Recensie van Een mistval om het rumoer - Jan Kleefstra

Een kaal landschap vol betoverende poëzie

Jan Kleefstra
Een mistval om het rumoer
Uitgever: Aspekt
2017
ISBN 9789463381673
€ 12,95
68 blz.

Eén van de kleinste bundels in mijn boekenkast is De bramenpluk van Miriam Van hee. Het is een boekje dat ik graag meenam in de trein of als ik een dag uit wandelen ging. De dichter, die haar achternaam zonder hoofdletter schreef, maakte zich zo klein dat de dingen zelf aan het woord kwamen. Vaak was het voldoende om slechts een paar gedichten te plukken, en zo nauwer in contact te komen met het hier-en-nu. De hier besproken bundel heeft hetzelfde formaat. Bescheiden. Groots.

‘Het wordt stiller. De zon is nog niet op. Het meer wacht op de vlucht die alles in beroering brengt. Wat spreekt, fluistert. Nachtkoude heerst over het mooiste moment van deze winterdag, waarin het zijn voor even in alles oplost en het sleutelwoord ingetogenheid is.’ Een raadselachtige toelichting op de achterkant van een bundel die geen krans behoeft.
Jan Kleefstra heeft zijn bundel een intrigerende titel meegegeven. Het woord ‘mistval’ is opgebouwd uit twee bestaande woorden, maar is als samenstelling in het Nederlands onbekend. Het roept het beeld op van invallende mist, maar ook van de mist als een val waar we in kunnen lopen. De titelloze gedichten zijn verdeeld over vijf afdelingen: ‘Winterochtendnevel’, ‘De wind wakker’, ‘Een mistval om het rumoer’, ‘De stille berk’, ‘Waadlicht’.

Wacht er al kou tussen winterlakens

de angst verstrikt te raken
in een mensenleven

Wat een schitterend woord: winterlakens. Het voert ons naar een huis zonder centrale verwarming, misschien zelfs naar een vroegere tijd. De tweede strofe heeft een mystieke kleur. Het lijkt alsof er een instantie aan het woord is, die losstaat van het lichaam. De geest die vrij is in zijn gedachten en in de woorden van het gedicht, maar ook gebonden aan een lichaam met zijn alledaagse behoefte aan warmte, voedsel, gezelschap. Of mogen we deze regels lezen als bindingsangst, de angst om iemand te dicht op de huid te komen?
In De bramenpluk is de warmte opgeslagen van zomers in de Cevennen. Een mistval om het rumoer ademt de kou van het winterse Friese land. Kleefstra hanteert een kale, transparante taal. Eén hoofdletter aan het begin van elk gedicht, geen interpunctie. Geen inhoudsopgave, de gedichten hebben immers geen titel. Jammer misschien, want de opsomming van de beginregels zou zomaar weer een gedicht op zich kunnen vormen.

Het vers van de kleine schrijver

paart onder kale berken met de gedachte

dat er ooit een wolk om een handvol

lieftallige liederen kruipen zal

Door het gebruik van de dubbele witregel bestaat dit gedicht uit vier eenregelige strofen. Het geeft de tekst een voorlopig, tentatief karakter, waarbij pas verder gesproken wordt als de eerste zin bezonken is. De woorden ‘berk’ en ‘wolk’ komen veelvuldig voor in deze bundel, evenals het gebruik van dubbele witregels. Het gedicht op de volgende bladzij bestaat zelfs uit twee eenregelige strofen, met nota bene vier witregels ertussen.
De poëzie van Kleefstra maakt een verstilde, onthechte indruk. De overweldigende aanwezigheid van de natuur komt op de eerste plaats. ‘Het komt zichzelf telkens weer te boven / het bos’; ‘Weet dat het veen in je hand / nooit zonder gedachten is’; ‘in een handvol uitgekauwde / zuring wordt sneeuw regen’. Toch vertelt de dichter een heel persoonlijk verhaal. Er zit een duidelijke opbouw in de verschillende afdelingen. In ‘De wind wakker’ wordt de blik op de dichter zelf gericht. Zie bijvoorbeeld ‘de kleine schrijver’ in het zojuist aangehaalde gedicht. Of wranger: ‘Ieder vol geschreven blad // zou prooi / voor de ondoofbare vlam // van mijn weerzin moeten zijn’. In ‘Een mistval om het rumoer’ is sprake van een ‘we’ en van romantische fragmenten als ‘Het gras / dat we stil hebben uitgekleed’. In ‘De stille berk’ lijkt sprake van een worsteling: ‘schuld vereenzelvigt zich niet met liefde / pelt geen onrijpe vruchten voordat / het jaar voorbij is’.
Door te wijzen op deze onderstroom beweer ik geenszins dat we een chronologisch verhaal krijgen voorgeschoteld, zoals in Die Winterreise van Schubert. Ik zie Een mistval om het rumoer eerder als een reeks losse impressies van een ‘ik’ die troost zoekt in het lege landschap: ‘in boezemland wilde ik / met niets verweven stil zijn // op de toppen van mijn kunnen / op het lijk van mijn treurigheid dansen’.
Daarom moet deze recensie ook kort blijven. Al te veel duiding zou dit kleinood van Kleefstra onrecht aandoen. Alsof zijn woorden pas kunnen spreken wanneer zij worden uitgelegd.

Een klein gerucht is snel verwaaid

ik waag mij niet
de winterhemel te verontrusten

wil ik op ieders wang kleur
van het bevroren noodlot zijn

kruipend zal ik geen wijsheid vinden

***
Jan Kleefstra (1964) is een tweetalig dichter: Nederlands en Fries. Hij combineert zijn Friestalige poëzie liefst met muziek. Samen met zijn broer Romke Kleefstra maakte hij diverse bewerkingen, o.a. verschenen op hun album Piiptsjilling. Luister naar de stem van Jan Kleefstra om je onder te laten dompelen in de betoverende klank van zijn poëzie.
Een mistval om het rumoer (met tekeningen van Lucien Tinga) is zijn derde Nederlandstalige bundel. Zaterdag 23 september a.s. is Jan Kleefstra te gast op het Dichtersplatform Reuring in Grand Café Koekenbier te Alkmaar. Aanvang 16:00.

Recensie van Mijn grote schuld - Laurens Ham

Poetica, non Polet

Laurens Ham
Mijn grote schuld
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427129
€ 19,99
63 blz.

Laat ik meteen maar met de deur in huis vallen. Het grootste deel van Mijn grote schuld, de debuutbundel van Laurens Ham, doet me weinig en ik kan er ook weinig mee. Niet als poëzie, niet als klank, niet als taal.
Vele pagina’s zijn gevuld met linten van woorden en zinnen, waarvan onduidelijk is of ze deel uitmaken van een groter geheel of dat ze als zelfstandig gedicht moeten worden beschouwd.
Aan de hand van de gedichten/fragmenten op pagina 48, 49 en 50 zal ik proberen om, samen met de lezer, dieper in de bundel door te dringen.

[p. 48]
dat kind die mars door de strot
bloed- en bodemloos
terwijl mijn scheur in de lucht wordt dichtgenaaid

de pers internationaal
breeduit op schoot in slaap
gromt eenmaal zijn tanden bloot
sluimert alweer

ingesnoerd in het ijle hang ik
verzekerd als ik ben
van een strand
van alle smetten vrij

ik avonturier die achter gesloten oogleden
de bergwand ziet
en nadert

[p. 49]
ik zondigde al
toen ik het schoongeveegde folderland
in  mijn voorruit realiseerde
brandende metablik
alle vrijheid verzengd

kan ik die fjorden vrijkopen
dan doe ik dat verdomme
helle zomerdag

hoe immoreel zou het zijn
die potentie onverwezenlijkt te laten

mijn zonde bestaat in het erkennen
van schuld
waar die zo leeg is
als een slappe portemonnee

[p. 50]
als we die trein nu eens dwars
door hun terrein snijden
verstoven zwerm
door een tyfusmooi land

als we de robot nu eens gevoelig
maken voor gelukszoekers
en hem vragen hen bij twijfel
naar god te helpen

als we het koele razen
van het spoor nu eens ombuigen
tot de ruimte voor verstekelingen
gebald raakt als een slakkenhuis

bij het ontrollen van het spandoek
geen ontsnappen meer aan

fuck de politiek
laten we het gezellig houden

Deze reeks ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ begint op p. 46 en aan de hand van een aantal signaalwoorden als ‘wasstraat’, ‘velgen’, ‘bello’, ‘maxicosi’ (p. 46), ‘wandelschoen’, ‘terriër’, ‘wurglijn’ (p. 47), ‘kind’ (p. 48), ‘folder […]’ en ‘voorruit’ (p. 49) meen je op het anekdotisch niveau te lezen over iemand die zijn auto wast en met kind en hond in het bos gaat wandelen. Maar op. p. 50 gaat het opeens over ‘trein’ en ‘spoor’ en besluit het geheel met ‘fuck de politiek / laten we het gezellig houden’.
Hier wordt een procedé zichtbaar: de verdubbeling trein/terrein komt voort uit klank, de verdubbeling slakkenhuis/ontrollen […] spandoek komt voort uit beeld. Dit soort verdubbelingen en verspringingen komt veel vaker voor in de bundel. Zo vaak zelfs, dat ik denk dat ze de bouwstenen vormen van de gedichten. Op deze manier groeit de tekst door middel van klank, beeld of betekenis steeds verder aan tot een reeks of een lint van teksten, waarbij de reeks zelf uitsluitend ontstaat bij gratie van de beginwoorden die de associatie op gang brengen. De reeksen eindigen niet echt, maar blijken te zijn afgelopen wanneer je opeens terechtkomt op een witte pagina. Ik kan er nog altijd de noodzakelijkheid niet van inzien.

De illustratie op de voorzijde toont een persoon in een poollandschap naast een leeglopende zwarte luchtballen en een op zijn kant liggende bruine gondel, waarin nog licht schijnt. Op de achterzijde leest men onder meer: ‘… hoe we door te reizen ingrijpen in de samenleving en de natuur.’
Mogelijk hebben deze zaken met elkaar te maken.
De constatering op de achterzijde is geen breinbreker. De thermometer toont slechts de temperatuur van zijn contactvlak met het ijsblok en beïnvloedt die tegelijkertijd. Zelfs de herinnering verandert, wanneer we haar in de geest aanraken.

Ham opent de bundel met twee motto’s; één uit Tony Wheeler’s ‘Lonely Planet philosophy’ en het ander uit Hendrik Tollens’ ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla’. In de ondermarge van de reeks ‘Wee’ worden delen uit een zeventiende-eeuwse brief afgedrukt, afkomstig van www.gekaaptebrieven.nl . Welk verband moet er blijken uit het opvoeren van Willem Barentsz als sprekend personage, de verwijzing ‘van alle smetten vrij’ naar Tollens (‘Wien Neêrlandsch bloed…’) en de toeristen in de reeks ‘Utopië’?
Beoogt de tekst op de achterzijde, behalve een constatering, een duiding te zijn van de inhoud van de bundel? Ook na de vierde herlezing heb ik die kluis niet kunnen kraken.

Mij bekruipt het gevoel dat Ham – indachtig Marsman’s ‘baldadig aforisme’ van graan des levens dat wordt omgestookt tot jenever der poëzie – wat te diep in het glaasje Polet heeft gekeken. Hij tapt uit een vaatje dat niet door hemzelf is aangeslagen, maar dat al door diverse dichters, sommige van naam en faam, gevuld is. Hierbij kan het zijn dat zich in de aard van de beelden en associaties de persoonlijkheid van de dichter laat benaderen, in de gedichten als zodanig lukt mij dat niet. In plaats van een poetica van de dichter zelf zie ik voornamelijk schatplichtigheid aan voorgangers. Dat is jammer, want op een enkele plaats meen ik de stem van de dichter wel degelijk te horen. En dat smaakt wel naar meer:

[…]
iedereen vormt zich een luchtschip
om zijn naasten te vervoeren

[p. 61]

****
Laurens Ham (1985) is essayist en docent-onderzoeker aan de Universiteit Utrecht. Hij publiceerde eerder poëzie in Terras en  DWB. Mijn grote schuld is zijn debuut als dichter. Eerder verschenen van hem de studie Door Prometheus geboeid en het nawoord bij Sybren Polet’s laatste essaybundel, De noodzaak van het overbodige. Hij won in 2011 de ABG/VN Essayprijs voor het essay ‘Multatuli, een zelfcreatie’.

Recensie van Nachtefteling - Martijn Benders

Prachtige rompslomp van woorden

Martijn Benders
Nachtefteling
Uitgever: Van Gennep
2017
ISBN 9789461648082
€ 17,90
86 blz.

De Efteling in volslagen duister, als de vele bezoekers huiswaarts zijn gekeerd en niemand meer in de rij staat. Is dat de Nachtefteling, of is het meer een heel ander soort pretpark waar duistere sprookjes de inspiratie zijn geweest? Maar zijn de bestaande sprookjes niet al duister genoeg? In de brief die de bundel afsluit, geschreven door ‘Martinus’ Benders op Camping ‘De Zwarte Bergen’, lezen we over de ambitie om een Nachtefteling te starten en rendabel te maken: ‘Nacht na dag na nacht zat ik te peinzen over hoe ik deze Nachtefteling zou gaan scheppen, en hoe ik er alle dichters van Nederland een baan in zou verschaffen. (…) Een plek waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt, hier ga ik hem bouwen, hier in De Zwarte Bergen. En deze bundel dient u dan maar te beschouwen als een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking, als een eerste, kleine verkenning.’

Hij is er weer, de dichter/grappenmaker, waarbij je niet goed weet wat ernst is en wat een grap. Albert Hagenaars beschreef in een recensie over Martijn Benders’ bundel Lippenspook de dichter als: ‘nar en jongleur ineen’. Dat is een gevaarlijk compliment. Nar en jongleur. Clown én acrobaat. Zowel Bassie als Adriaan. Tijdens het Tuinfeest in Deventer zag ik Benders optreden met naast hem een lange man in een regenjas die op gezette tijden iets in de microfoon mocht roepen. Het leek op VPRO-kindertelevisie in zijn beste jaren, maar het boeide mij niet, en ook niet toen er werd overgeschakeld naar het zingen van simpele kreten. Benders zoekt het experiment, de absurde vorm, maar ik haakte af omdat het voor mij te ver af staat van de essentie van poëzie, zoals Benders dat in de brief zelf aanduidt: ‘Je buiten de tijd zetten, een fractie van een seconde maar.’ Die gekkigheid trekt je heel hard de tijd in.

Clown en acrobaat. Hier schuilt gevaar voor de dichter: zoveel aandacht voor de humor in zijn werk en zijn uitzonderlijke taalvaardigheden is vooral aandacht voor de vorm. Maar veel vorm verstopt de inhoud en verhult ook het gebrek aan inhoud. Dat gevaar heeft Benders kunstig afgewend in Nachtefteling. De nieuwe bundel is allesbehalve een ‘nietszeggende voorbode’, er zit veel inhoud en gelaagdheid in de gedichten.

De bundel bestaat uit drie onderdelen: NOKS, ELPH en TOELINK. Het eerste deel bestaat uit 16 gedichten die onderling samenhang vertonen, het tweede deel is één groot gedicht en het laatste bevat 20 uiteenlopende gedichten die als een soort toegift zijn toegevoegd.

ELPH is te lezen als een zwarte variant op Gorters Mei, en is daarmee de hoofdattractie van de Nachtefteling. Er is sprake van een monster dat door een piepklein gaatje naar buiten kan kijken, waarna we een uitvoerige beschrijving krijgen van wat het allemaal niet kan zien. Lieflijke beschrijvingen van de natuur met subtiele verwijzingen naar dood en oorlog: ‘de pierlala van de wind’, de ‘torpedojager van een gele narcis’. De verwijzing naar Gorter is expliciet: ‘Het gortert door de eeuwige goot, waar dit gedicht opgekrast staat.’ Maar in die eeuwige goot treffen we ook Guido Gezelle ‘op het nulleke van de horizon’, ‘op het noerke van de horizon’ en Paul van Ostaijen als wolkenformaties worden getekend met het woord ‘wolk’. En dan aan het slot zijn we terug bij het monster:

(…)

Maar niets ziet monster 
door dit piepkleine gaatje, 
door het vizier Gods, 
de hemel niet en niet het nulleke van de zee. 
Het ziet alleen jou. En mij. 
En het heeft tijd noch kogels meer.

Heb meelij met ons, Lieve Heer.

Dat is toch wel een belevenis waar je de lange wachttijden in de Nachtefteling voor wil trotseren? En als je de ervaring wil herbeleven, ga je gewoon nog een keer, gewoon weer achteraan sluiten.

Waarin schuilt dat veelgeprezen jongleerwerk van Martijn Benders? Benders (nomen est omen) buigt betekenissen zo dat woorden opeens meer betekenen, er komen veel nieuwe woorden in zijn gedichten, maar dat lijken hele gewone, heel vaak gebruikte woorden. Wat te denken van lieden die ‘ogelen naar wiffels’. Je voelt meteen aan dat er een penetrante stank om dat soort types hangt. In het gedicht ‘Wicht’ denk je even dat de titel verwijst naar een jong onschuldig meisje en misschien doet het dat ook, maar misschien ook weer niet of misschien is het een homoniem. Het werkwoord ‘wichten’ heeft vast verwantschap met wegen, wachten, wiegen en het voelt net zo vertrouwd als ‘dorven’ aan het graf.

Wicht

Argwanend knispert grint onder haar voeten, 
Wanneer zij het graf van haar vader bezoekt.

Ze heeft een goudgele orchidee en in haar sproeten 
tekent zich een ander gezicht, dat alleen hem is.

Zo dorven zich de dochters aan onze graven, vaders. 
Alle verlokking bedacht in het wilde steen.

De ogenblikken graven in, op de bottenradar 
wicht het goudgeel licht zijn orchidee.

En zo staan we even een paar seconden buiten de tijd. Door de nauwkeurig geregisseerde ‘rompslomp van woorden’ die ons verblijf zeer aangenaam maakt in Martijn Benders’ Nachtefteling zoals het door de dichter ontworpen omslag het presenteert. Nergens de neiging om de bundel in de mond van Holle Bolle Gijs te mikken. Als dit de voorbode is, ben ik erg benieuwd hoe het poëziepretpark zelf uitpakt.

***
Martijn Benders (1971) debuteerde in 2008 met de bundel Karavanseria, die genomi­neerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.  Nachtefteling is zijn zevende bundel.

Recensie van Zonder is het licht niet zacht genoeg - Sven Cooremans

Dat moeders van oudsher de hoeders van de feiten zijn

Sven Cooremans
Zonder is het licht niet zacht genoeg
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339294
€ 16,00
48 blz.

Geen poëziebundel meer uitnodigend dan deze: een intrigerende titel, een met die titel corresponderende geheimzinnige omslag  en dit openingsgedicht:

Voornemen

In een kamer met bladgrond
en takjes die zorgen voor klimgelegenheid

zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen

en na weken van uitharden en op kleur komen
zal ik mijn vleugels ontvouwen

vleugels die ik nodig heb

om mezelf, ik noem maar iets
uit te drukken in het voornemen

om u te woord te staan

Goed, het opvallende en prachtige synoniem ‘bladgrond’ ( van ‘teelaarde’), naar mijn weten door Gust Gils bedacht en tevens de titel van de laatste bundel van Roland Jooris, kan een beetje pikkerig overkomen, maar daar staat tegenover: ‘zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen // (…) om mezelf, ik noem maar iets / uit te drukken in het voornemen // om u te woord te staan’.
Subtiele zelfspot en veelbelovend.

De Vlaamse schrijver ervan, Sven Cooremans (1970), is psycholoog en leadzanger van de rockband Ludo. Verhalen en gedichten van hem verschenen in onder andere De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2003 debuteerde hij met Myeline, welke bundel hier eerder werd besproken door Yves Joris.
Hij is als bestuurslid van PEN Vlaanderen verantwoordelijk voor het ‘Writers in Prison Committee’.

Gaan wij verder met het gedicht ‘Sisyphus’, waarmee hij in 2014 de tweede prijs won in de prestigieuze Turing Gedichtenwedstrijd.
Het is geschreven naar de uitzichtloosheid van de arbeid van Sisyphus in de gelijknamige mythe waar vele dichters zich door lieten en laten inspireren. Het verplicht verrichten van deze arbeid als straf voor het tarten van de goden; alsof de mens met zijn handelen de wereld zou kunnen bestieren, de hoogmoed! De wereld gaat aan vlijt ten onder, we weten het, maar het lukt maar niet daarnaar te leven; de vrije wil, wat is dat, bestaat er wel zoiets als een vrije wil?
Cooremans  speelt het klaar in enkele regels over blauwzwarte mestkevers die zich op de sterren verlaten en via zijn winkelwagentje met koppige wieltjes duidelijk te maken dat deze vraag ‘berust in de aard van de beperkingen’. Knap.

Wordt dit niveau voortgezet in de bundel? Ik vind van niet, vooral in een aantal gedichten direct hierna is het aanzienlijk minder. Het derde gedicht, een cyclus met de titel ‘Een moeilijke oefening’ maakt die titel meer dan waar; er staan regels in die niet alleen hoogdravend zijn maar ook eerder strompelen dan lopen: ‘(…) zitten we met opgerolde handdoeken / onder de hielen van onze rusteloosheid (…)’ en ‘(…) vertwijfeld  liggen ze op het malste gras van matten / onze oren in de stilte van het zachte verhemelte / te luisteren te leggen’.
En zo gaat het nog een gedicht of zeven door. Cooremans  wil hierin in vaak losse regels te veel zeggen, regels die te weinig samenhang hebben waardoor het geheel loszanderig en cryptisch wordt: ‘uiteindelijk duurt niets en slaap is belangrijk // ook de mooie dagen noch de stem bij vorst van moeder niet: // ze verzwijgt ons het voordeel dat niet opweegt – sneeuwgericht / zou zonder plastic minder op onze winterharde zieltjes drukken (…)’ uit ‘Voorleesuur voor wintergroenten’. En uit ‘Hoe gordijnen hangen’: ‘hoe gordijnen hangen: rakelings, zo // dat het bijna raakt // hoe de gele hoogklank, hoe de buitenwereld: // op veilige afstand van onze binnenzee // drijft de middagzon onze kamer (de ogen geloken) // voorbij, schuiven lijven als gemoederen / naar de oude binnenstad (…)’.

Na deze inzinking stuit ik in de tweede deel van de bundel op afwisselend boeiende en minder geslaagde  gedichten, de eerste vaak met  verrassende wendingen en geestige regels als ‘(…) ook voor watergebruikers die kranten lezen / is water een bestaansvoorwaarde // en in iedere krant zit wel een kikker’. ( Uit: ‘De kikker in kwestie’).

Tot slot een vers dat door eenvoud en balans de vergelijking met de twee eerstgenoemde gedichten in deze recensie  kan doorstaan:

Logisch positivisme

denken aan niets dan waarneembare geiten

en jerrycans: ritmisch klotsend
vullen ze zich met het ondergrondse

en moeders: ritmisch zingend over het geloof
in de vooruitgang van de mensheid

tot de drinkbak van modder water bevat
en ze met hun ruige ruggen staan te drinken

en weten dat moeders van oudsher
de hoeders van de feiten zijn

Al met al een bundel met pareltjes, mindere gedichten en te ambitieuze verzen die ik respectievelijk met bewondering, fronsend en hoofdschuddend  heb gelezen.
Het leek het leven zelf wel.

Poëzie Kort 2017 / 6

 

Jan M. Meier, Engelenspoor

(Door Lennert Ras)

Engelenspoor leest als een liedtekst en is uitermate zangerig. Komt dat omdat het jambisch geschreven is? Maar dat is niet zo. Er is gemis. Gemis van een zoon. Alhoewel de engel ergens ook vrouwelijke vormen krijgt. De bundel begint zacht mijmerend. Zeer poëtisch. Het verdriet over de heengegane. Dan krijgt de dood hardere vormen. Een geraamte. Stinkend rottend vlees. Karkas. Zelfs het woord dood, toch een zeer groot woord, dat eigenlijk niet in poëzie thuis hoort, wordt verschillende keren gebruikt, zonder dat het storend is. Er is een gang tussen bed en bank, een zwijgen, groot lijden, en een alsmaar sigaretten roken, wat doet denken aan het leven van een psychiatrisch patiënt. Maar dat wordt nergens benoemd. De slotafdeling ‘Engelenspoor’, die voor de titel zorg droeg, is een kakofonie van engelen. Bolle wangen van cherubijntjes, reuzenbaby’s. Er is zelfs sprake van een bouwpakket-engel. Hetgeen een dissonant is, maar ook weer een prachtige vondst. De dood is de spil en het grote thema. De bundel eindigt met: ‘de winter komt altijd / te zacht en te laat.’ Zo is het timbre en ritme van de bundel. Zacht. Een megazwaar onderwerp. Dood, verlies. Maar o zo zacht neergeschreven. Waarom te laat? Had de achtergeblevene minder lijden gewenst voor de geliefde dode .. een eerdere dood gewild? ‘De laatste adem ingebed / tussen zang en zucht’. Dat typeert de hele bundel. Zang en zucht. Van een zeer bekorende schoonheid. De schoonheid van het verlies en de grillige dood van ‘een engel zo / waar.’  ‘inleverdatum onbekend / draag ik de dood in / een doosje in mijn hoofd / tot het tijd wordt om / in de doos te verdwijnen.’

(contrapunt) onthande handleiding

dingen bedwingen
de duivel temmen
engelen ontstoffelijken
de slager slachten

dat alles en meer gevat
in het vlak van een rechthoek
het podium van een tafel
een hakblok van lieflijk lijden

de haak als wrede kapstok
uithangbord
van karkas tot worst
lichaam tot lijk

vorstelijk verpakt in kaalheid

***
Jan M. Meier (2017). Engelenspoor. Uitgeverij P, 72 blz. € 17,00

 

Jack Weijkamp & Lucy Legeland, Nieuwkijken   

(Door Hans Puper)

Het aantal stads-, dorps- en streekdichters is zo langzamerhand niet meer te tellen. De Achterhoek heeft ook een: ‘De dichter des Achterhoeks’, een functie die in 2013 het leven geroepen is door de regioredactie van het dagblad De Gelderlander. Helaas staat de dichter met die oubollige titel meteen op achterstand. ‘Des Achterhoeks’: het klinkt niet. ‘Dichter des vaderlands’ wel, omdat het een allusie is op ‘Vader des vaderlands’, de eretitel van Willem van Oranje. Maar stel dat je zou zeggen: ‘Dichter des Nederlands’. Dat is grammaticaal correct, net als ‘des Achterhoeks’, maar serieus kun je zulke nieuwbakken archaïsmen niet nemen – ik niet, in ieder geval. Waarom niet gewoon ‘Dichter van de Achterhoek’?  Dat past ook beter bij de manier waarop veel Achterhoekers zich profileren: ‘Doe normaal’.

Het huidige Achterhoekse dichterschap is tweekoppig: Jack Weijkamp en Lucy Legeland. Een weerslag van hun werk vinden we in de bundel Nieuwkijken. Gelukkig schrijven zij geen gelegenheidsgedichten over jubilea van fanfares, de honderdste verjaardag van oma Klein Heuvelink of de fluisterbootjes in Zutphen. ‘Hoezo geruzie in gemeenteraden of verbreding van de Twenteroute?’ schrijft Gerco Mons van De Gelderlander. ‘Niet interessant, laten we het over het leven hebben.’ Hij werd niet teleurgesteld: ‘Een gang door dit boekje vol kunstwerkjes is […] een feest der herkenning geworden.’ De robuuste derde strofe uit ‘Afspraak is afspraak’ gaat over een oud, maar nog springlevend Achterhoeks gebruik:

niets deed vermoeden
dat vandaag
donderdag 13 december
exact om 13.00 uur
ik aanbel
zwijgzaam meeloop
naar de waskamer
om jou daar
resoluut achterlangs
lief te hebben
met jouw neus
zoals afgesproken
in de schone was

Bij dat leven horen ook wandelingen, herinneringen, het ophalen van historische gebeurtenissen en bezorgdheid over de leegloop van de Achterhoek, met als voor de hand liggende remedie de liefde: ‘kruip in bed / om de krimp te weren’. Of dat helpt is de vraag. In de derde strofe van het liefdevolle ‘In memoriam Wim Brands’ schrijven zij: ‘jij begreep het Oosten / daarom ben je er weggegaan / omdat je van haar hield / keerde je er vaak terug.’ Wim Brands kwam overigens uit Brummen en dat ligt aan de verkeerde kant van de IJssel. Geeft niet, de dichters zijn ruimhartig: zij rekenen ook De Liemers tot de Achterhoek.

***
Jack Weijkamp en Lucy Legeland (2017). Nieuwkijken. Uitgeverij Fagus, 63 blz. € 12,50

 

Lianne Maring, Op de rand van mijn gedachten      

(Door Hans Puper)

Op de rand van mijn gedachten is het debuut van Lianne Maring (1996). Ze lijkt nog zoekende te zijn naar de vorm: ze experimenteert met herhalingen, parallellieën, rijm en, opmerkelijk, de taal: een derde van de gedichten schreef ze in het Engels. Het sterkst vind ik haar in spreektaal, die ze als stijlmiddel gebruikt: ‘Hij dacht misschien dat hij het was vergeten / hoe het was, of nee: hoe het voelde / of nee: hoe het moest.’ Het woordje ‘het’ in de eerste regel versterkt de indruk van spreektaal (in schrijftaal zou je het waarschijnlijk weglaten, omdat het overbodig is) en datzelfde geldt voor de zelfcorrecties, ingeleid door ‘of nee’. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat het om gestileerde spreektaal gaat. In ‘Naar huis’, dat in mijn ogen het beste gedicht van de bundel is, zie je dat heel goed. Met dit middel bereikt Lianne Maring een maximaal effect.

Heb je het een beetje kunnen verliezen, de weg
bedoel ik,
dat is nog een hele uitdaging, is het niet
De weg vinden, dat is niet zo moeilijk, je klampt
als een anemoon
een voorbijganger aan
en zegt: pardon, excuus, ik ben de weg verloren
en ze wijzen je met vriendelijke vingers tot je hem
weer vindt

Maar de weg verliezen. Dat is me toch wat.
De weg zo hartgrondig, hartstochtelijk verliezen
alsof je met je ogen dicht hebt gelopen, en dan nog
ergens staan en zeggen: mooi. Ik ben ‘m kwijt.
Daar zijn we vanaf.
Alle wegen leiden immers naar huis, juist
als je daar niet wilt zijn.

Door de luchtige conversatietoon komen de laatste twee regels onverwacht hard aan.

Het merendeel van de gedichten gaat over voorbije of onbereikbare liefdes; bestaande relaties verlopen moeizaam. Niet alle gedichten zijn even goed gelukt; soms ligt de Weltschmerz er wel erg dik bovenop en is de vorm weinig aantrekkelijk. Dat geldt niet voor het Engelse gedicht ‘Old Flame’, alleen al door de humoristische titel, de licht ironische toon en de schijnbaar laconieke wending na de eerste strofe:

The sky’s on fire and it does nothing for me, dear
Not when you’re so far away from here,
from me, and I miss you so desperately,
wondering who got your new years kiss; it
should’ve been me,
but then again, why should we-

-nevermind. There’s colours falling down as I’m
drowning in champagne
and required happiness and dreams, it rains,

It rains and rains in sparks and rainbows and in pain.

Ik hoop meer van Lianne Maring te lezen.

***
Lianne Maring (2017). Op de rand van mijn gedachten. Eigenzinnig, 40 blz. € 14,99