Recensie van Anagrammen van een blote keizer - Tijl Nuyts

‘Misschien breng jij het er beter van af’

Tijl Nuyts
Anagrammen van een blote keizer
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463101738
€ 19,95
64 blz.

Anagrammen van een blote keizer, het debuut van Tijl Nuyts (1993), is vermoedelijk een zoektocht van een dichter naar taalkleuren (of gekleurde taal ), de macht van taal, het wezen ervan dat je steeds ontsnapt, de verhouding tussen verschillende talen en naar taal en werkelijkheid.
Ik zeg ‘vermoedelijk’, want Nuyts maakt het je niet makkelijk. Zo zijn de titels van de meeste gedichten Maltees. De eerste vijf: ‘ABJAD’, ‘ISWED’, ‘KANNELLA’, ‘VJOLA’ en ‘ĦADRA’. ‘ABJAD’ is een anagram van een ander gedicht, ‘BAJDA’, en beide zijn verbonden aan ‘BOJOD’, waarin je aan het eind van de eerste strofe de volgende regel leest: ‘abjad (mannelijk) bajda (vrouwelijk) bojod (meervoud)’. In ‘BAJDA’ staat diezelfde strofe in het Spaans.
Waar is Nuyts op uit? In ‘LOGĦBA’ schrijft hij:

het spel: de regels klapperen in je hand als spreeuwen
in paniek – gespikkelde kelen vol worm en verwijt
en dan: de geboorte van het brein in het heetst van de strijd
een oceaan van lichamen, de zweep van het woord

De lezer moet moeite doen, evenals de dichter. In zijn verbeelding begint het verhaal in de Himalaya, bij de afdaling van Kuluri, een figuur die net als de ‘ik’ Maltese klanken van ‘een sierlijke rauwheid’ ontdekte. Kuluri heeft zijn handen ‘vuilgemaakt’ aan de taalkleuren, ruwweg gezegd: aan de werking van taal. De ‘ik’ zoekt hem gedurende de hele bundel en eindigt bij het begin, in de Himalaya en min of meer tevreden: ‘ik sta op de hoogte, kijk naar alles beneden en / wijd me aan de kunst van het heldere denken’ – meer zeg ik er niet over om een spoiler te vermijden. Zoals gezegd gaat om een reis in de geest. In ‘ĦADRA’ (een anagram van het gedicht ‘AĦDAR’) is het 16 juni 1904 – de dag waarop Joyce’s Ulysses zich afspeelt; uiteraard moet de lezer zich afvragen of de ‘Anagrammen’ een vergelijkbare Odyssee vormen.

Waarom zo ingewikkeld? Is het allemaal flauwekul? Anagrammen van een blote keizer associeer je onvermijdelijk met het gezegde ‘de kleren van de keizer’. En waarom die nadruk op zo’n alledaags verschijnsel als anagrammen? Talen zonder anagrammen bestaan niet: het aantal letters en betekenisonderscheidende klanken is immers beperkt, terwijl het aantal woorden dat je kunt vormen in principe oneindig is, ook door de mogelijkheid homoniemen te vormen. Wil Nuyts zijn lezers dan imponeren met gepuzzel? Misschien, maar onzinnig is de bundel niet. In de eerste plaats schrijft hij mooie gedichten, al blijven ze raadselachtig:

AĦMAR

in het beenzwarte licht van een stroboscoop
staat een dwerg met gesprongen lippen naar me te wuiven
ik wou dat hij mijn zoon was

ik kan het niet aanzien en ga op reis

halfweg september kom ik aan in de vossenstad
in het gras tussen de rails van het station
zitten sleutels verstopt, maar zelfs de simpele tover
van een anagram ontgaat de luie lezer:
azimut de stoter die slaand de verzen vouwt

rum met een reukje eraan in de bultenaarsschaduw van
de radcliffe camera, de snijbloemgeur van kaneel en uraan

de jongens die op onze kleuterklasfoto’s staan
kijken toe hoe ik de taal die mensen spreken
naar mijn roofridderburcht sleep

kijk!
onze silhouetten op slot tegen de akelmuur
een superman-t-shirt als een vlag om haar gespierde lichaam
in de nok voorbij de knik hikt ze soera’s in het schrift

In de tweede plaats is het maar de vraag of de lezer houvast moet krijgen in de taalwereld; misschien zou de dichter daarmee zijn doel voorbij schieten. Aan het eind van de fictieve inleiding zegt de ‘ik’: ‘Sinds die zomer van 1993 zoek ik elke ochtend en avond wereldwijd naar Kuluri’s naam op de borden met vluchtinfo. Ik ben er nog niet zeker van of ik hem heb gevonden. Misschien breng jij het er beter van af’. Dat zal niet lukken: taal is ongrijpbaar. Neem de duistere verhaalfiguur ‘arrak’: ‘in de haven runt hij een slavenhandel van namen’; ze zitten gevangen in een kooi. Zijn naam kan verwijzen naar een softwareprogramma om anagrammen te maken, maar ook naar de drank met zo’n hoog alcoholpercentage dat je al snel teveel neemt en niet scherp meer ziet – net als de lezer, of in ieder geval: deze lezer.

Veel heb ik in deze recensie niet behandeld, zoals de grote invloed die de ‘ik’ ondervonden zegt te hebben van Gerard Manley Hopkins en Ibn ‘Arabi (een sunnitisch dichter en filosoof uit de elfde eeuw). Ook de zoektocht naar ‘de stem van La ‘Ultima’ liet ik onvermeld. Het is aan de lezer om zich verder in de bundel te verdiepen.

Ik denk dat de procédés die Nuyts in deze bundel heeft gehanteerd maar één keer werken, maar hij
heeft genoeg talent om je nieuwsgierig te maken naar een bundel met een heel ander karakter.

Recensie van De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2017 - Gekozen door Francine Houben

De stand van zaken

Gekozen door Francine Houben
De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2017
Uitgever: VSB Poëzieprijs / Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511803
€ 9,99
136 blz.

Bloemlezingen zijn belangrijk: zij weerspiegelen de literatuur, kunnen voortkomen uit nieuwe ontwikkelingen en de stand van zaken van actueel werk weergeven. Ik pleit al jaren voor een geactualiseerde ‘geautoriseerde’ bloemlezing bij de nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis, waarin de stand van zaken van het nieuwste onderzoek wordt weergegeven. Die keuze behandelt het verleden en is misschien alleen voor vakmensen, hoewel de bloemlezing van Komrij (de drie dikke delen, inclusief een redelijk actueel deel) goed verkocht is. Een bloemlezing van actuele poëzie kan een overzicht bieden van dichters en gedichten, van wat er op dit moment speelt, van stromingen en opvattingen. ‘De 100 beste gedichten’ uit de bundels ingezonden voor de VSB Poëzieprijs (‘dé prijs voor Nederlandse poëzie’, volgens de flaptekst) geven inderdaad een goed beeld van wat en hoe in Nederland en Vlaanderen geschreven wordt.

Afgezien van een selectie uit de bundels van de genomineerden (de Vlamingen zouden ‘laureaten’ zeggen, wat ik mooier vind, historischer: ik zie Dante en Jan van der Noot voor me met een lauwerkrans) – te weten Rodaan Al Galidi, Hannah van Binsbergen, Ruth Lasters, Delphine Lecompte en Nachoem M. Wijnberg – bevat deze bloemlezing ook poëzie van oudere dichters, waaronder ook onze ‘éminence grise’ Remco Campert die met één (mooi) gedicht vertegenwoordigd is, weliswaar uit 2015, maar het maakt het beeld compleet. Verder is er werk opgenomen van Eva Gerlach en Anna Enquist. De eveneens voor deze prijs genomineerde Nachoem Wijnberg sleepte reeds eerder prijzen in de wacht: de Jan Campertprijs in 2004 en een eerdere VSB Poëzieprijs in 2009. De VSB Prijs van 2017 is gewonnen door Hannah van Binsbergen voor haar bundel Kwaad gesternte , waarin ik prachtige regels las als: ‘Ik open een graf met de steek van een meimaand..’ (‘Aan de Situationistische Internationale’).

Het is een kaleidoscopisch beeld: een veelheid van stijlen en opvattingen. Ik vond het bijna een soort quiz om zonder biografische gegevens te verzamelen te proberen Nederlandse en Vlaamse dichters te herkennen. De Vlamingen hebben iets meer plezier in spelen met taal op zich, ze hebben iets barokkerigs, wat mij enorm aanspreekt. Ruth Lasters had ik als Vlaamse herkend (haar bundel Lichtmeters werd voorgedragen), bij boksende Vlaamse koningsdochter Delphine Lecompte (voorgedragen bundel: Dichter, bokser, koningsdochter ) ging ik even de mist in doordat de ‘sjoenste staad van ’t laand ’ (Tilburgs volkslied) figureerde in het gedicht: ‘De afschuwelijke mythomaan wordt weer een ijzig kind’.

In Tilburg toon ik mijn rauwheid aan een dadaïst
Hij kan ermee overweg, in een bos valt het hem op dat ik van honden hou.

Natuurlijk hou ik van honden, zoals ik van Hans Holbein,
Pistache en de Noordzee hou
Pistache en de Noordzee zijn verbonden
Hans Holbein en de honden zijn onverbonden
Of ik hier gelukkig ben? Wat een dwaze vraag, ik ben nergens gelukkig.

We kunnen verder prachtige poëzie van Eva Gerlach lezen, drie mooie gedichten van Anna Enquist, en wat mij goed deed: ook fragmenten uit een door mij in Meander gerecenseerde bundel van Marc Boogs Rotonde , een poëzienovelle gebaseerd op de Faustlegende. Deze drie fragmenten doen niet geheel recht aan de kwaliteiten van de bundel. Ook Marc Boog won eerder de VSB Poëzieprijs.

Ik had veel verwacht van de inleiding van Francine Houben, de voorzitter van de jury, veel bekroond architect en eredoctor in Utrecht. Ik ken haar als een buitengewoon intelligent architect, directeur/oprichter van haar efficiënt ingerichte bureau Mecanoo (ook daarvoor kreeg ze een prijs). Haar nieuwbouw getuigt van een eigenzinnige creativiteit (station Delft, veel culturele gebouwen, onder andere een bibliotheek en een theater in Birmingham). Bij verbouwingen betreft het vaak gebouwen met een lange geschiedenis: verbouwing vraagt een andere bezinning op inhoud en de vorm. Die bezinning levert vaak resultaten getuigend van een diep inzicht en grote intelligentie. Ik had een beschouwing over vorm en inhoud verwacht, waarbij zij als ontwerper en vormgever van daken boven en omhullingen van culturele ontmoetingsplekken zou kijken naar de poëzie als dak boven en omhulling van de taal. Juist omdat ze zelf opmerkt dat haar werk, de architectuur, alle zintuigen moet beroeren, had ik op iets van de verklaring van die ontroering gehoopt, mede gerelateerd aan inhoud en vorm, misschien geredeneerd vanuit de basis van elk bouwwerk: het programma van eisen. Helaas is dit niet het geval: het is een fraai geschreven wat vrijblijvend stukje, meer als een voorzitter van een stichting die op een congres de tekst van de directeur opleest dan een eigen bezinning.

Voor al diegenen die op de hoogte willen blijven van de ontwikkelingen in de Nederlandstalige poëzie, kan ik slechts de zin op het achterplat herhalen die eerder in Meander verscheen: ‘Ik benijd de poëzielezers die vanaf het begin ieder jaar de bundel hebben aangeschaft. Een beter overzicht van ruim twintig jaar Nederlandse poëzie kun je niet in de kast hebben staan’.

Recensie van Stad van liefde - Jabik Veenbaas

Een tijdelijke onsterfelijkheid

Jabik Veenbaas
Stad van liefde
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046821879
€ 19,99
56 blz.

In Stad van liefde toont Jabik Veenbaas zich opnieuw een meester in het oproepen van spanning tussen het heden en een voorgoed voorbij verleden. Als hij dat combineert met het hoofdmotief in deze bundel – de liefde – levert dan meteen de beste gedichten op. Neem bijvoorbeeld ‘nog een liefdeslied’, waarin de dichter schrijft over het onherroepelijke verlies dat met liefde gepaard gaat, ook als zij blijvend is: het waarmaken van het verlangen naar een liefde is immers het einde van het dromen daarover. Veenbaas heeft een huidige liefde, gelukkige herinneringen en weemoed over wat niet herhaalbaar is op een mooie manier gemengd:

of ben je een heimwee die ik oproep als
het avond is, in mijn lamplichte kamer
heimwee naar het tikken van je hakjes
op de harde koude straat toen je daarnet
de deur uit ging naar die eerste keer
dat we zoenden in mijn lage bed aan
het eind van een nacht van hete lome
lichamen mocht toch die nacht opnieuw
beginnen ik sprak je aan en wist nog niet
dat je met me mee zou gaan

Net als in Mijn vader bad probeert de dichter de tijd te dwingen. Onmogelijk natuurlijk, maar poëzie kan je voor even die illusie geven. Datzelfde geldt voor de liefde, zeker als je erover dicht. De laatste drie regels van de bundel (uit ‘gedicht voor je vijftigste’) zijn prachtig: ‘daarom blijf ik bij je / ook al is iedere onsterfelijkheid tijdelijk / die met jou duurt het langst.’
Helaas zijn de gedichten minder goed als het balanceren met de tijd in de liefdesgedichten ontbreekt, in ‘overleven’ bijvoorbeeld, over de liefde als remedie tegen een onherbergzame buitenwereld. De dichter is op bezoek geweest bij een gefrustreerde vriend, ‘vol boosheid over zijn verwoeste huwelijk’, in de trein naar huis zit hij tussen weinig vrolijk stemmende mensen, naar buiten kijken helpt ook niet (‘uit het kanaal stegen gifdampen op’), maar als hij diep in de nacht thuiskomt wordt hij nietsvermoedend begroet door zijn geliefde: ‘en in je verbaasde ogen las ik / waarachtig, ik leefde nog.’ Een aardig gedicht over een rotdag met een happy end, maar meer is het niet – de zelfspot, opgeroepen door hyperbolische titel , doet daar niets aan af.
Ook met verbeelding kun je de wereld naar je hand zetten. In ‘Credo’ vraagt de dichter zich retorisch af wat hij met de waarheid moet. Het gezever daarover moeten we maar aan betweters overlaten. De laatste strofe:

‘( … ) ik geloof in spoken
in muziek en poëzie, dat is de troost
van ijle waanzin
ik geloof in het ruisen van de populier in mijn achtertuin
ik geloof in de ziel die niet bestaat
en in de redeloze onmachtige liefde

Veenbaas doet meer in deze bundel. Vrijwel alle gedichten gaan over de liefde en dat kan ook de liefde voor een stad zijn. Het sfeervolle gedicht ‘zeedijk amsterdam, ‘s ochtend vroeg’ , waarin ‘alles begint bij zon en stilte’ eindigt met een volmaakte avond in ‘de onooglijke kroeg, genoemd / naar het elfde gebod: leven zul je / nooit genoeg’. Mooi zijn de personificaties, zoals een bunker als metafoor voor een onverzettelijke, rondloerende rouwdouwer die heimelijk verlangt naar moederliefde. Het mooist is ‘marilyn monroe, breakfast in bed’. Dat ontbijt in bed verwijst waarschijnlijk naar de titel van de hit uit de jaren zestig met de regel die Dusty Springfield onvergetelijk maakte: ‘You Don’t Have To Say You Love Me’. Monroe wordt voorgesteld als de verpersoonlijking van het archetype van de Verenigde Staten:

zij pelde een ei op haar kussen kwam
van kust tot kust het land in beroering
er werden slipjes aangetroffen in herenkoffers
presidenten vulden hun agenda’s stotterend
met haar borsten

want iedereen wist op haar machtige dijen
waren wolkenkrabbers verrezen
en mayflowers sloegen sinds lang te pletter
op haar weelderige heup

als ze geeuwde jankte een prairiehond
en een kalme bizon graasde
in de deuropening van een blokhut
verscheen een echtpaar in vodden

hoog daarboven cirkelde een arend
en viel op zijn prooi

Presidenten die niet gewoon hun agenda vullen met haar borsten, nee, ze doen het stotterend van opwinding. Zelden las ik een mooier beeld van de onweerstaanbare Marilyn die zelfs van de machtigste mannen ter wereld weerloze pubers maakte.

***
Jabik Veenbaas (1959) is dichter, filosoof en vertaler. Hij debuteerde in 2001 met de Friestalige bundel Metropolis. Drie van zijn vier Friese bundels vertaalde hij in het Nederlands. Zijn laatste oorspronkelijk Nederlandstalige bundel was Mijn vader bad (2015).

Recensie van Meervoudig afwezig - Ester Naomi Perquin

De raadselachtigheid van Perquin

Ester Naomi Perquin
Meervoudig afwezig
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261631
€ 16,99
37 blz.

In de nieuwe bundel van Ester Naomi Perquin Meervoudig afwezig (2017) trekt de dichter ons op intelligente wijze herkenbare levenservaringen binnen en laat ons er met nieuwe ogen naar kijken. Ze vraagt daarbij veel van onze voorstellingsvermogen vanwege haar verrassende wendingen van het concrete naar het abstracte en omgekeerd, haar omkering van voorstellingen, zienswijzen en gedragingen, zoals bijvoorbeeld het meebrengen naar een feest van ‘een kleine gedachte, mooi ingepakt//’ of de gedachte van ‘leegte’ als associatie met ‘oppervlaktewater’. Het paradoxale, het tegenstrijdige en het onoplosbare dat in veel situaties schuilgaat, is in deze bundel haar handelsmerk. Evenals Leonard Nolens beschouwt ze de stijlfiguur van de paradox als de enige hygiënische manier van denken. We moeten het ja niet scheiden van het nee, zoals Paul Celan haar leerde. Daarin gaat de raadselachtigheid van het leven schuil. Perquin neemt haar scherp waar, heeft niet zozeer de neiging daar een oplossing aan te verbinden, maar wil je de ingewikkeldheid van het leven laten zien. Het maakt voor een groot deel de spanning en de charme van de menselijke conditie uit. Genot is in dit geval misschien wat te veel gezegd, maar enig mild moralistisch realiteitsbesef weet Perquin ons wel voor te houden. Ze laat ons goed zien in hoeverre in de delen het totale zich het best laat zien, en in het totale de schoonheid en de waarheid van de delen zich kan aftekenen. Haar toon in deze bundel ligt dicht bij haar persoonlijke ervaring.
     Het motto van deze bundel ‘Er schuilt ongeloof in ieder uur’ is haar ingegeven door Fernando Pessoa, de dichter die voortdurend twijfelde aan zijn eigen identiteit, en niet voor waar wenste te houden wat anderen hem voorhielden en/of voordeden. Identiteit was voor hem drijfzand en aan een voortdurende verandering onderworpen. Wat is dat eigenlijk: er zijn, aan- en afwezig zijn? Perquin vraagt zich terecht af of we van onszelf wel weten wie we zijn en waarom we de dingen doen zoals we ze doen, laat staan dat we dat van anderen zouden kunnen weten. Ze begint met een mysterieus introductiegedicht. Daarin spreekt een professor zijn studenten toe:

De aard van de afwezigheid, dames en heren,
is zodanig afhankelijk van ons verdwijnen
dat zij niet valt waar te nemen.

Ook wat blijft, valt lang niet altijd goed waar te nemen, neem bijvoorbeeld de ‘maan’. ‘U zult de grootheid niet in het totale vinden.’ […] ‘Maar het totale in de delen!’ De professor die deze uitspraken doet, besluit in laatste strofe met het voorbeeld van een olifant om daarmee zijn theorie te illustreren:

Een olifant (…) lijkt pas de olifant die hij
daadwerkelijk is wanneer u
wegens kijken door een sleutelgat
een groot deel van hem mist.

Met onze verbeelding voltooien wij het beeld van onze werkelijkheid. Wat er onder oppervlakte aanwezig is, zien we vaak over het hoofd; wat in de werkelijkheid afwezig is, krijgt in onze verbeelding zijn entourage.
     Het eerste deel van deze bundel heet ‘De delen’. Hierin staan onder meer enkele gedichten die refereren aan een relatie, scheiding en kinderen, over wat zoek raakt, verdwijnt en pijn doet, zoals het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’, ‘Berekening’ en ‘Therapie’. Wat er leek te zijn, was er niet. Wat er niet was, bleek er wel te zijn. Schijn bedriegt: ‘slaap niet in vertrouwde armen / als andere aanlokkelijk ontbreken’ zegt de ik in het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’. Zij hebben een ander beeld van de relatie dan de ik zelf. De ervaring van een scheiding doet de ik mismoedig en ironisch oproepen:

…………………………..Zoek naar de aarzeling
en ongemak. De raadselachtigheid. Ik zou nu graag
een lelijke die mij weer aan het lachen maakt
en die mij prachtig vindt. Prachtig.

In het gedicht ‘Therapie’ vraagt de ik – die zichzelf als een stad beschouwt – zich af hoe ze zich van de angst kan bevrijden: ‘We vragen ons af wie de ander/ beter leest. Wie wint. Waarom we eenzaam zijn/’. Wie heeft het beste zicht op de ‘klont in [het] brein’? De cliënt of de therapeut? In het laten zien van wat aanwezig is maar afwezig lijkt te zijn, bedient Perquin zich van verdwijntrucs die thuishoren in sprookjes, zoals in het gedicht ‘Wegens logistieke problemen’. De ik mocht de doos die gearriveerd was, niet openen. Uiteindelijk stapt ze er toch binnen, opdat ze daarmee voor even zou vergeten wat haar te wachten staat. Blijkbaar werd het openen van de doos belemmerd door een angstgedachte dat er iets in de doos zat wat gevaarlijk was. Wat niet zichtbaar was, was aanwezig in al zijn afwezigheid. Tweemaal afwezig: de angst en het verdwijnen in de doos.
     In het gedicht ‘Een troost’ ontleent Perquin troost aan de roekeloze en waar te nemen groei die de natuur in al zijn facetten kenmerkt: ‘Wat groeit, groeit roekeloos.//’ Wij mensen bestaan massaal niet, we zijn ‘feilloos in het niet-bestaan.//’ Ze gaat daarna verder met:

We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

( … )
Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

Onze af- en toekomst rust in de onbegrijpelijke afwezigheid van een schepper die in ons zijn aanwezigheid tot uitdrukking heeft gebracht. In het gedicht ‘Ondersteunende troepen’ zijn daar de angstige vaders die vrees hebben voor de oorlogshandelingen. Ze hebben angstvisioenen die niet bewaarheid worden, maar weten zich gesteund en getroost door de vooruitzichten die hun kinderen hen bieden voor na de oorlog. In beide gevallen berusten die vooronderstellingen op wat er niet is. Ook hier is er sprake van tweemaal afwezigheid. Zo zie je maar weer hoezeer mensen gedreven worden door wat zich in hun verbeelding vormt en vastzet, en niet op de feiten is gebaseerd. Door de vreesaanjagende deelaspecten wordt het verlossend geheel vaak niet zichtbaar meer.
     Het tweede deel heet ‘Het totale’ begint met een reeks nabeelden, zoals ‘Zelfs in de koppen van gevangen apen, las ik,/ treft bij de sectie vaak nog/ hele stukken oerwoud aan.//’. De conversatie met de snurkende, vaag geurende God is vermakelijk en hilarisch te noemen. “Je hebt veel dingen nooit gedacht,” zegt God ineens./’ tegen de ik. De ik repliceert: ‘U bent er niet.’ God houdt zijn ogen dicht en gaat verliggen. ‘Gratis dicteer ik / dit gedicht’, zegt hij. “Probeer het zelf / maar te verpesten.”//’. Het maken van het gedicht ligt wel en niet in onze handen, of God er nu wel of niet bij aanwezig is. Het scheppingsproces blijft een oneindig raadsel. Perquin laat haar lyrisch subject in dit tweede deel worstelen met de oorsprongs- en bestaansreden. Ook al kunnen we tegenwoordig heel ver het heelal inkijken, uiteindelijk keren we terug ‘bij het noodgedwongen wezen / van de mens: ons vermoeden. //’ In onze handelingen, hoe aarzelend en klein dan ook, ligt de bestaans(on)zekerheid. Het gedicht ‘Handelingen’ legt die existentiële vraag op tafel. Het lyrisch subject van Perquin cirkelt voornamelijk in deze bundel rond de vraag wat de vaste grond van dit bestaan is. Ze is er al lang achter dat die grond niet in de materie en de mens alleen te vinden is. Ze accepteert dat ook en bepleit enerzijds de permanente modus van de onzekerheid, maar blijft anderzijds naar een vermoedelijke aanwezigheid van een bestaansgrond zoeken: ‘Vermoeden omlijnt ons bestaan, een silhouet van onze krijt, / de dunne omtrek van een lijk; wij zijn wat niet meer / verder komt, voorgoed is vastgesteld. //’. In het gedicht ‘Had het hierbij maar gelaten’ blijft die finale vraag opspelen:

Je neemt een been (een lang, bruin been dat iemand over heeft)
een meeuw of twee en het uitzicht op zee.

Gelukkig zijn is gemakkelijk wanneer iemand anders steeds
je drankje brengt en diepe gesprekken kunnen vrij eenvoudig zijn:
je begint met de herkomst van het been en voor je het weet ben je
toe aan het hart, het eerste verlies, de innemende lach
en als je dood gaat, wat je dan denkt
dat men vermoedt dat je dacht.

Vraag als de zon zakt nog even of God het zo bedoelde en je zult zien
dat ook Hij, als Hij met ons klaar zal zijn,
de schepping uit de knoop haalt, leeg laat lopen,
de boel inpakt (zorgvuldig droogwrijft) en opbreekt,
nog één keer omkijkt en verdwijnt – je zult zien dat ook Hij
graag kijkt naar betere omstandigheden.

Naar één zuiver idee als dit. Een huis
met een trap naar de zee.

Perquin heeft met deze nieuwe bundel een zeer leesbare, verrassend knappe bundel geschreven die voor mij een aards-metafysische inslag heeft, zonder dat hij humor en directheid mist. In haar pogingen het afwezige in het aanwezige te laten zien vanuit het deel of het geheel, maakt zij deze bundel tot een existentiële ervaring met een spirituele kwaliteit.

Recensie van Een kogelvrije zomer - Martijn den Ouden

Postpuberaal nihilisme

Martijn den Ouden
Een kogelvrije zomer
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021406237
€ 16,99
96 blz.

Het was de eerste warme dag van het jaar. Kerkgangers fietsten in T-shirt en zomerjurk (kleine meisjes droegen nog wel hun kleurrijke majootjes) langs ons huis. De overburen hadden hun woonkamer met vlaggetjes en ballonnen volgehangen ter gelegenheid van de verjaardag van een van hun kinderen. De eerste gasten werden luidruchtig begroet en traden binnen. Ik zat tussen het groen op het wrakke bankje dat wellicht de zomer niet haalt met de dichtbundel Een kogelvrije zomer van Martijn den Ouden in mijn handen en vroeg mij af waarom op de achterkant van deze bundel de gedichten werden vergeleken met het gebruik van xtc: “Gedichten van Martijn den Ouden zijn net als xtc: in het begin lijkt het eng, maar als je het laat gaan is het behoorlijk prettig.’ CUTTING EDGE”

Wat moest ik met die vergelijking; was hier een autoriteit op het gebied van xtc aan het woord of ging de vergelijking mank? XTC, de uitgaansdrug bij uitstek, brengt je in een opgewekte stemming, op het verliefde af, en maakt dat je urenlang kunt dansen. Werd je dus vrolijk van deze poëzie, zou je na lezing iedereen die je ontmoette wel willen omarmen? Ik zag de link niet met het tot je nemen van poëzie, wat toch een nogal introverte bezigheid is. En wat moest ik met de titel? Een kogelvrije zomer… Een kogelvrij vest is in staat om kogels op te vangen die anders iemand verwond zouden hebben; maar ‘een kogelvrije zomer’? Of is dat net als ‘een ongemartelde herfst’ of ‘een waterdichte winter’ niet meer dan een leuk klinkend ideetje? (Mijn vondsten halen het niet bij die sublieme van Den Ouden).

De afbeelding op de omslag, gemaakt door Den Ouden zelf, laat een ijsdanspaar zien, dat, aan het hoofd, door een witte uil wordt ontvoerd. Ik neem aan dat deze afbeelding bewust gekozen is. Ik was, lijkt mij, al drie maal op het verkeerde been gezet. Misschien is dat ook de bedoeling wel, werd ik op de omslag al gewaarschuwd voor een nihilistische poëzie, waarin alles de er ooit aan toegekende waarde verloren heeft. Misschien is het dus beter om de titel, de afbeelding op de omslag en de tekst op de achterkant te laten voor wat zij zijn, en me te richten op de tekst om te zien wat die voor verrassingen herbergt.

De bundel begint al goed: ‘de winter is een vals wijf zonder kleren / met een eng dun gerimpeld lijf / een koude adem / en een lage hartslag (..)’. En het eindigt zo, dat eerste gedicht: ‘het wordt een lange winter / dat ik niet uit vier personen besta zou ik pas later begrijpen / evenals dat de liefde geen mank paard is / überhaupt geen paard is //’ Asjemenou! Wat is deze dichter ongrijpbaar! Wat is deze poëzie toch een mysterie! Wat een geweldige regel: ‘evenals dat de liefde geen mank paard is’! Loopt die regel zelf niet parmantig mank?

Dat het nog extremer kan bewijst Den Ouden op blz. 69: ‘(..) wat weet je van Adolf Hitler? // het driftig mannetje bouwde graag kastelen / genaamd / Holocaust (leeg kasteel) //’. Wat een stoere bink is die Martijn den Ouden. Dat hij dit durft te schrijven is toch niet niks! Hij heeft het op andere plaatsen over onthoofdingen, het van de ogen deppen van slachtingen en verkrachtingen en over iemand die zichzelf met een broodmes de keel doorsnijdt, na zijn bekentenis over misbruik van zijn kinderen. Den Ouden is een kind van zijn tijd!

Het soort onverschilligheid waar Den Ouden blijk van geeft, bestaat natuurlijk slechts bij de gratie van onbetrokkenheid. Het ziet er anders uit wanneer de zaken waar je zo zonder enig gevoel over schrijft, jou persoonlijk of je familie of vrienden raken. Het is erg gemakkelijk om een man met een strijkbout naar zijn vrouw uit te laten halen; tenminste, zolang je het niet echt hebt gezien of beleefd.

Woorden schieten tekort om uit te drukken wat ik van deze poëzie vind. Om je van de waarde ervan te overtuigen tenslotte nog één compleet gedicht (blz.114):

dit is een prijzenswaardig vergezicht

in de onomstotelijk losgezongen lucht
vliegen exotische vogels
patronen van lichte zeden

het meisje
- een opengesneden vrucht -
ligt lallend op het strand

het animeerteam en de kinderen
kirren
dollen
bouwen zandsculpturen

en als kers op de taart
is er het gemoedelijk rommelen
van vurende marineschepen

in de diepte
van dit prijzenswaardige vergezicht

Dit onomstotelijk van de werkelijkheid losgezongen gedicht is, als alle andere in deze bundel, van elke echte emotie ontbloot. Die ‘opengesneden vrucht’ rijmt natuurlijk prachtig op ‘de onomstotelijk losgezongen lucht’ uit de eerste strofe. Maar welke vrucht ligt daar, lallend in het zand? Wie is het? En wat moet ik mij erbij voorstellen? Een meisje met gespreide benen? Patronen van lichte zeden! Is dat niet prachtig gevonden? Die rare vogels toch! Vurende marineschepen rommelen gemoedelijk als kers op de taart, en dat ook nog eens ‘in de diepte’. Daar werd ik helemaal stil van. Wat een wonderbaarlijk gedicht! De dichter was blijkbaar zeer ingenomen met ‘dit prijzenswaardige vergezicht’. Misschien dat daar de associatie met xtc om de hoek komt kijken. De dosering kan te hoog zijn, dan vervallen niet alleen de grenzen, maar hallucineer je ook…

***
Martijn den Ouden (1983) is dichter en beeldend kunstenaar. In 2010 verscheen zijn debuut Melktanden en in 2013 volgde De beloofde dinsdag.