Gedichten

door Dennis Gaens (1982)
bezet gebied

onze benen over de rand van het perron geklemd
kijken we langs het spoor dat van elke bestemming
een verdwijnpunt langs een vluchtlijn maakt

kijken in de trein naar een dwarsdoorsnede
van steden die als kralen aan het spoor
worden geregen totdat de knoop compleet is

komen overal langs iets ander glas in hetzelfde beton
spiegels voor wolkenkrabbers en kranen
een enkele helikopter en een blauwdruk voor later

leven in steden gegijzeld door morgen
elke bouwgrond bezet gebied
prikkeldraad de rode lijn

lopen over ruitjespapier en rijden over
steeds nog niet gesleten asfalt
eeuwig onslijtbaar asfalt

en wij met onze benen geklemd om de rand van het perron
zoeken ons verdwijnpunt langs een vluchtlijn
en praten van bestemming
 




de overburen leunen

de overburen leunen langzaam
mijn studentenkamer naar binnen
elke avond iets verder voorover

het fatsoen om verrekijkers of telescopen
te gebruiken is hen vreemd

ze rennen tegen de ruiten
totdat de muren zich uitrekken
richting mijn raam
– zelfs hun kat klauwt mee –
hun ogen op groot
en een bouwlamp in de aanslag

in hun badjassen rennen ze
met hun oren hard tegen het glas gedrukt
soms rennen ze zo hard
dat ze hun gezichten pletten
en ik me afvraag of ze er blijvende schade
aan overhouden

niet lang meer
dan slaat hun adem
condens op de buitenkant
van mijn raam

ik moet gordijnen kopen
en een baksteen klaarleggen
 




veertig graden

als we de kou hierbinnen
de ruimte geven
en onze koorts buiten
op straat laten spelen

ons zweet tussen
de groeven van klinkers
en door blaren in het asfalt
omhoog laten komen
de straat overstromen

lantaarnpalen laten smelten
dwars over de weg alleen
de stoep begaanbaar houden

met onze ruggengraat
door drempels breken
het bestemmingsplan
laten getuigen van
de onrust in onze botten

als we onze koorts
in straten laten razen
zijn we 38, 39, 40
dichterbij de zon
 

Gedichten

door Erik Lindner (1968)
De zee is paars bij Piraeus.

Een vlag kruipt uit de klokkentoren
als de wind draait.

Een man stapt over een hond.
Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

Op een smalle tak zit een duif
die erafvalt, fladdert en opnieuw gaat zitten
de bes die te ver op het uiteinde van de twijg zit
de tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.

Een meisje stapt in de metro met een bureaula.

Op het dikke zand aan de branding
schuift een visser horizontaal zijn hengel uit
een fiets staat naast hem op de standaard.

Hij staat wijdbeens alsof hij plast.
Vogelpootafdrukken in het zand.
De hengel kromt boven de zee.
 






In de storm van zo straks
raakt de weg onbegaanbaar

versperringen sluiten achter ons
mistlichten dimmen voor ons

een klein dakraam links
op de hoogte van de dijk

de figuur die daar zit
tikt met een vingerhoed op tafel

het kind draait in zijn slaap
de televisie speelt geluidloos

de hoek van de brandtrap
in het achterraam

ze legt de krant in de mand
steunt op de rugleuning

telt de tegels tot aan de mat
de kurkstrip tegen de deurpost

zingt binnensmonds
valt een gat in de sneeuw.
 






Als ik naar zee loop
kan ik twee kanten op

– uiteinden van een regel
leest ze langs haar wijsvinger mee
zie je, er staat best wel wat er staat

twee vingers en een duim strijken
als ik naar zee loop

het bergje in de handpalm
vingertoppen die korrels afnemen
het net aangebraden vlees insmeren

ik moet het in de hand houden
als het uit een potje komt
kan ik het niet voelen


wijst ze de leesrichting
prikt in het vlees

als ik naar zee loop
kan ik twee kanten op
strijken mijn vingers

zeef ik de zee.
 

Gedichten

door Gino Van Looy (1974)
Bootvluchtelingen

als de bootvluchtelingen aanspoelen in een Siciliaanse haven
is het altijd etenstijd
niet dat het me niets doet
maar klokvastheid is een gave
ik eet mijn spaghetti
en zie de laatste zwarten wegdrijven
sommigen bijna blauw
happend naar lucht
het is geen zicht
ik was mijn handen en
zeg het hen

‘mondje dicht’
 




Highway to hell

zachtjesaan
naar nergens of
misschien nog iets
verder

het spoor nog
niet bijster
neuk ik me
verloren

‘an arse an arse
my kingdom
for an arse’

deze barre tijden
vragen erom

net
als zij

haar handen op
de rug gebonden
tilt ze
haar kont

mijn koninkrijk
verdwijnt

ik kom
 






Ik wantrouw mensen
-niet zoals een zebra
argwanend kijkt naar de
vage contouren onder
het laaghangende
riet bij de
drinkplaats-
neen, gewoon
zoals in Hiroshima een
klein jongetje
keek naar
Little Boy
 

Gedichten

De groene sneeuw

Ik zag
dat in die lange winter de sneeuw groen was
ik werd wakker, verrast,
dat dezelfde sneeuw
in de schittering van de zon ontdooide en
de lege plaatsen opvulde met het zuivere groen
als van een groen verkeerslicht.

Ja, het groene licht
voor het passeren van een kille waarheid
naar een koele leugen
als mijn onware ontwaken
tussen het slapen door

desondanks zei de liefde
dat de groene sneeuw waarheid noch leugen is
het is een mogelijke schoonheid
die met de betekenis van het seizoen speelt
zodat de hoop niet zonder toeschouwer achterblijft…

Maftoen Amini (1926)
 




Lied uit de ruimte

Het is geen luchtspiegeling
de vrouw die over het verbod heen
naar mijn dorst kijkt

de boog van haar arm is de maan
de plooi van haar rok de melkweg
en haar haar
               de pasgeboren wolk
waar mijn nakomelingen, zonder twijfel
een liefdevol rendez-vous terugvinden
op haar vrolijke planeten

het is geen luchtbel
de vrouw die de verboden tijd passeert
het lichaam dat langs de hindernis
van de nachtwacht vliegt en met
wijn en jeugdige begeerte
in mijn nachtelijke bed wierook en zuchten vermengt

het is geen boek
het lied dat in de gestalte van de nacht
koorts opwekt

Manouchehr Atashi (1931-2005)
 




Indruk

In een steeg
fietst een fietser zonder hoofd
een vogel
zonder vleugels vliegt in de wind
een kind van de melkpoedergeneratie
zuigt bloed
het wist niets van de dood van zijn moeder
een man prevelt het angstgebed
hij buigt en komt niet meer overeind.

Raketten, geweren en tanks
Maken geen indruk meer.

Emran Salahi (1946-2006)
 






Aan het eind van dit gedicht
zul je de sneeuw zien,
je kunt je haar over een berg sneeuw uitspreiden
je kunt
je honingkleurige ogen
             boven zijn verwarde vlokken
             openen en huilen.

Je kunt de woorden van dit gedicht
In een hoek ophopen
om een droevige sneeuwman te maken.
Je kunt
zijn tranen van sneeuw
verzamelen
om nog een sneeuwman te maken…

Aan het eind van dit gedicht
is er niets
behalve het totaal witte papier:
een verdriet voor de stilte,
maar…
aan het begin van dit gedicht
             gaat het sneeuwen.

Kasra Anghaee (1967)
 




Midden in het donker

midden in het donker
heb ik je geroepen
het was stil en de bries
nam de gordijnen mee
in de vermoeide hemel
verbrandde een ster
stierf een ster

ik heb je geroepen
ik heb je geroepen
als een glas melk
was mijn hele bestaan
in mijn handen
de blauwe blik van de maan
raakte de ramen

een droevig lied
steeg op als rook
uit de stad van de krekels
als rook gleed het
langs de ramen

de hele nacht daar
midden op mijn borst
hijgde
iemand wanhopig

iemand stond op
iemand verlangde naar je
twee koude handen
weigerden haar weer

de hele nacht daar
druppelde het verdriet
van de zwarte takken
iemand verloor zichzelf
iemand riep je
de lucht stortte als puin
op haar neer

mijn kleine boom
was verliefd op de wind
op de dakloze wind

waar is het huis van de wind?
waar is het huis van de wind?

Forough Farrokhzad (1934-1967)
 




Water

Laten we het water niet bemodderen:
wellicht drinkt in de verte een duif van het water
Of wast een mus zich in een ver veld
Of wordt een kruik gevuld in een dorp.

Laten we het water niet vertroebelen:
wellicht stroomt dit water naar een witte populier
om een gebroken hart te troosten.
Wellicht doopt de hand van een zwerver
een stuk droog brood in het water.

Een mooie vrouw zit bij de rivier,
laten we het water niet bemodderen:
haar mooie gezicht wordt verdubbeld.

Wat een heerlijk water!
Wat een heldere rivier!
De bewoners stroomopwaarts hebben het prettig!
Mogen hun bronnen schuimend blijven
en hun koeien vol melk!
Hun dorp heb ik nog niet gezien
ongetwijfeld zijn naast hun tentpalen
de voetsporen van God te zien.
Daar verlichten maanstralen de diepte van het woord
ongetwijfeld zijn de muren daar laag
mensen weten wat voor bloem de papaver is
ongetwijfeld is blauw daar blauw
een bloesem bloeit, iedereen weet het.
Wat een dorp moet dat zijn!
Mogen de stegen vol muziek blijven!
De bewoners stroomopwaarts begrijpen het water.
Ze vertroebelen het niet, laten wij ook
het water niet vertroebelen.

Sohrab Sepehri (1928-1980)
 




Als een dorstige karaf

Voor Sohrab Sepehri,
die van dit gedicht hield

Vol leegte
stroomt de beek van de momenten.

Net als een dorstige karaf die van water droomt, en in het water een steen ziet,
ken ik mijn vrienden en vijanden.
Het leven heb ik lief;
van de dood ben ik een vijand.
Ai – maar tegen wie moet ik dit zeggen? Ik heb een vriend
om wie ik liever naar de vijand ga.

De beek van de momenten stroomt.

Mehdi Akhavan Sales (1928-1990)
 




Blauwe kamer

Mijn dagelijks make-up leg ik neer
naast de gebroken spiegel van mijn gedachten.
Met het ogenpotlood omlijn ik
mijn dunne lippen.

Alles wat ik doe om te geloven,
dat de blauwe kamer niet echt mooi is,
helpt niet.
Hij is nu leeg
            anders dan ik.
Zijn schoonheid is nu verdubbeld
            net als ik.

In plaats van een ingelijste foto
hang ik nu mijn kousen aan de spijker in de muur
het water druppelt
            en druppelt
als de regen
als een traan.

Narges Zohrenassab (1973)

Vertaling Nafiss Nia en Ronald Bos

 

Gedichten

door Ivo Allewaert (1980)
uitgeteld

voor haar is vermageren
een aankondiging van de dood,
die ze altijd een kilo voor wil zijn

elke ochtend
op de weegschaal
een verzadigde glimlach
vijfennegentig kilo
vijfenzeventig jaar
schitterend

maar het kan beter
ik geef haar chocolademelk,
kniel en kijk:

stigmata in pantoffels verstopt
stappen gaat moeizaam
het bloed neemt een loopje met haar
is niet te stollen

ik moet er niet al te zwaar aan tillen
het zijn slechts tekens
die een heiden mag negeren
zegt ze, na elke slok
vult ze de laag slagroom weer aan

voedsel voor de suikerspin
die in haar bloedbaan klontjes kakt
van het scherpste kristal
en onderhuids
een ‘hier knippen’ strook tatoeëert

ik moet er niet al te zwaar aan tillen

drie weken na de operatie
duw ik haar
met een pijnlijk gemak
naar huis

gelukkig kan ze niet meer
op de weegschaal staan
 




incognito

ik kruip de volksmond in
en trek tegen de tong van leer

die draait beton
moddert aan de stad
waar achterbannelingen spuwen:
polaroidgedachten, het klikt

dagen aan elkaar
tot het jachtseizoen
fazanten uitstrooit
in een bosje bloemen

als naakte vrouwen
die enkel de ogen bedekken
en zeggen: je ziet ons niet

zweren jullie trouw mijn etter?

kastelen, ik heb er veel
koud gemaakt met natte dromen

 




diefstal!

ze had erom gevraagd
ik gaf haar de wereld
‘een koopje, wegens faillissement’

samen sprongen we
op die grote bal
en hoe harder we liepen,
hoe sneller hij achteruit ging

we stopten,
keken hoe het leven ontstond

tussen de eencelligen
wij, een koningspaar,
genoten gretig vruchtgebruik,

tot we werden opgevreten
door een oude man met baard

Marx of zoiets