Gedichten

door Koos Hagen (1939)
Koos Hagen was docent Frans in Amsterdam, schrijft verhalen en vooral gedichten, was stadsdichter van Amstelveen (2010-2013) en werkt graag samen met muzikanten en andere dichters. De bron van zijn werk is gelegen in onophoudelijke verbazing over het minuscule, het grootse en het oneindig gevarieerde menselijk gedrag. Hij is niet vies van engagement, wel van cynisme.
 
Dode zielen

Hooggeleerde bracht het nieuws
dat via voorpagina’s en weekendbijlagen
ten slotte belandde in talkshows
geen houden aan binnen drie maanden
had op gezag van de wetenschap
de randstadelite de ziel afgeschaft

ik wist niet wat mij te doen stond
waar kon ik de mijne verbergen
ik zou ermee voor gek lopen
bij een officiële gelegenheid
binnenkort ook onder vrienden
waar kon ik me dan nog vertonen

gelach in de tuin bij de barbecue
geen vuiltje aan de lucht tot buurman
begint over de almacht van het brein
hilariteit ontstaat om simpele geesten
valse sentimenten voorbije tijden

lang nadat iedereen is weggegaan
vind ik bij smeulend vuur mijzelf terug
en zie omhoog hoe zwijgend en meedogenloos
de sterren aan de hemel staan
Poëtica

Mijn lief is een vormvast gedicht
maar hoogst divers, met groot gemak
slijpt zij een puntdicht, danst zij een ballade
of hijst zich in een strak sonnet

ooit neigde zij naar het rondeel
maar nu mijdt zij herhaling en refrein
en het gehobbel van enjambementen
dan liever een bijtend kwatrijn   

haar tekst is op de man af, nooit
bezondigt zij zich aan quasi filosofietjes
of beeldtaal die leegte verhult

geen zouteloze woordenbrij, trefzeker
richten haar klanken, vorm en ritme zich
op eindrijm dat mijn liefste wens vervult
Lounge

Een golf vals blond valt binnen
wankelt op iets te hoge hakken
naar de bar om droge witte wijn
klikklak

Strakke pakjes dikke lippen
met een iets te schelle stem
commentaar op haar of hem
hakketak

Wat zie jij er fan tas tisch uit
vandaag, vertel hoe doe je dat
weet je dan niet mijn nieuwe liefde
drie maanden al en zo bijzonder

Ze lachen, strelen, stoten aan
met blossen op de wangen
spelen zij nog even vroeger
meisjes van zestig

Gedichten

door Laurens Ham (1985)

Langzaam terugkruipen. Op rupsbanden.
Langzaam je broek laten zakken en de wereld
een stok geven om mee te slaan.

Genietende ogen niet te vroeg sluiten. Krom je
vingers er maar omheen. Draai hoofd, draai been.
De meesten willen te vroeg los. Span je wil je.

In de bandensporen rust een lichaam
door dieren bepikt. Wil je soms niet groot worden,
wil je de kleine lijven het alleenrecht geven,

wil je de kabels niet knappen horen. Nu
de wereld doodstil ligt te wachten, zien we
de tank over het kleine wiegende lijf gaan, keer op keer.

we zijn besloten in glas
barentsz heft zijn handen
ogen vol smook
en een verandering in de lucht

de horizon verdraagt ons
al maanden zonder licht
vuursteen dooft en valt

we staan in rekken met aquaria opgesteld
rijen van twee
paradijsvissen drukken hun snuiten tegen de wand
onze ogen lopen vol

hier dondert een glaswand in elkaar

daar stroomt water de gretige kelen in

wij weten wat er speelde
omdat we geluisterd hebben

onze moeders voedden het vuur  
met hun verhalen over het eiland
waar alles van kunststof is
waar rondsnorrende bedienden het slavenwerk doen

ze hebben de laatste vruchten bereid
met hun verhalen over steden waarin ze dagenlang
waadden in de tomaten
over tobbes waarin ze rondstampten
het sap opgespat tot vlak onder de rand
de druivenvelletjes tussen de tenen

ze hebben getoond hoe hun handen
de zachte pluizen van de katoen misten

we keken met wijdopen ogen
de zwartplastic binnenkant van de tent kapot

Gedichten

door Eline Crols (1994), Margot Delaet (1999), Mattijs Deraedt (1993)
Dit voorjaar organiseerde Jeugd en Poëzie poëziewedstrijd SOET, voor jongeren van 6 tot en met 30 jaar. Een onderdeel van de prijs was publicatie in Meander van de drie hoogstgeplaatste gedichten in de leeftijdcategorieën 15 t/m 17 en 18+.

Margot De Laet  (1999)
1e prijs 15 tot 17 jaar

ze heette vrede

zal een hand op de rug
van zijn hand leggen en zeggen
“mag ik naast je komen liggen?”

ooit, moest ze fluisteren zoals bomen moeten fluisteren
en haar lippen die schuurden langs zijn oor, versplinterd
door de kou, waren blaadjes
die vielen in de herfst en hoe ze op de grond lagen,
dor al

maar eens zal ze schreeuwen
haar lippen, fris als een zonsopgang

zullen op zijn mond neerstrijken en viool spelen

*

Hannah Timmermans
2e prijs 15 tot 17 jaar

Ochtendgrijs

gordijnen filteren ochtendlicht
en ik zit opgekruld
wachtend tot bloemen groeien
uit mijn ruggengraat
van merg zijn dromen gemaakt

de muren drukken
tot ik niet meer is
en tegenwoordig niet nu was
ik maakte verleden tijd tot voertaal
van gebrokenen zoals mij

en wanneer de wereld
vergeten zal zijn
dat wij mensen
tekenden met woorden
zal ik hier nog steeds zitten
wetend hoe het was om lief te hebben

*

Eva Van de Putte
3e prijs 15 tot 17 jaar

Glazenstraatje

Daar waar de ramen geen gordijnen hebben
daar waar “ze” elkaar ontmoeten, maar “zij” nog veel meer afspraken had staan.
Daar waar men borsten, billen en lippen kon passen als kledij.
Waar hij langs de etalages liep,
op zoek naar het mooiste pak.
Hij die verlicht werd door de neonlampjes en steeds hengelend werd binnen gehaald,
al wist hij wel wie er echt in bokalen zat.
Het was de plaats waar nooit iemand iets na het kopen mee naar huis nam
De plaats waar de ramenwasser het vaakst kwam
en de vissen heel breekbaar waren

*

Eline Crols (1994)
1e prijs +18 jaar

Vloeibaar

Terwijl wij elkaar ingekapseld in heet badwater beloven dat
ons verschrompeld verlangen onder dit oppervlak
telkens opnieuw wordt geboren,
strandt langs de Vlaamse vloedlijn een walviswijfje.
Ze strekt zich uit als een fata morgana,
weerspiegelt hoe week wij zijn wanneer we vervellen
als kreeften
het oude schild achter ons laten.
Ze leerde het water haar nodig te hebben,
tast haar vel af op zoek naar de pijnplek
wild vlees op een dreunende wonde na de doortocht van de vishaak.
De rest van haar leven zal ze tegen het littekenweefsel aankijken.

Wanneer het tij keert, wordt zij opnieuw meegezogen
in een golvende herinnering. Olietankers aan de horizon,
hoe we zeeslag speelden aan de rand van het zwembad,
elkaar verloren bij het treffen van het vliegdekschip.
Nazomerochtend in Oostende.
We zochten parels in tapijtschelpen,
vergisten ons wanneer we in de ruis op ons hart de zee meenden te horen.
Bij valavond vonden we happende vissen langs de kustlijn.
Hun kloppende kieuwen in de tanende septemberzon
leerden ons kwetsbaar  zijn.
De mazen van het net slechts uitstelgedrag voor wat
onontkoombaar.

Op een dag zal ons hoofd niet meer boven water komen
na de vlinderslag.
Zullen we nog slechts halfslachtig spartelen bij het vollopen van de longen.
En van alles wat ophoudt
– de terugtocht van het water,
het opdrogen van de uitgelopen mascarawangen,
het hopen op een boze droom –
van al die dingen het rimpelen pas als laatste.

Wanneer de warmte uit ons trekt,
we kleur en spierspanning verliezen,
voorgoed verstijven in herinnering,
loopt de keukenwekker af in een huis
dat geurt naar schepsnoep en waterverf.
Schuift moeder de diepvrieslasagne op gretige kleuterborden.
Goede raad komt hier voorverpakt en in laagjes,
zoals moeder handdoek, zwempak en badmuts opstapelt in een rugzak.
Vanavond is er zwemles om alvast te leren drijven.

*

Mattijs Deraedt
2e prijs +18 jaar

de stad huilt elektronische tranen
die van haar straatlantaarns druipen
terwijl ik deze woorden vorm
letter voor letter, duimen op de toetsen
ze vindt zichzelf wel mooi, de stad
ze zou zich willen aanraken
haar satijnen nachtkleed
van haar schouders laten glijden
een gin tonic met kruidnagel
tussen de geparfumeerde vingers
zich opensperren voor het panoramische raam
van een penthouse en zich glinsterend wit
laten likken door de skyline
(ze zou zo graag nog eens zo genomen worden
dat het niet meer duidelijk is wie wie
of wat wat precies aan het nemen is)
de stad voelt woorden opborrelen
uit haar meest behaarde achterbuurt
ze probeert ze te vangen voor ze wegglippen
en door de smogrijke straten zweven
ver voorbij de handen van haar Somalische vuilnismannen
de stad voelt zich zo lyrisch
als een Coca-Colareclamebord
een tempel van vlees
een wild zwijn dat met zijn snuit in de modder wroet
op zoek naar koperen truffels
ze verbergt Aziatische geesten
in de ruiten van haar treinwagons
ze geurt naar amandel en lokt oude wollen vrouwtjes
de bus en vervolgens een steegje in
soms denkt ze terug aan de tijd waarin ze alles voor het eerst zag
hoe de stroom van autolichten ’s nachts aan de horizon verdween
alsof de wereld daar ophield
ze zou nog één keer een verzameling roze bloesems
willen zijn, ergens in april, achterin een boomgaard
een wasdraad met dampende kleren en veelkleurige spelden
ze zou nog één keer alleen willen zijn
en staren naar haar eigen witte bossen
achter vensters van licht
hoe dan een vrouw bijna onzichtbaar uit het raam klautert
zich gewichtloos van de regenpijp laat glijden
en door de straten dartelt alsof het nooit anders
maar de stad is nog steeds stad
ze geeft geen sleutels weg maar rolt
als een rivier van Leonard Cohen
ze laat de ronkende tongen van duizend kraanvogels
zich volledig over en uit woelen
de stad is het zoutwezen dat wriemelt tussen de kasseien
ze wil zich nog één keer verbazen
zich onherkenbaar terugvinden onder de lakens
met vol gekraste poten en diamanten ringen
ze wil geluiden horen, beelden zien, zinnen dicteren
die ze nooit dacht te dragen
zich verliezen in de opsomming
niet kauwen op lauwe flitsen
maar zichzelf de twaalf blauwe bancontactogen uitsteken
en zich leeg zingen als een karamellenwijf
in het romige licht van een jazzkroeg
maar ze blijft een raadsel
van alles wat je weet

*

Dorien Couton
3e prijs +18 jaar

Het waarom van Bingo

Doordeweekse dagen in het huis
met honderd ramen. Er is niemand hier

die het waarom van bingo weet. De franken rinkelen
in hun zakken en hun stemmen

kruipen de muren in. Ik luistervink de gangen door.
Voor haar kamer hou ik halt, vuur haar

vorig leven aan. Het moet,
we delen bloed.

Na thee zonder zakje klinkt de bel. De illusie van
een eigen inkom. Ik beloof dat ik terugkom.

Ze vraagt of ik verliefd ben. Haar nagels
laten maantjes in mijn vel.

Gedichten

door Gert Vanlerberghe (1986)

Dichter Gert Vanlerberghe (1986) staat al vijf jaar lang op menig podium in de Lage Landen. Bij de muzikale projecten Hersencellen, Veelvraat en Koala gaan poëzie en muziek hand in hand. Naast zijn romans, zoals Nachtprater (2017), schreef hij ook het theaterstuk Gifkind voor Studio Bernadette. Gert organiseert het Antwerpse podium Ballonnenvrees, en presenteerde de Poëziebus 2017. In januari 2018 staat hij in de halve finale van het NK poetry slam.

 

Hades

Gradaties van verveling
lopen lukraak over straat.
Hoe lang nog voor
een eerste blijk van leven
in comateuze ogen.
Hoe lang nog dolen
in deze krimpende biotoop.
Het water dient ververst,
de groeven gladgestreken.
Een simulatie van een simulatie,
het dagelijkse decor
waar onze passies beteugeld,
                      onze lusten genormaliseerd,
                                onze fetisjen gedemoniseerd.

Ze ziet een grote witte hengst in de gang,
en hij spookt als een demon achter het behang.
Een uil woont in zijn romp,
zijn ribbenkast een kooi.
Weefsel houdt hem op zijn plaats,
onderhuids zeewier in plaats van veren.
Hou hem tegen. Hij haalt het bloed
en de clous onder onze nagels vandaan.
Hij huilt naar een kazige maan
en verloochent elk bestaan
dat leugenaars bijeen hebben geschraapt.
Maakt dat hem zuiver op de graat?
We moeten wandelen met dinosaurussen
en zwemmen met de leviathan.
We zijn strijders zonder maagden,
we spijzen zonder magen,
vergrijzen in een kamer
waar de tijd ons vastgenageld.
Leven op de pof,
beven met de knieën in het stof,
streven naar een alomvattend
schema als een kader voor de regels
bij elkaar gefantaseerd
door een fantast die beweert
dat hij het leven heeft verbeterd.

Maar wij, wij vliegen in de drank,
de toog staat ermee blank.
We zwelgen in de nacht
tot onze lever het begeeft.
En elke morgen landt
een arend op onze vensterbank,
plukverse lever in de snavel.
Wij zijn een omgekeerde Prometheus.
Elke ochtend hees van de beloften
die we prevelen tegen ons spiegelbeeld.
We keilen rotsen naar beneden,
geraken van onze wijn niet af.
Een keelgat als een metrotunnel,
dát is onze straf.
En het vat is nooit af.

Stille kreten

Hier houdt zelfs de angst haar adem in.
De straten geplaveid met hun eigen sterftecijfers.
De stad schaamt zich een vooroorlogs gehucht.
Geen levende ziel hier tussen muren die krimpen.
Niemand lijkt thuis, ook niet op straat.
Een afwezigheid met de geldingsdrang van een bonzend hart,
de contouren van waar net nog een lijk lag.
Pendeldienst naar het kerkhof, waar kraaien
krijtlijntjes in onze ziel krassen. Adem stokt empathisch,
solidair met het magnetisch veld van afgesneden
praatjes onder onze voeten. Al die open eindes,
daar waar het leven zich er rap vanaf heeft gemaakt.
Half afgewerkte verhalen liggen hier voor het opgraven.
Propjes van levens die nooit nog gladgestreken
maar prominent een plek in de prullenmand innemen.
Ronde stenen van betekenis die langzaam eroderen.
Zolang wij ze vergeten zal dit fenomeen enkel toenemen.
Gekiste stille kreten.

Berichtgeving

Sommige waarheden komen van zo
diep dat je ze enkel kunt hoesten.
Ver vanuit de bast, de holle put betraliest
door ribben die bij de minste trilling breken.
Dit is geen hart dat gelucht, dit is de ziel uitkotsen,
dossiers en blauwdrukken, levenslopen verbonden
door aders en draden, convergerende verhalen.

Geef me een lepel en ik schraap de nuance van het
achterste van mijn tong, daar waar smaak zich niet waagt,
en katapulteer het in uw verbijsterde gezichten.
Zit er nog iets tussen mijn tanden?
Heb ik iets van u aan of heb ik mezelf
zonet zomaar even averechts gebraakt?
Zit mijn façade nu diep in mij verscholen, en kan enkel
een zielenknijper tot bij mijn uiterlijke schijn?

Een flinke hoestbui en alweer wat betekenis gelekt.
Als klokkenluider reis ik naar het middelpunt
van de waarheid, tot aan de nek in de lava,
een strijd tegen draken, met de hoop om af te varen
in de bloedsomloop, flarden op pad naar het brein,
van een taal die verdwijnt, een schimmenspel
van visies en kanten en water en wijn.

De dronken dans relativeert zichzelf te pletter
in het aanzien van twijfels die knagen en vreten en bijten,
een waarheid met diplomatie besmet, te beleefd en te bedeesd
om de straten met kraters te slaan, een wereld die beeft
op haar grondvesten, ontdaan van verklaringen, onwetend,
in de war, met gewiste hersenlagen, als na een coma.

Nee, niets daarvan. De diepgewortelde leugen
heeft zich goed ingedekt, tot in het beenmerg verzekerd
tegen doofpotten die overkoken, rook waar ook vuur is,
complotten die ontpoppen tot feiten. Zot zijn doet geen zeer.
Maar nog zo’n hoestbui en je wordt gehospitaliseerd.
Dingen zien die er niet zijn, daar hebben ze pilletjes tegen.

Gedichten

door Pom Wolff (1953)

In de Windroosreeks van uitgeverij Holland verscheen in 2005 het debuut van Pom Wolff (1953): je bent erg mens.  In 2006 gaf uitgeverij Holland zijn tweede bundel  toen je stilte stuurde uit. In 2014 verscheen zijn derde bundel bij Uitgeverij Douane: een vrouw schrijft een jongen.
Zijn poëziesite www.pomgedichten.nl is wereldberoemd in Nederland en Vlaanderen.
Simon Vinkenoog over het werk van Pom Wolff: “Hij verschaft illusieloos inzicht in de werkelijkheid”.

 

alsof

het is alsof ze is opgestaan
haar stenen bed verlaten heeft
mijn kant is uitgegaan
niet om iets te zeggen
ze wilde bij me zijn
dat wilde ze
ik hoefde niets

maar zo was het niet

niet dat ik nog iets hoorde
of iemand anders zag
er vlogen roze vogels in het rond
in mijn hoofd bedoel ik
waren we al ver  
van iedereen en alles
en het was wat het ook wilde

maar zo was het niet

niet meer

je bereidt je voor op
waar het donker zal zijn
niet eens meer dat

waar niets meer wordt
belicht – niets meer wordt
bedacht

je laatste kerst
niemand die het zegt

herinnering

ik weet je tuin nog
met een heg tegen de buren
het plastic tafeltje
voor als het weer op frankrijk lijkt

weet van de dagen
die achteloos voorbij gingen
oplosten in diezelfde achteloosheid
waarin ook wij bestonden

in de mooiste woorden
die te vinden zijn
ze had ze graag gelezen
ze wist dat hij ze schrijven zou