Poëzie Kort 2016 / 8

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeijffer, Duetten

Door Hans Puper

Wat doen we met die man die lacht in het publiek,
omdat hij elke dichter liefheeft als komiek
en poëzie beschouwt als heerlijk cabaret
dat ook nog eens bij vlagen aan het denken zet?

Deze verzuchting van Pfeijffer aan het begin van het vijfentwintigste duet laat precies zien wat er mis is aan de mailwisseling met zijn mededichter Erik Jan Harmens. Zij presenteren zich wel degelijk als cabaretiers en dringen de lezer de rol van buitenstaander op. En die buitenstaande moet genieten: het gaat immers om twee grote dichters. Hun brille wordt nog eens benadrukt in de verantwoording: ‘Ze hebben nooit enig overleg gevoerd. Zelfs over het plan om gezamenlijk iets te schrijven bestond geen overeenstemming, totdat het begon. De duetten ontstonden, in de vorm en volgorde zoals ze in dit boek zijn afgedrukt, strofe voor strofe, door middel van uitwisseling van e-mails zonder enig commentaar. Achteraf is niets herschreven.’ Samen doen ze denken aan een schizofrene Bilderdijk, die beweerde dat zijn verzen door God zelf kant en klaar werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met ganzenveer en papier. Achteraf bleek dat zijn manuscripten vol doorhalingen zaten, maar dat terzijde.

In een ver verleden kende ik leraren Nederlands die elkaar probeerden te overtreffen met ‘puntige kwatrijnen.’ Ze hadden dat afgekeken van de helderste ster in hun universum, Simon Vestdijk. Een enkele keer schreef een van hen een sonnet waaruit een onvervulbaar verlangen sprak naar een mooie, jonge collega of een femme fatale uit de examenklas die binnen enkele maanden uit hun blikveld zou verdwijnen. Hun gedichten zaten vol allusies op bewonderde Nederlandstalige dichters. In wezen doen Harmens en Pfeijffer hetzelfde als deze brave, plichtsgetrouwe onderwijsmannen. ‘[I]k ben een gelukszoeker in het diepst van mijn bananenrepubliek’, schrijft Harmens bijvoorbeeld en Pfeijffer zou Pfeijffer niet zijn als hij niet naar twee voorgangers tegelijk verwees: ‘Ik dans een rare negerdans uit Mozambique.’ (Je ziet hier eindrijm, maar dat is toeval. De regels komen uit verschillende duetten).
De ene leraar-dichter was beter dan de andere en dat is ook hier het geval. Hoe goed Harmens ook is, de souplesse en wendbaarheid van Pfeijffer liggen buiten zijn bereik. Pfeijffer schrijft paarsgewijs rijmende alexandrijnen die heel natuurlijk aandoen, iets wat wonderwel past bij deze vruchtbare gedachtewisseling tussen heren van stand. De gedichten van Harmens zijn vrijer van vorm, maar over het algemeen wat stroever en een enkele keer gezocht. Dat laatste geldt overigens niet voor zijn antwoord op de eerder geciteerde strofe:

ik ben wie hij ziet in zijn binnenspiegel
hij ruikt wat ik had op mijn brood
objects in mirror are closer than they appear
eerst lachte hij maar nu niet meer

De rol van bewonderende lezer bevalt mij niet. Misschien moeten ze zich toch maar weer richten op die man die lacht in het publiek en de ‘leesclubdames in de zaal, / die als de poëzie gedaan is allemaal / een leuke foto met de dichters willen maken’. De mannen gaan weliswaar zwaar gebukt onder hun voorstellingen, maar lijden is goed voor de poëzie en cabaret voor de portemonnee.

***
Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer (2016). Duetten. Lebowski, 80 blz. € 17,50

 
 

Patrick Conrad, De Cadillac van Mallarmé

Door Lennert Ras

De Cadillac van Mallarmé bestaat uit collages van Conrad (schrijver, plastisch kunstenaar en filmmaker), die een ode zijn aan Conrads surrealistische en dadaïstische voorgangers. Het zijn prikkelende tot de verbeelding sprekende afbeeldingen. Bij de collages schreef hij gedichten, die daarnaast zijn afgedrukt. Seksualiteit en schoonheid spelen een grote rol in de bundel. Mannen hangen zich in groten getale op als zij worden afgewezen door een prachtige vrouw. (p. 21). De vrouw van lichtekooi tot kuise dame en woekerplant, die zich aan haar dankbare slachtoffer vastzuigt (p.49). Maar niet alleen de vrouwelijke schoonheid komt voorbij, ook de mannelijke. De bundel zet aan het denken. Bijvoorbeeld vanwege de tegenstelling: ‘Na verloop van tijd hoopte niemand meer oud te worden, maar wilde niemand jong sterven’ (p.9). De bundel staat vol met verwijzingen naar de kunstwereld, maar ook naar bijvoorbeeld de muziek- en filmwereld, hetgeen de indruk geeft dat de schrijver zeer belezen is. Verbittering komt voorbij en onbeantwoorde liefde. Vooral de combinatie van de absurdistische afbeeldingen met de uit het leven gegrepen thematiek in de verzen laten je na het lezen achter met een zoete verwarring, die ergens toch wel aangenaam is.

***
Patrick Conrad (2016). De Cadillac van Mallarmé. Uitgeverij Vrijdag, 65 blz. €22,50

 

 
Anouk Smies, Wie heeft een middelpunt nodig

Door Hans Puper

De gedichten van Anouk Smies zijn tegelijkertijd open en moeilijk toegankelijk. Maar hoe weinig grip je ook krijgt, je leest toch door. Haar taalgebruik is helder, haar beeldspraak prikkelend: ‘De gevoelswereld / is een peertje, flame, 40 watt / De rauwe adem / van de wereld plukt lukraak / aan zijn perzikzak’. Regels maken nieuwsgierig: ‘Soms verlang je het ergste / om het één na ergste dood te slaan’, soms moet je erom lachen: ‘Pijn die gezellig is gemaakt / noemt men kunst’ (Let op dat ‘men’: het niet de dichter die dat vindt) of: ‘Er is een compromis / dat ik door zou willen drukken’.
Je komt niet verder dan vermoedens over een wereld achter de gedichten. Dat is geen tekortkoming, integendeel: ze zet je verbeelding aan het werk. Neem een gedicht als ‘Houdini’, de legendarische boeienkoning:

Toen ik alle opties voor
originaliteit had uitgeput
kwam het geniale idee
in me op
dat alles wat fonkelde aan jou
sleets was en verlopen

Dat ik aan je lippen hing
die nooit mijn naam genoten
Je excuses aanlijmbaar waren
als osmose

Waarmee je me het sterkste
aan je navel verbond
ondanks wat je niet beloofde
was je fameuze onderwater-truc

waarin je deed of ik niet bestond
En ik je geloofde

Waar gaat dit over? Over een dochter die zich door haar moeder verwaarloosd voelt, de meest uiteenlopende verklaringen heeft gezocht voor haar gedrag en nu inziet hoe het werkelijk zit? Dat het (schijnbaar) losmaken van banden de meest geraffineerde manier is om een kind aan je te binden? Mogelijk. Die ‘je’ kan ook een geliefde zijn: dat beeld voor de hechte verbinding, de navel, kun je ruimer nemen. Maar kan het gedicht ook gaan over de relatie van de dichter met haar poëzie? In dat geval heeft ze gepoogd op de meest originele manieren haar vorm te vinden, maar achteraf ingezien dat ze zich toch slechts op platgetreden paden heeft begeven. Iets eigens hadden de gedichten kennelijk niet. En die ‘fameuze onderwater-truc’ waarin de dichter wordt ontkend en daarin gelooft: is dat een verwijzing naar hermetische poëzie waarachter de dichter verdwijnt?
Ik weet het niet. Dit gedicht is zelf een Houdini, want het weet zich voortdurend uit je greep te bevrijden.

Ik kwam bij de herlezing van ‘Houdini’ op de relatie dichter – poëzie omdat Smies in verschillende gedichten woorden laat terugkomen die ze in verband lijkt te brengen met dichten: ‘reuk’, ‘neus’, ‘(be)tasten’, ‘navel’, ‘gezicht’, ‘strottenhoofd’. Een voorbeeld:

‘Zo schuif ik dagelijks
dia’s ineen
tot ik een houdpaar uitzicht zie
dat ik palpeer en doorklief

Uit de trilling die ontstaat
restaureer ik een vorm
die wel iets van een gezicht wegheeft’

(Uit: ‘Opties’)

Anouk Smies verdient meer bekendheid.

***
Anouk Smies (2016). Wie heeft een middelpunt nodig. Uitgeverij Opwenteling, 64 blz. €14,50

 


Daniël Dee, Mond vol demonen

Door Hans Puper

Wie zo’n tachtig pagina’s wil vullen met humoristische gedichten, moet van goeden huize komen. Daniël Dee probeert het met gedichten over seks, drank en rock & roll, met als overkoepelend thema het lijden aan het leven. Ik wijs dat niet af, dat gevoel is ook mij niet vreemd. Ik heb een ander bezwaar. Of de gedichten zijn gebaseerd op een ruig leven of dat het zich voornamelijk afspeelt in de verbeelding, maakt mij niet uit. Het gaat om de overtuigingskracht die uit de gedichten spreekt, de suggestie dat zelfspot en humor middelen zijn om het leven leefbaar te houden en daar ontbreekt het in de meeste gedichten aan. Er lijkt dan een man aan het woord te zijn die de bink uithangt met stoere en lollige uitspraken: ‘[I]k kom graag op de zolder waar die cactus staat / ik kan er lekker werken of aan de kleine generaal snokken op internetporno / – dat is vast zielig, maar dan is iedereen zielig / dan moet je maar vaker met mij –‘. (Uit: ‘Een prettig gesprek’). En wat te denken van de geinige verwijzingen en woordspelingen in ‘hitchhiker met Hitchcock-suspense? ‘[T]achtig dagen jouw lichaam rond / in en uit in en uit van voor naar achteren / happend naar lucht hompen hoppend viel Spass / op de toppen van jouw twin towers tweelingbergen / jodelend komen ein Tiroler Bursche ( … ) en we gaan nog niet naar huis / nog lange niet / nog lange niet’.
Een enkel gedicht geloofwaardiger, omdat niet ondanks, maar juist door de humor de wanhoop voelbaar is. De eerste drie strofen van ‘Die middag opgesloten op het hoge balkon’:

‘de deur viel dicht en in het slot
natuurlijk was het guur
de dwanggedachte te springen
maar niet willen springen
hoeveel ingewanden zullen er dan niet op de tegels tot moes slaan

overwegen om een ruit in te tikken
maar die niet intikken
want dan zouden de mensen kunnen zien dat ik in paniek ben
wat is daar erg aan?
ik ben in paniek
ik ben altijd in paniek
behalve als ik drink

de katers verergeren de paniek
gewoon doorheen drinken

In contrast met dit alles staat het gezinsleven. ‘Na het bezoek aan mijn behandelend arts’ is een romantisch ‘als-ik-sterf-gaat-aan-mij-niets-verloren’-gedicht. De laatste regels ogen heel serieus: ‘onvervangbaar is alleen mijn vermogen tot het liefhebben van mijn vrouw / samen met mijn vermogen tot het liefhebben van mijn kinderen.’ Deze regels durft hij echter niet zonder ironisch commentaar te presenteren, al zijn ze ongetwijfeld zeer gemeend. Collega-dichters zouden hem op de sentimentaliteit ervan hebben gewezen, maar: ‘uit pure koppigheid laat ik die regels toch staan – lekker puh’.

Ik hoop dat Dee in zijn volgende bundels meer diepte en durf toont. Zijn gedichten zullen daar beter van worden.

***
Daniël Dee (2016). Mond vol demonen. Uitgeverij Passage, 89 blz. € 19,90

 

 

 

 

Poëzie Kort 2016 / 7

Frederik Lucien De Laere, In uiterste staat

Door Lennert Ras

In uiterste staat is een bombastische bundel met grote woorden, en een christelijk sausje – er wordt nog naar Maria Magdalena verwezen –. Ook de holocaust speelt een rol. De bundel is een beetje bitsig. Het grote aantal vreemde woorden, vooral Engels, die als een duveltje uit een doosje op poppen en de technocratische termen in de bundel wekken bij mij irritatie op.

Veel regels zijn liefdeloos. Zoals in het gedicht ‘Stunten’: ‘met het innerlijk van een robot.’ En ik lees ook in ‘Blues’: ‘Er is een tot bloedens toe getokkel / en een intonatie van pijn / bij gratie van het verheerlijkt verleden.’ Ik kan me er weinig bij voorstellen.

Er is wel een enkele aardige vondst in de bundel. Zoals in ‘Bloeddorst’: ‘Zelfs al zijn we lief, / we blijven haaien.’ En ook de regel ‘het ontmenselijkt residu’ spreekt nog wel tot de verbeelding. Maar als er dan weer in het volgende gedicht gesproken wordt van ‘de nucleaire capaciteit’, dan doet dat weinig poëtisch en wat ambtelijk aan.

De bundel eindigt met het bijna vier pagina’s lange gedicht ‘De code’, waarin een enorme cadans van de herhaling zit. ‘Ik ben je slaaf, ik ben je werker.’ Het gaat om een Joodse uitspraak en twee regels uit de lyrics van ‘Die Roboter’ van Kraftwerk. Het lijkt of de dichter met dit stijlmiddel van de herhaling de bundel nog leven probeert in te blazen. Geen enkel gedicht spreekt mij eigenlijk aan. Misschien dat ‘met het innerlijk van een robot’ de inhoud van de bundel nog het best weergeeft. De bundel probeert aan groot drama te raken, maar raakt nergens. Misschien wil de dichter dat ook. Laten zien, hoe gevoelloos wij met groot drama omgaan. En dat is dan best treurig.

***

Frederik Lucien De Laere (2016). In uiterste staat. Uitgeverij Vrijdag, 54 blz. € 19,95

 

Irene Wiersma, Kraanstaren

Door Hans Puper

Kraanstaren is de tweede bundel van Irene Wiersma. Hij bestaat uit vijf afdelingen die voor zichzelf spreken: ‘Velen’, ‘Enkelen’, ‘Twee’, ‘Anderen’ en ‘Eén’.

Het merendeel van de gedichten is heel toegankelijk en herkenbaar. Zo herkenbaar, dat ze soms clichématig of weinig betekenisvol zijn: zo maakt iemand de zinnen van de gesprekspartner af en hoort daardoor niet wat zij zegt; geliefden liggen lekker in bed tot de smartphone stoort als was het een indringer. Wiersma stijgt daar bovenuit als handelingen of gebeurtenissen uit het drukke hedendaagse leven van alle tijden blijken te zijn. Het gedicht ‘Drukte’ gaat over mensen die ‘met haastige stappen’ naar werk of afspraak snellen. Soms vertragen ze even om tussendoor te appen: sorry, vnvnd gaat niet lukken, / maar we zien elkaar zsm!’, maar dat komt er niet van: ‘het denken aan verdampt / tot voornemens uitwaaieren / over dagen, weken, maanden // en stilte de grenzen markeert.’

Het beste gedicht uit de bundel is ‘Mug’, waarvan een niet-uitgesproken dreiging uitgaat:

Tussen voorbijrazende treinen
vangt hij vanzelf een mug

die toen hij in de schemer sliep
zes rode bultjes op hem achterliet

’s ochtends, nog wazig van weinig slaap
opent hij met een elleboog balkondeuren

met uitzicht op blaffende honden
en een man die wild op zijn laptop tikt

en laat haar vrij.

Deze dreiging wordt nog versterkt door twee gedichten die een paar bladzijden verderop staan. ‘Machinist’ eindigt met de raak geformuleerde regels ‘meestal bestuurt hij een trein / maar soms botst hij plotseling / op iemands einde’; de schrijnende tweede en laatste strofe van ‘Machinist II’ luidt: ‘springers slapen op pillen door winters / en verschijnen in zomerse bermen / als alles op zijn mooist is / als alles oké lijkt.’

De kwaliteit van de gedichten wisselt en dat ligt vooral aan de inhoud: is die veelzeggend is of niet? Ik hoop dat Wiersma in een volgende bundel wat selectiever is.

***

Irene Wiersma (2016). Kraanstaren. Uitgeverij Passage, 53 blz. € 19.90

 

Emile Verhaeren, Dorpen van zinsbedrog

Door Hans Puper

Stefaan van den Bremt vertaalde Les villages illusoires van de Franstalige Vlaming Emile Verhaeren (1855 – 1916). In Nederland is hij niet zo bekend, in tegenstelling tot zijn tijdgenoot, geestverwant en Nobelprijswinnaar Maeterlinck. Dat is onterecht, want aan het eind van de negentiende eeuw was Verhaeren een internationaal bewonderd en invloedrijk symbolist. Hij beschouwde zich als Vlaming – wat je terugziet in zijn werk – ,ontwikkelde zich van symbolist tot humanitair expressionist en is in Nederland vooral bekend als Vlaams oorlogsdichter, die zich fel tegen de Duitse agressor keerde.

David Gullentops schreef een voorwoord. Les Villages illusoires verscheen in 1895, maar de vertaling betreft de derde, gewijzigde herdruk uit 1913. Hij legt uit wat Verhaeren heeft veranderd en waarom, maar het is jammer dat zijn betoog nogal wat voorkennis vereist, waardoor dat aan veel lezers ten dele voorbij zal gaan.
Lieven D’ hulst, hoogleraar vergelijkende en Franse letterkunde, schreef een interessant nawoord, waarin zij ingaat de op de vertaling van Stefaan van den Bremt, de keuzes waarvoor hij zich gesteld zag en welke consequenties die hebben. Zijn vertaling is over het algemeen bewonderingswaardig en creatief, al bevreemdde mij de anachronistische taal die hij een enkele keer gebruikt. Een voorbeeld, uit de eerste strofe van het gedicht ‘De schrijnwerker’: ‘Hij demonstreert met vaste hand / Hoe ‘s mensen ziel nauwlettend / En volgens vaste en wijze wetten / De wereld op de kaart kan zetten.’ [De cursivering is van mij]

In vijfentwintig gedichten van twee tot drie bladzijden beschrijft Verhaeren het dorpsleven op het Vlaamse platteland. De natuur is krachtiger dan de mens en zijn godsdienst. Als de bliksem inslaat in de kerktoren, vliegt deze in brand, de klokkenluider komt om, ‘En als de nok neerstort, valt ook het kruis / In de vuurgloed die het verwringt, / De armen breekt en ze verminkt.’ (‘De klokkenluider’). En aan sneeuw valt niets lieflijks te ontdekken, integendeel. In ‘De Sneeuw’ maken de herhalingen het desolate landschap zichtbaar; voelbaar in de personificaties is de dreiging. De eerste strofe:

Sneeuw dwarrelt neer, ononderbroken laadt
Een trage en lange en arme wol
Een doodse en lange en arme vlakte vol,
Van liefde koud, witheet van haat.

De meeste gedichten beschrijven een persoon. Het zijn symbolische prototypen: de veerman voert een ongelijke strijd met de dood, maar verliest niet de hoop zijn levensdoel te bereiken: als hij levenloos wordt gevonden heeft hij een riet tussen zijn tanden. De grafdelver verbeeldt de alomtegenwoordigheid van de dood en de suggestie wordt gewekt dat hij zelfmoord pleegt om een einde te maken aan zijn doodsangst: ‘Hij kan niet anders dan toedekken, onder aarde, / Zijn dood die, stuksgewijze, hij vergaarde’; in de duisternis van onrecht en onwetendheid beheerst de smid het vuur van een nieuwe wereld: ‘Er is geen godmens met de aardbol in zijn hand. ( … ) De tijd ontvliedt het rijk van schemer en van bloed; / Ontluikt een orde, edelmoedig, krachtig, goed, / Dan wordt zij op een dag de grond van het bestaan.’ Hierna volgt het laatste gedicht, ‘Brandende hooischelven’, en dat is niet toevallig: het dorp gaat ten onder en dat wordt gesymboliseerd door hooischelven die overal in de omgeving ontbranden. Er komt ruimte voor een ander leven.

Een bijzondere bundel. Ik zeg daarom nog maar eens dat het heel jammer is dat uitgeverij P geen informatie verstrekt. De website is nog steeds buiten werking en bij de bekende webshops vind je de bundel niet terug. Ik hoop dat boekhandelaren wel in staat zijn de benodigde gegevens te achterhalen.

***

Emile Verhaeren (2016). Dorpen van zinsbedrog. Vertaling Stefaan van den Bremt, voorwoord prof. dr. David Gullentops, nawoord Prof. dr Lieven D’hulst. Uitgeverij P, 80 blz. Prijs: onbekend.


Djordje Matić, Haarlem nocturne

Door Hans Puper

De Kroaat Djordje Matić woont sinds 1993 in Nederland. Haarlem Nocturne is zijn Nederlandstalige debuut; in 2013 verscheen in Kroatië zijn bundel Lingua franca.

Het is een bundel over ballingschap en Matić is dichter; het is daarom niet verwonderlijk dat hij die ontheemding vaak koppelt aan taal: ‘Ik heb niet meer dan één naam / ik heb meerdere versies ervan / honderd verschillende manieren waarop ze / – een naam als deze – onmogelijk / geschreven en gesproken hebben.’ Mooi is, dat hij het gevoel van ontheemding in de tweede strofe van dit gedicht niet direct beschrijft, maar via de worsteling van anderen met de uitspraak van zijn naam. Ik citeer de tweede strofe van ‘Ik heb niet meer dan één naam’ in zijn geheel:

Eerst, geïrriteerd en dreigend
aan de grenzen, in treinen en bussen
bij de politie, in gemeenten en op ambassades
ongeïnteresseerd, in postkantoren en banken
hoe ze gevochten hebben met de naam
die arme ambtenaren hier, en ik met hen.
Ze probeerden, ze worstelden ermee
benaderden het met sympathie.
Ze werden boos en sloten er vrede mee
ze voegden letters toe, trokken klanken af
verplaatsten de accenten, zochten de juiste intonatie
ze knepen hun ogen samen, fronsten
en hapten naar lucht voor ze langs de uitspraak roetsjten.

Dit is een gedicht uit de eerste afdeling, ‘Een ander geluid’. Je vindt daarin ook een treffend beeld van de vluchteling, voor wie de wereld nooit meer hetzelfde wordt – iets wat helaas van alle tijden is. In de noot bij ‘Swift departures’ staat dat ‘swift’ niet alleen het Engelse bijvoeglijk naamwoord ‘snel’ is, maar ook ‘gierzwaluw’. Een rake titel. Als gierzwaluwen hun nest verlaten, blijven ze anderhalf jaar in de lucht en als ze landen zijn hun poten zo vervormd dat ze nooit meer op vlakke grond kunnen staan: ‘Zo meten hun veranderde poten / precies hoeveel schever de wereld is geworden / sinds zij weggevlogen zijn’.

De kwaliteit van de gedichten uit de tweede afdeling, ‘Blauw’ is over het algemeen minder goed dan die uit de eerste. Ze zijn gegroepeerd rond jazzmusici als Miles Davis, Chet Baker en Thelonious Monk, die in zekere zin ook balling zijn. Zo beschrijft hij Ben Webster, die ‘letterlijk achter de geraniums’ zit, ‘zijn hand op het plastic tafelzeil ( … ) // Misschien was dit zijn straf uiteindelijk. / Als je hem zo ziet zitten / ergens in de Waalstraat / is het duidelijk: voor hem was ’t het einde’.

Je zou verwachten dat ritme in deze tweede afdeling een belangrijke rol speelt, maar dat is niet of nauwelijks het geval en een enkel gedicht kun je niet anders dan geforceerd noemen. In ‘De stad en die plek’ zien we de dichter als nieuweling in Amsterdam, die, ‘zoals altijd’, eerst naar de Dam gaat en vervolgens ‘per toeval’ in de hoerenbuurt terechtkomt. Dan volgt een tenenkrommende woordspeling die Matić ook nog eens heeft gecursiveerd: ‘Niets warms aan de Warmoesstraat’. Het is een helletocht: ‘Ineens aan het einde, links in deze duivelse rechthoek / verschijnt toch een opening. / We lopen ernaartoe met zware voeten / hijgend als na een nachtmerrie.’ Deze beelden zijn nodig om de gruwelijkheid van de plaats te benadrukken waar het in dit gedicht om gaat: daar waar Chet Baker uit het raam viel.

De bundel eindigt met het lange titelgedicht Haarlem Nocturne, een stad die ‘langduriger / stil verleidend / troostrijker is / dan de transparante hemel van het zuiden.’

Matić heeft met name in het eerste deel laten zien dat hij veel in zijn mars heeft. Een gedicht als ‘De stad en die plek’ moeten we daarom maar als een incidentele misser beschouwen.

 ***

Djordje Matić (2016). Haarlem Nocturne. In de Knipscheer, 54 blz. € 15,-

Recensie van Café Egidius - Paul Gellings

Op zoek naar de verloren tijd

Paul Gellings
Café Egidius
Uitgever: Passage
2016
ISBN 9789054523055
€ 19,95
66 blz.

Paul Gellings nodigt ons in zijn nieuwste bundel Café Egidius uit stil te staan bij wat hij in het verleden achter zich heeft gelaten. In de titel van zijn bundel verwijst hij naar het bekendste middeleeuwse lied uit onze literatuurgeschiedenis, ‘Egidius waer bestu bleven’. Daarin beschrijft de dichter zijn verdriet over de dood van zijn vriend en betreurt hij zijn eigen lot. Dit verlies heeft Gellings ertoe gebracht in deze nieuwe bundel op zoek te gaan naar zijn verloren tijd.

Te midden van een grote verscheidenheid aan dichters en aan opvattingen over poëzie in onze tijd ziet Gellings zich graag getypeerd als een romanticus. In zijn bundel laat zich dat aflezen aan vorm en inhoud van zijn gedichten. Hij is traditioneel in zijn vormgeving en werkt dikwijls in drie- of vierregelige strofen. Zo nu en dan duikt de sonnetvorm op en past hij rijmschema’s in zijn verzen toe. Daarin is hij niet altijd even consequent. Opvallend is verder dat hij nauwelijks gebruik wenst te maken van leestekens. Dat laatste refereert aan een inzicht dat wijst op een vertrouwen in de autonome werking van de taal en in de rol van de lezer. Het ontbreken van leestekens zet de lezer ertoe aan de gedichten zelf telkens weer op zijn tijd en wijze te volbrengen. Toch blijkt voor Gellings de behoefte aan vormvastheid een voorwaarde te zijn om greep te krijgen en te houden op wat zich in zijn verbeelding afspeelt. Inhoudelijk is voor veel van zijn gedichten een eerste aanleiding afkomstig uit de werkelijkheid die buiten zijn verbeeldingswereld ligt. Zijn gedichten zijn verhalend van karakter en openen nogal eens met een Natureingang. Het waarnemend ik reikt naar wat er in de werkelijkheid is geweest, en voert ons terug naar een verborgen (droom)wereld waarin het allemaal begon, naar een wereld die misschien toch nog niet helemaal verdwenen is. Hij is bedacht op ‘goudomrande momenten’ waarin de tijd lijkt stil te staan.

De eerste afdeling van deze bundel ‘Nieuwe beelden’ bestaat grotendeels uit gelegenheidsgedichten. Ze bestrijken uiteenlopende onderwerpen: van een gedicht over het beeld van Anne Frank tot de Romeinse stad Nîmes, en van een gedicht over het overlijden van een vriend tot de stad Efeze. Persoonlijke verbintenissen en actuele ervaringen liggen eraan ten grondslag.
Vanwege dit sterke gelegenheidskarakter zouden we bij eerste lezing de indruk kunnen krijgen dat deze bundel een reeks toevallig bij elkaar gebrachte gedichten bevat die onderling nauwelijks enige samenhang vertonen. Bij nader inzien zijn ze thematisch wel degelijk in overeenstemming met elkaar. In tal van gedichten blijkt de ik ‘op zoek te zijn naar samenhang’ en naar ‘waar altijd iets als een ander leven/ in verborgen kamers lijkt te wachten//’. Noties als jaren die verdwenen in de mist, het heroveren van wat verdwenen is, het achterhalen van een vermoeden, het goed aankomen in het verleden en het op zoek gaan naar waar alles ooit begon, het verlangen naar een verloren gewaande wereld en het gemis ervan geven aan deze gedichten inhoudelijk een sterke en actuele samenhang. Dat maakt dat deze poëzie doortrokken is van een heimwee naar wat er ooit was en/of er niet gekomen is, en er ook niet meer zal zijn, en daarom voor altijd onbereikbaar zal blijven. Zoals ‘een andere lichtval/ […] tot een ander moment [leidt]//’, zo laat wat er achter ons ligt zich niet op een eendere wijze achterhalen. Zo blijft de oorsprong van onze ervaringen, gewaarwordingen en gevoelens voor ons in raadselen gehuld. In die zin is de poëzie van Gellings onmiskenbaar aangeraakt door de poëzie uit de negentiende-eeuwse Romantiek. Die poëzie kenmerkt zich door een individueel metafysisch en historisch besef, doortrokken van een verbeeldingskracht die ruimte biedt aan een hang naar melancholie en nostalgie, soms ook nog aangevuld met een lichte neiging tot opstandigheid tegenover de tijdgeest waarin het jachtige hier en nu domineert. In het gedicht ‘Efeze’ brengt de ik dat romantisch besef onder woorden:

…………: zijn jullie goed
aangekomen in het verleden

ben zelf ook alweer onderweg
naar waar ik vandaan kwam

Het is tegen deze achtergrond dan ook niet verwonderlijk dat Gellings in deze bundel als tweede afdeling een reeks vertalingen van klassieke romantici en symbolisten uit de Angelsaksische, Franse en Duitse literatuur heeft opgenomen, merendeels uit de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Zij dragen in hun poëzie eenzelfde verlangen naar een verloren tijd uit.
De gedichten van Gellings laten een aantal kernnoties zien die het romantisch patin van deze dichter aantonen. Er spelen zich in deze gedichten heel wat droomervaringen af in het hoofd van het waarnemend ik. Het ‘zien van beelden’, het ‘verlangen naar eerder ervaren beelden’, het ‘dromen over het leven dat nog moet beginnen’, ‘het herinneren van wat geweest is’, het ‘laten wiegen in de droom’, het ‘verlangen terug te keren naar Eden, naar zijn geboorte’, ‘het dromen van wat je er nooit eerder zag’, en vooral ‘het beleven wat je ooit is beloofd’ zijn noties die gestalte geven aan de verloren tijd en het ‘onbeschrijflijk ver paradijs’. Dat alles komt onder herfstige omstandigheden in beeld als vertrekpunt voor zijn innerlijke observaties. Verbeelding en werkelijkheid strijden niet alleen om de voorrang, maar vullen elkaar ook dikwijls noodzakelijkerwijs aan. Er is ook een intens verlangen om de tijd te ontvluchten. Daarbij past het besef van de ik dat er veel buiten hem om voorbijgaat. Op al die momenten dat de droom de werkelijkheid doorschiet, is er tevens het besef van het onbegrijpelijke leven en tegelijkertijd de wens het te doorgronden. Dit alles weerhoudt hem er niet van deze paradoxale ervaring door te geven aan de wereld.
In het gedicht ‘Septembernacht’ komen veel aspecten van deze melancholieke poëzie samen.

Septembernacht

De tuin vereenzaamt langzaam in de avond
de zomerstoelen vallen stil
in het schijnsel van de buitenlamp
op het terras vervloeien onze silhouetten

dwars door je spiegelbeeld in het achterraam
staar je in die donkergroene kamer buiten
waar plotseling gordijnen openzwaaien
en een vallei zich plooit tot aan de kim

hellingen als biezen matten, oogst van
liefdesavonturen, dikke boeken waarin
de tijd wordt omgedraaid of afgeschaft

dan verft maanlicht alles blauw als krijt
degenen die wij waren zijn vertrokken
degenen die wij waren zijn wij kwijt

De atmosfeer van de herfst is favoriet in deze bundel. De duisternis valt in dit gedicht over de tuin en het terras. De spiegeling van de ‘je’ in de ruit roept een parallelle verbeeldingswereld in de waarnemende ik op. In het spiegelbeeld is tevens zichtbaar het decor van ‘die donkergroene kamer buiten’, waarin de ‘wij’ de figuranten zijn. De openzwaaiende gordijnen verruimen het perspectief op een verloren tijd: ‘degenen die wij waren zijn vertrokken/ degenen die wij waren zijn wij kwijt//’. Hoe melancholiek wil je het nog hebben in deze tijd!? Gellings heeft met Café Egidius een melancholieke, beeldrijke en doordachte bundel gecomponeerd.

***

Paul Gellings (1953) publiceert met Café Egidius (2016) zijn vijfde poëziebundel. Naast dichter is Gellings ook vertaler van Engelse, Franse en Duitse literatuur. Hij is in 1999 gepromoveerd op een studie over de Franse romanschrijver Patrick Modiano. Daarnaast geeft hij poëzie- en schrijfcursussen voor kinderen en volwassenen. In het dagelijkse leven is hij docent Franse taal- en letterkunde.

Poëzie Kort 2016 / 6

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.), Ik proef iets wat bedorven is.

Door Hans Puper

De samenstellers van de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is willen laten zien dat het een misverstand is hekeldichten uitsluitend als light verse te beschouwen, want ze kunnen ook ‘groots, ernstig en complex’ zijn. En dat is natuurlijk niet hetzelfde als nobel: ze kunnen tegelijkertijd vals, leugenachtig, incorrect of ronduit smerig zijn. Het dieptepunt wordt gevormd door een weerzinwekkend anti-semitisch gedicht van de nazi Georg Kettmann uit 1941. De samenstellers motiveren die keuze door te stellen dat, als je volledig wilt zijn, een ethisch oordeel geen bruikbaar criterium is voor de selectie van hekeldichten. Ik ben dat met hen eens. De ethiek komt door de achterdeur echter weer binnen, doordat zij één zo’n voorbeeld genoeg vonden en dat waardeer ik. Alle andere opgenomen gedichten, hoe vals of leugenachtig ze soms ook zijn en hoeveel ergernis ze ook kunnen opwekken, blijven binnen de grenzen van het voorstelbare.

De samenstellers blijken de definitie van hekeldichten erg ruim te nemen en daardoor houden zij de misvatting van light verse ten dele in stand . Een voorbeeld is het gedicht ‘Raad’ van Annie M. G. Schmidt over het advies van een moeder geen dichter als man te nemen: ‘zo een wordt er ook met de jaren / niet monogamer op …’ . ( … ) ‘Neem liever de kruidenier, dochter. / Want alle tederheid die bij hem / uitstijgt boven de kersenjam / en boven de kleine zakjes blauw, / dochter, is altijd voor jou’. Ik kan dat met de beste wil ter wereld geen hekeldicht noemen, hoe geweldig ik het ook vind. ‘De’ kruidenier in plaats van ‘een’. Prachtig.

Een echt hekeldicht komt voort uit heftige verontwaardiging, woede, haat of minachting, soms zelfs alle vier tegelijk. Jan Greshoff schreef in al in 1932 het ‘Wiegeliedje’ over de nazidreiging. De eerste strofe:

Kleine S.A.-man, slaap zacht,
Hitler houdt immers de wacht;
Voor hém heb je pas in het holst van den nacht
Een zoodje marxistische joden geslacht:
Kleine S.A. – man, ’t gaat goed,
Geen betere meststof dan bloed.

Het zou me niet verbazen als dit gedicht, waarin iedere strofe begint met dezelfde regel, ten grondslag ligt aan de tekst van ‘Welterusten Meneer de president’ van Boudewijn de Groot.

Het is niet verwonderlijk dat het aantal hekeldichten toeneemt naarmate we dichter bij onze tijd komen: we hoeven maar aan de scheldpartijen op Facebook te denken – over kwaliteitsverschillen heb ik het hier natuurlijk niet.

De gedichten zijn ondergebracht in afdelingen. De meest venijnige vind je in ‘Tegen poëzie en de literaire wereld’ en ‘Tegen dichter X’. Je krijgt een beeld van collega’s die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en als verschijnsel is dat boeiend om te lezen. Afgunst neem soms zulke kleinzielige vormen aan, dat een hekeldichter zichzelf effectief de grond in boort. Neem Jan Kal, die jaloers was op H.C. ten Berge, omdat deze kennelijk meer subsidie kreeg dan hijzelf – het gedicht stamt uit 1997. ‘Hij zat op 38 000 gulden, / Ik op een twaalfde: 3200.’ Dat kwam natuurlijk doordat de geldgevers snobisten waren, anders hadden ze hem wel ruimer bedeeld. De laatste strofe van onze caberateske sonnettenbakker: ‘Ik ben geen epigoon van Ezra Pound / maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound. / En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.’ Jan Calimero.

Een aantal dichters reageert op hekeldichten van anderen. Je kunt ook zelf gedichten met elkaar in verband brengen. Zo zegt Marc Tritsmans in een hekeldicht tegen de dood dat die ‘hebberig naar alle / lijven graait en vergeet waar / het echt om draait’. Het lijf is slechts overbodige ballast. In de laatste strofe zegt de dichter: ‘Povere / mislukkeling: precies hetgeen je / hebben wilt ontsnapt je elke keer.’ Dat gedicht zou je kunnen laten volgen door eentje van Leopold uit een andere afdeling. Hij onderscheidt twee soorten mensen: ‘intelligente mensen zonder vroomheid / en vrome mensen zonder intellect.’

***

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.) (2016). Ik proef iets wat bedorven is. Uitgeverij Passage, De doos van passage, 109 blz. € 19,90


Jan Fabre,
Restanten

Door Lennert Ras

Jan Fabre exposeerde onder andere in het Louvre in Parijs en is bekend om zijn performances en theaterwerk.

Restanten is een ode aan de droom, meer in het bijzonder de nachtmerrie. De droomwereld is misschien te verkiezen boven de dagelijkse wakende staat, ‘omdat ik de droomreizen in mijn droomwereld / veel spannender en plezieriger vind / dan de harde realiteit / (van een theatervoorstelling).’ Fabre is een slechte slaper.

In de bundel maakt hij gebruik van de herhaling en ook speelt hij met spreekwoorden en gezegdes. Hij schuwt de seksualiteit niet en het Oedipuscomplex komt voorbij. ‘Zoals elke zoon zijn moeder penetreert / in zijn kwellende maar vanzelfsprekende droom.’ In zijn droom grijpt de verteller zijn prooi.

Op de achterkant van de bundel staat een gedicht uit de bundel afgedrukt: ‘onthoofd me / zodat ik kan slapen / eeuwig / want ik heb veel minder angst / voor de dood / dan voor het altijd wakker zijn.’

De bundel heeft een spirituele inslag. De droom is geschreven in een vergeten taal en brengt ons bij de belangrijkste bron van wijsheid. Het is een dromerige bundel, maar ook hard. De droom spaart je niet. Ze beschrijft Fabres worsteling met de slaap.

De bundel werd geschreven met het oog op Mount Olympus, een ambitieus project waarin dertig jaar theater maken samenkomt. Mount Olympus brengt een brok geschiedenis aan de hand van verhalen en figuren uit de Griekse tragedies. Toch lijkt de Griekse oudheid geen overheersende rol te spelen in de bundel. Alhoewel de verteller het wel heeft over zijn favoriete Griekse componist. Voor mij refereert de inhoud van de bundel eerder aan de indianen met hun dromenvangers.

De bundel heeft soms een filosofische ondertoon. Want wanneer leef je nu echt? Tijdens het waken of tijdens de droom? De bundel schudt wakker, zet aan het denken en doet verlangen naar de belevingen in de remslaap.

***

Jan Fabre (2016). Restanten. De Bezige Bij, 96 blz. € 18,90

Anja Jager en Margreet Schouwenaar, Warm van vacht

Door Hans Puper

Warm van vacht bestaat uit een serie van dertien miniaturen van Anja Jager en de gedichten die Margreet Schouwenaar daarbij heeft gemaakt.
In het colofon staat dat Jager een middeleeuwse schildertechniek heeft gebruikt, ei tempera. Ze doen dan ook denken aan de verbazingwekkend rijke kunstwerkjes in 13-eeuwse handschriften, bijvoorbeeld de Arthurromans. Die zijn echter zeer ingetogen, in tegenstelling tot deze miniaturen: die zinderen van erotiek door de niets verhullende kleding en de vorm van bladeren. Het contrast met onschuldige poppen of beertjes onderstreept die erotiek nog. Een overeenkomsten met de middeleeuwse hoofse miniaturen is de sprookjesachtige sfeer.
De bundel is een ode aan de liefde: ‘als spel, als jagen, als dromen en verboden vrucht’. En liefde is natuurlijk geen liefde zonder verdriet. In ‘Mijn lief is mijn lief niet meer’ leidt dat niet tot passiviteit: ‘Ik zal hem nooit meer vinden / dan waar hij zich naliet, maar meer zal ik / worden dan zijn ontbreken.’ Mooie regels.

In ‘Liefste zei hij’ speelt Schouwenaar een elegant spel met taal en werkelijkheid. Er is de beschreven werkelijkheid en er is de talige van het gedicht. De ‘ik’ stelt zich een beeld voor: het eerste woord op een onbeschreven blad van de liefde te zijn. Haar liefde wordt werkelijkheid: ‘Liefste’ zei hij, ‘liefste!’ En ik was het.’ In de talige is werkelijkheid is ‘Liefste’ ook in concreto het eerste woord.
Mooi is ook de paradox in de derde strofe: ‘pluk [de liefde] met geen / woord. Laat haar vallen als fruit.’ Maar het woord – dit gedicht – brengt de liefde wel degelijk tot leven.

‘Liefste’, zei hij. ‘Liefste.’
En ik wilde de liefste zijn
als een eerste woord
op een wit blad, als
milde regen na een droge
dag. ‘Liefste’, zei hij,
‘liefste!’ En ik was het.

Ik was de kom van handen
waaruit water liep, de muziek
van wilde wind en mals blad.

Maar van woorden was ik niet.
Ik aarzelde zelfs om te spreken.
Spelen wilde ik en van het wikken
zocht ik de wegen.
Wek de liefde niet voor zij wil
ontwaken, pluk haar met geen
woord. Laat haar vallen als fruit,
vochtig door de lippen van de dauw.
Hoe ze zingt: voor jou, voor jou.
Alleen voor jou.

Ik doe beiden tekort door alleen een gedicht te citeren, want de gedichten en miniaturen geven elkaar glans. Koop de bundel, zou ik zeggen. Het zou mooi zijn als er een expositie werd georganiseerd waarin miniaturen en gedichten paarsgewijs werden opgehangen. En als ik conservator was, zou ik in de expositieruimte nooit meer dan dertien personen tegelijk binnen laten, zodat niemand wordt gestoord door hinderlijke mede-bewonderaars.

***

Anja Jager, miniaturen en Margreet Schouwenaar, poëzie (2015). Warm van Vacht. Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 34, 40 blz. € 18,95. (NB Op de titelpagina staat dat de bundel is uitgegeven in 2015, in het colofon wordt 2016 vermeld).

Dirk Kroon, Verzamelde liefdesgedichten

Door Hans Puper

De Verzamelde liefdesgedichten van Dirk Kroon (1946) beslaan een periode van vijftig jaar: 1965 – 2015. De bundel bestaat uit twee gedeelten: over liefde in het eerste deel van het leven en over liefde in het tweede. In het eerste tref je regels aan als ‘[wij] worden verslonden /door de vogelspin liefde’. In het tweede niet meer, dat is overwegend reflectief: de dichter kijkt terug, vraagt zich af wat liefde in de herfst van het leven betekent en welke rol de dood daarin speelt.

Kroon is het best als hij eenvoudig schrijft. (Voor de goede orde: dat is iets totaal anders dan simpel). Een gedicht waarin de ‘ik’ zich voorstelt dat hij tegen zijn geliefde blijft praten als zij dood zal zijn, is vertederend – of schrijnend, dat hangt af van de ervaringen van de lezer:

Afspraak

‘Als je dood bent,
blijf ik met je praten.
Niemand zal het horen,
maar ik zal vragen:
Vind je deze schoenen mooi,
of zal ik die andere nemen?
De verkoopster zal het paar inpakken
dat jij gekozen hebt.’

Het gaat niet altijd goed met de gedichten. ‘Wakker wordend kijkt ze zeer bestraffend / naar degene die haar durfde wekken, / een half oog kijkt verkennend op hem neer’ schrijft hij in ‘Straf’. Maar is het niet zo dat je klaarwakker moet zijn om bestraffend naar iemands gedrag te kijken? En kun je zowel bestraffend kijken als met een half oog op iemand neerkijken?
Bovendien maakt een gedicht soms de indruk het resultaat van moeizaam maakwerk te zijn, zoals ‘Osmose’. Achterberg zal hem op het idee hebben gebracht: hij schreef een gedicht met dezelfde titel. Voor het begrip van Kroons gedicht is het voldoende te weten dat het bij osmose om een dun vlies gaat dat wel een vloeistof doorlaat, maar niet de daarin opgeloste stoffen. De doorstroom duurt net zolang tot de concentraties van de opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk zijn. Hij gebruikt in de eerste strofe het volgende beeld: ‘De werkelijkheid is slechts een vlies / met eigenschappen die wij zelf / niet kunnen maken.’ Maar als de werkelijkheid wordt voorgesteld als ‘slechts een vlies’, dan valt al het andere daarbuiten. Dat beeld klopt niet. Waarschijnlijk bedoelt Kroon dat zo’n vlies voor de geliefden realiteit is.
In de tweede strofe beschrijft hij de richting waarin de vloeistof – liefde? – stroomt: ‘ik kom dan wel in jou terecht / maar jij vloeit nimmer in mij over.’ Het beeld is duidelijk, maar het heeft – bedoeld of onbedoeld – een seksuele connotatie en dat maakt het beeld bizar.

Het is een hachelijke onderneming om een bundel te vullen met zo’n 120 liefdesgedichten, want je moet van zeer goeden huize zijn om de lezer steeds opnieuw te raken. Het is Kroon niet gelukt, maar verwonderlijk is dat niet: het is voor weinigen weggelegd.

***

Dirk Kroon (2015). Verzamelde liefdesgedichten. – het is nooit volmaakt – . Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 35, 144 blz. €14,95

Recensie van Kelder - Kasper Peters

Vochtig universum

Kasper Peters
Kelder
Uitgever: Passage
2013
ISBN 9789054522775
€ 14,90
34 blz.

‘Iets dat onvervangbaar is qua uitdrukking moet lange tijd kelder gehad hebben in het onderbewustzijn.’ Deze uitspraak van Marcel Obiak kwam ik tegen in een artikel van poëziekenner Remco Ekkers, ook te vinden op zijn weblog.
Het citaat bleef bij me hangen, omdat het volgens mij veel zegt over diepgang in gedichten. Logisch dat ik hieraan moest denken bij het ontvangen van de bundel Kelder van Kasper Peters. Zou de bundel over diepgang gaan, zou hij diepgang hebben?
Nu ik de bundel gelezen heb, moet ik in ieder geval de eerste vraag ontkennend beantwoorden, over de tweede vraag denk ik nog na. De bundel heet Kelder omdat het leeuwendeel van de gedichten zich in een kelder afspeelt. Zo eenvoudig zit het. Wat niet wil zeggen dat het oninteressante gedichten zijn. De kelder is hier een vochtig universum waarin voedsel en huisraad zijn opgeslagen. Omgekeerd is het universum een kelder, misschien wel de enige plek om te overleven. In de kelder staat een kast:

Kast

Welke verdieping van de kast is droog?
Waar kan het bed en waar de blikken soep?
Muziek gist onder de dop van de brandewijn

Verzamel kranten
om niets te vergeten.
Een lijst met namen
een kaart voor wie ik waar wil vinden.

Kleur laat ik boven
ze veranderen niet, ze groeien.

Welke verdieping van de kast is droog?

De kleren en het nieuws zonder schimmel.
De plastic hoes en de houdbaarheidsdatum vervallen.

Waar moeten de dieren en waar moet ik staan?
Welke verdieping van de kast
is groot genoeg voor een tent?
Waar liggen de dieren?

Ogenschijnlijk gaat het allemaal heel letterlijk over een lekkende kelder en hoe de spullen erin droog te houden. In de laatste strofe blijkt er meer ruimte nodig dan een doorsnee kelder te bieden heeft. ‘Waar liggen de dieren?’ is een verwijzing naar de zondvloed en de ark van Noach. Het beeld van de natte kelder komt in een aantal gedichten terug, niet in alle. Er worden ook andere, drogere ruimtes beschreven. Ik ervaar het als de ‘binnenwereld’ van de dichter, waar de buitenwereld nauwelijks binnendringt. Daaraan lijkt de ‘ik’ ook nauwelijks behoefte te hebben.

De crisis waait, het publiek roept
buiten om de uitverkoop.
Ik ben lui en koester de leegte.

(Fragment uit’ Meten’)

Deze gedachte vind ik, verder uitgewerkt, terug in een van de laatste gedichten van de bundel, ‘Krimp.’

Krimp

De middag een ontmoeting
langs verdwaalde wegen.

Dat ze steeds smaller werden
de muren over ons heen
bogen en het licht uit de ramen 
kwam. Zoektocht
naar de randen van onze stad.

Vrienden zagen ons
krimpen en wij zagen
de bomen groeien.
Het blad een paraplu.
De kat het ongetemde paard.

Een route is een weg over modder.
Wij zitten hier in onze balzaal
paniek steeds aan onze voeten.

Een kelder is een stad
met weinig straten
We zijn gelukkig zonder groei
alles heeft zijn plek.

Ook hier wordt de ruimte met de gekrompen mensen erin letterlijk en concreet weergegeven. De ‘ik’ is hier ‘wij’ geworden en ‘wij’ vinden het allemaal wel best zo. Tegelijk wordt door de meerduidigheid van ‘krimp’ en ‘groei’ subtiel verwezen naar de crisis in de wereldeconomie. Knap gedaan. En ik ben meteen uit het antwoord op mijn tweede vraag: de bundel Kelder heeft meer diepgang dan je op het eerste gezicht zou denken. Dat vind ik de betere poëzie: geen mooischrijverij, maar heldere taal met een onderliggende belevingswereld. 

***
Kasper Peters (1973) is naast dichter ook prozaschrijver, dramaturg en toneelspeler en treedt op als podiumdichter. Hij debuteerde in 2004 met Hellevaartsdagen en in 2009 verscheen Kanaalkoorts. Hij geeft poëzielessen op scholen en werkt  in De Mesdagkliniek in Groningen al langere tijd met gevangenen.
Kelder werd door Passage mooi uitgegeven in cahiersteek; de bundel werd geïllustreerd door Sam Peters.