads surrealistische en dadaïstische voorgangers. Het zijn prikkelende tot de verbeelding sprekende afbeeldingen. Bij de collages schreef hij gedichten, die daarnaast zijn afgedrukt. Seksualiteit en schoonheid spelen een grote rol in de bundel. Mannen hangen zich in groten getale op als zij worden afgewezen door een prachtige vrouw. (p. 21). De vrouw van lichtekooi tot kuise dame en woekerplant, die zich aan haar dankbare slachtoffer vastzuigt (p.49). Maar niet alleen de vrouwelijke schoonheid komt voorbij, ook de mannelijke. De bundel zet aan het denken. Bijvoorbeeld vanwege de tegenstelling: ‘Na verloop van tijd hoopte niemand meer oud te worden, maar wilde niemand jong sterven’ (p.9). De bundel staat vol met verwijzingen naar de kunstwereld, maar ook naar bijvoorbeeld de muziek- en filmwereld, hetgeen de indruk geeft dat de schrijver zeer belezen is. Verbittering komt voorbij en onbeantwoorde liefde. Vooral de combinatie van de absurdistische afbeeldingen met de uit het leven gegrepen thematiek in de verzen laten je na het lezen achter met een zoete verwarring, die ergens toch wel aangenaam is.

***
Patrick Conrad (2016). De Cadillac van Mallarmé. Uitgeverij Vrijdag, 65 blz. €22,50

 

 
Anouk Smies, Wie heeft een middelpunt nodig

Door Hans Puper

De gedichten van Anouk Smies zijn tegelijkertijd open en moeilijk toegankelijk. Maar hoe weinig grip je ook krijgt, je leest toch door. Haar taalgebruik is helder, haar beeldspraak prikkelend: ‘De gevoelswereld / is een peertje, flame, 40 watt / De rauwe adem / van de wereld plukt lukraak / aan zijn perzikzak’. Regels maken nieuwsgierig: ‘Soms verlang je het ergste / om het één na ergste dood te slaan’, soms moet je erom lachen: ‘Pijn die gezellig is gemaakt / noemt men kunst’ (Let op dat ‘men’: het niet de dichter die dat vindt) of: ‘Er is een compromis / dat ik door zou willen drukken’.
Je komt niet verder dan vermoedens over een wereld achter de gedichten. Dat is geen tekortkoming, integendeel: ze zet je verbeelding aan het werk. Neem een gedicht als ‘Houdini’, de legendarische boeienkoning:

Toen ik alle opties voor
originaliteit had uitgeput
kwam het geniale idee
in me op
dat alles wat fonkelde aan jou
sleets was en verlopen

Dat ik aan je lippen hing
die nooit mijn naam genoten
Je excuses aanlijmbaar waren
als osmose

Waarmee je me het sterkste
aan je navel verbond
ondanks wat je niet beloofde
was je fameuze onderwater-truc

waarin je deed of ik niet bestond
En ik je geloofde

Waar gaat dit over? Over een dochter die zich door haar moeder verwaarloosd voelt, de meest uiteenlopende verklaringen heeft gezocht voor haar gedrag en nu inziet hoe het werkelijk zit? Dat het (schijnbaar) losmaken van banden de meest geraffineerde manier is om een kind aan je te binden? Mogelijk. Die ‘je’ kan ook een geliefde zijn: dat beeld voor de hechte verbinding, de navel, kun je ruimer nemen. Maar kan het gedicht ook gaan over de relatie van de dichter met haar poëzie? In dat geval heeft ze gepoogd op de meest originele manieren haar vorm te vinden, maar achteraf ingezien dat ze zich toch slechts op platgetreden paden heeft begeven. Iets eigens hadden de gedichten kennelijk niet. En die ‘fameuze onderwater-truc’ waarin de dichter wordt ontkend en daarin gelooft: is dat een verwijzing naar hermetische poëzie waarachter de dichter verdwijnt?
Ik weet het niet. Dit gedicht is zelf een Houdini, want het weet zich voortdurend uit je greep te bevrijden.

Ik kwam bij de herlezing van ‘Houdini’ op de relatie dichter – poëzie omdat Smies in verschillende gedichten woorden laat terugkomen die ze in verband lijkt te brengen met dichten: ‘reuk’, ‘neus’, ‘(be)tasten’, ‘navel’, ‘gezicht’, ‘strottenhoofd’. Een voorbeeld:

‘Zo schuif ik dagelijks
dia’s ineen
tot ik een houdpaar uitzicht zie
dat ik palpeer en doorklief

Uit de trilling die ontstaat
restaureer ik een vorm
die wel iets van een gezicht wegheeft’

(Uit: ‘Opties’)

Anouk Smies verdient meer bekendheid.

***
Anouk Smies (2016). Wie heeft een middelpunt nodig. Uitgeverij Opwenteling, 64 blz. €14,50

 


Daniël Dee, Mond vol demonen

Door Hans Puper

Wie zo’n tachtig pagina’s wil vullen met humoristische gedichten, moet van goeden huize komen. Daniël Dee probeert het met gedichten over seks, drank en rock & roll, met als overkoepelend thema het lijden aan het leven. Ik wijs dat niet af, dat gevoel is ook mij niet vreemd. Ik heb een ander bezwaar. Of de gedichten zijn gebaseerd op een ruig leven of dat het zich voornamelijk afspeelt in de verbeelding, maakt mij niet uit. Het gaat om de overtuigingskracht die uit de gedichten spreekt, de suggestie dat zelfspot en humor middelen zijn om het leven leefbaar te houden en daar ontbreekt het in de meeste gedichten aan. Er lijkt dan een man aan het woord te zijn die de bink uithangt met stoere en lollige uitspraken: ‘[I]k kom graag op de zolder waar die cactus staat / ik kan er lekker werken of aan de kleine generaal snokken op internetporno / – dat is vast zielig, maar dan is iedereen zielig / dan moet je maar vaker met mij –‘. (Uit: ‘Een prettig gesprek’). En wat te denken van de geinige verwijzingen en woordspelingen in ‘hitchhiker met Hitchcock-suspense? ‘[T]achtig dagen jouw lichaam rond / in en uit in en uit van voor naar achteren / happend naar lucht hompen hoppend viel Spass / op de toppen van jouw twin towers tweelingbergen / jodelend komen ein Tiroler Bursche ( … ) en we gaan nog niet naar huis / nog lange niet / nog lange niet’.
Een enkel gedicht geloofwaardiger, omdat niet ondanks, maar juist door de humor de wanhoop voelbaar is. De eerste drie strofen van ‘Die middag opgesloten op het hoge balkon’:

‘de deur viel dicht en in het slot
natuurlijk was het guur
de dwanggedachte te springen
maar niet willen springen
hoeveel ingewanden zullen er dan niet op de tegels tot moes slaan

overwegen om een ruit in te tikken
maar die niet intikken
want dan zouden de mensen kunnen zien dat ik in paniek ben
wat is daar erg aan?
ik ben in paniek
ik ben altijd in paniek
behalve als ik drink

de katers verergeren de paniek
gewoon doorheen drinken

In contrast met dit alles staat het gezinsleven. ‘Na het bezoek aan mijn behandelend arts’ is een romantisch ‘als-ik-sterf-gaat-aan-mij-niets-verloren’-gedicht. De laatste regels ogen heel serieus: ‘onvervangbaar is alleen mijn vermogen tot het liefhebben van mijn vrouw / samen met mijn vermogen tot het liefhebben van mijn kinderen.’ Deze regels durft hij echter niet zonder ironisch commentaar te presenteren, al zijn ze ongetwijfeld zeer gemeend. Collega-dichters zouden hem op de sentimentaliteit ervan hebben gewezen, maar: ‘uit pure koppigheid laat ik die regels toch staan – lekker puh’.

Ik hoop dat Dee in zijn volgende bundels meer diepte en durf toont. Zijn gedichten zullen daar beter van worden.

***
Daniël Dee (2016). Mond vol demonen. Uitgeverij Passage, 89 blz. € 19,90

 

 

 

 

Recensie van Ik ben een punt - Kreek Daey Ouwens e.a.

Het tikken van de tijd

Kreek Daey Ouwens e.a.
Ik ben een punt
Uitgever: Opwenteling
2016
ISBN 9789063381592
€ 19,50
88 blz.

Meteen bij het eerste doorbladeren van de bundel rijzen er vragen;
van wie is wat, welke zijn de vertaalde gedichten en wie vertaalde ze; onder het een noch onder het ander staat de naam Kreek Daey Ouwens of Harry van Doveren en ook de uitgever verschaft hierover op de voorlaatste bladzijde geen helderheid, integendeel, hij roept nog meer vragen op, o.a. waarom behalve Kreek ook Kees Daey Ouwens Jr. met een gedicht (plus de daarbij behorende illustratie?) in de bundel is opgenomen. Kennelijk vinden dichters en uitgever een en ander niet van belang, een zienswijze die ik zal proberen te respecteren; met het noemen van namen zal ik terughoudend zijn.

Dit project , met steun van het Goethe Instituut en het Vlaams Fonds voor de letteren en de Provincie Oost-Vlaanderen tot stand gekomen, bevredigde ondanks voornoemde verbazing mijn nieuwsgierigheid naar de poëzie van Arp en de reflecties daarop in taal en beeld.

Vanaf de omslag tot aan het eind van de bundel tikt over de onderste regel de klok, d.w.z. het gedicht SECONDEWIJZER van Arp, wat het thema van de bundel, de vergankelijkheid, op originele wijze versterkt: ‘dat ik als ik / een en twee is / dat ik als ik / drie en vier is / dat ik als ik / hoeveel wijst zij / dat ik als ik / tikt en takt zij / dat ik als ik / vijf en zes is / dat ik als ik / zeven en acht is / dat ik als ik / als zij staat zij / dat ik als ik / als zij gaat zij / dat ik als ik / negen en tien is /dat ik als ik / elf en twaalf is.
Men dient dit gedicht eigenlijk niet zozeer te lezen als wel te beluisteren en dat kan op You Tube ( sec wijzer ).

De ritmische reflectie in MAANZAND

[ …]
Het maanlicht
Vertrilt de waterspiegel,
Glittert over kiezel,
Glittert tussen riet,
Slipt en sijpelt
Onder ruisende takjes,
IJlt over weiden
Op een lange zilverteen,
Op tien lange zilvertenen,
En verzilvert zelfs het goud.
Daar schrikt de woekeraar van op,
Die op slag
Uitzinnig lacht tot hij barst.
[ …]

De beeldhouwer, schilder en dichter Hans Arp, ook als Jean Arp bekend, was een van de drijvende krachten achter Dada, een culturele beweging, die hij als volgt karakteriseerde: ’Dada ist für den Ohne-Sinn der Kunst, was nicht Unsinn bedeutet’. In 1915 leerde hij zijn latere echtgenote, de kunstenares Sophie kennen. Zij werkte nauw met hem samen en stierf in 1941 in Zürich aan een koolmonoxidevergiftiging.
Arp schreef hierna zijn Elegien Für Sophie, treurgedichten waar in deze bundel ruim aandacht aan wordt besteed.
Het oorspronkelijke gedicht (in het Duits) staat niet in de bundel, maar het lijkt me onvoorstelbaar dat het zo melodramatisch is als hier de interpretatie of de vertaling ervan.

Sophie
[…]

Alle bloemen bloeien
bloeien voor jou.
Alle harten gloeien,
gloeien voor jou

Nu ben je heengegaan.
Wat zal ik hier nog gaan en staan.
Ik heb maar een verlangen.
Ik wil je weerzien.
[…]
Sinds jij gestorven bent,
dank ik elke voorbijgaande dag.
Elke voorbijgaande dag
Brengt mij dichter bij jou.
[…]

Het volgende gedicht over Sophie is nog slapper; ik zal het u besparen.

Maar enkele pagina’s verder de volgende ontroerende regels over, naar ik aanneem, dezelfde Sophie:

Op witte dagen slijp je gips.
                Iets als sneeuw valt op haar hand.

Op natte dagen lijm je papier.
                Je tong likt haar adem weg.

Op droge dagen preeg je letters.
                Je typemachine waarschuwt voor namaak:
                Wij kunnen haar niet zien.

Elke winter mis je haar ansichtkaart
elke zomer meer dan sneeuw.

Waar de dichters zich laten leiden door het dromerige van Arp en zijn absurdistische belevingswereld is deze bundel levendig en boeiend, waar zij zich houden aan gevestigd realistisch taalgebruik spanningsloos vlak; gelukkig overheerst de eerstgenoemde insteek.

Nog een paar surreële strofen:

[…]
Het schiet mij te binnen dat mijn grootmoeder de losse haren uit haar kam opspaarde in een glazen bakje.

Op een dag droeg ze een zacht nest op haar hoofd.

Stiller dan dat een punt.
[…]

Ik herinner mij dat mijn grootmoeder op een
meisje leek wanneer ze liedjes zong bij het
schillen van de lucht
[…]

Last but not least: de (krijt)tekeningen en collagetechnieken van Ineke van Doorn, die voor ‘het beeld’ in de bundel zorg droeg zijn spannend en suggestief, en passen uitstekend bij de poëzie, al overwoekeren zij de in (te) klein formaat uitgegeven bundel enigszins.

Recensie van Wel verbinding geen contact - Guido Utermark

Vruchtbaar nihilisme

Guido Utermark
Wel verbinding geen contact
Uitgever: Opwenteling
2014
ISBN 9789063381585
€ 14,50
56 blz.

Het was even wennen, maar na een paar uur met de poëzie van Guido Utermark te hebben doorgebracht, voelde ik mij aardig thuis bij deze illusieloze filantroop. Wel verbinding geen contact geeft geen antwoorden op vragen die men zichzelf zou kunnen stellen, maar dompelt je onder in een wereld van verschijnselen die het effect heeft van wat hij in het gedicht ‘Vertigomiddelen’ beschrijft als:

Een reeks woorden
die niet bestaande
bewegingspatronen doet ervaren

duizeligheid is een sensatie
die in het algemeen een gevoel
van zich niet kunnen oriënteren
in de ruimte oproept
met uiteindelijk vegetatieve
verschijnselen als resultaat

veelal zal geen diagnose
kunnen worden gesteld
en tot de orde van de dag
moeten worden overgegaan

Ik kreeg de neiging om de titel van de bundel om te draaien: ‘Wel contact geen verbinding’, omdat Utermark een wereld oproept die vertrouwd overkomt, maar waarmee je geen wezenlijke verbinding lijkt te kunnen maken. Je lijkt deel uit te maken van een laboratoriumexperiment waarin emotie is vervangen door de koele of kille vaststelling van waardevrije feiten. Dat is bepaald verwarrend, maar wanneer je je eraan durft over te geven soms, heel soms, ook humoristisch. Meteen in het eerste gedicht worden we al een illusie armer gemaakt:

Alle paragnosten hebben
een luisterend oor

In een veeleisende omgeving
genereert u als patiënt gewoonlijk
een terrabyte aan gegevens

voor diegenen die het vergeten zijn:
in ons gesprek
komt de informatie vanzelf
door middel van automatisch schrift
krijgt u altijd een eerlijk
en positief antwoord

Op diegenen die contact met ‘de andere wereld’ hebben, hoeven we in ieder geval niet te rekenen. Het ‘gesprek’ is bepaald eenzijdig, en er alleen maar op gericht om informatie los te krijgen, die niet slechts tot een positief maar ook nog eens een eerlijk antwoord zal leiden. En dat wordt gebracht op een overtuigende, zakelijke, als op feitelijkheden berustende manier.
Zoals ook artsen dat wel kunnen met de meest angstwekkende diagnose.
Die laatste zin komt niet uit de lucht vallen: In ‘Wat eet een Wikipedia-kind’ komt deze strofe voor:

how to call a nurse
C128 Korentang
ligt al klaar

Ik heb een blauwe maandag in een academisch ziekenhuis gewerkt. Het konijn in de voorgaande strofe was zonder twijfel een proefdier:

het konijn zucht lucht tussen
de tralies door
drukt op de no-panic button

How to call an nurse… Een meedogenloze wereld waar elk gevoelsaffect zorgvuldig buitengesloten is. De wereld is zoals hij is: klaar. Niks aan te doen. Je overgeven aan je natuur is uitgesloten, maar we maken je verblijf hier zo aangenaam mogelijk. Tot algemeen nut.
Nieuwsgierig geworden naar de dichter zelf, kwam hij me tegemoet:

Zelfportret in Mickey Mouse-T-shirt

In iedere dichter schuilt een mens
hoor je soms beweren
misschien is er zelfs een dierenvriend te vinden

zoals een gedicht meestal chronologisch
wordt gelezen
terwijl het niet zo geschreven is

zo leef ik in flashbacks
tot ik het licht zie worden
vanaf de twaalfde verdieping

woorden als aansteker
ontstoken in je oor

iedere lege ruimte
kan een langdurige discussie betekenen

De medische wereld is opnieuw niet ver: ‘woorden als aansteker/ ontstoken in je oor’. Ziekte die verdoezeld wordt met een Mickey Mouse shirt. Eeuwige onschuldige vrolijkheid. Dat is de beloofde wereld, een geordende werkelijkheid waarin alles onder controle wordt gehouden. Dit gedicht is het meest onpersoonlijke poëtische zelfportret dat ik ooit las. De natuur, ook de menselijke, daar ligt het gevaar.
Van ‘Paraffinebijrijdsters’ de laatste twee strofen:

hier is men verblind door de verlichting
maakt men oogfoto’s van rozenschaduwen
hier heeft men porievernauwende ervaringen
heeft men een 24 uursrelatie met elkaars lichaam

er bestaat hierover geen beleid
ons advies
controleer jezelf en anderen
na een bezoek aan de natuur

Ik moest direct aan een vriend denken die als laborant hoofdzakelijk menselijke ogen sneed. Die waren opgeslagen in blokjes paraffine, die tot vliesdunne plakjes werden gesneden voor microscopisch onderzoek.
Een afdeling lager waren de snijkamers, waar autopsie werd verricht, en in de kelder daaronder lagen het ‘museum’ met glazen potten met menselijke organen, foetussen, Siamese tweelingen; de stallen met proefdieren; en de verbrandingsoven.
Een onbekende wereld voor al diegenen die als patiënten of bezoekers in een ziekenhuis verblijven; de schaduwzijde van het ziekenhuis.

Ik ben nooit als zodanig werkzaam geweest

Ik voel me aangetrokken
tot situaties die zich
buiten mijn blikveld afspelen
schoonheid behoort tot de mogelijkheden

de mate van activatie is onvoorspelbaar
we ontdoen elkaar van gevoelens

er kan een betekenis zijn ontstaan
die ontkend kan worden

er is met een bepaalde bedoeling gehandeld
in een leven zonder aantoonbare tegenpartij

een fatale afloop moet niet
uitgesloten worden

‘er kan een betekenis zijn ontstaan/ die ontkend kan worden’. Wil je kunnen functioneren in de wereld van Guido Utermark, dan kun je je gevoelsleven maar beter buitensluiten. Op bijna klinische manier doet hij daarvan verslag in zijn poëzie. Vrede heeft hij er niet mee. Soms klinkt er vrijwel onverholen woede in zijn poëzie, soms cynisme. Er lijkt geen ontkomen aan: willen we ziekte, ongeluk buitensluiten, dan gaat dat hoe dan ook ten koste van een vrij leven, zonder angst. Er komt geen einde aan de voorzorgen die we proberen te nemen, maar we lopen achter de feiten aan:

antigeluid leek een oplossing
toen ben ik kleiner gaan wonen
en miniaturen gaan sparen

(uit: ‘Foetale schedelbloedsampling’)

Miniaturen als poging om het leven nog enigszins de baas te zijn, als meester over een kleine schepping. Guido Utermark schiep zijn eigen kleine wereld van poëzie, ja meesterlijk, maar prettig is het er niet. In sommige opzichten heeft hij veel van onze wereld: Wel verbinding, geen contact.

***
Guido Utermark (1960) publiceerde o.a. in Passionate Magazine, Krakatau en Prado en schreef eerder de bundels Ik ben een stad ommuurd door dromen (2009) en Medewerker beleidsbeïnvloeding (2013).


Recensie van Citaten van een roofdier - Anouk Smies

De transformatie van prooi naar roofdier

Anouk Smies
Citaten van een roofdier
Uitgever: Opwenteling
2013
ISBN 9789063381561
€ 14,50
56 blz.

Elke kunstenaar streeft naar communicatie. Elke kunstenaar hoopt dat zijn of haar werk een brug kan slaan naar de ander. Soms heeft de kunstenaar een bepaalde persoon of groep op het oog. Soms is het een elitaire onderneming, soms een meer democratische. Soms laat de kunstenaar zijn of haar specifieke eigenaardigheden zien, soms ligt de nadruk op een bijzondere techniek; traditioneel, of juist vernieuwend.
Soms ligt de nadruk op het spel (zonder dat is kunst dood), soms ligt de nadruk op de inhoud. De kunstenaar wil inzichten/ervaringen delen.

Wanneer we de poëzie van Anouk Smies lezen, dan valt op dat ze niet op een brede groep lezers is gericht. Het is geen eenvoudige, eenduidige poëzie. Het eerste gedicht uit Citaten van een roofdier gaat zo:

Stilleven

Als een tandeloos orgel zei je:
Blijf.

Ik was woekering en lijf
gevangen in een daad
van cellofaan

Rollade
of wat daar na een goed gesprek
van overblijft

Een dun stuk touw, de flosdraad
van verraad

Soms ruik ik er wat aan
om je sporen te traceren

Soms kijk ik ook naar treinen
zie ze onbemand passeren

Het is een gedicht dat waarschijnlijk al associërend tot stand is gekomen. Het lijkt mij dat de dichteres alle ruimte laat aan rijm om een vorm te vinden die bij haar past, waarin zij een bepaald gevoel uit kan drukken. Dat ‘blijf’ gevolgd wordt door ‘lijf’, ‘flosdraad’ gevolgd door ‘verraad’, ‘traceren’ door ‘passeren’, lijkt mij geen gevolg van rationele overwegingen, maar van een soort intuïtief zoeken naar richting.

Het lijkt Anouk Smies vooral om dynamiek te gaan, om de energie die zij met woorden kan oproepen. Mijn bezwaar is dat ze het soms wel wat erg dik aanzet: ‘De flosdraad van het verraad’ – los van het feit dat ik niet kan zien op welk verraad zij doelt, is dit voor mij bepaald komisch. Dat het grote woord ‘verraad’ een flosdraad blijkt te hebben, het touwtje van een rollade; om restjes van wat dan ook, klem tussen welke wijd uitstaande tanden dan ook te verwijderen, lijkt mij niet de bedoeling van deze dichteres die de zaken met zoveel aplomb opdist, dat ik tegenover haar pogingen tot overweldiging alleen maar de vraag kan stellen: Waarom zo heftig? Waar heeft ze het over?

Laat vader maar

Hij wist niet meer
Vlees lokte
als zon

Een aarde ontstond
aan zijn driepotige
huid

Buit
werd gapend gat

Alle vrouwen in zijn leven
moeder
ex
dochter

vlochten tranen
Begroeven daden
in hun
gefusilleerde schoot

Alleen de dochter wurgde
wat eerder laf
klopte in haar

Trok hem mee
een afslag na de dood
in een nauw onherkenbaar graf

en legde zijn wellust bloot

Dit gedicht kan alleen maar over incest gaan. Maar het is expliciet en vaag tegelijkertijd. Zijn driepotige huid! (De drie benen van de man.) Buit werd gapend gat! De gefusilleerde schoot! En dan het raadselachtige einde: een afslag na de dood trok zij hem een nauw onherkenbaar graf in. Was het niet herkenbaar als graf? Wat was het dan, waarin zij zijn wellust bloot legde? Ik durf mij de vraag bijna niet te stellen.

Stoere taal:

Lam dat poten
door modder ramt

(uit: ‘Eengezinsverraad’)

Waaruit het verraad bestaat waar zij het in de titel opnieuw over heeft, is mij wel duidelijk: vader duikt herhaaldelijk seksueel duidbaar op. Soms, als in het gedicht ‘Vaders buidel’ zijn de associaties behoorlijk onaangenaam:

(..) Pleeg mij
want mijn daden
zijn verpakt in schuld
zoals ik ooit cadeautjes kreeg

Het zou ook haar agressieve taalgebruik kunnen verklaren. In plaats van: ‘Citaten van een roofdier’ zou je, om het gevoel van macht, kunnen lezen: ‘Citaten van een prooi die zich als een roofdier voordoet’.

Striptease

Blindengeleidehond van
vervlogen drift

en afgeschreven staal
Hoofd vol flarden
lichaamsgeur

Buitgemaakt en
uitgelekt substraat

waarmee ik je
kortstondig uitkleed
Borststructuur van zaad

Het klinkt vervelend, maar ondanks de ongetwijfeld integere intentie, kan ik veel van de gedichten van Anouk Smies niet anders omschrijven dan bombastisch.
Dat zij gevoel voor taal heeft staat buiten kijf. Dat zij lef heeft ook. Maar iets meer subtiliteit zou haar poëzie geen kwaad doen. En iets meer ratio. Er mogen/moeten vragen blijven. De manier waarop zij haar zinnen opbouwt, maakt ze vaak raadselachtig. Mooi. Maar je mag als lezer niet het gevoel van samenhang kwijt raken, je mag niet het gevoel krijgen dat er maar wat gebazeld wordt. Dan stort de brug die je naar de ander wilt slaan in.
Wanneer zij de brug wel weet te slaan, overrompelt zij met succes:

Ontwaken

Kom het bed in
met je belachelijk
warme mond

Zet de wekker
van mijn jeugd op 12 uur

Wij zijn de klap in het gezicht
van de nacht
die van schrik zijn sterren
op feestverlichting laat staan

Morgen schuiven we
de rij van het kreukvrije leven in

Achteraan


Prachtig! Ik geef mij gewonnen.

***
Anouk Smies (1975) publiceerde gedichten op Krakatau en de Contrabas en schreef poëzie en levensbeschouwelijke verhalen voor kinderen. Ze studeert Cultuurwetenschappen.