Recensie van Verzamelde gedichten - Wim Brands

Sporenonderzoek van een buitenstaander

Wim Brands
Verzamelde gedichten
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261921
€ 27,50
522 blz.

Vanuit een diepe genegenheid zijn de Verzamelde gedichten van Wim Brands (1959) door zijn echtgenote Monique Edelschaap en zijn vriend en redacteur Thomas Verbogt bijeengebracht. Na zijn plotseling overlijden in 2016 ontstond er al direct bij hen de behoefte om zijn poëzie te bundelen. Hoewel Brands zichzelf en zijn poëzie sterk relativeerde, zou hij waarschijnlijk niets liever hebben gewild dan zijn visie op dit ‘raadselachtig leven’ uitgedragen te zien worden in een verzamelbundel: ‘Der Mensch ist das Tier, dem man die Lage erklären muss (Peter Sloterdijk).’ Dat deze bundeling kort na zijn dramatisch verscheiden is samengesteld, laat zich goed begrijpen. Of Brands, zoals Verbogt dat in zijn nawoord oprecht verwoordt, tot de ‘top’ van de Nederlandse en Vlaamse dichters behoort, zal zich in de loop der tijden moeten bewijzen.
     Als we met overgave het verzameld werk doorlezen, valt al direct in de eerste bundel Inslag (1985) op, hoezeer de gedichten een afspiegeling van zijn dichterschap en zijn persoonlijke geschiedenis zijn. Brands schetst ons het rivierenlandschap waarin hij is opgegroeid met een gevoel: ‘Daar liep ik nergens / toe verplicht’. Een troebele rivier in een zonovergoten landschap. Daar doorleeft hij zijn ‘natuurlijke historie’, en misschien had het daarbij maar moeten blijven. Hij ontdekt echter: ‘mijn jeugd is een kruik / op een winterse dag gevonden / in een boshut’. Brands moet veel gedacht hebben: ‘Was ik maar weer zo: / een jongen tevreden dat niemand / wat hij maakt zal zien of horen’. Maar dat was helaas niet zoals hij in elkaar stak. Hij trok de wereld in om gehoord en gezien te worden. In die tegenstrevende houding zit zijn kracht en zijn zwakte als mens en dichter. Hij kleurde niet binnen de lijntjes. Hij moet zich dikwijls een dolende in het leven hebben gevoeld: ‘je komt er niet meer / uit’, zoals helaas uiteindelijk is gebleken.
     In het titelgedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel laat hij heel mooi zien op welke manier hij werkte en is blijven werken. De rudimentaire anekdotiek is zijn poëtisch handelsmerk geworden. De herinnering aan een inslag van een bommenwerper in een zompig weiland dicht bij de rivier vormt de aanleiding voor dit gedicht: ‘Diep het gat van de klap- / rozen rood // De bomen zijn oud / en kromgetrokken // Ze buigen naar de piloot’. De roos als symbool van de liefde, het treffende enjambement op klap-roos, de verstreken tijd zoals zichtbaar aan de bomen en het respect voor de gevallen piloot weet Brands in deze afgemeten versregels beeldend samen te brengen. Ondanks deze voortreffelijke regels blijft het levensgevoel van de dichter in wankel evenwicht, zoals hij in een regel uit het gedicht ‘Triëst naderend’ verwoordt. Het blijft niet anders dan: ‘Liefde: happen in een gouden / vraagteken’. Hij blijft vanuit zijn achtergrond en familiegeschiedenis doordrongen van scepsis en wantrouwen. In zijn bundel Hoger dan de dakgoot (1993) zegt hij het in het gedicht ‘Recept’ in een treffende paradox: ‘Voor geluk is nodig: een ochtend / in oktober met de geur van zomer / en de dreiging van regen.’
     In de bundel Koningen, de gehavende (1990) komen zijn ouders en grootouders in beeld, ook later blijven die veelvuldig zijn poëtische werkelijkheid bevolken. Brands leidt ons zijn boerenland beeldrijk binnen. Als het over een ‘Daggelder’ gaat, flitst een beeld à la Gerrit Benner voorbij: ‘Hij kijkt naar de lucht en ziet hoe een wolk / zich vergrijpt aan de zon.’ Verder komen reiservaringen in beeld waaruit de liefde en verliefdheid spreekt op ‘wat zo mooi tussen begerige / blikken in restaurants wankelt.’ Het zijn echter beelden die niet beklijven. Ze onderstrepen een overheersend levensgevoel dat Brands uitstraalt: ‘We zijn vliegen / in een web, verlaten door de spin.’ Wie heeft ons hiermee naartoe gebracht? Hij klampt zich vast aan het beeld van die visser aan de kant van het water. Hij voelt zich echter met hem toch niet eenzaam, want ‘Er loopt een lijn / van hem naar de bodem van / een wereld.’ Hebben we dan toch nog grond onder de voeten?
     Aan de bundel Hoger dan de dakgoot (1993) voegt Brands een motto van de wereldvreemde Amerikaanse dichter Weldon Kees toe, waarin exact zijn zelfgegeven levensopdracht is verwoord: ‘To build a quiet city in his mind’. De enige manier om dit te bereiken is het omzetten van al de opgedane beelden in woorden. Brands geloofde daarin. Hij wist dat de meeste mensen daarin niet geloven. Hij beloofde zichzelf alsmaar: ‘Ik maak / mezelf nooit van kant zo lang dit geloof / kan blijven duren’.
     Er vliegen nogal wat kraaien rond boven het poëtisch oeuvre van Brands, zoals de ‘kraai uit de Hallse kerktoren’ van zijn grootvader uit De Krengenput (1997). Vrienden, familieleden, opnieuw de vader, en de buurvrouw, willekeurige voorbijgangers spelen een voorname rol in zijn werk, zoals de heer Bonekamp die ‘zoals wordt beweerd, bijna / elke dag in andermans verleden // kampeert.’ Die interesse in andermans vreemde levens en zijn identificatie daarmee zette hem aan tot poëzie. Ze vormden in zijn dagdromen een levendig decor. Hij was begaan met deze eenzelvige mensen en hoe zij in het leven stonden. Aan deze levens ontleende Brands zijn levensvisie, zoals in het gedicht ‘In memoriam’ over de vraag waarom we er zijn: ‘Opeens wist ik hoe wij gaan: / zwaluwen die jaarlijks van // dezelfde dakgoot in Europa naar / dezelfde tak in Afrika trekken, // Routineus maar rusteloos / want stel je voor dat.’ Altijd weer die open vraag aan het einde.
     Vanaf zijn bundel Zwemmen in de nacht (1995) zien we Brands met meer uitgewerkte herinneringen, ervaringen en gedroomde situaties komen. De gedichten lopen inhoudelijk iets voller en zijn minder bedacht dan eerder het geval is terwijl ze, zoals Verbogt het aangeeft, juist niet vol, direct, helder en licht dienen te zijn. Het was van Brands bekend dat hij altijd gehaast was. Zijn gedicht over het vermoeden dat hij ‘een zee van tijd’ zou hebben is dan ook heel tekenend, vooral de passage waarin hij hoopte op ‘een trage tram – zoveel koffertjes / al overstuur – die achteruit reed.’ Bij die gedachte aan stilstand en rust zonder daarover bezorgd te hoeven zijn sluit aan bij zijn besef dat hij verwoordt in het gedicht ‘Stof’, waarin op het opdwarrelen van stof uit het westelijke havengebied voor hem aanleiding is gelegen dat te verbinden met een vrouw die ‘oud en dartel [is] / als het stof dat komt aangewaaid // uit de westelijke haven.’ Ze lijkt op een dag uit datzelfde ruim ‘als oud stof, op een kerkhof’, als een overlijdensbericht in een brievenbus te zijn terechtgekomen: stof zijt gij tot stof zult gij wederkeren. Die vergankelijkheid zat tezamen met de raadselachtigheid van dit leven hem voortdurend op de hielen.
     Zijn zoeken naar overgave en innerlijke rust spreekt uit het gedicht ‘Tuin’: ‘Er was een dag waarop hij meer dan een uur / in een weiland lag. En luisterde naar / kreten van wie hem zochten. // Officieel één oog toe in de rimboe, / in het jargon dat zweeg over de zon’. In dit soort gedichten over de zon, het hemellichaam dat de aarde omstraalt en de suggestie schenkt dat we omgeven worden door een scheppende kracht die ons begrip overstijgt, springt de gedachte naar voren dat Brands misschien wel het symbolisch dichterschap wilde bezitten dat hij de Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Joseph Cornell toedichtte. Ook Brands sloot in zijn gedichten de herinneringen, gewaarwordingen en ervaringen op om ze voor altijd bij zich te hebben. Het zijn fluisteringen in de nacht, gesprekken met zichzelf in de spiegel: ‘Zacht. / Ik hoor nog net het zwemmen / in de nacht.’
     In de bundel In de metro (1997) speelt een overspelige verliefdheid. Alleen op plaatsen waar barsten zich voordoen, ontstaan open plekken waar licht naar binnen valt. Als beeldend intermezzo bevat de bundel een pornografische strip die zijn aanleiding vindt in een uitdagende billboardfoto in de metro die de zintuigen van de ik dagelijks prikkelt waardoor zijn verbeelding haar onbekommerde gang kan gaan. De storyboxes van de Engelse kunstenaar Len Shelley inspireren Brands eveneens tot het schrijven van een reeks rudimentaire anekdotes. In de latere bundels staan ook nogal wat bewerkingen van gedichten van verwante dichters, zoals dat van Wolf Wondratschek, ‘Vloer’: ‘Ik hou van vrouwen die niemand / meer wel hebben, die oud / en getrouwd zijn’. Zijn werk staat vol met bizarre associaties, dagdroominvallen en schurende gevoelens, zoals die vrouw die hoopt ‘op het schuren / van ijs tegen hout.’ Toch is de humor ook altijd niet ver weg, zoals in het proza-achtige gedicht uit de bundel Neem me mee, zei de hond (2010) over de beschermengel op de schouder van een oude man. Ze mogen elkaar, terwijl de ik dat ongelovig ondergaat en zijn schouders erover ophaalt, zonder het te begrijpen. Dit soort bizarre uitspraken en verlangens is niet vreemd aan Brands levensgevoel. Het gedicht ‘De Poolse klusser’ is daarvan wel een heel mooi voorbeeld. Daarmee zijn we weer terug bij het gedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel:

Als ik ’s ochtends naar de lucht kijk
en op mistige dagen de omgeleide
vliegtuigen hoor denk ik aan

de dag dat

de paarden rondjes renden rond
een vers wrak in het weiland
van mijn ouders.

Mooi was dat om te zien –
een dampend wrak en
de paarden daar

omheen als vrolijke kleuters
op een schoolplein.

     Heden en verleden worden hier verenigd in een vredig maar ook dreigend natuurlijk decor dat om zin vraagt. Voor mij heeft Brands in zijn laatste publicatie De verharde weg (2015) overduidelijk zijn diepste levensgevoel neergelegd, toen hij een keer in de huiskamer wilde gaan lezen en hem op de trap de zinsnede van de filosoof Heidegger te binnen schoot: ‘Auf dem Holzweg’. Het gaf hem een gevoel van rust, van Gelassenheit. Deze mystieke gelatenheid roept herinneringen op aan zijn jeugd. Hij onderkent dat hij zijn leven lang bezig is geweest sporen van leven en dood te onderzoeken. Zo herinnert hij zich dat hij het verval van een ree in een sloot observeerde en volgde. Vanaf dat moment beschouwde hij zich in die natuurlijke context als een insider. Zijn dialectisch accent op de middelbare school deed hem voorgoed beseffen een outsider te zijn: ‘Ik lag eruit. Het verlangen is altijd blijven bestaan, het verlangen bij de wereld te horen zoals ik dat kon toen ik door dat bos van mij dwaalde.’ Misschien gaan de gedichten van Brands ten diepste over: ‘Ik wil juist ergens bijhoren’. Ik meen met Brands dat uiteindelijk ‘niemand uit de nacht kan vallen.’ Het is goed dat de Verzamelde gedichten er zijn. Zijn naarstig zoeken naar de zin van dit bestaan verdient het om gelezen te worden.

Recensie van Zwembad de verbeelding - Tom Van de Voorde

Het uitgebroken Zwembad

Tom Van de Voorde
Zwembad de verbeelding
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551063
€ 24,95
79 blz.

Bij alles wat wij ontmoeten zoeken wij in eerste instantie naar het ons bekende. Dat betekent veiligheid. Elk gezicht wordt geijkt op wat ons bekend voorkomt, elk landschap waarin wij ons bewegen, maar ook elk boek dat wij lezen. Sommige mensen houden zich hun leven lang met maar één genre bezig, anderen, nieuwsgieriger, verdiepen zich in alles wat ze tegenkomen en zijn daarbinnen op zoek naar datgene wat hen vertrouwd voorkomt, én naar wat daaraan is toegevoegd: het vernieuwende. Het is de enige manier waarop wij orde kunnen en willen scheppen in de wereld. Tezelfdertijd geeft het een gevoel van beperking, en dat is irritant. Het vertrouwde mag dan veiligheid betekenen, het beperkt je beleving ook en geeft het gevoel niet ten volle te leven. In Rotterdam rijdt een vuilniswagen waarop de dichtregel: ‘Als het nieuwe tussen ons maar niet verdwijnt’ (Ahmed Suwaylim), waarin de samenhang tussen het vertrouwde en het nieuwe prachtig is uitgedrukt. Leven betekent beweging, binnen bepaalde grenzen: verandering.

Tom Van de Voorde (1974) heeft zijn nieuwe bundel Zwembad de verbeelding genoemd. Wat doe je in een zwembad? Je trekt je baantjes of je speelt er. Ernaast blaas je uit, liggend in je strandstoel. Leisure life. Even geen zorgen aan je kop, weg van de dagelijkse discipline. Maar ook verveling. Ook dat hoort bij een zwembad. De eerste reeks gedichten van de bundel heeft als titel: ‘oases van uitgestelde bekommernis’ meegekregen.

Al in het eerste gedicht van de bundel kom je alles tegen waarover ik het hierboven heb gehad:

De lucht is scherp
en de eksters haken
in de takken

Alles staat klaar
om uit een gevel te stappen

Wij verbergen ons
schrikbarend op zoek
naar een vulkaan

Vroeger leek het
groener hier
zeg je – ik streel
als versteend een hond

Een schommel breekt
ongewis muziek

en laat een glimlach diep
openwaaien

Er kleeft honing
aan een zegen

Ik wikkel me in
een toevertrouwd deken
en lig naast je
als een gekneusde pols

Zoeken naar een vulkaan en niet bewegen. (Bewegen doet pijn!) Leven en veiligheid blijken tegenstellingen. Maar ook de vulkaan is natuurlijk bekend, al is het voor de meesten van ons: op veilige afstand.

Tom Van de Voorde voert in de bundel Zwembad de verbeelding een gevecht tegen de bestaande orde. Soms lijkt hij wild om zich heen te schoppen tegen alle verstarde vormen die hij tegenkomt. Dat blijkt onder andere uit de derde reeks van de bundel (hij bevat er zes): ‘het conservatorium van moskou tijdens de koude oorlog’.
Het wordt vaak vergeten dat De Koude Oorlog ook een culturele oorlog was, met de ijzeren discipline van de Sovjet-staten tegenover de zogenaamde vrijheid van het Westen. Zij hadden het klassieke ballet, wij de abstract-expressionisten. Wat Van de Voorde in deze reeks tevoorschijn tovert heeft minder met muziek te maken dan met juist alles wat de muziek verzwijgt. Vooral de lichamelijke aspecten van het menselijke. Het zijn geen mooie, esthetische gedichten, integendeel: het lijkt of Van de Voorde, met terugwerkende kracht, zijn eigen kleine koude oorlog aan het voeren is tegen een esthetiek die het menselijke buiten beschouwing laat. Woede, onmacht, minachting en meedogenloosheid, gericht tegen alles wat het menselijke ondergeschikt maakt aan kunst en ideologie. Seks als belangrijkste wapen. Het is alleen jammer dat je een beetje ingewijd moet zijn in de wereld van de klassieke muziek, om te weten waarover en over wie hij het heeft. Je moet je bijvoorbeeld Sviatoslav Richter voor de geest kunnen halen, zijn kale, melancholieke kop, je moet weet hebben van zijn zelfhaat om het gedicht dat Tom Van de Voorde aan hem wijdde ten volle te kunnen waarderen.

Dat bezwaar kleeft aan meer gedichten, maar ik weet eigenlijk niet of ik dat als bezwaar moet aanmerken. Kennis van zaken schiet per definitie tekort. We kunnen bijvoorbeeld het werk van Van Gogh jarenlang hebben bestudeerd, zijn brieven hebben gelezen, en toch nauwelijks beseffen wat hem gedreven heeft, wanneer wijzelf geen religieuze achtergrond hebben. We kunnen de poëzie van Judith Herzberg waarderen, maar geen besef hebben van haar Joodse achtergrond, en hoe die haar poëzie heeft beïnvloed. We kunnen eerdere bundels van Van de Voorde gelezen hebben, en dan teleurgesteld zijn omdat wij in Zwembad de verbeelding niet de dichter ontmoeten die wij dachten te kennen. Maar moet de dichter niet vrij zijn om zijn hart te volgen en te experimenteren, andere gevoelslagen aan te boren dan welke wij tot nu toe van hem kenden? Is het noodzakelijk de poëzie van Kees Ouwens te kennen om ‘kees ouwens gaat dood’ te kunnen waarderen? Ik betwijfel het. Het lijkt erop dat Van de Voorde in zijn gedichten de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alles wil aantonen. Het lijkt wel alsof hij in de gedichten de grenzen ervan wil overschrijden, ze bij stukjes en beetjes meer in de door willekeurig wie ervaren werkelijkheid wil plaatsen:

(..)
Na je dood kwam ik te weten dat
je, eenzaam bovendien, in je aanschijn
een rusteloze verpozing had gezocht
in zoiets eenvoudigs als het branden
van bladeren in de herfst,
ongedurig in je herderlijke moed
het moment te willen verkennen
waarop het bewustzijn een waarheid wordt
van atmosferische omstandigheden
(..)

Hoe exact kun je vervagende grenzen aangeven?

De onderlinge verbondenheid waar ik net over schreef komt sterk tot uitdrukking in prozagedichten als ‘Het windgat’, dat uitgaat van een foto in een door de Chinese schrijversbond uitgegeven boekje met een tweetalig onderschrift. ‘Licht’, heette die foto, waarvan het Chinese karakter hem doet denken aan een kruiwagen, of liever nog, aan een tuintafeltje met een kromme poot. Daarmee is hij terug in zijn jeugd. Het eindigt zo:

(..) Ik heb niets met dat litteken te maken, maar ik kan nu eenmaal geen littekens zien, zonder te denken aan speelgoedpistolen, kruiwagens, natte handschoenen, mijn broer en nu ook aan het Chinese karakter voor licht, dat eigenlijk op een tuintafel lijkt, maar mij toch vooral herinnert aan het begin van de winter, toen wij vaders melancholie moesten bestrijden door de bladeren in de tuin op te ruimen.

Om daarmee licht te scheppen is zijn vaders betrokken geest.

Hoe langer ik mij verdiepte in de bundel Zwembad de verbeelding hoe meer waardering ik er voor kreeg. Juist het feit dat hij je soms maar weinig houvast geeft jaagt je door zijn gedichten heen, op zoek naar meer houvast. Maar het beetje dat hij je gemakkelijk geeft is genoeg, en bevredigt omdat hij genoeg nieuws biedt, genoeg ruimte schenkt voor associaties. Eén van de bijzondere zaken van deze poëzie: ze is alles, behalve vaag. De dichter heeft exact verwoord wat hij bedoelde, en dirigeert je in de door hem bedoelde richting. Met niet te vergeten de humor waarop hij de lezer regelmatig vergast.
Soms had ik maar één woord in gedachten, waarin alles vervat is waarmee een gedicht als het volgende mij raakte:

Zanger in het trapportaal

Ik verzin een tekst

op een bestaand lied
en zing van de afgebroken tak

de volle zak perziken
die eraan hangt

als ik het raam open zet
en het oudste zicht
groen en vrolijk maak

weigert het stof

weg te waaien
uit de windstreek

die ik trouw
maar moedeloos
bezworen heb

Mooi!

Poëzie Kort 2017 / 5

 

Paul Meeuws, De geluiden

(Door Lennert Ras)

De debuutbundel van Paul Meeuws staat inderdaad vol met geluiden. Geschreven in veel terzines. Blijkbaar al door de muziek geraakt door een vader, die de gezegende leeftijd van honderd haalde en die slecht orgel speelde (de zoon bediende het voetpaneel). Mozart, Schubert, Haydn, crescendo, nocturnes en het klavier komen voorbij, maar ook pop en jazz. Het leven openbaart zich in haar vele facetten, inclusief het vulgaire en in de geluiden.

Er staan een paar pareltjes in, zoals de stukgevallen kerkbeelden, die de kinderen tot krijt dienen en hen toch dicht bij de hemel laten zijn. En de vrouw die zwanger van bommen de dood baren kan. Het gedicht over de stukgevallen kerkbeelden:

Een heel goed organist was u niet
ik mocht naast u op de toetsen het voetpedaal nadoen
en de noten van die rare verticale balken vermalen
tot het hemelse gruis dat neerdaalde op onze hoofden

van dat goedje bleken ook de beelden gemaakt
die in een kamerhoek stonden te wijzen
naar zichzelf en omhoog (en daarmee naar jou)
en die een andere weg dienden te gaan
dan de tijdgeest intussen voor hen had bedacht

verstijfd in hun krijtwitte ontzetting vielen ze een voor een van hun
sokkel
en met hun brokstukken trokken wij trefbalstrepen op straat
of hinkelbanen die ons toch nog de weg naar de hemelpoort wezen

nog steeds zijn bepaalde gebaren uitvoerbaar in gips
zoals sommige noten naar meer smaken
en stoeptegels mij tot de sprongen verleiden van een verrukt kind.

(p. 44)

 
Oorlog, verlangen, werkplek, lied en zoals gezegd de vader komen voorbij (‘U’, het gedeelte waarmee de bundel afsluit). Met steeds als terugkerende noot de muziek. Totdat de ik-persoon zelf op de vader gaat lijken, net als in het liedje ‘Papa’ van Stef Bos. En dan is er ook nog een klein plekje voor de
hedendaagse politiek, zoals de terreuraanslagen in Parijs.

Licht melancholisch maar zonder echt zwaar te worden. Een ode ook aan de vrouw, die helaas met de leeftijd ook wat aan aantrekkelijkheid inboet. Een ode aan het leven en de vergankelijkheid.

***
Paul Meeuws (2017). De geluiden. Wereldbibliotheek, 64 blz. € 19,99

 

Charles Baudelaire, Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters

(Door Hans Puper)

Als engel, maar met roofdierogen verscheen naar aanleiding van de honderdvijftigste sterfdag van Charles Baudelaire (1821 – 1867). Het is een tweetalige bundel, die bestaat uit een selectie uit Les fleurs du mal en ‘antwoordgedichten’ van Nederlandse en Vlaamse dichters, 41 in getal, zoals Koenraad Goudeseune, Johan Wambacq, Paul Roelofsen, Anneke Wasscher, Willem Thies, Menno Wigman en Erika De Stercke. De opbouw bestaat uit gelijkvormige eenheden: een vertaald gedicht van Baudelaire, een antwoordgedicht en vervolgens beide gedichten in het Frans. De gedichten van Baudelaire zijn met toestemming van vertaler en tekstbezorger Peter Verstegen overgenomen uit zijn integrale tweetalige uitgave , die die iedere liefhebber van Baudelaire echt in zijn kast moet hebben staan. De antwoordgedichten kennen verschillende vertalers; enkele dichters vertaalden zelf.

Tot mijn verrassing stond een van de genomineerden voor de inmiddels bekendgemaakte Meander Dichtersprijs 2017, Martin Wijtgaard, er ook in. De karakteristiek die ik als jurylid van zijn ingezonden gedichten gaf, komt grotendeels overeen met het gedicht ‘Aaseters’ in deze bundel en daarom voel ik mij gerechtigd een deel te verklappen: ‘Er zijn dichters die je al lang lijkt te kennen als je hen voor het eerst leest. Martin Wijtgaard is een van hen. Met een eigen geluid plaatst hij zich in een traditie die manifest was in de zwarte romantiek, maar die nooit is verdwenen. Zijn mensbeeld zou je kunnen samenvatten met de bekende uitspraak: ‘De mens is de mens een wolf’. Verder noemde ik de vorm van zijn gedichten klassiek en zo goed doordacht, dat ze een uitspraak in herinnering brengen die Piet Gerbrandy in een interview deed: ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. ‘Aaseters’ is een antwoordgedicht op ‘Een kadaver’. (Kees Godefrooij citeerde dat gedicht in zijn geheel in zijn bespreking in Meander van Baudelaires poëzie). Wijtgaards gedicht is te lang om in zijn geheel te citeren. Daarom alleen de laatste drie strofen. Het gedicht gaat over de afschrikwekkende confrontatie met een lijk vol maden:

Zet je over je walging heen en onderdruk
   je eigenwaan en dure woorden,
kijk naar de hond die, vechtend om het grootste stuk,
   zijn soortgenoten zou vermoorden.

Dit zijn onze verwanten, ze zijn net als jij,
   de larven en de vette vliegen,
de lijkenpikkers, wroetend in de laffe brij -
   want hoe we ook onszelf bedriegen,

ze zijn ons evenbeeld en onze disgenoot,
   smerig, obsceen en volgevreten,
feestend op een karkas dat, uitgewoond en dood,
   van ons geen donder meer wil weten.

Baudelaire was een schepper van ‘schoonheid uit het kwaad’ en werd als zodanig door veel contemporaine lezers ervaren als een provocateur. Het is natuurlijk mooi als de antwoorddichters de huidige lezers ook uitdagen – Wijtgaard is dat wellicht bij een aantal van hen gelukt. Edith de Gilde provoceert in haar bloem op een amusante manier. In haar sonnet ‘Mijn leeuw’ (antwoord op ‘De kat’) laat zij het kwaad verkeren in tederheid. De man van het lyrische ik is niet meer de fiere leeuw met wie zij de savanne in zou trekken. Hij is een dikke zak geworden, ‘schreeuwt naar [haar] zoals zijn baas het deed / naar hem’, ‘neukt met [haar] ook zijn frustraties mee’, ze voelt ‘vernedering in elke stoot’. Maar desondanks:

Hij slaapt. Ik streel zijn manen, die al kalen
en weet, met al zijn nukken, al ons falen,
dat ik dit trieste beest nog steeds bemin.

In de vorm van hun gedichten blijven de meesten dicht bij Baudelaire. Peter Holvoet-Hansen is een van de weinigen die dat niet doet. Zijn gedicht ‘De ratten van de oude wereld’, dat ook is gepubliceerd in Het Liegend Konijn 2017 / 1, is een hoogtepunt in deze bundel. Oordeel zelf.

***
Charles Baudelaire (2017). Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters. Vertaling Peter Verstegen, redactie Jos van Hest. Uitgeverij Spleen, 200 blz. € 19,00

 

Manuel Kneepkens, Zuid-Limburg aan zee

(Door Hans Puper)

In Zuid-Limburg aan Zee heeft Manuel Kneepkens (1942), geboren in de mijnstreek, zijn Zuid-Limburgse gedichten bijeengebracht. Deels zijn ze overgenomen uit reeds verschenen bundels (al dan niet bewerkt), voor een ander deel zijn ze nieuw.
Kneepkens woont al sinds de jaren zestig in het westen: eerst in Leiden en daarna in Rotterdam. Zuid-Limburger is hij altijd gebleven, maar het verleden is voorgoed onbereikbaar, het is een product van de verbeelding geworden: ‘Ik ben een balling uit Zuid-Limburg aan Zee / typisch een regio die niet bestaat // maar niettemin, ik ben er uit verbannen / als ooit Adam & Eva uit het Aardse Paradijs.’
De mijnen en ook de roomse almacht zijn verleden tijd – wat niet betekent dat Kneepkens die laatste hersteld wil zien, maar het katholicisme hoorde nu eenmaal bij zijn jeugd. Helemaal los is hij er niet van gekomen, een beetje schoppen kan blijkbaar geen kwaad. In ‘De intocht van Christus in Maastricht’ wordt Jezus gearresteerd en in de dodencel geworpen. Er zijn nog twee anderen,

Alsook Maria Magdalena, een callgirl (syfilitisch …)
eens het heimelijke liefje
van Pontius Pilatus de Twaalfde, de Gouverneur van Limburg
Maar nu in ongenade
De wereld nog onbekend met het middel Salversan

Zij stond erop Jezus te pijpen
een cadeautje voor zijn laatste uur
de Barmhartige Samaritaanse!

Deze strofen staan in de context van het bespotten van bestuurlijke hypocrisie. Ze laten ook de zwakke kant van Kneepkens zien: zijn joligheid, die op een gegeven moment heel vermoeiend wordt. Veel gedichten eindigen oubollig. Eén voorbeeld. In het gedicht ‘Allochtoon Hermes’ herkennen we de bekende regel van Toon Hermans: ‘Mediterranèe … Mediterranèe … zo blauw … zo blauw …’. Het einde zien we al van verre aankomen:

Ik heet toch niet

                           
                             AllochTOON

                                HERM !

Ook de vorm is vaak hinderlijk overdadig: veel slashes, haakjes, cursief gedrukte woorden om ze nadruk te geven en, zoals boven, een eigenaardige toepassing van accenten door de hele bundel heen:    ‘Bonpére’, cafè noir, ‘èèn’, ‘hèèl alleen’. Fonetische spelling? Het lijkt me niet.

Niettemin zijn er ook aantrekkelijke gedichten. Die uit de mijnstreek zijn geëngageerd of nostalgisch, wat niet betekent dat het verleden wordt geïdealiseerd. De eerste strofe van ‘Winselerstraat’: ‘Zwart getto tegen de hekken van de mijn / waar rauwe jongens je tegen hielden, je knikkers stalen / In de huiskamers zouden portretten van Stalin hangen / aldus de kapelaan! Maar voor de kale ramen / bladderde enkel een gipsen Heilig Hartbeeld.’
En humoristisch kan hij wel degelijk zijn. De eerste twee strofen van ‘Tuin van eetlust’ zijn prachtig. Voor mij is deze liefdevolle spot Zuid-Limburg op zijn best:

Op koele zomeravonden als de familie smakkend tot zich nam
groene haring, gevolgd door slierasperges in botersaus
biefstuk, salade, pommes frites, en toe
aardbeien, slagroom, mokka en vanille

dan deinden zij, de tantes, als pioenrozen, als zwaargassige
ballonnen op hun steel, op de golfslag van hun lacherigheid
in alle borsten koerde hoorbaar Eros

***
Manuel Kneepkens (2017). Zuid-Limburg aan zee. Bordeaux-reeks nr. 40. Uitgeverij Liverse, 232 blz. € 24,50.

Recensie van Vloeibare Middelpunt - Martjie Bosman

Woorde reis na hier

Martjie Bosman
Vloeibare Middelpunt
Uitgever: Protea Boekhuis
2016
ISBN 9781485305842
€ 10,95
80 blz.

(Meander publiceert een paar keer per jaar recensies over Zuid-Afrikaanse bundels. Het gaat daarbij niet om vertalingen: citaten staan daarom in het Afrikaans. Sinds begin dit jaar geldt dat ook voor de recensies in hun geheel. Native speaker Yolandi de Beer, die sinds vorig jaar in Nederland woont, schrijft ze – redactie Meander).

Die kruising by die die spookhuis in Pretoria is vir my ’n bekende gesig. Die skildery van Ryan Loubser wek by my die gevoel van ’n herinnering asof uit ’n droom. Vir ‘n oomblik is ek weer daar by die kruising tussen Rigel en Nossob … wagtend op ’n rooi lig wat vanoggend nie wil groen. Dit reën.  My ruit ‘n skrefie skoorsteen waaruit sigaret rook borrel.  Die as plak aan die nattigheid aan die buitekant van my ruit vas. ’n Kilometer agter my is huis. Na links die Woolworths wat laat genoeg oop is dat ek nog kan inkopies doen as ek vegvoos na ’n dag op kantoor daar langs weer terug huis toe ry. Hier het ek by dieselfde rooi lig saam met die liefde van my lewe gesit en wag op ’n groen, die spookhuis aan hom uitgewys en vertel hom, vertel van al die legendes en stories wat daaroor die rondte doen, ook van die verfilming van die Parlotones se ‘Push me to the floor’.
Dit was voor my eie reis begin het. Ook hier was my middelpunt. Ook ek moes ontdek dat dit vloeibaar is.

Met die eertse aanhaling van Friedrich Hölderlin boei die skryfster my reeds … poëties woon die mens op hierdie aarde. So beskryf Martjie Bosman in Vloeibare Middelpunt haar wereld-, miskien ook lewens- reis. Poëties en met bypassende melodie van Schubert, gee Bosman die wereld ’n derde dimensie.  

Haar reis begin in Afrika waar die skynbare eenvoud van haar gedigte tog diep raak as jy die agtergrond ken.
Die eertse paar gedigte vanaf ‘Buitelander’ roep herinneringe by my op van my eie kleintyd en my steeds blywende skaamte oor die kleurryke, of is dit kleurlose,  geskiedenis van my land. Herinner aan gesinsvakansie en ons eie aia Vytjie Janjies se wat ons so liefdevol grootgemaak het. Sy sou ook met haar lyf assegaaie weghou. By haar het ek leer stampmielies met tamatie en peper eet. Sommer so uit die pot, op die onderste stoeptrap. ‘Vlermuis’ roep beelde op van Saterdagaand braaivleis en piekniek komberse.
‘Kanna hy kom huistoe’ benadruk my geween aan my moeder elke Sondag as ons in enkel gelid die Nederduits Gereformeerde kerk in Lime Acres moes in marsjeer ‘come hell or high water’. My pa ewe vroom in die diaken bank. Ook ek het gewonder of Jesus alleen maar daar op die koue hout banke tussen die suur gesigte te vinde was.
In ‘Blok myself’ verwys Bosman na ’n speletjie genaamd wegkruipertjie. As jy jouself sou blok dan kom jy self uit jou wegkruip plek. Jy hou dan op wegkruip. Hier laat sy haar ydelheid agter. Sy kom te voorskyn en sy gee van haarself oor aan die onoorkombaarheid van die maatskaplike probleme om haar. Ontbloting. Oorgawe aan ’n lot wat jy nie kan verander nie.

Sal ek ook kan vlug
vir die vrae die eise            
sal ek kan wegkruip 
vir die nood vir die honger
vir die winter?
Ek  haal my beursie
uit en blok myself.

Martjie Bosman skryf braaf en eerlik oor haar ervaring van die lewe. Haar reis en soeke neem haar na onder andere Engeland en Duitsland. Dis ’n bundel wat spreek van ’n mens met diep sin en ervaring in die lewe. Iemand wat geleer het om te voel en te sien verby wat die alledaagse aan ons ontbloot.
Tog keer sy terug na haar wortels, maar dit is nie sonder die hartseer besef dat dit tuis ook nie meer draai rondom dieselfde middelpunt of waarheid nie. In haar slot gedig ‘Spikkelkoei’ verwys sy na die pynlike realiteit wat heers in Suid-Afrika. ‘n Volk van vele kleure wat wat steeds wag vir die Madiba reenboog na die storm wat maar net nie wil uitwoed. 

Vergeet nie die histerie en haat wat hyg
Waar velle van spikkelbeeste bedrieglik
Stil gesprei lê oor ’n skynbaar stabiele bodem

’n Keurige bundel deur ’n talentvolle skryfster. Sterk aan te bevelen.

***
Informatie over Martjie Bosman (1954) staat op Wikipedia.  Informatie over de bestelwijze van de bundel  kunt u vinden op de site van haar uitgever, Protea Boekhuis

Recensie van De boom valt op mij - Ilse Starkenburg

De boom valt niet op mij

Ilse Starkenburg
De boom valt op mij
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 978029511780
€ 17,99
56 blz.

De nieuwe bundel De boom valt op mij van Ilse Starkenburg bevat veel herinneringen aan de jonge jaren, de studententijd, het familieleven, en in het bijzonder aan de vader. Genegenheden tussen geliefden en jeugdervaringen vormen onder meer de ingang naar dieper liggende gevoelens en inzichten. De bundel staat vol minimaal uitgewerkte ‘gedachteoefeningen’, zoals ‘gewone dagen’ die vroeger bijzondere dagen waren door een bepaalde activiteit. Ze hebben sindsdien hun bijzonderheid verloren, omdat een bepaalde activiteit niet meer op die dagen plaatsvindt. Geuren als dragers van herinneringen zijn onder meer daarbij werkzaam. Bij Starkenburg lopen werkelijkheid en droomwereld dikwijls scherp opeenvolgend door elkaar heen, zoals de ‘ik’ die de rotsen bij Santorini bekijkt. De ‘ik’ lijkt er pas bij betrokken te raken als ze zich voorstelt als ware de ‘ik’ een buitenstaander voor wie de natuur ‘een decor op een toneel’ is.
      Ik denk dat de uitspraak van Ludwig Wittgenstein ‘Das Ich, das Ich das tief Geheimnisvolle!’ een belangrijke kern aanduidt van wat Starkenburg ons in deze bundel wil zeggen. In dat spoor staat een aantal gedichten waarin ze de zoektocht naar het eigen subject tracht te volgen, zoals in het gedicht ‘Wens’:

ik wil je zien
als je alleen bent
maar dat kan niet
want dan ben je niet meer alleen

ik zou willen dat je mij zag
als ik alleen ben
maar dat kan niet
want dan ben ik niet meer alleen

      Er zijn verschillende momenten waarop het verlangen naar de ander, naar zichzelf, naar erkenning haar gedichten binnenkruipt. In het gedicht ‘Nu’ wil Starkenburg tot uitdrukking brengen dat haar ‘ik’ en zijn ‘alter ego’ het niet altijd even goed met elkaar kunnen vinden. Daarop volgen twee korte strofen: ‘terwijl vandaag zichzelf / nog bij elkaar probeert te rapen // bedelt morgen al / doe iets goeds voor mij’. Die overstap van ‘ik’ op de gepersonifieerde abstracties van ‘vandaag’ en ‘morgen’ is een nogal schielijke overgang die vaker voorkomt in deze bundel. Daarop volgt ten slotte een nieuwe en grote overstap op naar een nog grotere kosmische eenheid als ‘planeet’ en ‘zon’ die de eerdere ervaring van de innerlijke tegenstelling van de ‘ik’ daarmee zo weinig invoelbaar maakt: ‘alleen planeten, planeten alleen / verlangen niets van ons // we gaan naar de zon’. Grote stappen, snel thuis.
      Het gedicht ‘Ierse tweeling’ is een voorbeeld van een zoektocht waarin ‘mijn broer en ik’ zich voor de zoveelste keer met weer een andere camera op de foto laten zetten. Ze willen in elkaar opgaan. Hoewel ze na elkaar ter wereld zijn gekomen lijken ze op de foto als die Ierse tweeling die aan elkaar vastzaten bij de geboorte, en daarna voor een leven lang. Wat die tweeling ‘van nature’ gewoon is, namelijk om om als tweeling op de foto te komen, is deze broer en ‘ik’ niet gewoon. Ze zullen ‘het proberen: poseren’. De achterliggende gedachte lijkt te zijn: de verbondenheid die voor de Ierse tweeling ongewild gewoon is, is wat de broer en ‘ik’ zich wensen. In deze gedichten probeert Starkenburg in woorden te vangen hoezeer we niet in staat zijn onszelf en elkaar te kennen.
      Misschien heeft de blik van Starkenburg op het leven hier en daar wel wat clowneske trekken. De speelse wijze waarop ze in het gedicht ‘Clownesk’ ‘een foto van Charlie Chaplin met een meisje’ beschouwt wijst in die richting. De taal van het meisje is ‘zo kaal / als het hoofd van haar vader’. Hij verdwijnt op het laatst ‘met haar met / haar’, evenals de taal die hij sprak in zijn stomme films. De (lach)bewegingen zijn bewaard gebleven, maar de taal is verdwenen. In het gedicht ‘Money, money, money’ zingen ‘mijn zus en ik’ een lied van ABBA. Ze herkennen de betekenis niet van wat het viertal zingt. Daarom schrijft de ‘ik’ de tekst fonetisch voor haar zus uit. Nu weten ze ‘waarover / het niet zou moeten gaan’. De onbegrepen woorden geven inzicht in wat niet van belang is in het leven. De vergankelijkheid maakt niet alleen mensen en voorvallen zoek, maar ook de taal die uitgesproken wordt.
      Het op verschillende plekken in het vliegtuig gaan zitten in het gedicht ‘Samen naar New York’ is weer zo’n voorbeeld van een licht absurdistische voorstelling van zaken over het wel of niet met elkaar willen reizen en bij elkaar willen komen maar toch niet samen kunnen vallen. Dat geldt ook voor een gedicht over ‘een eenzame uitvaart’ voor een overledene die geen familie en vrienden heeft. Het betreft een aap die ‘nog nooit gestorven’  en ‘nooit geboren’ is. Het ‘weggeven van de aap’ aan degene die gestorven is, is een mooi gebaar van aandacht geven, maar krijgt in dit gedicht zo weinig zeggingskracht mee dat het geen poëzie wordt die tot de verbeelding spreekt.
      Over de bundel hangt in de zoektocht naar de ander en de ‘ik’ de nevel van de eenzaamheid. De eenzame mens, al dan niet met psychische problemen, in park, in binnenstad en café, waart rond in deze bundel, zoals in het aandoenlijke gedicht

Roos is de vrouw
die elke ochtend bij
alle buren aanbelt

ze is haar hoofd
verloren  de zachte
blaadjes dwarrelen

alle kanten op
met de wind mee en
zij is toch zo’n mooi

meisje en op haar
was toch geen boom
terecht gekomen

de wijkagent noemt het geen
noodgeval , de GOD eist eerst
een rechterlijke machtiging

nu doe ik maar of het
god is die mij attent
elke ochtend wakker belt

      Deze Roos dwaalt rond in haar eigen leven. Op haar is ‘geen boom terecht gekomen’. Letterlijk en/of figuurlijk? Is dit haar redding of haar noodlot? Haar privacy wordt geduld tot er vanwege aanhoudende klachten uit haar leefomgeving een rechterlijke machtiging afkomt. Zo ontsteelt deze vrouw zoals een ieder aan het leven een dag. Ook die echtparen die na een uurtje zwemmen elkaar vluchtig kussen en daarna elk ‘een eigen leven in gaan’ uit het gedicht ‘De beste van alle voordeuren’ dragen die eenzaamheid in zich. Eenzaamheid, vergankelijkheid en het zichzelf en elkaar niet kennen keren telkens weer in samenhang met elkaar terug.
      Het titelgedicht ‘De boom valt op mij’ geeft een goede indruk van hoe Starkenburg veelal te werk gaat. Harde opeenvolging van het concrete en het abstracte. De ‘ik’ lijkt op een groene boom, omdat zij zich hult in een groene jurk als ware zij een ‘wandelende tak’. Of op het einde de kreet ‘van de gevallen kruin’ voorkomt uit het feit dat aan alle bladeren de kleur is ontnomen door het wit makende blauwsel, of dat er sprake is van een zachte kreet van ‘groen’ protest tegen de ontbossing vanwege de fabricage van kleurstoffen, het gedicht mist de scherpte van een treffende metaforiek en laat ons op het laatst in het duister ronddolen. Het gedicht blijft hangen in een alledaagse observatie uit de jeugd, zonder dat het naar een verder strekkende gelaagdheid leidt die haar vervolg vindt in de bundel.
      Starkenburg bedient zich nauwelijks van gelaagdheden die meerdere betekenissen tegelijk aanduiden. Een dergelijke gelaagdheid maakt ons ervan bewust dat een dichter zich niet zomaar opzettelijk in moeilijk verstaanbare bewoordingen uitspreekt. Het is hem nu eenmaal eigen te stuiten op observaties en ervaringen die zich moeilijk in woorden laten uitdrukken. De dichter heeft metaforen nodig om zich daartegen te verweren.
      Bij herhaalde lezing miste ik die gelaagdheid. Starkenburg schrijft in parlando, wat er in haar geval niet bepaald toe bijdraagt dat haar poëzie de nodige spanning meekrijgt. Poëzie kan in haar eenvoud opzienbarend zijn, maar de hare is eerder nogal bleek en flets te noemen: -Ben jij weleens bang ’s nachts? / – Nee, niet speciaal ’s nachts’. Aan het einde van haar gedichten voorziet ze die dikwijls van een omkering of een open einde, maar het merendeel van de gedichten geeft de indruk van een nog niet voldoende doordachte afhechting van het gedachte-experiment. De notatie zonder leestekens is daaraan misschien ook enigszins debet.
      Al met al is de lezing van deze nieuwe bundel voor mij niet een inspirerende kennismaking geweest met het werk van Ilse Starkenburg. Zoals een schilder niet de meest treffende kleurnuances op het doek weet te brengen, zo mis ik bij haar het pakkend arrangement van woorden en beelden. Wat ze aan thematiek wil overbrengen is wel interessant, maar ze weet daarvoor niet voor mij de meest aansprekende weg in de taal te vinden. Daarom valt deze keer de boom niet op mij.

***
Ilse Starkenburg (1963) is dichter en schrijver. Ze debuteerde in 1987 met vier gedichten in het tijdschrift Maatstaf. Sindsdien verschenen bij De Arbeiderspers vijf bundels en een verhalenboek. Haar werk is in talrijke bloemlezingen opgenomen waaronder in de De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer.