Recensie van Hoe een zee een woord werd - Antoinette Sisto

Zonder wijzers

Antoinette Sisto
Hoe een zee een woord werd
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411174
€ 15,00
86 blz.

Hoe een zee een woord werd is de vierde bundel van Antoinette Sisto. De titel is in eerste instantie onopvallend, maar roept bij nadere beschouwing nieuwsgierig makende vragen op. In de eerste plaats het woord ‘hoe’: is er sprake van een vertelling? Laat de bundel een transformatie zien van zee naar woord, in casu poëzie? En dan dat onbepaalde lidwoord ‘een’: gaat het niet om een specifieke zee?
Het is al snel duidelijk dat ‘een zee’ onderdeel is van een metafoor die vaak voorkomt in spreektaal. In een van de gedichten zegt ze soms de wetenschap te missen ‘dat er een zee / van tijd was om in te zwemmen.’ ‘Een zee van tijd’ en ‘zwemmen in de tijd’: die beelden kent iedereen.

Het gaat om een bundel over de beleving van tijd. Op de vraag hoe die tijd poëzie wordt, kom ik nog terug. De dichter presenteert het tijdsverloop niet lineair: ze weet op een soepele manier te schakelen tussen verleden, heden en toekomst, soms in één gedicht. Haar werkwijze in de hele bundel vind je terug in de titels van de gedichten in de laatste afdeling, ‘Speelduur 05.12’: ‘Rec’, ‘Play’, Ffwd’, ‘Pause’, ‘Rewind’, ‘Stop’.

Het schuiven met tijd kan onder andere een manier zijn om te leven met verlies. Sisto’s vorige bundel, Dichter bij de dagen, ging over de ziekte en dood van haar geliefde. Ook in deze bundel verwijzen sommige gedichten zichtbaar naar hem, wat niet betekent dat je de gedichten per se als autobiografisch moet lezen: ze zijn herkenbaar voor iedereen die het verdriet kent of zich daarin kan inleven. Een van de meest ontroerende liefdesgedichten die ik de laatste jaren heb gelezen is ‘Allerliefste (ongedateerd) s.v.p. thuis openmaken, wanneer je alleen bent, alleen-lezen document’. Het is een zeer eigentijds gedicht met een verrassend perspectief: niet de achterblijver is aan het woord, maar de dode: hij heeft een digitale brief achtergelaten. We zien hier de overtuigende kracht van de verbeelding: door deze vorm te kiezen komt de geliefde heel dichtbij. Het gedicht is lang, maar ik kan het niet laten om het in zijn geheel te citeren.

Wanneer je deze brief leest
ben ik onvindbaar
buiten bereik van uren en dagen
er zijn geen sporen die mij terughalen
alleen gelaten heb ik jou in alle vrijheid.

Wees gerust, je Facebookvrienden kennen me niet
op Google krijg je 0 resultaten
en ook andere zoekmachines
hebben mij gewist en opgegeven
in hun bestanden kom ik niet voor.

Ik heb voor honderd procent van je gehouden
dat zal ik altijd blijven doen
er is geen scherm waar wij ontmoeten
maar in elke spiegel zie je mijn ogen
kijk gewoon wanneer je behoefte voelt.

Een foto van ons samen in the cloud
is opgeslagen
waar ik ook ben en niet ben
ik zie ons hoe we waren
zonder klokken om ons
te herinneren aan tijd en dat wij eindig zijn.

Weet je nog hoe we lachten om niets
hoe we samen ’s avonds laat zonder slaap
ik zie ik zie wat jij niet?
Doe het licht uit en ik ben daar.

voor altijd, X
je W.

Een klok wijst op de eindigheid van het leven, een zee van tijd doet dit vergeten: waarom de dichter die zee in poëzie wil omzetten, is nu wel duidelijk. Poëzie kan je de illusie van oneindigheid geven – zolang het gedicht duurt.
Maar hoe doet ze dat? Door alledaagse metaforen te combineren met een interne symboliek die zij opbouwt door woorden, woordvelden of -groepen te herhalen in vergelijkbare contexten. Ramen of vensters blijken zicht te geven op andere tijden, spiegelglas weerkaatst het heden, een geliefde kan een stad zijn waarin je steeds beter thuis raakt, een huis biedt geborgenheid. Met symbolen kun je verbeelden wat zich moeilijk laat zeggen.
Sisto doet dat soms op een verrassend luchtige manier. In ‘Dolce far niente’ beschrijft ze een heerlijk luie zomermiddag: ‘Leg jezelf in een zachte hangmat ( … ) plaats je voeten als wijzers in de middagzon // blijf dan star als een hagedis / bedenk wat je met die zee van minuten / ogenblikken, blauwe golfslagen / allemaal nog meer niet hoeft te doen’. Om terug te komen op bovengenoemde ‘Speelduur 05.12’: het afspeelapparaat staat nu op pauze en de dichter kan alles even van zich af laten glijden.
Het apparaat staat ook weleens op stop. Een mooie illustratie biedt ‘De lengte van een zomer’, waarin de dichter in haar droom gelukkige momenten uit haar jeugd stilzet. De laatste strofen doen denken aan Annie M.G. Schmidt:

’s avonds komt oma op sherrybezoek
zie je wel het gaat toch dooien
ik voel het aan mijn likdoorn, zegt ze
morgen vallen er chocoladehagelstenen

in mijn droom is het jarenlang zomer
ik blijf vijf op mijn elfde verjaardag
mijn opa wordt er niet grijzer op
ik fiets rondjes om steeds dezelfde woning.

Hoe een zee een woord werd is een mooie bundel. Op die interne symboliek moet je greep krijgen, maar als je die moeite neemt, word je ruimschoots beloond.

***
Antoinette Sisto (Almelo, 1963) is dichter, vertaler, poëzieredacteur bij Meander en editor Italië bij Poetry International. In 2006 verscheen haar debuutbundel Het verre huis, in 2013 Dichter bij de dagen en in 2014 Iemand moet altijd gemist worden.

Recensie van Herfsttijloos - Tom van Deel

Poëzie voor fijnproevers

Tom van Deel
Herfsttijloos
Uitgever: Querido
2016
ISBN 9789021402291
€ 17,99
56 blz.

‘Ooit is T. van Deel de dichter van de bewegende stilstand of de stilstaande beweging genoemd, en die karakteristiek is nog steeds van toepassing’, staat te lezen op de achterkant van de nieuwe bundel van T. van Deel die op de laatste dag van het oude jaar verscheen, ‘Zijn poëzie heeft de behoefte het moment te vangen en eeuwig te maken.’ Naar mijn idee is dit bijna een definitie van poëzie, en dus niet iets waarin de poëzie van Van Deel zich van het werk van anderen onderscheidt. Of liever gezegd: dit is een definitie van een genre poëzie waar ik erg van houd. ‘Morgen aan de rivier / morgen waarin hij eindelijk / niets meer zal zijn / dan de rivier.’ (Rutger Kopland, ‘Drentse A – IV’). ‘Er is niets te zien, en dat moet je zien / om alles bij het zeer oude te laten.’ (Herman De Coninck, ‘De plek’).
Het artikel ‘De gedichten van T. van Deel, 1969-heden’ op de website van de Koninklijke Bibliotheek laat zien dat het ‘stilzetten van het moment’ al vanaf de eerste bundel ( Strafwerk, 1969) in het werk van Van Deel aanwezig is. Veel teksten zijn eerst als bibliofiele uitgave uitgebracht, alsof hij juist in zo’n kleine, ambachtelijk verzorgde uitgave het moment nog beter kan vangen. Herfsttijloos is in een kleine 50 jaar (pas) zijn achtste bundel bij Querido.

VERVLOGEN

Ik zag van een vlinder de schaduw
die over mijn vloerkleed bewoog –
zo beeldt leven zich in duister af
tegen het licht; onwetend wat het
voorstelt vervliegt het tot gedicht.

Als een vlinder al bijna gewichtsloos is, hoe nietig is dan niet de schaduw? Echo’s van Plato, waar mensen vastgeketend in een grot slechts de schaduw zien van wat zich in de buitenwereld afspeelt. Maar ook: de vlinder als beeld van de ziel, nog altijd ongrijpbaar. Het gedicht lijkt een subtiel verwoorde observatie, maar kan evenzeer fictie zijn: alleen onder zeer toevallige of gecontroleerde omstandigheden kunnen we de schaduw van een vlinder zien, laat staan op een vloerkleed.
Het vlindergedicht neemt als openingsgedicht een prominente plaats in in de bundel. Op het slotgedicht na zijn telkens twee gedichten, die vaak thematisch gezien bij elkaar horen, op de tegenover elkaar liggende pagina’s afgedrukt. Dit is nadrukkelijk door de dichter zo gepland. Soms schreef hij een tweede gedicht bij een al eerder gepubliceerd gedicht, dat nu dus opnieuw in een bundel is opgenomen. Dit geldt voor vijf gedichten, zelfs voor het titelgedicht. ‘Herfsttijloos I’ verscheen eerder in Boven de koude steen (2007). ‘Herfsttijloos II’ is opnieuw een lyrisch portret van deze ‘droogbloeier’, een bol die tijdens de bloei geen water opneemt en geen wortels en bladeren vormt. Een geliefd onderwerp voor observatie, misschien zelfs voor meditatie over iets dat uit niets lijkt te ontstaan. Zoals poëzie.
Het gedicht ‘Ogengneis’ uit Nu het nog licht is (1998) staat tegenover ‘Windkanter’. De noodzaak van het herhalen van het oude gedicht is hier minder duidelijk, want er staan achtereenvolgens vijf stenen-gedichten in de bundel. Beide hierboven genoemde gedichten refereren aan vroeger. In ‘Ogengneis’ ‘Nog steeds staart hij me aan / uit een verleden dat ik niet / meer ben, de gneis, met ogen / groot en dof’. In ‘Windkanter’ zijn subject en object verwisseld: ‘Ik ben gezien op de Veluwse hei / door een jongen die meer wilde weten / van al het bestaande, ook stenen.’

Hoe eenvoudig de gedichten op het eerste gezicht ook lijken, er gaat vaak een sterke intertekstualiteit onder schuil. Van Deel rekent op een belezen lezer. Soms geeft hij aanwijzingen in de aantekeningen op de laatste bladzij. Bij de gedichten ‘Ruth’ en ‘Vashti’ worden zelfs nauwkeurige verwijzingen naar de betreffende Bijbelpassages gegeven. Maar wat als we deze gedichten zonder voorkennis lezen?

VASTHI

Hoewel hij had bevolen
dat zij zich naakt zou tonen
weerstond ze zijn begeerte

Dat schokte zeer de koning
zijn eer van dronken man
en hij ontnam de kroon haar

Of Esther die hij liefkreeg
gewillig zich liet showen
meldt de historie niet

Ook niet het lot van Vasthi
schoonste der koninginnen
en meest onnaakte vrouw

Het verhaal van Vasthi wordt fragmentarisch en met statig, ouderwets taalgebruik verteld. Blijkbaar was de koning zo boos dat zij niet op zijn avances inging, dat hij haar verstootte. Wat het gedicht niet vertelt, maar wat we kunnen lezen in de betreffende Bijbelpassage, is dat de koning in zijn dronkenschap haar opdroeg zich ten overstaan van zijn vrienden uit te kleden. Dat maakt nogal een verschil. Met een beetje goede wil kunnen we dit afleiden uit het woord ‘showen’ in de derde strofe, een bewuste stijlbreuk. In de laatste regel wordt een mooi neologisme gelanceerd: ‘onnaakte’. Het grijpt terug op de eerste strofe, maar bergt ook ‘ongenaakbaar’ in zich.
Bijbelvaste lezers zullen Esther wel kennen, de Joodse vrouw die met de Perzische vorst Ahasveros trouwde, en door haar invloed de Joden in zijn rijk voor uitroeien behoedde. Maar voor Vasthi moet toch echt de Bijbel worden opengeslagen. Toen ik de betreffende passage gelezen had, wist ik niet zo goed meer wat ik met het gedicht aan moest. Het gedicht maakt wat kanttekeningen uit de losse pols bij dit oude verhaal. Zonder voorkennis is het gedicht moeilijk te duiden. Maar als je het verhaal wel kent voegt het weinig toe. De afwijkende woordvolgorde in de regels 4, 6 en 8 doet geforceerd aan, waardoor het nog het meest heeft van een erudiete practical joke, met ‘onnaakte’ als clou.

IK ZAG een appel vallen in het gras
en dacht dat ik het was, dat ik die
appel en dat gras tezamen was,
begin en eind rondom een boom
die daar bestaat, vertakt en ruist –
mijn appel zag ik vallen in het gras.

Evenals het openingsgedicht een subtiel verwoorde waarneming. Bij de vallende appel kunnen we aan Newtons ontdekking van de zwaartekracht denken, maar het zet de dichter hier meer aan tot nadenken over het verschil tussen hemzelf en de wereld. Of misschien schetst hij wel een geluksmoment, waarin dit verschil vervaagd is. Cruciaal zijn de kleine onregelmatigheden: niet ‘een boom / die daar staat’, maar bestaat. En de ontwikkeling van ‘een appel’ naar ‘mijn appel’, extra benadrukt doordat het object in de slotregel voorop is geplaatst.

Wie spectaculaire onderwerpen of gebeurtenissen verwacht kan Herfsttijloos beter laten liggen. De dichter is er meer op gericht, aan de hand van alledaagse onderwerpen, de tijd stil te zetten. Daarbij rekent hij op een aandachtige lezer die oog heeft voor nuances. Een belezen lezer ook, die in de woorden van de dichter de echo’s van klassieke en Bijbelse teksten nog kan horen.

***
T. van Deel (1945) debuteerde als dichter in 1969 met Strafwerk. Zijn bundel Achter de waterval werd in 1987 bekroond met de Jan Campert-prijs. Van 1969 tot 2008 recenseerde hij literatuur in het dagblad Trouw. Ook gaf hij jarenlang college over moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1993 tot 2003 was hij lid van het Vertaalteam van de Nieuwe Bijbel Vertaling.

Recensie van Eistijden - Geert Viaene

Het geheim van de witregels

Geert Viaene
Eistijden
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339201
€ 18
96 blz.

Geert Viaene (1963) won in 2015 met zijn gedicht ‘En dan is alles anders’ de tweede plaats in de bekende Turingwedstrijd. In 2016 kwam zijn bundel Eistijden uit, waarin beslist meer gedichten staan die de moeite waard zijn dan dat ene, aan de hand waarvan ik meende zijn – niet per se Vlaams aandoende – poëzie te kunnen bespreken. Maar ik vrees dat het mislukt is. Hoe kon ik ook denken dat één gedicht als een fractal de hele handtekening van een schrijver kan bevatten! Stom natuurlijk. Niettemin: het kwaad was al geschied. Mijn eerste indruk was gevormd; en die laat zich geen twee keer vormen. Ik moet u verwijzen naar de bundel om meer te lezen. Mijn poging tot een recensie wil ik u echter niet onthouden. Die ging als volgt (voorafgegaan door een ietwat Kuifje-achtige titel):

HET GEHEIM VAN DE WITREGELS

Geert Viaene is een prettige dichter. Je denkt als lezer meestal dat je hem begrijpt en dat geeft zelfvertrouwen. Maar dan lees je nog eens en dan wordt het lastig. Er is iets weerbarstigs, dat zich weigert over te geven aan de gemakzucht van een vanzelfsprekende interpretatie. Something rotten in our state of mind? Misschien… Moeilijk te zeggen, maar gelukkig zijn daar nog de witregels om naartoe te vluchten:

IN DE WITREGELS

is er eerder iets dan niets. Daarom
zwijgen wij er op los. Ik onderbreek

jou nu niet meer, mama, spreek op.
Doe gewoon alsof je ergens anders

bent en dat je mij vergeet, dat je mij
vergat begrijp ik, want jij denkt dat ik

nog steeds jouw kleine jongen ben.
Jij bent even oud als toen de aarde

onder mij verdween. Ik wist, jij blijft
niet in die houten kist. Kwinkslagen

in jouw woordenschat heb jij in mij
geweven. Jij krikt mij op. Jij zweeg.

Zoals er leven vóór de dood is, zo is er ook in de witregels eerder iets dan niets. Een fraaie logica waarmee het mogelijk blijkt – in dit gedicht althans – de doden te laten spreken. Maar dat is niet meteen duidelijk. Aanvankelijk kan een lezer nog denken dat het om een levende moeder gaat. De dichter houdt de spanning erin. Pas bij de zin ‘Jij bent even oud als toen de aarde onder mij verdween’, wordt het menens. En de zin daarna laat er ook geen misverstand over bestaan. Of toch? Ik kom op deze kwestie nog terug.

‘Ik onderbreek jou nu niet meer, mama, spreek op’, schrijft de dichter. Dat lijkt even een heel gewone zin, maar blijkt na het lezen van de rest van het gedicht paradoxaal. Want hoe kan een dode onderbroken worden? Door hem tot leven te wekken misschien? Inderdaad gebeurt dat bijna. ‘Spreek op’ klinkt in zijn aanmoedigende toon haast als een gebiedend ‘sta op’. Een uitspraak die aan het verhaal van Lazarus doet denken.
De ik-persoon maant zijn moeder verder ‘gewoon te doen alsof ze ergens anders is’. Ergens anders ook in de betekenis van ‘anders zijn’ en ‘niet nergens’ zijn. Het grappige van deze zin is dat hij zowel waar als onwaar is. Overdrachtelijk gesproken hoeft de moeder niet eens te doen alsof ze ergens anders is, want dat is ze al (nl. in het fictieve land van de doden). Maar letterlijk bestaat ze niet meer: is ze feitelijk nergens. Dat maakt deze schijnbaar eenvoudige taal verwarrend. Heden en verleden, en bijna alles in dit gedicht loopt door elkaar en de dichter – zoals altijd – speelt zijn kostelijk spel met woorden ten koste van de oriëntatie van de lezer.
Ook de regel die het ‘dood-zijn’ van de moeder ‘onomstotelijk’ zou bevestigen (omdat op het moment dat de aarde onder de voeten van de ik-figuur verdwijnt haar leeftijd voor altijd wordt vastgelegd) blijkt uiteindelijk ambivalent. De aarde verdwijnt ook onder ons als we in een opstijgend vliegtuig zitten en daar zit (meestal gelukkig) helemaal niets dramatisch in. Hoe hoger iemand komt hoe meer de aarde onder hem verdwijnt. Misschien bereidt de dichter met deze beschrijving van een soort ‘hemelvaart’ de laatste regel voor, waarin de ik-persoon wordt ‘opgekrikt’ (omdat zij zweeg).
Om te begrijpen hoe zwijgen iemand kan opkrikken moeten we bedenken dat hoog en laag relatieve begrippen zijn, net als groot en klein. Wie zwijgt maakt zichzelf in zekere zin kleiner (lager), minder belangrijk, en geeft een ander daarmee de kans belangrijker (hoger), groter te lijken. En dat is ook wat witregels doen: ze staan de lezer toe in het nederige ‘niets’ van hun leegte ‘iets’ te lezen; iets misschien wel van hemzelf! En wat is bevredigender dan dat? Een lezer die een beetje het gevoel krijgt zelf aan het woord te mogen komen voelt zich uiteindelijk meer serieus genomen, toch? Zo zwijgt een dichter wat doodgezwegen in ons leeft eruit! Alle geschreven en ongeschreven wereldliteratuur! Nu ja, terug naar het gedicht. Wanneer de dichter het over de kwinkslagen in de woordenschat van zijn moeder heeft weet hij dat hij ze (alleen al door dat te zeggen) in zijn poëzie weeft. Eén van de mooiste bewaarde hij voor het eind: ‘Jij zweeg.’ Een geweldige vondst! De moeder liet haar zoon ooit uitspreken: ze zweeg; ze zweeg ook op het moment dat ze stierf; maar nu, door de verleden tijd van een woord, zwijgt ze in dit gedicht niet meer. 

Signalementen 2017 / 1

Samuel Vriezen, Netwerk in eclips

Netwerk in eclips gaat over poëzie in het digitale tijdperk. Leidraad vormen de bewerkte posts op Vriezen vindt … , de weblog die hij bijhield van 2006 tot 2013. Op het voorplat staat onder de titel de typering ‘essay’, maar dat is misleidend. Mijn eerste associatie was die met het ‘pak van Sjaalman’ uit de Max Havelaar: in zijn boek wisselt Vriezen poëzie af met essays en ‘passages’ over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals geëngageerde poëzie, eigenschappen van blogs, netwerkpoëtica’s en de lezer, waardevolle muziek en literatuur die ‘unboring boring’ zijn, honderd zinnen over Arjen Duinker en Jeroen Mettes, Thoreau en burgerlijke ongehoorzaamheid en de interpretatie van de laatste, lege post van Jeroen Mettes.
De teksten zijn gegroepeerd rond vier kernen: de werking van taal en poëtische vorm, ‘netwerkpoëtica’s’ en de implicaties daarvan, het ontstaan van subjectiviteit en ‘artistieke projecten die botsen met de (politieke) werkelijkheid en veelal stuklopen.’ Je hoeft het boek niet per se lineair te lezen: net als op internet maak je je keuzes op grond van het moment, je stemming, interesse et cetera.
Het is een aantrekkelijk boek, niet in de laatste plaats omdat de auteur regelmatig discussie uitlokt. Zo schrijft hij op p. 99: ‘Poëzie ontstaat niet uit reeds klaarliggende gedachten die dan verwoord worden of uit onderwerpen die behandeld worden in een bijzondere stijl.’ Hier generaliseert Vriezen. In een noot bij een betoog waarin hij zich afvraagt of er gevaarlijke poëzie bestaat, zoals weleens wordt verkondigd, schrijft hij: “Mohammed Bouyeri droeg het gedicht ‘In bloed gedoopt’ op zijn lijf, in de hoop door politiekogels doorzeefd te zullen worden na Theo van Gogh te hebben vermoord. Het bevat regels als ‘Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen / Je zal zeker het loodje leggen.’ Dat is wel degelijk poëzie.” Het lijkt me een schoolvoorbeeld van poëzie die wel op deze manier is ontstaan.

***
Samuel Vriezen (2016). Netwerk in eclips. Wereldbibliotheek, 349 blz. € 29,99

 

Frans Kuipers, Geen ander antwoord

Aan de nieuwe bundel Geen ander antwoord van Frans Kuipers gaat een citaat van Borges vooraf, waarin hij stelt dat poëzie ontstaat in de omgang van het gedicht met de lezer. Dat is natuurlijk zo, maar als je die probeert in te palmen, kan het mislopen. De valkuil van Kuipers is zijn behaagzucht: ‘[Ik] zei de gek zal u zeggen waar het om gaat: / een paar regels recht voor zijn raap, / het duister in dichterlaaie te zetten.’ Ik zei de gek. In dichterlaaie. Hij laat hier zijn ambities zien, maar doet dat op bescheiden, goedmoedige wijze: hij is maar een gewone jongen. Een gevoelige dromer is hij ook: ‘Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied’. En grappig: ‘Nooit wordt Kuifje ouder. / Niets brandt in het donker gouder/ dan eerstelieven lang geleden / hoezeer ook dikke tantes heden.’
Tot slot toont hij met enige zelfspot een deemoed die het in spirituele kringen ongetwijfeld goed doet: ‘Ik ben maar een eenvoudige, door de wringer van de zee gehaalde, / veelmaals verdwaalde dienaar van de Glimlachende zonder Gezicht.’

De bundel zou beter zijn geweest zonder deze behaagzucht.

***
Frans Kuipers (2016). Geen ander antwoord. Atlas Contact, 64 blz. € 21,99

 

Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (samenstelling), Aan de andere oever van het verlangen

Aan de andere oever van het verlangen is een uitgave van PEN Vlaanderen. De ondertitel luidt: ‘Arabische auteurs verleiden Vlaamse auteurs’ en dat is precies wat er gebeurt. De bundel bestaat uit paren van verhalen en gedichten. Ieder paar begint met een Arabische auteur en wordt gevolgd door een Vlaamse. De titels maken nieuwsgierig: Alhadi Agabaldour (Soedan, 1971) schreef het gedicht ‘De gekke papegaai’, Delphine Lecompte volgt met ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. In die nieuwsgierigheid word je niet teleurgesteld. Soms zijn de paren thematisch aan elkaar verbonden, soms ook inhoudelijk. Een voorbeeld van dat laatste zijn de gedichten van Adnan Adil (Irak, 1971) en Annemarie Estor. Op Adils lange gedicht ‘Een lichaam bemest met de verwachting van Larissa en het ei van Gilgamesj’, reageert zij met een eveneens lang gedicht dat ongeveer dezelfde vorm heeft: ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’. (In de inhoudsopgave staat gek genoeg een variant op deze titel). Adil – of beter: zijn lyrisch ik – heeft een gedicht voorgelezen, waarin een passage voorkomt die door het ‘ik’ van Estor wordt geciteerd: ‘De aarde heeft een luik openstaan / Daar kijk ik door naar de echtheid.’ Hij snapt niet dat zij daar bang van wordt, hij beseft niet dat zij die passage verbindt met zijn ogen die ‘glanzen als ruwe olie’, die ‘de galblaas van de nacht’ hebben geroken, ‘de bodem’ hebben gezien, die ‘ooit [zaten] ondergedompeld in de inktpot van de lasteraar.’ Maar die ogen ‘zijn vrolijk tegelijk.’ Hebben pijn en vreugde een geheime relatie met elkaar?

Een aanrader, deze bundel.

***
Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (2016). Aan de andere oever van het verlangen. Uitgeverij P, 86 blz. € 16,50.
De opbrengst van dit boek gaat naar twee projecten van PEN Vlaanderen.

 

Mark Meekers / Marcel Rademakers, Alleen in een lied kan ik wonen

In de periode 1955 tot ongeveer 1970 schreef Mark Meekers – het alias van Marcel Rademakers – een indrukwekkende hoeveelheid ‘poëtische chansons’ die hij zelf uitvoerde. De muziek was leidend bij het schrijven van de teksten en dat is een wezenlijk onderscheid met poëzie, die veelal bedoeld is om te worden gelezen. Dat neemt niet weg dat er een wisselwerking plaatsvond tussen Meekers’ chansons en zijn gedichten; hij zal zich ongetwijfeld kunnen vinden Gerbrandy’s uitspraak ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. Meekers schreef zelf een inleiding en onder zijn eigen naam, die hij als beeldend kunstenaar gebruikt, illustreerde hij het voorplat – sober en mooi. Een CD is meegeleverd, zodat de lezer die Meekers als zanger niet kent een goede indruk krijgt.
De chansons uit de tweede helft van de zestiger jaren vormen een herkenbaar tijdsbeeld: het is de tijd van de protestsongs van Bob Dylan, Boudewijn de Groot en anderen. In Vlaanderen was de macht van het episcopaat voor de meerderheid van de bevolking nog overheersend. Jongeren van de generatie ’68 verzetten zich daartegen en Meekers was een van hen, maar niet per se vanuit een anti-religieuze houding.
In zo’n omvangrijk oeuvre vind je natuurlijk veel meer dan protestsongs. Meekers bezingt het platteland op een weemoedige manier en toont zich daarmee verwant aan chansonniers als Jacques Brel en Ede Staal. Ook de stad is een bron van inspiratie, met name Antwerpen: ‘Ach, mijn stad, mijn stad, Sinjorenstad, / Havenstad, wonderstad’.

Het is lang geleden dat Meekers zijn laatste chansons schreef. Misschien komt het er opnieuw van als Antwerpen hem de functie van stadstroubadour aanbiedt.

***
Mark Meekers / Marcel Rademakers (2016). Alleen in een lied kan ik wonen. Concept, 160 blz. € 20,00

 

Germain Droogenbroodt, De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo

De efemere bloem van de tijd is een Nederlands-Spaanse bundel; de Spaanse versie schreef Droogenbroodt in samenwerking met de auteur Rafael Carcélen García. De bundel maakt al nieuwsgierig voor je hem hebt opengeslagen, want op het achterplat staat een intrigerend citaat van dichter en uitgever Thachom Poyil Rajeevan, mogelijk uit een brief aan Droogenbroodt: ‘Uw gedichten bevatten een serene diepte en kennis, een zeldzame kwaliteit in de hedendaagse internationale poëzie. Alleen Tagore benadert de manier waarover u over het woord mediteert.’ Tagore, de winnaar van de Nobelprijs 1913!
De Spaanse dichter, die ook het voorwoord schreef, acht Droogenbroodt eveneens hoog. Hij vindt hem een dichter van dezelfde hoogte als Celan, van wie hij niet alleen de overvloedige diepzinnigheid, vernieuwende lyrische stijl en stilte ‘perfect [heeft] geassimileerd, maar ook verrijkt heeft met het legaat van de taoïstische, hindoeïstische en boeddhistische tradities die hij in zijn werk doet samenvloeien.’
Die loftuitingen zijn vooralsnog wat overdreven. Strofen als de volgende komen bij Celan en Tagore niet voor: ‘Zoals de dag naar het morgenrood hunkert / zo hunkert ook het witte blad / naar het woord.’ De dag hunkert dus naar het begin van de dag. Vreemd. Of zou de voorgaande dag al naar de volgende hunkeren? Dat zou kunnen. Maar het woordje ‘ook’ maakt de strofe onzinnig. Vergelijk hem met een zin als: ‘Zoals hij hunkert naar het morgenrood, zo hunkert ook zij naar frisse lucht.’
Desondanks kan de bundel aantrekkelijk zijn voor mensen die houden van Oosters aandoende poëzie. Een van zijn ‘Reflecties’: ‘Het water dat zichzelf niet laven kan / berust er zich in / water te zijn.’

***
Germain Droogenbroodt (2016). De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo. Point-Editions & Boekenplan, 167 blz. € 15,90

 

Ron Elshout, In het voorbijgaan

In de nieuwe bundel van Ron Elshout staat een reeks van zeven gedichten over de schrijver Georges Perec. Het derde heeft als titel: ‘Al het andere’:

‘Het is de ervaring gevat
op het niveau van de omgeving
waarin het lichaam zich beweegt,

de handelingen die het doet,
heel de alledaagsheid die samen-
hangt met de kleren die je
draagt, het voedsel dat je eet,
de reizen die je maakt, hoe
je je tijd besteedt en hoe je
de ruimte verkent.

Al het andere blijft ongezegd –‘

Dit gedicht had geschreven kunnen worden als een karakteristiek van Elshouts werkwijze in deze bundel: hij schetst een zelfportret, in de eerste plaats door het beschrijven van personen – veelal vrouwen en meisjes – die hem lief zijn of waren. Daarnaast dicht hij over kleine wederwaardigheden uit het dagelijks leven, over musici, schrijvers en dichters die hij bewondert en, via natuurobservaties, zijn ‘winterse geest’.
De poëzie overstijgt het autobiografische. Het eerste gedicht, ‘Een opdracht aan mijn vrouw’, eindigt met de veelbetekenende regels: ‘Maar deze opdracht is voor andere ogen: / dit zijn eigen woorden aan jou in ’t openbaar.’ Hier spreekt een dichter die weet wat hij wil: hij maakt het persoonlijke herkenbaar voor de lezer en hij doet dat in ‘eigen woorden’ op een vormvaste, soepele manier die klassiek aandoet.
Enkele van die liefdevolle portretten doen wat vlak aan. ‘Angeliek’, een reeks van vier gedichten, heeft teveel ‘ik vin je zoo lief en zoo licht’- formuleringen om me te boeien. Een voorbeeld: ‘De slanke lelieblanke aanschouwt, / mijmert, weifelt, schudt haar hoofd, / / waarna ik haar met licht omgeef / dat nabij haar elpenbenen zwanenhals // breekt in de glinstering van haar / oorbel. ( … )’.
Maar die gedichten zijn in de minderheid. In het voorbijgaan is een aantrekkelijke bundel.

***
Ron Elshout (2016). In het voorbijgaan. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks 37, 90 blz. € 15,95

Recensie van Wat helpt is een wonder - Anne Vegter

De nalatenschap van de vierde Dichter des Vaderlands

Anne Vegter
Wat helpt is een wonder
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021404400
€ 17,99
136 blz.

De laatste dinsdag van de maand tonen vier boekhandelaren bij De Wereld Draait Door hun keuze uit recent verschenen Nederlandstalige boeken. Meestal gaat het om romans, soms om non-fictie of kinderboeken. Ik kan me niet herinneren dat er ooit een poëziebundel bij zat. Tot 31 januari jongstleden. Het panel prees Wat helpt is een wonder aan, de bundel die Anne Vegter liet verschijnen aan het einde van haar ambtsperiode van vier jaar als Dichter des Vaderlands.
Lenneke de Ruijter van Savannah Bay lichtte haar keuze als volgt toe: ‘Het mooie eraan is, mocht je nog niet veel poëzie lezen, dit is eentje waar je mee kunt beginnen want ze neemt je bij de hand. Voor ieder gedicht staat de aanleiding waarover ze het gedicht geschreven heeft.’ Dit sluit aan bij wat Vegter in de inleiding schrijft: ‘Ik probeerde vier jaar lang gedichten te schrijven met een heldere navigatie. Zodat dichter en lezer op hetzelfde moment op hun bestemming aankomen.’
De voorkant van de bundel toont een stukje goedbedoeld amateurtoneel: een vrouw met een megafoon, een meisje met een boekentrapje in haar hand en een viool op haar rug en een vrouw die met haar fiets gevallen lijkt, terwijl ze een harp vasthoudt. Een contrabas verdwijnt net uit beeld. Absurdisme. Chaos. Meerstemmigheid. De onmacht van het gesproken woord.
Wat heeft deze bundel ons te vertellen? Gaat het over de belangrijkste gebeurtenissen van de afgelopen vier jaar, ‘Het aanzien van 2013-2016’ maar dan in gedichten? Is het inderdaad poetry for the millions, zoals DWDD suggereert? Wat valt er te zeggen over het poëtisch gehalte en een eventuele ontwikkeling in het werk van Vegter? Dit is bij lange na niet de eerste recensie, haar bundel heeft de nodige aandacht getrokken. Ik zal me bij het beantwoorden van bovenstaande vragen concentreren op een tweetal gedichten. De bundel, en het werk van Vegter als Dichter des Vaderlands in brede zin, zijn te omvangrijk om hier volledig te kunnen bespreken.

RUTGER KOPLAND

Het kon gebeuren dat geschreven dingen ontevreden werden toen je ging,
ons nurks de rug toekeerden en onvindbaar bleven, zelfs de grote dingen
waggelden toen je ging dachten we weg, het kon gebeuren dat we over
de ziel zeiden dat die misschien wel, onverstoorbaar, niemand kon toch

zonder, ander onderwerp, maar jij bleef weg van het gedoe zonder jou:

waan van de dag. We heetten je kameraad van alle dingen, dat we dat
durfden (toen je van steen het hart, van tafel het tafelachtige omarmde
of toen zei je mooi, maar dat is het woord niet en hoe je het verdwijnen/
verschijnen van de dingen in het landschap van de poëzie ontwarde).

In dit gedicht brengt zij een hommage aan de dichter die destijds volgens velen de eerste Dichter des Vaderlands had moeten worden. Zijn trouwe lezers herkennen natuurlijk direct de titel Mooi, maar dat is het woord niet, een boek waarin Kopland in gesprek ging met vijf eigentijdse dichters. Vegter weet zijn liefde voor het detail, zijn aandachtige beschouwing van de dingen in geheel eigen woorden te vangen. Zij schreef het gedicht ter gelegenheid van de onthulling van een borstbeeld van Rutger Kopland in Haren, 20 september 2013. Voor de fijnproevers is interessant om deze versie uit de bundel te leggen naast de in 2013 gepresenteerde versie. Regellengtes en strofe-indeling zijn ingrijpend veranderd, evenals bepaalde woordkeuzes (zo was het laatste woord in de eerste versie ‘verwarmde’). Poëzie als work-in-progress. Op de website van de Koninklijke Bibliotheek staan beide versies onder elkaar.

Wat ook opvalt aan bovenstaand gedicht: echt eenvoudig is het niet. Wat helpt is een wonder is niet echt een bundel om mee te beginnen als je weinig poëzie leest, zoals Lenneke de Ruijter aanbeveelt. Vegter schrijft geen licht verteerbare poëzie, ze volgt sterk haar eigen gedachtespoor en associaties, legt dingen niet uit, zegt vaak niet meer dan strikt nodig is. Bij sommige gedichten is de verwijzing op de linkerpagina essentieel om überhaupt te kunnen duiden wat er staat. Ondanks haar functie schrijft ze compromisloos, wat natuurlijk de echte kunstenaar kenmerkt. Compromisloos, niet alleen qua vorm maar ook qua inhoud. Vegter schrijft geen makkelijk aanvaardbare poëzie.
Nu had Komrij wat dat betreft de weg al voor haar gebaand. Zijn gedichten over het koningshuis bijvoorbeeld waren eerder aanklachten dan lofzangen. Ook Vegter schrijft geen odes aan het Oranjehuis. Ter gelegenheid van de kroning van Willem-Alexander, april 2013, schreef zij het dubbelgedicht ‘Iemand moest zich koning heten / Zelf Máxima zijn’. In het eerste gedicht lezen we: ‘Ik droomde dit: mijn leven was te ruil, mijn staf keek uit / naar eentje met illusies. (…) Misschien had Arnon Grunberg zin. Iemand moest het doen.’ Hilarisch, Grunberg als koning. Het gedicht voor Máxima vervolgt: ‘als jij // je joker speelt, in kringen verkeert, de paarden berijdt, de bloemen versnijdt, // illusie illusie verwijt.’ Het staat er niet. Maar het gebruik van het woord ‘illusie’ in het eerste gedicht, en de verdubbelde herhaling ervan in het tweede geven duidelijk stem aan een niet al te vriendelijke opvatting over het koningschap.

Lezend in de bundel krijg ik het idee dat de gedichten na het eerste jaar steeds toegankelijker worden. En dan stort op 17 juli 2014 een vliegtuig van Malaysia Airways neer boven Oost-Oekraïne. Twee dagen later publiceert Anne Vegter dit gedicht:

MH 17

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds
waar: zomaar in het web gevlogen van de oorlog van anderen.

Bestaat er in het Russisch ook een woord voor schuld,
woord voor genade, noem het woord dat macht niet duldt:

voor zulke pijn heb je niet eens een woord.

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds
moord. Je zoekt de weefsels van dit abrupt verhaal. Je vindt

het woord, who cares of het bestaat of niet. Wereldverdriet.

Het is een monumentaal gedicht, passend bij een ramp die het hele land verlamt. De eerste regel hakt erin. De tweede regel zal aan het eind van haar dichterschap nog steeds overeind staan, als een nieuwe oneliner in de canon. Maar het gaat de dichter niet om effectbejag. Terwijl nu, wanneer ik dit schrijf, nog steeds gesteggeld wordt over het precieze verloop is de dichter al een stap verder, met haar vraag of er een woord voor ‘schuld’ bestaat in het Russisch. Let wel, er staat niet ‘Oekraïens’. Om het gedicht te eindigen met een woord dat het drama zo goed samenvat dat je bijna zou vergeten dat het nog niet bestond. In het licht van wat er gebeurd is, past het misschien niet om zo diep op de poëzie in te gaan. Maar toch. Hoe waardevol is het niet om op zo’n moment een Dichter des Vaderlands te hebben. En wel deze dichter.

***
De opdracht aan de Dichter des Vaderlands is niet alleen om een aantal mooie gedichten voor het algemeen belang te schrijven. Aan deze gedichten heeft het niet ontbroken, al schreef Vegter in 2016 maar vijf Vaderlands-gedichten, tegen gemiddeld het dubbele in de jaren ervoor. Ook het bevorderen van het lezen en schrijven van poëzie behoort tot de taak van de Dichter des Vaderlands. Eén van de activiteiten die Vegter op dit punt ontplooide is het project ‘Hallo Gedicht!’ Zij maakte in 2016 een tournee langs theaters in alle provincies, waarbij ze samen met een gastdichter drie gedichten ‘ontraadselde’, teneinde een breed publiek vertrouwd te maken met poëzie. De meeste van deze gedichten zijn terug te vinden in de lijvige bloemlezing Je bent mijn liefste woord – Gedichten voor bijzondere momenten, die zij twee jaar eerder samenstelde. Ook is de stoomcursus op papier vastgelegd in het najaar 2016 verschenen boek Hallo gedicht!
Op internet kunnen we nog gratis nagenieten:
- Alle gedichten die Anne Vegter als Dichter des Vaderlands schreef zijn op de site van de Koninklijke  Bibliotheek terug te lezen.
- De tips voor het lezen van de gedichten uit ‘Hallo gedicht!’ zijn te vinden op www.hallogedicht.nl