Gedichten

door Ilse Starkenburg (1963)

Ilse Starkenburg (Dieren, 1963) schrijft gedichten en verhalen. Vanaf 1990 zijn er vijf dichtbundels van haar verschenen bij uitgeverij De Arbeiderspers. De meest recente, De boom valt op mij, kwam eind maart uit.
Vanaf 1987 verscheen er werk van Ilse in diverse literaire tijdschriften. Ook werden er gedichten opgenomen in talrijke bloemlezingen. Ze trad op bij festivals als Poetry International, Dichter aan Huis, Lowlands, de Nacht van de Poëzie en ze verzorgt gastcolleges en workshops.
In Meander twee gedichten uit haar nieuwste bundel.

 

Zwoel

een dag in augustus in Groningen
zou eeuwig duren, eeuwig duren
we lagen met z’n drieën naakt op een dak
verstopt tussen omringende huizen, we leken
wel lijken, maar niemand kon ons zien
niemand kon tussen ons in komen en
er was nog geen gedicht

een zuchtje wind, knarsend grind onder
een teen  en één van ons draaide
het zou kouder worden
we zouden ouder worden
onze vriendschap moeten achterlaten
op een dag, op een dak,
in een gedicht

Wij

er waren nooit woorden voor
laat staan
hoge plafonds of hemels
je wilde nergens naar toe
je wilde niets bereiken
het was droog
laag viel op laag
als bladzijden
in een oud Frans boek
plakten we aan elkaar
maar met verbeterde
sterker ruikende
verslavende lijm
ik wenste toen
dat het eens los zou laten
dat er een woord viel
dat het eindelijk zou gaan regenen

 

Uit: Ilse Starkenburg. De boom valt op mij
Uitgeverij De Arbeiderspers. ISBN 9789029511780

Winnende gedichten

Met deze gedichten wonnen Merel van Slobbe en Maria van Oorsouw de zesde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Merel van Slobbe (1992)

Tot we stevig genoeg zijn

Je komt zachtjes binnen zodat het blijven
minder op zal vallen en we praten over dingen
als stofzuigerzakken en wasverzachter.

Alle woorden nemen de vorm van mijn ruggengraat aan:
alleen maar bedoeld om dingen overeind te houden.

Ik druk mijn ellebogen in mijn zij zodat elk afscheid
binnen het deurkozijn past en ik zeg: weet je nog

dat we papieren vliegtuigjes door het huis gooiden
zodat we groter leken en weggaan kleiner.

Je knikt en zegt dat je ergens las dat kauwgum lang
tot zeer lang op straat blijft liggen, afhankelijk van

hoeveel mensen eroverheen lopen. Die nacht huilen we
om landschildpadden en alles wat langer leeft dan wij.

Vouw je handen voor mijn ogen en duw net zo lang
tot we stevig genoeg zijn

om niet te verdwijnen.

Maria van Oorsouw (1948)

Zeewiergroen

Ik was tien en had nog nooit een huilende man gezien
kitesurfers bestonden toen nog niet
en badpakken konden je beschermen
dat van haar was groen
het kan zijn dat ze Duits was
durf jij tot de zandbank
van veraf lijkt de zee veilig

eindelijk mocht ik met mijn broertjes voor het eerst alleen
zonder vader en moeder naar het strand van Wijk aan Zee
zeezeilers zweefden nog niet boven het water
de luchtkussentjes van haar zeewiergroene badpak hielpen niet
ga niet verder dan tot je heupen
van dichtbij is de zee onrustig

iemand knielde bij haar neer
iemand zwengelde aan haar armen
iemand probeerde haar tot leven te slaan
er kwam zwarte modder uit haar mond
haar vader huilde
mijn broertjes schoten elkaar nat
met hun waterpistooltje
later toen het vloed werd gingen we golven springen
ik hield ze stevig vast

ik kon mijn ouders geruststellen ‘s avonds
alles was goed gegaan, het was een fijne dag geweest
ik was tien en had een huilende man gezien

zee trekt altijd

Gedichten

Konstantínos Petros Kaváfis (1863-1933)
Vertaling: Hero Hokwerda

Τrojanen

Ons pogen is, van wie voor rampspoed is geboren;
ons pogen is zoals van de Trojanen.
Iets krijgen wij wel voor elkaar, iets komen
wij er wel bovenop, en voelen dan
hoe er begin van moed en goede hoop is.

Maar altijd duikt er wel iets op en stopt ons af.
Achilles bij de gracht verschijnt voor onze
ogen en jaagt ons met zijn luide kreten angst aan.–

Ons pogen is zoals van de Trojanen.
Wij menen dat we, moedig, vastbesloten,
de neergang nog wel zullen keren van ons lot,
en staan daarbuiten pal en gaan de strijd aan.

Maar als de grote crisis eenmaal daar is,
gaan onze moed en vastbeslotenheid teloor;
en overstuur raakt onze ziel, verlamt dan,
en rondomheen de muren rennen wij

om zo ons leven nog te redden door de vlucht.

Maar, onze val staat vast. Boven is, op de muren,
begonnen reeds de jammerklacht. Van onze
dagen herinneringen en gevoelens wenen er.
Bitter om ons weent Priamos met Hekabe.

Antonius door de god verlaten

Als plotseling, om middernacht, de echo klinkt
van een onzichtbaar langstrekkende stoet
met heerlijke muziek en met gezang –
ga dan je lot dat je begeeft, je levenswerk
dat is mislukt, de plannen voor je leven
waarvan niet één geen dwaling bleek, niet nutteloos bewenen.
Groet dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
ten afscheid haar, de stad Alexandrië die daar heengaat.
Maak bovenal jezelf niets wijs, zeg niet: het zal wel
een droom geweest zijn, of: mijn oren hebben mij bedrogen –
verlaag je niet tot dat soort vruchteloze hoop.
Stap dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
zoals betaamt aan wie een dergelijke stad vergund was,
met vaste schreden nader tot het vensterraam,
en luister — met ontroering wel, maar niet
met het gesoebat en gejammer der lafhartigen –
in nog een laatst genieten naar de klanken,
naar ‘t heerlijk instrumentenspel van de mystieke stoet,
en groet haar dan, de stad Alexandrië die je kwijtraakt.

Ver weg

Graag had ik die herinnering verteld…
Maar zo vervaagd is zij allengs… haast niets is ervan over –
want ver weg, in mijn vroegste jongenstijd is zij gelegen.

Een huid die wel gemaakt leek van jasmijn…
In die augustusmaand — was het augustus? — op een avond…
Amper weet ik de ogen nog; waren ze niet diepblauw…?
Ach ja: diepblauw, als een saffier zo blauw.

Kikí Dimoulá (1931)
Vertaling: Hero Hokwerda

OF JE GEKOZEN HEBT

Vrijdag is het vandaag ik ga naar de straatmarkt
om een wandeling te maken in de onthoofde tuinen
om de geur van de oregano te zien
geknecht in bosjes.

Ik ga tegen de middag wanneer de prijzen van de eisen zakken
je vindt het groen maar gemakkelijk
van boontjes courgettes kaasjeskruid en lelietjes.
Ik hoor daar hoe vrijmoedig de bomen zich uiten
met de afgesneden tong van de vruchten
stapels redenaars de sinaasappels en appels
en er begint een beetje herstel te blozen
op de vaalgele wangen
van een inwendige stomheid.

Zelden koop ik iets. Want daar zeggen ze kies maar.
Is dat gemak of een probleem? Je kiest, en dan
hoe til je dat op, het loodzwaar gewicht
van je keuze.
Terwijl dat het kwam zo uit, net een veertje. In het begin.
Want later bezwijk je onder de consequenties.
Al even loodzwaar.
In feite is het of je gekozen hebt.

Hoogstens koop ik wat aarde. Niet voor bloemen.
Om vertrouwd te raken.
Daar is er geen kies maar. Daar met de ogen dicht.

FOTO 1948

Ik houd een bloem in de hand lijkt het.
Vreemd.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit tuin geweest.

In de andere hand
houd ik een steen.
Charmant en hooghartig.
Zonder enig vermoeden
dat ik gewaarschuwd word voor bederf,
afweermechanismen voorproef.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit onwetendheid geweest.

Ik glimlach.
De curve van de glimlach,
de holte van deze stemming,
lijkt op een goed gespannen boog,
in gereedheid.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit doelwit geweest.
En gepredisponeerdheid voor overwinning.

De blik verzonken
in de erfzonde,
de verboden vrucht
smakend van de verwachting.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit geloof geweest.

Mijn schaduw, speelgoed alleen van de zon.
Met een uniform van aarzeling aan.
Nog niet eraan toegekomen
mijn kameraad te zijn of verklikker.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit toereikendheid geweest.

Jij bent niet te zien.
Maar dat er afgrond in het landschap is,
dat ik aan de rand ervan ben gaan staan
met een bloem in de hand
en glimlach om de lippen,
wil zeggen dat je elk ogenblik komen kunt.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit leven geweest.

Gedichten

door Anouk Smies (1975), Jeanet van Omme (1960), Wim Vandeleene (1972)
Een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Anouk Smies (1975)

HET TALENT TOT BEDENKEN

Ze lacht harder nu
Minder gericht

Het gegiechel komt aan
in de akker
waar ook een asbak landt

Alleen mensen
met het talent tot bedenken
gaan ernaar op zoek

Treffen
iets bedenkelijks
Verbergen schuchter
wat strontlucht beaamt

Ooit hoorde
ik in een bos een roek
die oversloeg als een
weggeworpen plaat

zoals je je,
ineens
bij het zien van
opgeleefde huid
voor je kleine beestachtigheid schaamt

Anouk Smies maakt met haar tweede bundel, Wie heeft een middelpunt nodig, kans op de J.C. Bloemprijs 2017

Jeanet van Omme (1960)

inburgering

in een stormvloed spoel je aan
ze drogen je af en geven je melk
de hond kwispelt met zijn staart

ze bakeren je stevig in
en leren je hoe ze hier leven
zo lopen ze altijd op hun tenen

eten op zondag appeltaart
maandag droge spaghetti
woensdag patat en jenever

steeds weer zeveren ze
over het weer maar komen
niet verder dan mooi lekker of fijn

ze hebben slechte ogen en nette benen
een ronde hals mag een v-hals flatteert
drie keer per dag de hond aan de lijn

uit welke hoek de wind waait
wat kou doet met een warmtefront
van wisselvalligheden weten ze niets

ze spreken met twee woorden
ze hebben houding ze hebben smaak
ze roddelen vaak – dus ook over jou

dat de wind weer gaat liggen
is zeker – wacht maar af
zegt de staart van de hond

Jeanet van Omme deed aan drie rondes van de Meander Dichtersprijs mee en telkens behoorde haar inzending tot de geselecteerde gedichten.

Wim Vandeleene (1972)

kubus

schaars ben je: een vierkante bol.
ik vind je niet. ik moet je maken
tot je uitmunt in regelmaat.

zo kan ik je verzamelen,
stapelen tot een getrapte piramide,
de poort naar het hiernamaals.

liever snijd ik je uit hout,
vijl je hoeken, prik ogen uit je vlakken.
nu kan ik je rollen. je wordt de dobbelsteen.
voor alle blinde ogen een gelijke kans.
je bent de vorm van het lot.

als je op één van je zes buiken valt
lees ik je rug, kan ik x velden verder.

dans ik over het ganzenbord.
mijd ik de kerker en de waterput.

Wim Vandeleene is een van de winnaars van de eerste ronde van de Meander Dichtersprijs 2017. Met dit gedicht deed hij daarom buiten mededinging mee.

Gedichten

door Kim Pauwels (1983)

MARTHE (naar: Pierre Bonnard)

Haar lichaam stroomt verf
zoals fonteinen water.

Hij heeft haar afgeschilderd
met niets omhanden,
tenzij het sop om te omarmen.

Hij heeft haar licht opgevat
schilderde vurig water,
deed haar dat aan.

Hij heeft haar ingewreven
met okergele sponzen
dat ze alleen in dwaallicht bestaat.

Zo schuimt zij gulzig water
in de wasemende zee,
sleept haar blauwe nachtjapon
in het schoongewassen licht,

terwijl de kleuren buitelen

tot de hemellichamen
tot de wassende maan.

ZUSJE

De kleine kist maakt het verdriet groter.
Mijn zusje is hier voor het laatst en voor het eerst
gewiegd, gedragen geweest. De sterkste schouders torsen dit verdriet

niet en ook mijn handen weten zich geen raad. Breng haar verder
dan dit nauwe gangpad. Til haar naar de ramen in glas
en lood. Zwaar kan haar vroege verdwijnen niet wegen

tenzij in ons hart. Ik weet dat ze wil vluchten
naar de wind, daar ligt men niet krap. Door al die zwarte kleren
ontbreekt elk licht. En toch gaat ze stralen

als een ster, sinister maar ver. In de melklucht
vallen haar goudblonde tresjes los
naar beneden.  Ver daaronder sta ik

heel klein, haar grote zus, te kijken naar haar val. Nu zij daalt
gooi ik een wens op. Nog één keer onze lokken
te vervlechten, goudblond in koperbruin.

Na de wens moet je blazen en vertel het
niemand, anders komt de droom niet uit.
Dooradem de verweefde vlechten

tot hoop.

MARETAKKENBRUID

Ze kwamen in veelvouden van honderd
— de dagen aaneen —

Al weten we
dat liefde lente is,
en al wat pril is rijpt in zomerzon

als de sterke herfst
ons grauw verval inblaast,
de bomen kreunen “doe mij iets aan”

kronen we de winter toch weer
tot maretakkenbruid
in de witte nasleep
van koude beloftes
onder neerhangend loof.

Uit: Kim Pauwels. Tweelingstrijd
Uitgeverij Vrijdag. ISBN 9789460015229