Gedichten

door Joke van Leeuwen (1952)
VIER MANIEREN OM OP IEMAND TE WACHTEN

1.   Zittend. Denkend aan liggen. Je handen
      strijken rimpels in het tafellaken glad
      rond een gerecht dat moeilijk en te veel
      voor twee en niet als op het plaatje is,
      maar ruikt, het ruikt de ramen uit, het
      doet zijn best niet in te zakken, zoals
      een ingehouden buik niet bol te zijn -
      ook andersom is vergelijken.

2.   Lopend. Bijvoorbeeld naar de ramen
      en terug en toch weer naar de ramen,
      omdat geluid zich buigt naar wat je
      horen wilt, maar het niet is. Er danst
      een stoet voorbij, verklede mensen die
      iets onverstaanbaars juichen, van elkaar
      goed weten hoe ze heten en te kijken
      dansen dat je kijken moet.

3.   Staand. Bij een ingang, uitgang waar je zei
      dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
      of die of deze. Van blijven staan komt
      niemand tegen, maar met bewegen
      wordt haast bereikt wat net verdween.
      Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
      beweegt en wie dan wie wanneer
      en van hoe ver weer ziet.

4.    Niet.


Uit: Vier manieren om op iemand te wachten (2001), uitgeverij Querido

 



VEL

Wat trager toch en moeilijker
getekend dan geschreven:
kilometers krentenbollen,
massa’s met behoeftes,
warme macedoine,
kus van nog zonet,
bijvoorbeeld, enzovoort.

Teken een muur: het is erachter.
Trek een rivier: het veer mag varen.
Teken een streep: herken de verte.
Wit papier is winter.


Uit: Wuif de mussen uit (2006), Uitgeverij Querido
 

Gedichten

door Juliën Holtrigter (1946)
EEN FIJNE AVOND

Het strand ligt bezaaid met kammen,
strengen, katrollen. De zee is vrijgevig.

Maar de schappen zijn bijna leeg. Het is druk
bij de kassa, men hamstert.

De massa dringt op, eist rijkdom, vrijheid,
gelijkheid. Er zullen koppen gaan rollen!

Mijn brood en mijn wijn afgerekend.
Zegeltjes nog? Een fijne avond!

Hoor ik het goed? Men groet mij
uiterst beleefd. Ik heb niets te vrezen.
 




LETTERS

Ze trokken zich terug, er schuin tegenover.
Hard in mijn hand een stuk drijfhout.

De maan strooide licht in de schaal.
En de zee begon te bewegen.

De hak van de majesteit brak.
Toch liep zij rechtop.

Niemand had het gezien, buiten ons,
maar nu staat het geschreven.

Al het geëtter eindigt in letters.
Niets gaat verloren.

Want het gaat om het Boek.
Dat de Ene voor eeuwig kan lezen.
 




PELGRIMAGE

Op weg naar Raayens, te voet, even gestopt.
Twijfel aan straathoek Raaiweg / Heupenstallaan.

Foto gemaakt en mij gevraagd: is dit waar?
En zo ja, in hoe ver?
Er was toch meer dan men ziet?

Leg je oor op de rails en verloochen je ogen.
Dan zul je horen geritsel, gerinkel, hoe men moet
lopen om ergens te komen en waarvandaan men
dat doet. Om maar een dwarsstraat te noemen.

Zwaar hangt de slaap in de bomen. De zomer
kauwt op haar weefsels, haar speeksel is oud.

Een stevige beet in jong vlees, dat geneest.
En dan luisteren leren, nog beter.
 




SPUI

Voor Jean-Jacques Suurmond

Het Spui overstekend, de zon scheen, op weg
naar een dode, hoorde ik zeggen: Ik ben
de verteller en jij bent mijn personage,
een van de vele. Maar laat je niet imponeren.
Ga toch vooral met mijn plot op de loop.

Ja, deze schrijver die mij verzon en beminde,
die mij beschermt, niet tegen waanzin of
wanhoop, niet tegen kanker of dood,
was een moment in het heden!

Ik haal je nog eens met zeer harde hand
uit de stront, zo klonk het daarna nog.
Heb meelij met hen die niet onder worden
gescheten, want je zult zien, ik sta op en
ik keer alles om: ik red het uitschot en
geef hen een naam.
 

Gedichten

door Jeroen Dera (1986)
KIST

bij toeval dacht ik vanochtend aan de dood.
ik zag geen wreedaard, zeis of zwart fluweel,
ik zag niets.

in de keuken stond een kist. dit is een drager
van aardappels. men haalt ze uit de grond,
neemt hun jas aan, de kapstok is een groene bak,
ma serveert met bonen.

dan eet je met smaak. het mes snijdt aan twee kanten
het naaktgekookte bovenlijf aan kruimels.

men zou je zo maar opgraven.
 




HERZ

een koe is zich zijn staart niet bewust,
hoogstens de vlieg.

zo zagen we er een staan
roken het groene gras, dachten dat
te ruiken. jij meende ook de vlieg
te horen suizen, sprak smalend:

‘het zoemt hier’

ik dacht aan hera, de godin,
en vroeg me af of het haar appel
was waarin wormen zich boorden.

toch hoorde slechts de stilte,
zelfs toen je wegfietste.
 




SCHAALDIER

als een parachute openklapt
maar er geen lucht bestaat

zo liep ik langs de kust
en zag kinderen op rotsen
zich hurken als kangoeroepoten
hoewel alle schelpen fluisteren:
‘jullie ontspringen niet’

het was glad die dag,
men sprak wel van spek,
zoals een parachute niet opengaat

en er wel lucht bestaat
 

Gedichten

door Anna de Bruyckere (1987)
Winterwarmte

We nemen de kranten, beplakken de benen als soms
etalages hun ruiten, verzekeren zo warmte van lijven
naast elkaar in het donker te blijven, te rijpen.

Waarom we geen dekens mee hebben genomen. De lucht
van de nacht tussen ons is te kostbaar om met stof te bedekken,
we lezen liever papieren berichten om de wereld veilig te stellen,

te voelen dat alles nog draait om ons heen. Wel legden we een zeil
om te liggen, je moet toch ergens beginnen, ook in de winter.
Vuur was niet nodig, daar zorgde die bollende rok achterop

op de heenweg wel voor.
 




Over de doden

Hoe een wereld te tekenen valt aan de andere kant
en hoe ook bij hen een horizon een band langs de dag
legt (of er een horizon is en als de regenboog eens komt,
of die dan onze kleuren heeft). Grenzen die onzichtbaar lijken,

zijn niet altijd met gemak te passeren.

Hoe zij nog treinen naar waar ze nog niet waren, daar
een sigarettenpeuk aansteken en vooral niet proosten
op het leven. Nee, dan die kransen als banden om niet
te verdrinken als ze opnieuw leren zwemmen,

de bloemen als tekens van hoe je verwanten te vinden.
En hoe de aangehechte linten misschien wel dienst doen
als ladders op de vierkante centimeter, te klimmen
per vezel om vandaar de wereld eens goed te bekijken—

hoe niemand weet of zij ons missen.
 




Laatst

De hartslag van de avond is een oude vrouw
die met tergende tussenpozen haar matten klopt—

net zo langzaam de vloer die nauwelijks voelbaar
zijn mouwen opstroopt om ons weg te vegen, langzaam
het licht dat telkens verder teruggedrongen wordt
als een krimpende straal die niet meer weet hoe zich buiten
zijn cirkel te draaien (of hij dat ooit deed en waarom dan),
en langzaam de taal die we wegen op lippen terwijl de schaal
lichtjes doorslaat naar de wazige zijde.

Te zeggen tegen het donker: "Maar ik ben jong, ik zoek nog
naar antwoorden, nog lang niet naar vragen. Volgend jaar misschien".

Te weten, ooit is er een avond als deze maar toch niet als deze
want zonder mij. We wachten nog even op het einde.
 

Gedichten

Eindeloze nachten

Slaap, kom en neem mij op,
geef mij rust,
breng mij naar andere horizonten,
verander mij in een heldere ster
aan de hemel.

Vandaar zal ik jullie zien en meeleven
met jullie genoegens en problemen.
We zullen een praatje maken,
want we weten dat de doden
leven onder de levenden.

Albert Schweitzerziekenhuis, Dordrecht, 22.12.2007
 




Zwijgende stenen

Onsterfelijk als goden
verzinken ze in eeuwigheid
op of in de aarde.

Ruw of bewerkt
kunnen ze niet spreken
maar wel duidelijk
hun eigenschappen tonen.

In vorm, in kleur of
in scheikundige samenstelling
letterlijk en figuurlijk:
edelstenen, kunststenen,
een helse steen
of een steen des aanstoots.

Als graniet, marmer of basalt
vergezellen ze ons thuis
in het bureau, op straat
of in een park.

Betrouwbaar en hard
koud en onverschillig
kan alleen druppelend water
hen beschadigen,

maar dan kunnen zij nog
als stalactieten en stalagmieten
een paleis bouwen in een grot.

We leven en spelen met stenen.
Zij blijven, wij verdwijnen.
 




De boomgaard van meneer Asimákis

Een klein lapje grond
en daar omheen lage
joodse huisjes. De bomen
benauwend dicht
voor onze ramen geplant
waren de reden
voor buurvrouw Victoria,
met het dure ondergoed
(ze schepte in elk geval op
dat ze dat droeg),
om Homerisch ruzie te maken
over haar fundering wanneer ze
meneer Asimákis ook maar zag,
de ene keer om te schoffelen,
de andere om water te geven
of te snoeien.

En wat had die gaarde wel niet:
bijna alle soorten vruchtbomen
en zelfs druivenranken over een pergola.
En verder allerlei groenten:
bosuien, knoflook, sperziebonen,
aardappelen, tomaten en aubergines.
Ook peterselie ontbrak niet.

Als kinderen sprongen we soms
uit het raam en stopten onze blouses
stiekem vol met vruchten, want
meneer Asimákis was niet erg gul
en als we werden betrapt
zwaaide er wat…..

De boomgaard is asfalt geworden
en wie zal zeggen wat er
met meneer Asimákis is gebeurd.
 




De Nymph van het Noorden*

Zo oud reeds jouw levensgeschiedenis.
De onverbiddelijke tijd telt voor jou zonder
onderbreking al drieëntwintig eeuwen

Je was één der aanzienlijksten
van Byzantium.Je sprak vele talen.
Oost en West ontmoetten elkaar waar
jouw beklinkerde straten zich kruisten.

Waarachtig, je hebt veel geleden.
Verraden en verkracht door barbaren
en eigen volk hield je, ondanks
alle ellende en veranderingen, vast
aan je geloof, taal en traditie.

Je hebt veel waardevolle kinderen gebaard.
Je was de beste lerares in de strijd
voor democratische instellingen.
Je culturele erfenis werd niet goed beheerd,
maar wat overbleef,
transformeerde zich in poëzie en kunst.

Je hebt uithoudingsvermogen en weet af te wachten.
Vanaf de Hortiatis en vanaf jouw muren
zie je waar het doffe blauw
van de eindeloze zee zich mengt
met de bleke kleur van de lucht.
Daar precies houd je halt en richt je
je blik op de goddelijke Olympus.

Vandaag open je wijd je armen voor een warme
omhelzing van wie hier steeds weer komen
om in vrede met je te wonen.
Je blijft Tsitsanis Moeder van de Armen,
zinderend van leven en drukte.
Je bent, Nymph van het Noorden,
weer het centrum geworden
van een grote microkosmos.


* Thessaloniki
 




De mondscheinsonate bij Dordrecht

Selene houdt vanavond
de sluiers van de nacht tegen
en wordt een droom vol muziek.

Ze verjaagt de bleke, mauve wolken
en daalt neer om haar volheid
te vieren met de Aarde.

Ze werpt haar zilveren mantel
over het Groothoofd en overspoelt
de poort en de bomen met licht.

Ze weerspiegelt zich in het water
en speelt met de zeilen van schepen
die onophoudelijk komen en gaan,
terwijl ze de loop van de geschiedenis volgen.

Maar de visser zal aan land gaan
om door de middeleeuwse stegen
te lopen en te rusten
in een van de kroegen van de stad.

Met zijn dorst gelest en bedwelmd
door de schoonheid van het maanlicht
zal hij tenslotte als een Verne opstijgen
Van de Aarde naar de Maan.
 




Ooit

Ooit droomde ik me
groene weiden met gouden zonnen.

Ooit maakte ik plannen
hoe ik wilde leven.

Ooit was mijn leven
helder stromend water, een kristal.

Nu verlies ik me in vragen
zonder antwoorden te krijgen.

Nu leef ik met de dag,
van iedereen afhankelijk.

Nu hangt mijn leven
aan een dunne draad.


Dordrecht, 2.11.2007
 




Ongenode gast

Hij kwam ongenood en stiekem.
In het begin deed ik alsof ik
zijn aankloppen niet hoorde,
maar toen hij de tuinpoort sloopte
kon ik hem niet meer tegenhouden.

Ik heb hem opengedaan
en hij kwam binnen als een wervelwind.
De muziek zweeg.
Mijn gasten versteven op hun plek
met hun glas in de hand.

Hij heeft iedereen nieuwsgierig bekeken,
van top tot teen.
Uiteindelijk greep hij mij en we begonnen
een tango van Piazzola te dansen.

Harmonische bewegingen met ingewikkelde figuren.
Ik volgde trouw zijn passen.
Ik wilde geen ruzie maken.
Ik wilde de avond niet bederven.


Albert Schweitzerziekenhuis, Dordrecht, 14.10.2007
 




Zonlicht

Zon, maanden lang wacht ik op je.
Licht, meer licht.
Geen donkere kamers meer
en hermetisch gesloten zielen.

Koning, royaal schenk je
elders je cadeaus
maar hier ben je
gierig en hardnekkig.

Bezieler, barst eindelijk
eens in lachen uit en
houd op aan de eentonige
regen toe te geven.

Eén straal voldoet
om ons humeur te veranderen
en de aarde op te warmen,
die om je zal blijven draaien
en snakken naar je licht.


Dordrecht, mei 2007
 




Zerynthia Polyxena

Zwart, geel, bruinrood
en wat groen en blauw
harmonisch en geometrisch
verdeeld over haar vleugels
zoals een Byzantijns borduurwerk.

De volmaaktheid voltooid;
uit het ei verschijnt de rups
die zich verandert in een pop
en dan volgt de metamorfose
tot vlinder.

Deze schoonheid
als veel andere
duurt niet lang;
tien dagen voldoen
om voor nageslacht te zorgen.

Zij komt slechts voor
in het land van de Olympos en
de Taiyetos, en tegen vijanden
heeft zij een zeldzaam wapen:
aristolochia is haar antwoord.


Dordrecht, juli 2007
(c) Stella Timonidou