Recensie van Moordballaden. Een bloemlezing van op ware moorden gebaseerde gedichten. Deel 1 - Bart FM Droog (samenstelling)

‘Nog horen we je stem, nog zien we je blik’

Bart FM Droog (samenstelling)
Moordballaden. Een bloemlezing van op ware moorden gebaseerde gedichten. Deel 1
Uitgever: Stichting Nederlandse Poëzie Encyclopedie
2017
ISBN 9789462430099
€ 0,00
129 blz.

Een paar maanden geleden startte FM Droog, dichter en samensteller van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie een experiment. De reden: ‘Bij het bekende Eenzame uitvaart-project zien dichters zich voor de taak gesteld binnen zeer korte tijd een gedicht te schrijven bij een sterfgeval. De confrontatie met de dood doet iets met dichters. Op een niet te benoemen wijze ontstaan daarbij vaak heel bijzondere en aangrijpende gedichten. [ … ]. Ik vroeg me derhalve af hoe poëten op gewelddadige sterfgevallen zouden reageren.’
Op Facebook liet hij weten dat dichters die een moordgedicht wilden schrijven zich bij hem konden melden. Een flink aantal bekende en onbekende dichters deed dat, maar niet iedereen haalde de deadline en daarom ligt er een nog tweede bundel in het verschiet. Drie dichters leverden kant en klare gedichten aan, de anderen kregen een opdracht. Het resultaat is heel aantrekkelijk, niet in het minst omdat de gedichten onderling sterk verschillen in vorm en toon. De bundel Moordballaden is gratis te downloaden op de NPE; in september verschijnt een papieren uitgave bij uitgeverij Vliedorp.

Droog werkt grondig en zo snel dat hij je iedere keer weer verbaast. Hij geeft een kort historisch overzicht, vermeldt de standaardwerken hij heeft gebruikt en onder ieder gedicht staat een beschrijving van de moord, zo mogelijk met links voor lezers die zich verder willen verdiepen in de zaak. Aan het eind van de uitgave staat voor liefhebbers een vijftal werken met moordliederen en hij heeft er zelfs aan gedacht een telefoonnummer en mailadres van de politie te vermelden voor het geval er zich onder de lezers tipgevers bevinden die het onderzoek naar onopgeloste moordzaken weer op gang kunnen brengen.
Het historisch overzicht bevatte voor mij een eye-opener: Droog schrijft onder andere over het 19e-eeuwse lied ‘De moord van Raamsdonk’ en pas nu, na tientallen jaren, snap ik waarom Du Perron zijn moordgedicht uit de bundel Parlando (1930) ‘De nieuwe moord van Raamsdonk’ noemde. Het had in deze bundel niet misstaan.

De gedichten bestrijken de periode van 754 tot 2011. Het eerste gedicht, ‘Win Frisa swerda spreka’, gaat over de moord op Bonifatius in Dokkum. Het is Droog toegezonden door ‘een telg uit een Friese adellijke familie. De tekst zou van generatie op generatie mondeling zijn overgeleverd en verschijnt hier voor het eerst in druk.’ Het zou stammen uit de achtste eeuw, ik ben volkomen van slag door deze grandioze ontdekking! Hierbij valt de inmiddels 85 jaar oude vondst in de Bodleian library van de eerste oud-Nederlandse regel volkomen in het niet: ‘Hebban olla vogala …’, het pennenprobeerseltje van een anonieme, naar liefde smachtende monnik uit de 11e eeuw. Ook de dichter van ‘Win Frisa …’ is bekend: Saxnot fen Aestergo. Ongelooflijk, dat oude Friese geslacht heeft eeuwenlang op een schat gerust.
Aestergo  is de oud-Friese naam voor Oostergo, de streek waarvan Dokkum in vroeger tijden de hoofdplaats was. Het achtervoegsel ‘go’ verwijst naar ‘gouw’, een geografische bestuurseenheid die werd ingesteld door Karel de Grote. Dit gebeurde in zijn Keizerstijd, in het begin van de negende eeuw. Dat Saxnot volgens de overlevering in de achtste eeuw leefde en de toevoeging ‘fen Aestergo’ daarmee niet is te rijmen, blijft vooralsnog een mysterie waarop komende generaties mediaevisten zich de tanden stuk zullen bijten. Maar niet alleen zijn naam van herkomst, ook zijn voornaam is raadselachtig: hij verwijst naar een Saksische god. Friezen en Saksen lagen elkaar niet zo en dat is nooit veranderd. Heeft u ooit een Fries gesproken die dol is op Groningers?
Verbazingwekkend is ook dat veel Friese poëzie al die veertien eeuwen hetzelfde is gebleven: je vindt de vorm die Saxnot gebruikte zelfs bij een dichter als Tsjêbbe Hettinga terug.
De woede van Saxnot brengt hem heel dicht bij ons: op Facebook zou hij zich volkomen thuis hebben gevoeld. Bonifatius, die ‘forflökta falska flumia’, die ‘snotta-Angel’ heeft in Dokkum niets te zoeken en moet uit de weg worden geruimd.

De eerste vijf regels geven een goede indruk van het gedicht. Ik geef zowel de overgeleverde oud-Friese tekst als de invoelende vertaling van Cornelis van der Wal:

Wat mina alsa pricka, alsa papus jella
to horsa mitta boeck en bila
doarpa uses kringa yn
enda ferrinneware alle hilich onsa

de angost!

Dat dan zo’n lul, zo’n brulpaap
te paard met boek en bijl
onze dorpen binnendringt
en al wat heilig is vernielen wil

de ontzetting!

Of moordgedichten gemiddeld net zo indringend zijn als het gemiddelde uitvaartgedicht, betwijfel ik. De dichters die aan Eenzame uitvaart meedoen, worden direct betrokken bij een afscheid, ze verzorgen daar het belangrijkste onderdeel van. Dat is iets heel anders dan zich verdiepen in een meestal niet meer recente moordzaak. Ik ben benieuwd of Bart Droog dezelfde conclusie heeft getrokken.
Interessanter dan de gemiddelden zijn de uitschieters. Elly de Waard schreef een huiveringwekkende ballade over de moord op Pim Fortuyn. Hoe je ook over zijn ideeën denkt, de laatste regels zouden op een monument niet misstaan. Het is lyrisch ik is verbijsterd, zit, staat dan weer voor het raam en ziet het steeds donkerder worden,

Maar, op de doodse parkeerplaats
van het nieuwscentrum onder de maan
heeft het bloed, dat zich niet weg liet vegen
zijn bericht in beton neergeschreven:

Ik zal kruipen, waar ik niet kon gaan

In Moordballaden blijf je bladeren. Laura Demalza Bosma schreef een gedicht over een verslaafde Vlaamse non, die in 1977 drie bejaarden vermoordde in het ziekenhuis van Wettere. De titel is een vraag: ‘Zuster, wat is heilig in uw leven’. In het laatste distichon geeft de non zelf het antwoord: ‘Heilig is dat het om het even is / in gedruis of verstilling te stinken.’ (Ik stel het gedicht hier wat simpeler voor dan het is). Menno van der Beek beschrijft in een fascinerende reeks van vier gedichten het noodlot van vader en zoon Nijboer. Nijboer senior sterft in 1944, junior in 2004. Beiden hebben hun lot mogelijk een handje geholpen – meer kan ik hier niet over zeggen, behalve dat de reeks een verrassende wending krijgt. Droog zelf schreef ‘Zoveel meer’, over de nooit opgeloste moord op de 22-jarige Marco, die in 1990 levenloos naast een gekraakt gebouwencomplex in de Groninger binnenstad werd gevonden. Een moord blijft actueel, ook voor de komende generaties. De eerste strofe:

Nog horen we je stem, nog zien we je blik
opgeslagen in geheugens en archieven
die nog lang nadat ook wij verdwenen zijn
je naam en je sterven steeds doen herleven

Droog heeft gelijk: De Moordballaden vormen het bewijs.

Recensie van As, vuur - Hester Knibbe

Kiezelstenen in de knapzak

Hester Knibbe
As, vuur
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514293
€ 17,99
77 blz.

Ik heb een voorliefde voor reeksen. Dichters die (een deel van) hun bundel door middel van een aantal samenhangende gedichten in een groter verband brengen, hebben bij mij een streepje voor.
Om die reden wekte ‘Drift’, de eerste afdeling van Hester Knibbe’s nieuwste bundel As, vuur, meteen mijn interesse. De drieëntwintig gedichten in deze afdeling hebben, zoals Knibbe in de aantekeningen achterin de bundel toelicht, elk één van de ‘oerwoorden’ uit de zeven Euraziatische taalfamilies als uitgangspunt. Een onderzoeksteam onder leiding van bioloog Mark Pagel kwam tot deze lijst onder de aanname dat de meest gebruikte woorden het minst veranderen.

De overeenkomst tussen de drieëntwintig woorden berust overigens niet op klankverwantschap, maar op betekenis. Dit geeft Knibbe de gelegenheid om rond deze woorden in haar gedichten een web te spinnen van klanken en beelden, waarmee de lezer steeds weer via een andere gang zijn eigen hoofd in kan kruipen. Knibbe bedient zich op een plezierige manier van haar taal: het geoefende oog merkt veelvuldig binnenrijm op, het geestesoor hoort muziek in de klankherhalingen die deze gedichten kenmerken. Een fraai voorbeeld is het gedicht ‘As’, dat de onderafdeling ‘Mond’ besluit:

As

          wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaap kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Stuk voor stuk geeft de dichter kleur aan de kiezelstenen, die wij zonder het te weten blijkbaar in onze knapzak meedragen, onderweg door tijd en ruimte.
Hoewel ik er bij herlezing geen concrete bewijzen voor op het spoor kwam, vertelden deze gedichten mij niet alleen een verhaal van de taal die mij verbindt met een Indiër of een Aleoet, maar vormen ze tevens een verzameling scènes met een ik en een jij (een zij en een hij), die de lezer meenemen van een eerste plek in het ooit naar een tweede plaats in het nu, als een soort eigen versie van het scheppingsverhaal. Zo krijgt deze reeks ook een ontologisch perspectief, waarin de mens niet ontstaat uit water en aarde, maar uit woorden met ritme en klank.

Want de taal speelt in deze bundel de hoofdrol, met als verdienstelijke tegenspelers de dingen die geweest zijn, verbonden, verwantschappen en ontmoetingen van vroeger. Het is de as die de lezer kan doen denken aan een vuur, ooit, waarbij hij zich in de gedichten alleen kan warmen aan de nagloeiende sintels.
Knibbe is in deze bundel nergens een strijder, nooit een brandstichter, die de lezer met taal van zijn richel wil duwen. Veel is geschreven uit het perspectief van de beschouwer, als verhalen die aan nagelaten kinderen worden meegegeven.
Ze kent haar klassieken: Orpheus, Sisyphus en Charon passeren de revue, maar ook verwijzingen naar Achterberg (de gasfitter) of middeleeuwse symboliek (de vos). Gelukkig geen modieuze beeldengrabbelton die voor surrealisme moet doorgaan. Als lezer voel ik me vrijwel altijd verbonden met Knibbe’s taalgebruik, dat door het muzikale karakter ervan vrijwel altijd meer geeft dan betekenis alleen. Veel beelden blijven nog lang nagloeien in het onderbewuste.

‘Stroom’, het tweede deel van de bundel, bestaat uit een aantal kortere en langere reeksen, waarvan ‘Leeftocht’ met vijftien gedichten de meest omvangrijke is. Volgens de aantekeningen is deze reeks kleiner en in een andere volgorde reeds gepubliceerd als gedichtendialoog met Miriam Van hee.
Hoewel de titel lijkt te wijzen op een reis door het leven, gaf deze serie mij meer dan eens de indruk van een verzameling vakantie-indrukken met een Zuid-Europees decor. De gedichten zijn minder pregnant dan die van de eerste afdeling, de contouren zijn vager en de tinten lijken meer pastel. Ik neem hier het slotgedicht over, met name omdat het de voor mij mooiste passage van de bundel bevat (‘[…] En terwijl ik hier in de kou van de avond / op noorderlicht sta te wachten, […]’):

Waar je ook bent, men moet zich
een huishouden maken, schreef je.

Ik nestelde mij tussen bergen en fjord, wiegde
mijn lichaam in wind, ving regen, vergaarde
voor wat ik moest maken. Had ook dit keer

verwachting op zak, ging er als altijd
mee voor het raam staan, zag, vergeleek, ja in elke
stad op iedere plek die ik aandeed keek ik wat

het verschil was en het verschil maakte de reis
tot het vreemde waarnaar ik verlangd had. Zoveel

bruggen overgestoken, door zwarte verkreukelde
aarde gegaan. En terwijl ik hier in de kou van de avond
op noorderlicht sta te wachten, zit jij daarginds

in het zuiden misschien voor het laatst deze zomer
onder de sterren aan tafel, hoor je de roep van de uil
sluit af.

***
Hester Knibbe (1946) is een Nederlandse dichteres. Ze woont sinds 1972 in Rotterdam, waar ze in 2015 tot stadsdichter werd benoemd. Knibbe beheerde als klinisch-farmaceutisch analiste lange tijd het laboratorium van een ziekenhuisapotheek. In 1982 debuteerde ze met Tussen gebaren en woorden. Daarna verscheen van haar een tiental dichtbundels. Haar werk is diverse malen bekroond. As, vuur is haar twaalfde bundel.

Recensie van Waar leg ik mijn hart - Wendela de Vos

Geen gewoon liefdesverhaal

Wendela de Vos
Waar leg ik mijn hart
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411235
€ 15
72 blz.

De kleuren van de debuutbundel van Wendela de Vos zijn verrassend sober. Een zacht groengrijs, met op de achterkant een diep blauwgroen. Niet de kleuren die je verwacht bij een ‘liefdesverhaal in gedichten’. En ook in het lettermozaïek dat de voorkant siert ontbreekt de kleur rood nadrukkelijk. Waar leg ik mijn hart  is dan ook geen gewoon liefdesverhaal. In de opbouw klinkt de theaterachtergrond van de auteur duidelijk door. De verschillende gedichten zijn als losse scènes in een toneelstuk, het is aan de lezer om hier een verhaallijn doorheen te weven. En dat verhaal is alles behalve een zoet vissersromannetje, geen Zout op mijn huid in verzen.
Het scenische karakter wordt versterkt doordat elk gedicht op zichzelf staat, tegenover een lege linkerbladzijde. De witte ruimte wordt deels gevuld met grote letters, die één woord uit de tekst (niet per se de titel) eruit lichten. Het losse karakter van deze grafische illustraties, van de hand van Frans Lieshout, brengen een speels element in de af en toe zware tekst.
Het openingsgedicht zet de toon:

Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed

De toon is sober. Weinig interpunctie – ik kom hier later op terug. De vraag van de laatste twee regels klinkt onheilspellend. Dat wordt versterkt doordat de eerste twee woorden vetgedrukt zijn: Liefde baart. Naast ‘geboorte’ klinkt vanzelf de vaste combinatie: ‘dat baart mij zorgen’ mee. Het woord ‘muilen’, dat hier de linkerpagina siert, voert ons terug in de tijd. Het ‘kunstig geborduurde’ wijst op het oude handwerk in lange, donkere winters. We krijgen een beeld van een traditionele protestantse gemeenschap. De confrontatie met het hogere neemt -als in een variant op Job- in de bundel een belangrijke plaats in.
In de volgende gedichten maken we kennis met de zee en het zand, en met de vele generaties (‘waar achter mannen droomden van / mijn moeders moeder in het maanlicht’) die hier geworteld zijn. Dan ontspint zich een idylle: ‘Wacht / nog niet weggaan // nog een keer / ruiken / je vettige vest / strelen / je raspende wang / proeven / je bittere mond’. De stem van een vrouw, die haar geliefde niet wil laten gaan. Het volgende gedicht is in dialoogvorm geschreven. De stem van een man, die zegt ‘Ik wil je niet’, maar de achterblijfster ook aanspoort niet ongerust te worden als het weer omslaat en slechte tijdingen binnendruppelen. Misschien wil hij de vrouw wel beschermen voor verdriet, door haar nog niet aan zich te binden. De vrouw antwoordt met één van de mooiste gedichten uit de bundel:

Wilt mijn lief bewaren
voor sterloze nachten
voor ondiepe geulen
voor masthoge golven
voor mist en voor ijs

wilt mijn lief bewaren
voor striemende regens
voor snijdende winden
voor losslaande ankers
voor uitwaaiend vuur

wilt mijn lief bewaren
voor brekende touwen
voor scheurende zeilen
voor splinters en nagels
voor rotting en koorts

wilt mijn lief bewaren
voor roepende stemmen
voor lokkende vingers
voor zingende rotsen

wilt mijn lief bewaren

heer

voor mij

De zee is immers vol gevaren. Maar ook vreemde havens kunnen de liefde bedreigen, evenals de ‘zingende rotsen’ waarin we de Lorelei herkennen. De werkwoordsvorm ‘wilt’ is statig, passend bij de aanroep van de heer, die hier -anders dan God en de Grote Storm verderop in de bundel- geen hoofdletter krijgt.
In sterk afwisselende gedichten ontvouwt zich een geschiedenis van liefde, verlies, wanhoop en rouw. Om het een beetje spannend te houden zal ik het verdere verloop, zo dit al eenduidig is, niet uit de doeken doen. In de aantekeningen vertelt de auteur, dat de dichtbundel geïnspireerd is op de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke in Denemarken. Deze 13e-eeuwse Deense kerk raakte vanaf 1775 meer en meer onder het duinzand bedolven. Aanvankelijk lukte het de gelovigen nog om na elke storm de kerk weer uit te graven, maar na een laatste grote storm gaven zij het in 1795 op. Nu steekt alleen nog een deel van de witte toren boven het zand uit.
De Vos weet met rake details de barre omstandigheden van het vissersleven in voorbije tijden op te roepen: ‘planken een dekzeil / spaanders turf kisten / strobalen houtskool (…) het raast het vlerkt / stuitert tolt grauwt / slaat zichzelf stuk’. Veel zintuiglijke indrukken, stank, kou en pijn. En overal zand. De illusie van een maagdelijk strand, waar je als eerste je voeten op zet. Zand dat nieuw land vormt. Maar ook de verpletterende kracht van ‘korrel boven korrel’. En tenslotte: ‘Als alles verloren / dan nog altijd het bed van zand’.
Zoals gezegd is er een grote variatie in stijl in de gedichten. Meer dan van klank maakt de dichter gebruik van parallellie en opsommingen. Vaak smalle gedichten, met regels van hooguit drie woorden. Vrijwel geen interpunctie en alleen aan het begin van het gedicht een hoofdletter. Een uitzondering vormt het gedicht ‘Zijn storm’, waarin de korte, schuingedrukte regels staccato op de lezer inbeuken. De eerste regel van elk gedicht is, bij wijze van titel, vet gedrukt. Alleen in de eerste twee gedichten is slechts een gedeelte van de regel vet, terwijl de titel in de inhoudsopgave toch uit de hele eerste regel bestaat.
De uiteenlopende scènes leveren geen pasklaar verhaal. De lezer wordt uitgenodigd de verschillende fragmenten verder in te vullen, en misschien zelfs te verbinden met eigen ervaringen. Want hoewel Waar leg ik mijn hart is ingekleurd met historische details, is het bovenal een tijdloos verhaal waarin universele menselijke vragen en verlangens de hoofdrol spelen.

***
Wendela de Vos (1947) volgde een opleiding aan de Theaterschool en was tot 2006 werkzaam bij diverse grote en kleine theatergroepen. Waar leg ik mijn hart is haar eerste dichtbundel. Zij schreef het libretto voor het oratorium ‘Nova Zembla’ en onder de naam Tupla M. literaire thrillers. Haar oeuvre strekt zich uit van kort verhaal tot kinderpoëzie, van column tot toneeltekst.

 

 

Waar leg ik mijn hart is de negende uitgave in de reeks OPEN van uitgever Kontrast.

 

Recensie van Wat het raadsel achterlaat - Guy Commerman

Spelen om te (over)leven

Guy Commerman
Wat het raadsel achterlaat
Uitgever: Kleinood & Grootzeer
2017
ISBN 9789076644820
€ 16
66 blz.

Guy Commerman is een stille dichter die hoge bergen heeft beklommen en in de vlakte steeds weer de nodige adem heeft gevonden om het woord behoedzaam los te laten. In de bundel De Himalaya uitvinden (1988) las ik de indrukwekkende reeks gedichten over 1945 – de dichter was toen zeven jaar oud – waarin hij toegaf dat zijn hart toen voor het eerst ‘stokoud’ (p. 11) werd. Maar kan een kind wel – heel even – stokoud zijn? Het kan, maar dat kind zal daarna altijd moeten spelen om te (over)leven. De dichter wilde niet op hoge bergtoppen vertroeven, hij ‘zag het licht / veel lager: / in het dal der eenvoud / de warmte omarmen.’ (p. 6) Spelen was opgaan in het existentiële zoeken naar de identiteit en de metafysische horizon aftasten, woorden zoeken en beelden scheppen: ‘Ik schrijf gedichten voor mezelf / en soms voor anderen ook: / de eerste worden gelezen, / de andere niet.’ (p. 30) In dat gedicht verwoordt het lyrische ik de angst die elke dichter overvalt: zal hij verder blijven drijven op het kalme water van de monoloog, of is er toch nog een andere ‘entartete’ dromer die het spel van de dialoog wil spelen? In het laatste gedicht typeert hij zijn spel als ‘onderweg zijn’. (p. 47) De dichter is al lang ‘onderweg’, en van zijn vele bundels heb ik alleen de Himalaya-bundel, Dan neem ik alles mee (2013), Getuigenis van zinnen (2015) en Wat het raadsel achterlaat gelezen.

Wat me tijdens de vele lezingen is opgevallen, is de evolutie in de vormgeving. De vormgeving van de gedichten is steeds belangrijker geworden, de thematiek is onveranderd gebleven. Commerman is een dichter die verwonderd in de wereld staat en wil staan, een dichter die de vanzelfsprekendheid van leven en sterven, van pijn en vreugde niet aanvaardt zonder deze aan zijn eigen ervaring te toetsen. Die toetsing leidt soms tot meer pijn, en een enkele keer ook tot beheerste vreugde. In Dan neem ik alles mee herinnert de dichter zich de onuitgesproken (h)erkenning van het samen-zijn met opa, het samenzweerderig zwijgen, maar hij weet ook dat ‘woorden kleven aan dode stenen / geheimen blijven verborgen leven / we vermoeden zelfs de tekens niet / die gedichten over de mens verwekten.’ (p. 68) Is dat spelen met woorden essentieel, en zijn het leven en de dood meer dan schijn: ‘een dode opa die nog heel even leefde  / of deed alsof en ik die deed alsof ik even dood was.’ (p. 22) Alsof is hier slechts een voegwoord, want het dood-zijn was echt, zelfs al was het geveinsd, het was een spel om te overleven en het geworpen-zijn te overwinnen. In Dan neem ik alles mee worden de beelden en gedachten steeds weergegeven in een kwatrijn, gevolgd door een terzet en een laatste versregel die het gedicht samenvat of het als antithese afrondt en nieuw spreken noodzakelijk maakt. De bundel was dan ook een inleiding tot Getuigenis van zinnen, een bundel waarin de gedichten minder gelijkvormig zijn, maar waarin assonantie en alliteratie belangrijke leestekens zijn die het ritme bepalen.

Zoals Roland Jooris laat Commerman zich soms verrassen door de natuur. In de bundel met de zintuiglijke gedichten lees ik: ‘Een gedicht leeft in een tuin, / hangt te rijmen in een kerselaar. / Soms valt het uit de toon / op aarde, gras en stilte.’ (p. 14) De tuin, de hortus conclusus, is een plaats waar de wereld zich openbaart: ‘In de tuin de wereld zien. / Niet verder willen gaan en ademen, / dronken van middaglicht. / De afstand meten naar een boterbloem.’  (p. 21) Die vorm van spel is niet alleen essentieel, dat spel is een inleiding tot het uit-de-wereld-treden en toch in-de-wereld-blijven. Guy Commerman speelt het existentiële spel soeverein en (bijna) genadeloos, ‘zoals wijsheid zich wentelt in erbarmen’. (p. 63) En dat erbarmen, vooral als leeshouding, is noodzakelijk, om met de dichter in gesprek te blijven, want hij schrijft zichzelf in de rand van het zoeken, waarin zijn stem onhoorbaar dreigt te worden. De lezer moet de oren spitsen en het spel van mee- en tegenspreken spelen, want ook lezen is een vorm van spelen om te (over)leven.

Op een ogenblik dat de wetenschap het essentiële en existentiële spreken overschreeuwt, durft Commerman het aan om over een raadsel te spreken. Dat veronderstelt moed en levenswijsheid, want onderzoekers houden ons het ontraadselen van het allerlaatste raadsel voor. Wat de mens is en waarom de mens is wat hij is, lijken vragen te zijn die heel binnenkort niet meer gesteld zullen worden. Maar is dat zo? Waarom kan de mens als redelijk wezen toch door emotie overmand worden en waarom speelt de mens het spel van de kunst? Waarom is de taal meer dan een middel om alledaagse gesprekken te voeren? Het antwoord zal niet uit een verdere ontrafeling van het DNA afgeleid worden. Waarom is de mens meer dan de spreekwoordelijke som van zijn samenstellende delen? Ook die vraag zal niet in laboratoria beantwoord worden. Het gedicht waarin de versregels in een kerselaar hangen te rijmen, kreeg in Getuigenis van zinnen de titel ‘Voorwaar een gedicht’, en krijgt in Wat het raadsel achterlaat de titel ‘Afgrond’. Hetzelfde gedicht krijgt op die manier een heel andere betekenis. Betekenis is niet statisch, betekenis is een gebeuren dat zich in ons voltrekt en zich ook aan ons opdringt zonder een actieve bemoeienis.

In het gedicht ‘Bestaan’ verwoordt Guy Commerman op een verfijnde manier wat betekenis betekent:

Ik weet niet wat woedt in mijn huis
welke suikers zoeten, welke bitterte
het galgenmaal voedt, welke weelde
wild om zich heen waaiert.

Het is zoiets als de oudheid vrezen, het heden
grijnzend, maar vertwijfeld omwikkelen.

Het is de adel van rust en aaien verlangen,
in een zonnestraal een knipoog  van god
herkennen, niet geloven in zijn bestaan
en toch de schepping begrijpen.

(p. 15)

De eerste versregel beklemtoont dat de dichter niet weet wat hem drijft – wat woedt – en versterkt de boodschap door de tegenstelling tussen de zoete suikers en de bitterte van het galgenmaal – het naderende einde? De alliteraties hebben eveneens een versterkend effect: weelde die weelderig waaiert, is sterker dan het zijn dat de dichter probeert te overschouwen.
De oudheid – de hoge ouderdom ? – vrezen en nog even grijnzen alvorens het stil(le) zijn te aanvaarden en naar een streling te verlangen vatten het niet-weten samen, en precies wanneer die rust intreedt, stijgt de dichter boven de existentie uit en ervaart hij zijn individuele metafysische be-leving, of zingeving. Lees samen met mij hoe hij een rebel portretteert: ‘Bescheiden vriend, die het onbekende / van hemel en aarde aanvaardt, / die ware woorden weet te kiezen, / die elke handpalm inpalmt. // Je spreekt zuinig, je oordeel is nooit hoger / dan het zomergras, elke rode pioen is een visioen. // Kom bange rebel, slinger van slaap naar hoop,  / verpak je verbazing, versnijd de lianen, zoek, / ontmoet jezelf en zeg me waar je woont.’ (p. 48) Met dat portret nodigt hij de lezer uit om uit de schaduw te treden en het gesprek aan te gaan. Het is geen gemakkelijk gesprek, wan het is een spel dat de diepte peilt en de breedte verbreedt, of zoals hij in Getuigenis van zinnen schreef: ‘Tussen bevallen bladeren zoeken / naar verloren zinnen. // Vindingrijk overleven.’ (p. 64) Merk op hoe spelenderwijs gevallen bevallen wordt en de geboorte de zingeving herbevestigt – de zingevende zinnen waren immers verloren. Zo wordt spelend het vindingrijke overleven ingeleid. De nieuwe bundel vertoont een grote samenhang met de vorige bundels door de verwijzing naar het licht, de bestendigheid van de seizoenen, het verlangen dat overal en altijd aanwezig is, de zoektocht naar de betekenis en het belang van het moment, of zoals Guy Commerman schreef: ‘Waarom zou ik verzen schrijven op sneeuw / die smelt, op aarde die droogstoppelig verzandt?’ (p. 59) Ik houd van woorden op of in de sneeuw, precies omdat het moment belangrijk is. Christian Dotremont heeft dat zo mooi aangetoond met zijn logoneiges, tekens in de sneeuw. De sneeuw mag smelten, ook de droogstoppelige aarde maakt deel uit van onze condition humaine , en dat weet Guy Commerman ook. Maar niet elk moment van creatief zijn wordt als zinvol ervaren op het ogenblik dat de hand registreert wat geest en lichaam tot een eenheid maakt. Wat het raadsel achterlaat is een intrigerende bundel, die het best tot zijn recht komt wanneer men ook Getuigenis van zinnen heeft gelezen. Wie het raadsel ontraadselbaar acht, sluit onbezonnen de weg naar betekenis af.

Recensie van Ik is niet 1 - Jan Baeke e.a. (samenstelling en redactie)

Ik dacht mijzelf te zijn

Jan Baeke e.a. (samenstelling en redactie)
Ik is niet 1
Uitgever: Stichting Poetry International
2017
ISBN 9789072546357
€ 9,50
91 blz.

Het ‘ik’, het centrale thema van Poetry international, wordt nader uitgewerkt in Ik is niet 1, een boeiende bundel met korte essays, gedichten en beeldende kunst. De bundel is samengesteld door Jan Baeke, Bas Kwakman, Katja Nootenboom, Feline Streekstra en Nina Swaep. De titel van de bundel verwijst naar het gedicht van Marianne Morris (Canada / Verenigd Koninkrijk, 1981), vertaald door Evi Hoste. Ze laat zien dat een onveranderlijk ‘ik’ niet bestaat: ‘Ik is wat vaststaat en voortdurend wordt ontkracht.’ Het is een constructie: ‘Ik is wat ik kende, wat ik tot een verhaal vervlocht, dat waarop / ik grondde’. Heel mooi is dat ze deze uitspraak direct weer op losse  schroeven zet, door hem in de ik-vorm te schrijven. En heel raak is de volgende: ‘Ik is een kudde die golvend voortbeweegt, zacht gegrom uit / duizend kelen, richtingwijzers, doelmatige groepsactiviteiten.’ De paradox van het en masse najagen van persoonlijke uniciteit, waarvan op die manier niets overblijft; of het verschijnsel van de ambitieuze manager die alle creativiteit binnen zijn organisatie effectief de kop indrukt door op hardhandige wijze ‘alle neuzen dezelfde kant op’ te dwingen, op weg naar ‘een punt op de horizon’. Enfin, vul de rest zelf maar in.

Bas Kwakman gaat in zijn inleidende essay ‘Socle du monde’ in op het vermogen van poëzie ‘om de boel te kantelen’. Dat is onder andere van belang omdat we gewend zijn vanuit een veilig ik te denken, onszelf te zien als het middelpunt van de wereld. Hij geeft een vermakelijk voorbeeld: ‘Niet de feiten, zelfs niet de alternatieve feiten, maar de ego-feiten tellen. De Gooise zanger Joling memoreerde bij de dood van Prince: ‘ik weet nog heel goed hoe hij een keer bij een concert van mij kwam kijken.” Jan Baeke stelt aan het eind van zijn essay ‘We are such stuff as dreams are made on’ twee vragen: de eerste is actueel, prangend: ‘Is het ik dan uiteindelijk toch in essentie een paspoort tot de sociale structuur waar we ons bij thuis voelen?’ Je zou het wel zeggen als je naar Facebook of Instagram kijkt: het maken van een passend ik is een gangbare praktijk. De tweede vraag is minstens zo boeiend: ‘En is het ik verder een vergankelijk zelfbeeld waarmee we de illusie van onszelf gestalte geven?’ Shakespeare had daar al een antwoord op. Baeke citeert Act 4, scène 1 uit The Tempest, eindigend met die prachtige, overbekende regels: ‘We are such stuff / As dreams are made on; and our little life / Is rounded with a sleep.’

Alle dichters behandelen het ik op hun eigen wijze en datzelfde geldt voor de beeldend kunstenaars C. A. Wertheim, Jan van Munster, Toine Horvers, Wouter Venema en Georg Bohle. Voor dichter Mischa Andriessen lijkt poëzie een manier om het ik  te reduceren. Zijn gedicht ‘Daena’ heeft een citaat van Georgio Agamben als motto: ‘ Men schrijft om onpersoonlijk te worden’; voor Mae Yway (Myanmar, 1991) is poëzie juist een manier om haar ik te realiseren: ‘Door hen ben ik hier … die regels!’

In haar humoristische en scherpzinnige essay ‘Het ik in het vertaalproces’ pleit Anneke Brassinga voor ‘ikloos vertalen’, wat niet betekent dat een vertaler zijn ervaring moet uitschakelen. Wel moet hij plaats maken voor het ik van de tekst: ‘De tekst moet hém overweldigen, hém kunnen binnendringen, zijn ik – tijdelijk – teniet doend.’ Hij staat niet in dienst van de lezer, het ‘ikkigste ik ter wereld’, die met de tekst kan doen wat hij wil, maar ‘vervult een eredienst aan de voleindiging van een taal die ooit bij de bouw van de toren van Babel uiteenviel, en ooit hersteld moet worden, in een onophoudelijk proces van synthese tussen bijvoorbeeld de woorden ‘Brot’ en ‘pain’: dat wat wij dagelijks eten en waarvoor in talloze talen woorden zijn ontstaan.’

Ik wil nog even stilstaan bij Antoinette Sisto . Zij vertaalde ‘Io credevo di essere io’ (‘Ik dacht mijzelf te zijn’) van Roberto Amato (Italië, 1953), een gedicht waarin ik haar eigen poëzie hoor klinken. Mogelijk was dit haar laatste vertaling: zij overleed op 3 juli jongstleden. Ik hoop dat zij deze bundel nog heeft gezien. Ik citeer zowel het oorspronkelijke gedicht als haar vertaling:

Io credevo di essere io
quando la notte mi dormivo accanto
(sul fianco destro par dare le spalle al mondo).
Mia madre non era ancora me
e neanche mio padre aveva mai pensato
che io potessi essere lui
(o viceversa).

Come vede dottore
la mia testa si è persa in questi limpidi
ragionamenti
ma anche la sua non la trovo nel bianco del colletto.
Forse la tiene sotto il camice
per paura che io possa prenderla per il naso
e magari scuoterla
e magari farla impazzire con un festoso
tintinnio di pensieri.

Ik dacht mijzelf te zijn
toen ik ’s nachts naast mij lag
(op mijn rechterzij keerde ik de wereld de rug toe).
Mijn moeder was mij nog niet
en zelfs mijn vader had er nog nooit aan gedacht
dat ik hem zou kunnen zijn
(of omgekeerd).

Ziet u, dokter
mijn hoofd duizelt van deze heldere
redeneringen
maar ook dat van u zie ik nergens tussen het wit van uw kraag.
Misschien houdt u hem verborgen onder uw doktersjas
uit angst dat ik hem bij de neus kan grijpen
en misschien heen en weer schudt
en misschien wel dol laat draaien met een feestelijk
klingelen van gedachten.

Antoinette was een talent- en gewetensvol vertaler die de volgende uitspraak van collega Bernlef ongetwijfeld onderschreef: ‘Het is als met een partituur. Je mag, moet zelfs, interpreteren, maar waar wordt interpretatie een eigen versie waarbij het origineel in het gedrang komt?’ (ik las hem bij Johan Reijmerink ).

Ik is niet 1 is de eerste uitgave van Poetry International, hopelijk het begin van een reeks.