Gedichten

door Hans Dekkers (1954)
De moeders

Geesten in een kuil bij reactorcentrum Petten,
een moeder bekijkt meeuwen, water,
een visdief met gevorkte staart.
Opgekalefaterd door wind en zilt strekt zij
haar vlerken in de lucht. Haar zandhanden
zingen koelte in elke porie en een lege, stenen
hemel hikt onder haar kin, waar uit
het strothoofd een klank springt
en een onbekende naar haar tepels reikt.
In elk koppel kaatst een beeltenis, een
schaduw die dwars door bossen waaiend
de zomer binnenvlucht. En de tijd wordt aangekaart.
Ik bedoel: een moederlijke catastrofe.
Zij ademt uit en in en uit, haar rok stottert en uit
haar buik stuiteren vissen die schubben verliezen.
Een moeder in Gulpen gezeten op een bank,
zij ziet de apenwolk, zij ziet de karkassen in het gras,
werpt kluiten naar een hond die in haar bloemen ligt.
In haar oog smelten de heuvels. Zie haar openwaaiend
gemoed. Daar is zacht lachend vlees,
een rozengrijns. De lipstickveeg op een wang.
Ik ben haar angst, ik ben haar afwezigheid.
De moeder in Stavoren, macaber getint,
niet bang voor poolwinters,
zij kruipt uit haar schort,
hoort het ijs kraken, de opgewonden,
kwekkende spreekbuizen. Zij hoort mij.
De pool groeit in haar oog, ze bloost, ze huivert.
In Bolsward zong ze mee met de Mattheus,
in haar zog de stenen. Niet de tovenaar,
niet de boer, de kneder van vlees. Niet
de volle kop van haar droefenis en gemis,
de hoeder van koeien. Niet de angst, niet ik.
Een moeder in Geertruidenberg streelt haar stoffen.
De borst van een Vestaalse maagd is
bestikt met groene vliegen. In mijn armen
ligt een rat die op een kruispunt doolde.
Moeders kruispunt is mijn rat, mijn kat.
Ik graai maar mis de kat, de rat, de bloesems.
Een moeder in Roermond, gezeten in een fauteuil,
zij zuigt aan kindertijd. Zij nipt van haar fantoom.
In haar tapijt stort ik mijn ziel.
Ik ben nat als melknevel, geneigd tot waarheid,
maar te bang om die te vangen. Zij is een straat
die mijn achteruitkijkspiegels vult.
Zij is mijn dode hoek, mijn moord op
formules. Het achterland sterft.
Een moeder kijkt naar vliegtuigen die boven hei
stijgen en weer dalen. Zij huilt als een aap.
Alles is nu afwezig. Alles zwijgt.
Een moeder in Doodstil bekijkt haar handen.
Zij komt dichterbij en schilt verder. De molshoop
in haar pupil is een bazaar. Ik doop haar
moeder van de stilte, maar zij zijn allemaal
moeders van de stilte. En allen huilen zij
als apen, geluidloos, zonder snik.
En allen zijn zij bang voor de uil,
zijn roepen en zijn zoeven.



De vaders


Het onverwoestbare hecht zich aan vaders.
Dat waar de wind geen vat op krijgt.
Ze wachten in tochtgaten, in tunnels, in bassins.
Een vader in Heeg, hij ziet de schepen vertrekken
uit een luchtbel die nooit een gedachte wordt.
De man uit Heeg, hij vangt een vis. De kinderen
hangen aan zijn lippen en verdwijnen even snel
als de haak in het vlees. Balanceren zelf over het strakgespannen
koord, boven de strakke darm. Hij draagt een varkensmasker
op een carnaval in Grubbenvorst, waar geile handen graaien,
azijn druipt uit zijn buikhaar.
Een vader uit Middelburg,
hij aanbidt de opera, eet Japans tussen kloostermuren,
steelt flessen en partituren. Speelt op verlies,
is waarachtig tragisch en aanbidt de god van het vadsige,
deze menger van goud en zilver, van melk en stront,
hij zingt. Zijn soort hunkert naar de zee.
Een vader in Lommel luidt de klok. Hij zendt
geluiden naar de einder uit zijn bronzen botten.
Hij is gebocheld noch brenger van onheil.
Hij zwaait met een zweep en grossiert in afgehakte klauwen
als presse-papiers. Al eten wilde dieren uit zijn hand,
hij danst de tango in een knekelhuis. Hij houdt van
dikke vrouwen in zoetzuur, van bier en uitgebakken nacht.
De akkers en de golven springen in zijn oogwit,
nooit zal hij het late en sublieme uur bereiken.
Vaders van lawaai, windberijders zonder sporen,
bang zijn jullie voor het keerpunt, voor het licht.
Voor een nacht in de zon.



De wedergeboorte

Uit het diepst van mijn slaap komen ze tevoorschijn:
de stichters van een nieuwe natie. In mistige poelen
en moerassen, in een heksensoep van
padden en zwavel verwekken zij de toekomst.
Ik zie een continent van dromen en van droomgezichten,
een mycelium van scheppingen. Dolende geesten
tikken op deuren. In dit late uur kloppen zij vergeefs,
als een hart zonder lichaam. Het schelle licht
verblindt de slapenden en wekt hen uit het duister van de eeuwen.
Het is het uur van de uil die in de zon vliegt.


Gedichten

door Joris Lenstra (1977)
Een Idylle

Bergen lezen geen gedichten,
noch de steile stenen hellingen, de ingesleten
dalingen, de herder met zijn horde op pad,
de bomen en struiken die zich angstvallig vastklampen,
al groeiend de zwaartekracht trotseren.

De opstuivende zandstenen paden door het
natte heuvelgras hebben nog nooit
woorden bewonderd; het atonaal
gebel van geitenbellen, het gehuppel
dat overgaat in wild gedraf evenmin.

Nee, deze toonaangevende bergtoppen
verdiepen zich niet in poëzie, noch de man in zijn roestig
blauwe oplegger die hier dagelijks om de natuur heen
zijn weg aflegt. Hij heeft geen tijd
voor de ijdelheid van woorden.

Gedichten hebben niets met de natuur van doen,
kennen niet het geluk van een herder
die op een goede ochtend een perfecte stok vindt,
of een riet bijsnijdt voor de juiste
klank in zijn melodie.

De aangezeten hond vraagt hem niet
om rijmende woorden op versmaat gezet.
De toon en het commando
zijn poëzie voor hem—-hij gehoorzaamt
blindelings en jaagt
de wolken weer bij elkaar.

Woorden hebben hier slechts plaats
in het boekje van de eenzame jongeman
die opkijkt boven de schapen naar de wolken,
de woorden herleest en misschien daarna denkt
aan zijn nog slapende vrouw,
aan haar lichaam dat zich uitstrekt als een boeiend landschap.



De Heilige op de Fiets

O onbegrijpelijk!

Hoe schoonheid ras haar fiets bestijgt,
hoe haar taps toelopende benen vaart meegeven.

Voorop en achter zit hobbelend
babbelend zorgeloos kroost en ik ben getroffen

door het zonlicht dat haar door de haren strijkt.
Als heiligen bestaan, moet zij zo zijn:

etherisch en astraal.
Ik ben verliefd nu zij wegfietst

en ik in volle vervoering verstijf,
klaar om opgevouwen en weggelegd te worden.



Sjanghai

Zie de voortraderende fietswielen over de hellingen van Sjanghai.
De wereld van de Boeddha is rond.
Achterop over de stenen stuitert mijn hart
Verpakt in een rood strikkendoosje.

Het regent tranen uit het Oosten,
Verdriet uit de onderwereld opgeschept en in wolken meegedragen
Begeleidt de stemmen die terug willen keren, maar dat zonder lichaam niet kunnen.
Iedere dag hollen hun kreten de lucht uit.
Maar wij horen ze niet, het is hier veel te druk in Sjanghai.

De straten waarop wij lopen zijn neergelegd door dode handen.
De gebouwen die voorovergebogen en troosteloos de zon wegduwen
Zijn bedacht door eveneens ingetogen en inmiddels overleden gezichten.
De vrouw op straat onder haar ronde drakenrode paraplu
Praat nog bijna dagelijks tegen haar dode tante
Ook al zegt die niets meer terug, boos als ze op haar is.

Ik grijp een handvol van de rode klei nabij de Gele Rivier.
Ik besta nog echt.
Ook al heb ik niets meer te bekennen onder de blauwe hemel
En alles wat ik weet is te kort om lang te zijn.

Neem mij mee, ik vraag het aan de bomen,
Waaronder je verlicht kunt raken.
Ik vraag het aan de wolken die rondhangen, wachtend
Om door draken versnipperd te worden.
Ik vraag het aan de lach die licht als lucht mij steels toegeworpen wordt
Omdat ik verdwaald en Westers ben;
Ik vraag teveel en ik heb teveel gekregen.

Wanneer het vliegtuig weer omhoog zucht en ik opnieuw
Op stalen vleugels de wolken berijd richting een onbestemd,
Rustig en kleivol huis,
Proef ik in herinnering weer die nacht toen ik
Een opiumpijp aan mijn mond zette
En de mensen dood rond zag lopen.


Gedichten

door Moniza Alvi (2008)
Arrival 1946

The boat docked in at Liverpool.
From the train Tariq stared
at an unbroken line of washing
from the North West to Euston.

These are strange people, he thought –
an Empire, and all this washing,
the underwear, the Englishman’s garden.
It was Monday, and very sharp.


Aankomst 1946

De boot meerde af in Liverpool.
Vanuit de trein staarde Tariq
naar een ononderbroken rij wasgoed
van het Noord-Weststation tot Euston.

Dit zijn rare mensen, dacht hij,
een wereldrijk en al die was,
het ondergoed, de Engelsman z’n tuin.
Het was maandag en erg guur.


Uit: The Country at My Shoulder
Vertaling: Kees Klok
 




Spit

I’m back in Oxford, summer ’72 –
my father’s aspirations thirty years ago.
A family visit. Sun and cloud.
Girls in floating Laura Ashley dresses,
climbing into student cars, driven
to picnics, to who knew where.
The shining ones – could I really
become one of them?
Then cutting through all this,
a man steps forward, spits at us,
and hurries on – revealing
my mother and father to me,
stripped of their protective glass,
their two colours, like those double
erasers we used then, for ink and pencil.
My parents, fixed, momentarily
in that hallowed city
of pavements, noise and clouds.
My mother’s furious face,
my father’s seeming absentmindedness.
Little said. The moving on.


Spuug

Ik ben terug in Oxford, zomer ’72 –
de aspiraties van mijn vader dertig jaar geleden.
Een bezoek met het hele gezin. Zon en wolken.
Meisjes in wapperende Laura Ashley-jurken
stappen in studentenauto’s, worden naar picknicks
of naar wie weet waar gereden.
Zoals die stralende – zou ik werkelijk
een van hen kunnen worden?
Dan stapt er dwars door dit alles heen
een man naar voren, die naar ons spuugt
en snel doorloopt – hij toont me
mijn vader en moeder,
ontdaan van hun beschermend glas,
hun twee kleuren, zoals het dubbele
vlakgom dat we indertijd gebruikten, voor inkt en potlood.
Mijn ouders, een ogenblik gestold
in die gewijde stad
van trottoirs, lawaai en wolken.
Het woedende gezicht van mijn moeder,
de schijnbare verstrooidheid van mijn vader.
Weinig gezegd. Het doorlopen.

Uit: How the Stone Found Its Voice. Tarset 2005.
Vertaling: Kees Klok
 




Alamgir Hashmi’s Camel

I want to borrow Hasmi’s camel,
that formed itself
from an American cloud,
its hump
the difficult curve
of the earth
.

I wonder if it’s on loan
for border crossings, awkward journeys,
for travelling in English deserts.

Let me welcome it,
shy from early persecution,
a little grumpy
despite its many advantages,
introduce it to our neighbourhood.

I turn my head
and sand blows past the houses,
swirls down the streets and avenues.
The camel closes its nostrils.

These are heated times.
It treats the boating-lake
as its water-hole.

A number of residents
have not wished for
a black or brown person
as a neighbour.

And now they have a camel
suggesting itself as a means of transport,
a beast with coarse hair
and a tufted tail,
a lofty expression
and nothing particular to do.

It is trying to sum something up,
to get a feel for the suburbs,
its hump full of unfamiliar words
and disturbing customs.

It moves with a swaying stride,
kneels by the Mace shop.
England, a new thought on its lips.


De kameel van Alamgir Hashmi

Ik wil de kameel van Hasmi lenen,
die zichzelf heeft gevormd
uit een Amerikaanse wolk,
zijn bult
de lastige kromming
van de aarde
.

Ik vraag me af of hij te leen is
voor het overschrijden van grenzen, gevaarlijke tochten,
voor het reizen door Engelse woestijnen.

Laat ik hem welkom heten,
schuw door eerdere vervolging,
een beetje knorrig
ondanks zijn vele voordelen,
laat ik hem aan de buurt voorstellen.

Ik draai mijn hoofd om
en er waait zand langs de huizen,
het spiraalt door de straten en lanen.
De kameel sluit zijn neusgaten.

Dit zijn opgewonden tijden.
Hij behandelt de kanovijver
als zijn drinkplaats.

Een aantal inwoners
heeft zich geen zwart
of bruin iemand
als buur gewenst.

En nu hebben ze een kameel
die zich voorstelt als transportmiddel,
een beest met ruig haar
en een staart als een kwast,
een trotse uitdrukking
en niets bijzonders te doen.

Hij probeert een en ander op en rijtje te zetten,
om wat sympathie te krijgen voor de buitenwijken,
zijn bult vol onbekende woorden
en verontrustende gewoonten.

Hij beweegt met een zwalkende stap
en knielt neer bij de Buurtwinkel.
Engeland, een nieuw idee op zijn lippen.


In: How the Stone Found Its Voice. Tarset 2005.
Vertaling: Kees Klok

 




The Suits

My father’s forties’ suit, bought when he first came to England,
pin-striped with broad lapels, comfortingly chocolate, but crisp.

He and his Pakistani friends and their we-have-arrived-suits.
In a black-and-white snap, Dad sits on the grass at a rural crossroads,

head in his hands, signs pointing in all directions: Digswell, Welwyn,
Tevin Wood…Even here, deep in the countryside, he’s wearing

his suit. He’s handsome as a doctor, our neighbour said.
My father and his friends, marvelled at wherever they went, ordering

a sandwich at the Comet Hotel, or shopping on the Barnet bypass.
This was before Go back home! Their suits of armour

could have stood up without them. Walked on and on.


De pakken

Het jaren veertig pak van mijn vader, gekocht toen hij voor het eerst naar Engeland kwam,
krijtstreep met brede revers, geruststellend chocoladebruin, maar gedecideerd.

Hij met zijn Pakistaanse vrienden en hun wij-zijn-aangekomen-pakken.
Op een zwartwitkiekje zit Vader in het gras op een landelijk kruispunt,

handen onder zijn hoofd, richtingborden die alle kanten op wijzen: Digswell, Welwyn,
Tevin Wood…Zelfs hier, midden op het platteland, draagt hij

zijn pak. Hij is mooi als een dokter, zei onze buurvrouw.
Mijn vader en zijn vrienden, waar ze ook maar gingen verbaasden ze zich, terwijl

ze een sandwich bestelden in het Comet Hotel of winkelden op de ringweg van Barnet.
Dat was voor het Rot op naar huis! Hun harnassen

hadden zich zonder hen kunnen handhaven. Almaar voortlopend.


Uit: How the Stone Found Its Voice. Tarset 2005.
Vertaling: Kees Klok
 




England, I Am Gazing at Your Body

stretched out on the sea,
buoyed up on the waves.
I watch it brighten and darken,
go warm and cold.

Weakened, shrunk, thrown back
on my mercy, you ask for a grain
of understanding –
all I can do is sniff you, your industrial belts,
your hedgerows, your crags and reservoirs,
rest an elbow on a grass roundabout.

I press the weight of my body
against the bulk of yours.
The wind blows across our contours,
the black-dog rocks, the winking lights,
the peopled parks, an unforgiving street.

England, it’s time
                              to call the children in.

I pull myself off you.
Hard to prise my stickiness from yours.


Engeland, ik staar naar je lichaam

uitgestrekt op de zee,
drijvend gehouden op de golven.
Ik zie het opfleuren en versomberen,
warm en koud worden.

Verzwakt, gekrompen, teruggeworpen
op mijn genade, vraag je een greintje
begrip –
al wat ik kan doen is aan je ruiken, je industriegebieden,
je hagen, je rotspunten en stuwbekkens,
een elleboog laten rusten op een rotonde van gras.

Ik druk het gewicht van mijn lichaam
tegen de massa van het jouwe.
De wind waait over onze contouren,
de rotsen als zwarte honden, de flikkerende lichten,
de bevolkte parken, een onverzoenlijke straat.

Engeland, het is tijd
                                   om de kinderen binnen te roepen.

Ik trek mezelf van je af.
Moeilijk om mijn kleverigheid te breken van de jouwe.


Uit: How the Stone Found Its Voice. Tarset 2005.
Vertaling: Kees Klok
 




English Roses


What drew Harinder to the rose gardens?
Was it a Pakistani’s love for English girls,
ladies of consequence, superior women?

Thick gloves dealt with their thorns,
and thankfully they had no voice,
just opened their white, their lilac hearts,
displayed themselves like eager debutantes.

Nurturing such women, spraying their greenfly,
was a serious matter, like cutting of heads.
He called them by their names –
                                          and they responded.

Penelope, Emily Gray, Ena Harkness…
In the ordered, windy nurseries
so many of them chose him.


Engelse rozen

Wat trok Harinder naar de rozentuinen?
Was het de liefde van een Pakistaan voor Engelse meisjes,
dames van belang of superieure vrouwen?

Dikke handschoenen boden hun doornen het hoofd
en goddank hadden ze geen stem,
ze openden alleen maar hun witte, hun lila harten,
terwijl ze zich toonden als begerige debutantes.

Zulke vrouwen verzorgen, hun bladluis bespuiten,
was een serieuze zaak, zoals het afhakken van hoofden.
Hij noemde hen bij hun namen –
                                          en zij reageerden.

Penelope, Emily Gray, Ena Harkness…
Zoveel van hen kozen hem
in de geordende, winderige kwekerijen.


Uit: How the Stone Found Its Voice. Tarset 2005.
Vertaling: Kees Klok
 




So Much Goes On

(after Jean Rhys)

It seems to me that Englishmen
make love with all their clothes on –
they think it more respectable that way.

And then, of course, for luck they add
a macintosh, to keep the dark rain off.
Under an umbrella, so much goes on.


Er gebeurt zoveel
(naar Jean Rhys)

Me dunkt dat Engelsen
de liefde bedrijven met al hun kleren aan –
ze vinden het op die manier fatsoenlijker.

En vervolgens trekken ze er natuurlijk voor het geluk
een regenjas bij aan, om de donkere regen te weren.
Er gebeurt zoveel onder een paraplu.


Uit: How the Stone Found Its Voice. Tarset 2005.
Vertaling: Kees Klok
 




For My Daughter

Your name rests for a moment on my tongue
and speaks resoundingly of Englishness.
I let it stay a little longer

and it swells and fluctuates.
You are here with a whisper
of another continent in your bones,

though you can’t yet think of it like that.
And perhaps we are all immigrants
in these towns and villages,

and all strangers to ourselves.
When I say your name it melts like ice,
or starts to grow –

a hospital, a playground,
a path through the fields, the sky.


Voor mijn dochter

Jouw naam rust een ogenblik op mijn tong
en spreekt daverend van Engelsheid.
Ik laat hem nog even blijven,

hij zet uit en gaat op en neer.
Je bent hier met in je gebeente
een fluistering van een ander continent,

al kun je dat zelf zo nog niet zien.
En misschien zijn we allemaal wel immigranten
in deze dorpen en steden,

en allemaal vreemden voor onszelf.
Als ik jouw naam noem smelt hij als ijs,
of begint te groeien –

een ziekenhuis, een speelplaats,
een pad door de velden, de lucht.


Uit: How the Stone Found Its Voice. Tarset 2005.
Vertaling: Kees Klok
 

Gedichten

door Thom Schrijer (1937)
natuurmonumenten

Ook in woord gaat hij ons voor, de gids, broze dingen
van natuur bij de hand. Wij lopen onder een hemel
van gewassen blauw over de dijk in een mens vergeten
zomeravond uur.

Steeds meer karrevelden en inlagen schuiven aan ons
voorbij, kluten en lepelaars herhalen zich, zeekraal,
kwelbuizen en oude grondpatronen.

Zijn woorden zoeken hun plek in van zilt en woede
doortrokken verhalen. In bodemdiepe dorpen keert het tij
van elke dag op dode schreden met berichten van de zee.

Tot hier het teruggedrongen land, de geschouderde dijk,
lui water, dat zich spiegelt aan een nagebleven uur,
meeuwen, sterns, een tureluur. Gelig licht over voldongen,
als een veelbetekenend, dun lachen.
 




de werker

Hij wordt wakker van het dringen
van een dag, de ochtendspits, de
dunne handen op zijn schouders.

Hij is houder van records zonder
betekenis. Van zijn tijd bolt hij de
uren uit in bange dienstverbanden.

Door productielijnen overmand, zijn
hoge toon verzand in wrevel, wil
hij vandaag alleen maar rekenen in
soorten van verdwijnen, uit zijn
systemen weggeschreven zijn.

Vandaag wil hij plaatsvinden in
een fietser op een plein, een fietser
die rondrijdt op een plein en
regels terugzingt uit een droog
gevallen kinderlied.
 






Zoals J. de dag aansnijdt, brood en
licht verdeelt, de stilte onderhoudt
met de altijd groene woorden van ons
zwijgen.

Zoals haar huid in de morgen, hoe zij
dan kleren zoekt van kleine luister,
fietsend straten naar haar hand beweegt,
mensen aanroert en voedsel verzamelt.

Hoe zij mijn dode hoeken inricht met
wat van stug belang: voordeur, tafel,
bed, de buurtberichten, ons samenspant
tegen neergang, vormverlies.

Zoals zij soms haar twijfels rijgt,
bitterheden wisselt, als laatste lacht.

Hoe zij dan weer dagen aanspreekt op
hun beloften, ronduit zingt, zich innig
beschikbaar weet voor ons omarmen.

Zoals J. volhoudt dat ouder worden
een nablijven is waarbij de vege tekens
zullen verdwijnen.
 

Gedichten

door Inge Kielen (1988)
Nu je reeds gemerkt hebt dat ten langen leste
deze oude wereld tot je spreekt met ‘u’.
Waarom drink je dan nog altijd triosième cru?
Waarom spreek je dan nog altijd in rekesten?

Toon mij toch de vogels en hun nieuwe nesten.
Stel mij vragen als: Wat unbidan we nu?
Toon mij dan de boskat in voorjaarstenue.
Zeg mij dat ook ons nog zeven levens resten.

Laten wij vandaag beginnen aan het tweede.
Eens gestorven zijn we immers allebei.
Staak bij deze dus je jammerlijke bede.

Vind vandaag in ‘t veld het eerste kievitsei.
Deel mijn hand en deel mijn huis en deel mij mede:
Deze winter is nu eindelijk voorbij.
 






Condens
over gesloten ogen.
Strijd gestreden.
De aarde een getal gemaakt.
Het firmament geleegd
met emmers.
Aantrekkingskracht
is iets van planeten en appels.

Ik at het voedsel
uit je hand.
Ik dronk de druppels
van je lippen.
Vraag niet
wat ik weten wil.
Laat mij
mij verhullen
in rouw.
Ik denk je liever
dood te zijn.
 




Losprijs

op de derde dag
kocht de taal haar vrij
verstierven woorden
legde haar tong zich in haar keel
en verstopte

op de vierde dag
brak de deur

lange armen zijn er en
stemmen en zoenen
haperende voeten
ze vragen en praten en
bedenken waar haar
gedachten zouden zijn.

maar geen zin kan drijven
op die dagen. er is niets
dan voordat en nadien
en het verschil