Gedichten

door Marije Langelaar (1978)
De debuutbundel De rivier als vlakte van Marije Langelaar (1978) was een van de verrassingen van poëziejaar 2003. De opvolger De schuur in (2009) werd genomineerd voor de Jo Peters Poezieprijs en de J.C. Bloemprijs en werd bekroond met de Hugues C. Pernathprijs. In juni verschijnt Vonkt, de langverwachte opvolger. In Meander daaruit twee gedichten.
Marije Langelaar publiceert bij de Arbeiderspers en werkt inmiddels aan haar eerste roman.
 

Trommel

Dat jaar werden we geboren in
een lichaam.
Het viel ons op dat we sloegen.
We sloegen de trom.

Bij elke slag vlogen de vogels op.
Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan.
Bij elke 16e noot wierp ik een kind.

Zo leefden we ons leven.
We sloegen de jaren weg.
Paf paf paf!
We sloegen de trom.
We sloegen eenvoudig de trom.
Want dat hadden we geleerd.
We sloegen de trom.

Paf paf paf!
De vlogels vliegen op.
Paf Paf Paf!
Een nieuw seizoen,
Paf Paf Paf!
Weer een kind.
Paf Paf!

Tot onze lichamen begonnen te deformeren, we sloegen
nog harder, tegen de rimpels, het kreukelen
onze verminderde vruchtbaarheid, een stram in ons been.

Paf Paf Paf!
Maar het kind bleef uit.

We sloegen nog wat harder, onze slag kreeg
iets verbetens,
tot we op de 428e noot halt hielden.
We keken naar elkaar en alle kinderen die
ik had geworpen,
wilde goddeloze kinderen,
met wilde goddeloze haren.

En we keken naar de bomen die waren gaan groeien,
Kris kras door elkaar
Een grote teringbende.
De vogels die nerveus op een tak onze
volgende slag afwachtten.

Maar we sloegen niet
We sloegen niet meer

We keken elkaar aan en zaagden de bomen
bouwden een huis, begroeven de trommel diep in de nootzwarte aarde.

En begonnen te leven. We pelden en kookten de vruchten
en vertelden onze kinderen het verhaal van de trommel
en we sloegen niet, er brak geen nieuw seizoen aan,
De vogels rusten in een hoge wilg.
En het was goed.

En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats die trommel gegeven?
Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen?
Had ons het ritme opgelegd? En waar waren we eerder? Waarom?

Stoel

Ik stond naast een tafel en het verontrustte mij dat ik zo
alleen was en opeens hoorde ik het kloppen erg
zachtjes weliswaar maar iets maakte zich kenbaar.
Het was zo subtiel dat ik moest knielen, zo vond ik de
stoel en ik raakte het hout zoals je een tong raakt, ik
legde mijn vinger in een nerf, het begon onmiddellijk te
schemeren en dieren stonden om ons heen.
Inmiddels was ik al niet veel groter dan een speldenpunt
en innerlijk dronken de stoel zond mij zijn gedachten, vrij
technisch maar gevolgd door het ruisen van bomen
voor even, een seconde of drie werd ik stoel. Het was zalig, zalig
dat hout in mijn wervels! De klop in mijn been, een bestaan
zonder bloed of gedachten. En stil te staan eeuwig. En
opgetild. En altijd die functie en een
innerlijk waaien van de bomen afkomstig.

Uit: Marije Langelaar. Vonkt
Uitgeverij de Arbeiderspers. ISBN 9789029511681

Gedichten

door Jolies Heij (1964)
Jolies Heij

onsamenhangend samenzijn

we zijn half, we zijn niet veel
we zijn een deel, niet eens yin en yang
maar apart met de lucht tussen ons in

er is een opening die niet sluit
met een leemte ongedicht
welke hand heeft ons doorkliefd

maar niet gescheiden, deze randen
kunnen snijden en toch zal het vel
niet bloeden uit marmergroen verdriet

want wij dragen elkaar, wij torsen
de ruimte in een wankel evenwicht
wij zien geen gezicht, leven met

elkaars gedachten, enkel dromend
van een zweem van samenzijn
gehouwen uit dit evenbeeld van steen

Tapperij tevens proeflokaal

Zijn testikels ballen zich tot
struisvogeleieren als zij tot het wufte
aroma. Zijn steel draait rond in haar
hand de kelk vouwt zich open

voor boeketten en kruiken. Haar timbre
in zijn lokdoos: het spiegelkabinet
is zijn domein. Daar buigen
en barsten de dames van glas

maar met de karaffen vol venijn.
Hij sust het herenleed doet zijn
voordeel met gepoleerde meisjes-
grieven. Hij die alles overziet

zuipt na sluitingstijd de tap
tot vergiet. De laatste gast geeft zich
uit voor fee likt het gifgroene
droesem uit tepelkloven en lustkuilen.

 

Sanja Simunic

wittebroodsgeluk met vallen en opstaan

vertel eens wat over de cetniks, zegt hij
achter zijn rug nipt een meisje
met geamputeerde arm van haar muntthee

ze vielen mijn stad aan
alles wat het hart had moest dood
zeg ik om hem gerust te stellen

alsof het om een spelletje stratego gaat
met eervolle helden van rang en stand
toen de dagen niet met kippenvel

de wegen bezaaid met spijkers
en kindernekjes als geknakte stelen
in plaats van rozen in de hand

hij vindt mij schattig
zegt dat ik op zijn stiefdochter lijk
en taartjes met me wil eten bij fighi op zondag

ook al is mijn arm niet geamputeerd
en zit er meer vergif in mijn pen
dan stroop om mijn mond

nu moet ik een soortgenoot groeten, zeg ik
al heeft hij het paard laten kreperen
en verdient de rozen niet

Uit: Jolies Heij. Jolita zei
Uitgeverij Heimdall. ISBN 9789491883699

Gedichten

door Robin Veen (1953)

Robin Veen schreef elf jaar geleden zijn eerste gedicht. Vervolgens bewoog hij zich in de wereld van de poetryslam. Daar viel hij twintig keer in de prijzen. In 2015 stond hij in de halve finale van het NK poetryslam. Een mooi moment om zijn slamcarrière af te sluiten, vond hij.
Mede door zijn jarenlange podium ervaring wordt hij tegenwoordig regelmatig uitgenodigd om zijn gedichten op diverse podia ten gehore te brengen. Ook in gedrukte vorm vinden zijn gedichten steeds vaker een weg naar een geïnteresseerd publiek. In 2016 was Robin genomineerd voor de VUmc poëzieprijs en de Ongehoord Gedichtenwedstrijd.
Bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd deed hij het ook goed: in 2009 stond hij in de top 10, hij stond tweemaal in de top 100 en achttien keer in de top 1000. In diverse bloemlezingen zijn gedichten van hem terug te vinden. In eigen beheer gaf hij de bundels Ga hier aan land (2013) en 36 sonnetten (2016) uit.

 

BINNENWERELD

De deur sloeg met een klap achter me dicht. Omdat ik
door het raam geen kamer zie, woon ik sindsdien op het balkon.

Er zeilen meeuwen door mijn huis. Ik nam wel duizend keer
de deurklink in m’n hand, maar drukte nooit de twijfel neer.

Ver onder me zie ik het mierenvolk dat nijver gevels bouwt
waarachter iedereen de vloer belegt met laminaat,

zich warmt aan de moederhaard, zich aan een beeldscherm
heeft  gehecht dat hen de wereld toont en vrienden maakt.

Ik vraag me af:  wie hing de wolken in m’n huis?
En is er iemand thuis die op me wacht?

Er is geen vloer meer, geen plafond. Dit zou de hemel kunnen zijn.
De zon schijnt op m’n rug. Binnen valt mijn schaduw naar beneden.

DIT IS EEN MUUR

Hij praat zijn eigen zinnen na,
duidt zo de wereld voor zichzelf.
Dit is een muur, zegt hij, dit is een muur.
Vier letters zekerheid,
zorgvuldig in zijn hoofd gemetseld.

Tot iemand er een deur in opent.

Een overdaad aan taal verwart zijn kamer.
Wanhopig maait hij woorden van zich af.
Dit is een muur, herhaalt hij, dit is een muur.

AAN DE OEVER

De laatste pont trekt sporen in het goud
dat even later stolt tot duisternis.
Een vleermuis kruist de hemel af. Het is
nog niet voorbij, maar alles welbeschouwd

weet ik dat geen rivier haar tegenhoudt.
Het water fluistert de betekenis
van wat ooit was en wat ik nu al mis.
Ik raak haar even aan. Haar huid is koud.

Ze is al bijna aan de overkant.
Ik luister naar de krekels. Op de rand
van elke nacht vertellen zij elkaar

wie of ze zijn. Wij zwijgen als het graf.
De pont meert aan de overzijde af.
Pas morgenochtend komt hij weer voor haar.

Gedichten

door Alexis de Roode (1970)

Het nieuwe land

Ik werd wakker in een nieuw landschap
met paarse vogels, groene bloemen en giftige vlinders.

Ik hoorde het zingen van de beekjes
milkshake waarin vissen naar de bodem zonken,

in de verte rezen bergen balkenbrij op
uit een zee van vlokkige melkwei,

ik zag schapenweitjes waar gebraden haantjes
te pletter vlogen tegen gsm-masten.

In de bergen vielen gezelschappen naar beneden

en ik zag je tanden
lang en hard als pantserwagens.

In dit nieuwe land
dat wij samen betraden
mocht ik niets meer voelen,
ik moest alles leuk vinden en super

en o nergens zag ik mensen,
nergens mensen meer
om lief te hebben.

Vrijdagochtend

Ik ben naar de wc gegaan, trillend van woede,
om een gedicht te schrijven.
Beneden mij zie ik mijn schoenen,
mijn gespreide knieën,
alsof ik het leven moet schenken aan een monster.
Het voelt goed een pen vast te houden
op deze plek,
alsof ik een wapen heb.
De wc is een riante wellnessruimte met watergeluiden,
geflankeerd door engelen van brons.
Hier vecht ik in het geheim tegen de Cloud,
waar al mijn bestanden in verdwenen zijn.
Ik vraag me af hoe vaak mijn collega’s
naar de wc gaan om te vloeken,
uiting te geven aan dwanghandelingen,
of vijf minuten lang hysterisch te huilen,
vervolgens door te spoelen.

Zondagochtend

De hele lege dag
staat de auto achter het huis te wachten.
Morgen moet ik naar kantoor om deze tijd.
De auto staat klaar.
Hij wacht op mij.
Mijn vriendin verbiedt mij aan morgen te denken.
Vandaag ben je vrij.
Deze vrijheid, deze hele dag van vrijheid
is mij contractueel toegekend.
Ik zou heel even in de auto kunnen gaan zitten.
Op het koele leer. En de radio aanzetten.
Om te voelen hoe het is naar mijn werk te rijden,
zonder dat ik naar mijn werk rijd.
Ik voer mijn plan uit.
Dit is nochtans waar ik recht op heb.
Dit is vrijheid.
Ik streel het stuur, draai het raampje open.
Wacht een uur.

Chandler Grafner

1.

Het donker is zacht en leeg en geweldloos.
Schoensmeerzwart, zo dik dat je het snijden kunt.
De mond openen om een hap te nemen
van het schemerlicht dat door een spleet komt.
Proberen het te drinken, in het donker opgevouwen.
De hele dag. De hele nacht. Zoeken naar
vlokjes havermout en voelen hoe je spieren branden.
Hoe je bloed dik wordt. Dromen over water.
Wakker worden en haaien zwemmen om je heen.
Je likt het droge ijzer van het slot.

Buiten wacht een draak. In de nacht is de dood.
En de dag is een flinterdun vliesje over de nacht, een laagje cellofaan
met het leven van een kind erop geprint.

Je steekt erdoorheen met een mes,
om te laten zien hoe dun het is, hoe ongeloofwaardig.

In je eigen plas liggen. Je eigen uitwerpselen.
De stront over de muren smeren, omdat je niets anders kunt doen dan dat.
Fluisteren dat je een mes zult pakken
Het daglicht villen. De slacht.

De gedichten van de finale (4)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Maria van Oorsouw

WIE NIET WEG IS, IS GEZIEN

Niemand weet hoe lang ik gisteren
in Uithuizen ben geweest
niemand weet hoe veel eenzame huizen
ik zag in het uitgestrekte groene land
met die blauwe lucht erboven
kleuren die niet vloekten
zoals vroeger toen je nog geen
blauw bij groen aan mocht doen

Niemand weet dat ik een geheim gedicht
heb geschreven over een bange bruid in de regen
die van haar moeder een scheepje had gekregen
‘vaar maar kind,’ had ze gezegd,’ het lukt vast wel’
hoe haar vader bemoedigend lachte
en dat de bruidegom toen zei: ‘kom’

Hij nam een roeispaan
hij reikte haar de andere aan
hoe ze knikte en dacht, ja
en hoe niemand toen zag of hoorde
dat ze zacht begonnen was te zingen
‘het regent nu al dagenlang
ik ben een bruid, ik ben niet bang’

Niemand weet dat ik in het echt
tot nu toe drie keer in mijn leven
een bruid heb gezien in de regen
de eerste in 1970 op de Wandelweg in Wormerveer
de tweede in 1981 bij de Oude Gracht in Utrecht
de derde, pas geleden nog in Elswout, Overveen
zoiets vergeet je niet

Net zoals die keer, ik was nog klein
dat ik achterop de fiets zat bij een vrouw
die me meenam naar haar huis
om een jurk te passen
‘kijk maar niet opzij,’ zei ze
waarop ik meteen het hoofd van een man
in een plas bloed op de grond zag liggen
naast een omgevallen motor
de man droeg een lange leren jas
die jurk was voor een bruiloft
waar ik me niet veel van herinner
maar dat ernstige bruidsmeisje op de foto
met een tuiltje bloemen in haar hand
ben ik dus

Sommige mensen weten altijd precies
welke kant ze op moeten
dat ze zich nooit vergissen
vinden ze niet erg
anderen kunnen niet kiezen
waardoor ze verdwalen
wat zij juist niet erg vinden
zo kwam het misschien dat ik in de trein stapte
naar Roodeschool en terechtkwam in Uithuizen
waar ik niets te zoeken had
maar wel een felgroen truitje vond
dat prachtig bij mijn blauwe rokje stond

SCHAREND

soms zet ik de schaar in mijn haar, gisteravond keek ik naar
een televisieprogramma over gelukkig worden, dat was ik niet
in het reclameblokje was een spotje over het weldadige effect
van een nieuw soort shampoo met zoutkristal dat zou werken
als een klein heelal waarin je dan zou opgaan  

vanmorgen was ik ondersteboven van een druppel die ik zag op
een vrouwenmantelblad, blijf dicht bij jezelf dacht ik, met allebei
je benen stevig op de grond, wees spaarzaam met grote woorden
vermijd wijdlopige metaforen die kunnen ontsporen in clichés

Jan Hendrik Leopold schreef over het leven weerspiegeld in een
regendruppel nadat de bui was weggedreven, hij gebruikte zijn
schaar voor de Frankfurter Allgemeine en was jarig op 11 mei

in het programma werd een man geïnterviewd, die er les in gaf
hoe dat kan en hoe dat dan voelt, vroeg iemand uit het publiek
het ene geluksgevoel is het andere niet, vaak zie je het pas
als het voorbij is, dan krijg je heimwee, heimwee is een ziekte
las ik in de krant, nostalgie daarentegen een gegeven waarmee
je kunt leven, soms zet ik de schaar in mijn haar
hoe volmaakt kan een perfecte dag zijn geweest

Zeewiergroen

Ik was tien en had nog nooit een huilende man gezien
kitesurfers bestonden toen nog niet
en badpakken konden je beschermen
dat van haar was groen
het kan zijn dat ze Duits was
durf jij tot de zandbank
van veraf lijkt de zee veilig

eindelijk mocht ik met mijn broertjes voor het eerst alleen
zonder vader en moeder naar het strand van Wijk aan Zee
zeezeilers zweefden nog niet boven het water
de luchtkussentjes van haar zeewiergroene badpak hielpen niet
ga niet verder dan tot je heupen
van dichtbij is de zee onrustig

iemand knielde bij haar neer
iemand zwengelde aan haar armen
iemand probeerde haar tot leven te slaan
er kwam zwarte modder uit haar mond
haar vader huilde
mijn broertjes schoten elkaar nat
met hun waterpistooltje
later toen het vloed werd gingen we golven springen
ik hield ze stevig vast

ik kon mijn ouders geruststellen ‘s avonds
alles was goed gegaan, het was een fijne dag geweest
ik was tien en had een huilende man gezien

zee trekt altijd

Kate Schlingemann

zo hier zijn zo

ik schrijf je groot
zo groot dat je hier komt
zo hier dat je niet meer heen kunt
alleen terug, hier
zo

ik praat je warm
zo warm dat je zacht wordt
zo zacht dat je niet meer weg wilt
alleen hier, zijn
zo

en dan kijk ik je los
zo los dat je opstijgt
zo opstijgt dat je niet meer naast mij
alleen om mij, heen
zo

Tas

Ik had in mijn eerste schooltas
Een ruimte waar ik dacht dat ik hoorde
Schreef er mijn straat en huisnummer in
De plaats en het land werelddeel wereld
Onze planeet tenslotte de maan  
Verder wat sterren universum de zon
Daaronder mijn naam, die van mijn vader
Dag maand en jaar van geboorte
Gooide iedere dag over mijn schouder
Ik huppelde zo tussen huis en school
een klein heelal in beweging
Door ruimte door tijd werd ik groter
Waar ik later ook heenging bewoog ik
Hemel en aarde tot ik er was

buiten gesloten

na het zien van Birds die film
durfde ik tien dagen het huis niet uit
omdat ik zeker wist

de hoogspanningskabel boven de witte stad
is in werkelijkheid een snoer
aaneengeregen kraaien

waaronder de wind de meeuwen
schreeuwend met de zwarte raven
door mijn kale straat heen blaast

tot de allerkoudste dag
een roodborstje met een grote klap
dwars door mijn raam

buiten binnen vloog
het tikte warm, het tikte rood
nestelde zich diep in mijn hand

en alles klopte in mijn hoofd: laat me
erin tik tik tik laat me
erin

Merel van Slobbe

Misschien is het zomer

De hele middag ben ik bezig de geur
van zonnebrandcrème te beschrijven, op zoek
naar dingen die me de weg naar huis kunnen wijzen.

Zoals de vakantie dat ik over haringen struikelde
erachter kwam dat tenten meer kunnen hebben dan je denkt.

Sindsdien weet ik hoe weinig er voor nodig is
om waterdicht te zijn:
een dun laagje tussen jou en alles om je heen.

Ik heb al mijn naaktheid opgespaard
genoeg materiaal verzameld om een huis te bouwen.

Ik heb je kinderfoto’s op sterk water bewaard.

Op een dag zal ik naar de pleister op je knie wijzen
vertellen van de keer dat je over de rand
van je eigen silhouet heen viel.

En ook: misschien is het zomer
in het huis waar je groot werd.

Plekken waar het misgaat

We zitten op het dak en denken
als we het verschil tussen dicht en te dicht
bij de rand maar zouden weten.

We proberen woorden te verzinnen
voor het moment vlak voor je breekt
bij gebrek aan beter noemen we elkaar astronaut.

Ik zeg: op sommige dagen raak ik nog steeds
in elk winkelcentrum mijn moeder kwijt.

Het liefst zou ik navelstrengen verzamelen
ik zou ze bewaren op de plekken waar het misgaat:
tussen dode vetplanten
in een lege agenda.

In plaats daarvan leren we
op hoeveel verschillende manieren een koffiekopje
kan breken op de keukenvloer.

Het is niet erg:
ooit zal elk kopje het opgeven.

Dus gooi jezelf voorzichtig van de rand
ik vond een klein heelal tussen je lichaam
en alle dingen waar het aan kapot gaat.

Tot we stevig genoeg zijn

Je komt zachtjes binnen zodat het blijven
minder op zal vallen en we praten over dingen
als stofzuigerzakken en wasverzachter.

Alle woorden nemen de vorm van mijn ruggengraat aan:
alleen maar bedoeld om dingen overeind te houden.

Ik druk mijn ellebogen in mijn zij zodat elk afscheid
binnen het deurkozijn past en ik zeg: weet je nog

dat we papieren vliegtuigjes door het huis gooiden
zodat we groter leken en weggaan kleiner.

Je knikt en zegt dat je ergens las dat kauwgum lang
tot zeer lang op straat blijft liggen, afhankelijk van

hoeveel mensen eroverheen lopen. Die nacht huilen we
om landschildpadden en alles wat langer leeft dan wij.

Vouw je handen voor mijn ogen en duw net zo lang
tot we stevig genoeg zijn

om niet te verdwijnen.