Gedichten

door Maren Mostert (1965)
schijndood

ze zeiden dat jij het was
tussen rekwisieten
bloemen en gebogen hoofden

we liepen naast onszelf
jij ging ons voor
omdat wij volgden

iemand deed de zon aan
want weet je nog
het was hartje zomer die dag
 




leeggebloed

we gingen verder
stouwden kasten overvol

en bij verjaardagen
kusten we lucht

jij schonk expres
de verkeerde wijn

zo lang heeft het geduurd
voor de dagen dood waren
 




ingerukt

tussen het stof
in de ficus nestelt
een gedoodverfde vogel

hoe ik ook schreeuw, spring
en zwaai met mijn armen
hij knippert niet eens

er waren goede dagen
met de wind door het huis
en vogels buiten

alles op zijn plek
bewoog
 




van papier

binnen de perken
als de hokjes
die ik aanvink

bent u gehuwd
of duurzaam gescheiden?

bent u gek
of gestoord als de rest?

te veel
naar waarheid ingevuld
kan ik niet liefhebben
 

Gedichten

door Nafiss Nia (1968)
Dode vissen

De voetstappen van de nacht
op de veranda van de vergeten lente
zijn ongetwijfeld het neuriën voor het onvindbare.

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is berouwvol dichtbij,
de blikken van mijn zusters
zijn nog altijd in afwachting
en het zout dat de gedachten van de zee
bezig houdt, grijnst
pronkend de dode vissen toe:
"Jullie geheim is veilig bij mij"

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is zo berouwvol dichtbij.

 




Onderweg


Met een vlinderjas
twee goudvissen
en een koffer vol blauw
stap ik de stilte in;
reis rond in de lucht.

Af en toe logeer ik bij de wind
wandel ik met de maan
of schommel op een blad.

Niets is me afgenomen
behalve alles.

Ik reis naar binnen en buiten
dichtbij gefluister en ver van kabaal.
Ik reis dromerig naar mijn einde:

het vliegen.
 




Zonder geel, rood en bruin

Gesloten vensters doen mij
denken aan het verdriet
van de sterrenloze hemel
aan de bruiloft van de doden
aan de thuisloze herfst
zonder geel, rood en bruin.

Gisteren dat in niets op vandaag leek
sloeg de vensters voorgoed dicht,
de morgen die de dood van vandaag uitzwaait
opent de gesloten vensters van gisteren.
 




Herschepping


De zon is nog niet op.

Ik neem afscheid van de tuin
die naar hemeltranen verlangt
en de waslijn die altijd zucht.
Ik groet de kievitskooi van de buren,
de paardenbloem, het gevecht
tussen rode en de zwarte mieren
de pyjama van mijn jeugd, de hoelahoep.
Ik gooi alle seizoenen weg en
de regenboog schrap ik uit het woordenboek.
Ik vlucht van de besproeide veranda, de eikenboom
de speelse spelletjes van toen, het gevoel van vreemdheid

van haar, van hem
en bovenal van mijn moeder.

Ik val in de vijver van
volwassenheid en verdrink.
 




Dwaas


Vleugels die ik niet heb wil ik breken,
het vliegen dat ik niet kan, stoppen
ik wil thee drinken met
de noga die ik niet lust
mijn ogen dichtplakken van licht
afscheid nemen en slapen.

Ik wil terug naar het verloren moment
naar de vergeten lach
naar de tuin en de vijgenboom.

Maar ik ga huiverig voorwaarts
naar het blinde vooruitzicht,
het voorspelbare toeval,
het stille gezelschap,
naar morgen met de hoop een tros druiven
te plukken in het ochtendgloren.
 

Gedichten

door Peter W.J. Brouwer (1965)
DE BEZOEKERS


Ze porden het hout op en schonken wijn
weer waren we vrienden onder elkaar
maar voelden ons bekeken, die avond

stroomde het licht uit onze ogen
kamers in waar deuren kierden
die maar niet open gingen, of dichtvielen

en wat we elkaar ook zeiden, ergens
bleef het hangen, halverwege de avond

kouder was het geworden
en onze gastheer vergeetachtiger

we legden naast hem een blok in het vuur
en schonken hem zijn wijn

toen keek hij
op naar de klok, daar leek
hem van alles zoek

gebaarde nog wat te blijven
is zelf als eerste opgestaan

door wie zijn wij die avond ontvangen
wie schonk ons met het laatste glas

uit, doofde het vuur
in onze harten
werd het afwezig

wie zegde ons gedag
 




OVER GROOTOUDERS


Op een avond liep
een schelpenpad tot aan het huis

waar mijn grootmoeder
als engel de deur opende

in zoveel licht
had ik haar nog niet gezien

een fossiel was haar stem en
mijn herinnering het huis geworden

we groetten elkaar en spoelden aan
terwijl ik mijn grootvader slapend zag wijken

ik kon zijn huis en dieren met hokken
tot wrakhout bedenken

zijn appelboom tot klokhuis kijken
mezelf een nachtegaal
horen zingen
 




NAAKTE WAARHEID


Ik dacht als dit uitkomt
het diepst gekoesterd geheim
verkwanseld

dan regent het hier straks
waarheden als koeien

ik zag ze al vallen

grote naakte koeien
die als puzzelstukken over elkaar heen
rolden en het gras aan de andere kant

van koeien
bestudeerden
en of dat nog groener was

hun uiers waren
van schande gevlekt
en gaven melk als bloed

maar er was niemand
die zag wat ik zag
of zin had om zijn of haar

diepste geheim te verkwanselen
voor een handvol gelijk
of kilo’s naakte waarheid

ik zag ze grazen en dacht
ik ken de waarheid al te goed
ik kan haar beter laten
 




OM LANGZAAM TE VERGETEN


Haar benen weer kuis bijeen bedenken
vergeten haar mond, die smaakte naar jouw mond
de mouw waarin haar polsslag kroop
haar adem en de stilte om haar adem

vergeten het hoog opgetrokken been
ernstige ogen om een serieuze daad
haar snelle lach
als zij nu maar vergeet
jouw hemd om haar schouders
jouw hand waarin haar schoot
rustte en

vergeten haar hese stem
en het onontkoombare vloeken
om lichaamsdelen vol zoet geweld
waarin de tijd wel wilde blijven
vergeten dat het bloed toch weer
zich zonder verveling verzamelde
tot in de openingen van een ander
die geen ander meer was

vergeten wat je bedacht en
wegdacht, de stad en het land
delen van wandelingen
en het licht op een plein dat slonk in je oog
dat zich sloot voor haar
nadat je samen een laatste keer
en voldoende volledig
om langzaam te vergeten