Recensie van Nicola - een soort van antenne - Ruben van Gogh

Poëzie proeven, maar dan anders

Ruben van Gogh
Nicola - een soort van antenne
Uitgever: crU
2017
ISBN 9789079993161
€ 22,50
55 blz.

Een experiment. In 2012 vroeg de componist Paul Oomen aan Ruben van Gogh het libretto te schrijven voor zijn opera Nicola – a Techno  Opera  in 4D Sound, waarin een machine, de Nicola, gedachten hoorbaar maakt. Na veel wikken en wegen werd dit libretto geen verhalende tekst maar een serie van negenendertig gedichten die de gedachten vertegenwoordigen.
Bij dit muziekwerk komen klank en tekst, afhankelijk van waar men zich bevindt ten opzichte van de vele speakers op verschillende manieren op de luisteraar af. Zo ervaart ieder zijn eigen opera.
In  de bundel Nicola – een soort van antenne wordt iets soortgelijks geprobeerd door in elk exemplaar een andere volgorde van de gedichten op te nemen; elke bundel is hierdoor in zekere zin uniek. De hier besproken Nicola is nummer negentien.
(De facto heeft men met één bundel overigens alle exemplaren in handen; de volgorde van lezen is immers naar eigen keuze en bijna eindeloos).
In proza zijn vergelijkbare experimenten gerealiseerd, onder andere door Julio Cortàzar in Rayuela, een hinkelspel, waarin men de hoofdstukken in verschillende sequenties kan lezen en zo meerdere sluitende romans aantreft in één boek. Een meesterwerk.
Interessant, maar bij het beluisteren van de opera gaat het om de plek waar men zich bevindt, bij het lezen van de poëzie om de volgorde waarin men de tekst tot zich neemt. Bij proza geen probleem, de lezer houdt de lijnen van de verschillende verhalen gemakkelijk vast. Proza is doorgaans eenduidig. 
Bij de dichtkunst ligt het complexer; poëzie is vaak meerduidig, geserreerd, bevat beeldspraak en toverspreuken en vraagt derhalve om rustmomenten (de witregels) en om herlezing en contemplatie.
Toch proberen.
De bundel bestaat uit drie delen en omdat de gedichten in elk deel verwantschap tonen lees ik om een idee te krijgen zonder pauzes en in hetzelfde tempo het hele laatste deel: dertien korte gedichten.
Het blijkt geen wereldschokkende ervaring, maar de taal wordt hierdoor wel dynamischer en roept andere associaties en verbanden op dan wanneer men zich focust op de gedichten afzonderlijk – naar ik aanneem omdat een en ander je ontgaat en/of omdat je niet leest wat er staat. Daar titels en een index ontbreken en de toon in de verzen min of meer gelijkluidend is kan men, mits hardop lezend, zo’n reeks echter wel degelijk als één geheel beleven. (Wat niet wil zeggen dat dit geheel meer is dan de som der delen).
Ter illustratie zou ik een aaneenschakeling van gedichten zonder cesuur aan kunnen halen, maar dat zou teveel ruimte innemen. Ik beperk me daarom tot het aaneenrijgen van enkele strofen van verschillende gedichten zonder aan te geven welk deel bij welk gedicht hoort. Een potpourri.

er daalt sneeuw neer vanavond
en gefragmenteerde zinnen

iedere sneeuwvlok
een gedachte

elke vlaag een schreeuw
om aandacht

ik moest aan mensen denken
en ik zag ze

moleculen, ridicuul informele
informatie uit een immer

uitdijende brei van woorden

Voor zover het experimentele aan Nicola.  

Inhoudelijk gaat het in sterke mate over wat een gedachte, een woord, bij de lezer of luisteraar teweeg kan brengen, namelijk het oproepen van andere woorden, die op hun beurt  weer andere woorden naar boven halen: ‘ieder beeld / leidt tot nieuwe // opgeroepen beelden, / één woord wordt al een waterval (…)’.
Voorwaarde is wel dat men zich openstelt, een ‘soort van antenne’ wil en durft te zijn. Dit laatste is waar de dichter ons meer bewust van maakt en alleen daarom is deze bundel het uitgeven al waard: hij schudt ons wakker.
Genoemde aanmoediging wordt in soepele, niet opdringerige maar wel indringende beelden overgebracht. Hoofd en hart in evenwicht. Weliswaar kan het obsessief (?) gebruik van enjambement storen, maar voor het overige is het poëzie van hoog niveau.
Tot besluit een gedichtje dat dit aantoont:

er klinkt geruis door
in de stemmen die mij

omringen, gefluister
waar ik wel naar moet
luisteren, als zijn het

sirenen die zingen

maar ergens daar
doorheen hoor ik
een hulpeloze stem

die zo persoonlijk naar mij
roept, dat ik haast denk
dat ik dat ben

***
Ruben van Gogh (Dokkum, 1967) is dichter, presentator, librettist, vertaler en bloemlezer.
Hij debuteerde in 1996 met De man van taal. Zijn vierde bundel Klein Oera Linda zorgde door een afwijkende typografie voor opschudding en ook zijn anthologie Sprong naar de sterren, de laatste generatie van de twintigste eeuw deed veel stof opwaaien. Hij vertaalde onder anderen Jacques Prévert en gaf voordrachten op talloze nationale en internationale podia.

Recensie van Hoe ik een bos begon in mijn badkamer - Maartje Smits

Hoe een mens leven uitknipt

Maartje Smits
Hoe ik een bos begon in mijn badkamer
Uitgever: De Harmonie
2017
ISBN 9789463360173
€ 17,50
69 blz.

Maartje Smits studeerde ’beeld en taal’ aan de Gerrit Rietveld Academie en  voltooide eveneens een Master in Design aan het Sandberg Instituut. In 2015 debuteerde ze met Als je een meisje bent bij uitgeverij De Harmonie.  Voor deze tweede bundel ontving Maartje de debutantenbeurs van het Nederlandse Letterenfonds. Smits is docente aan de Gerrit Rietveld Academie en ArtEZ en schrijft columns voor De Groene Amsterdammer.

Hoe ik een bos begon in mijn badkamer heeft voor mij de hebbeding-factor zodra ik de cover op de sociale media voorbij zie komen. Het groen omsluit, als een bos van boven gezien, twee stopcontacten. Met het hebbeding in mijn handen zie ik dat het groen meer op koraal lijkt dan op bomen. Koraal past mooi bij het waterthema van de badkamer en stammen wij, doet het beeld mij retorisch afvragen, inclusief het groen niet allemaal uit het water? De stopcontacten suggereren dat de moderne wereld en natuur in de gedichten een fascinerende dialoog met elkaar aan zullen gaan.
Voor we naar binnen gaan in de wonderlijke wereld van Smits, nog één opmerking over de voorkant. Door de associatie van mijn partner werd ik me bewust dat de voorkant een perfect beeldrijm maakt met de hoes van de animatiefilm The secret of kells. Op de cover van de betreffende film kijken twee witte ogen door een twee ogen groot gat in het bladergroen. Hierdoor ben ik benieuwd of in de bundel Keltische symbolen of sferen aangehaald zullen worden, in de vorm van moderne natuurgedichten, wat me spannend lijkt.

Maar al snel blijkt tijdens het lezen dat ik mijn verlangen naar sprookjes en romantisering moet laten varen. (Wakker worden Laura, we leven in 2017!) Smits draagt de bundel op aan alle ecoducten die ze (stiekem) overstak en benoemt deze persoonlijk. Zo zegt ze in moderne, niet romantische taal dat ze eigenlijk een hert is, denk ik. De stijl van de gedichten grenst hier en daar aan postmodern. Ze observeren, benoemen, breken af, ontleden, spelen met betekenissystemen. Smits legt originele verbanden, niet alleen tussen de woorden maar ook tussen woord én beeld.  De zinnen (of woorden, lettergrepen) ontregelen door originele verbanden te leggen, talen (Nederlands mit bits of Duits en Engels) te mixen en herhaling als stijlfiguur in te zetten, alsof het een associatief soort muziek betreft. Ervaar als voorbeeld een fragment van het zintuigelijke ‘Hindernissen’.

(Lärm stinkt en lonkt en slalomt het speelplein over

hufterproof beton
boom
hufterproof beton
boom
hufterbroof beton
boom)

Ziedaar, ‘boom’, gaat het hier nu om een groene boom? Of is het een onomatopee voor een knal die poogt het hufterproof beton om te leggen? Het is maar net wat onze associatie ermee doet en Smits lijkt daar niet wakker van te liggen. In deze zin wordt het gedrukte gedicht overgelaten aan de verbeelding van de lezer. De speelse muzikaliteit van de taal herinnert me aan werk van Paul van Ostaijen..
Persoonlijk blijf ik achter met een leeg gevoel , wat me willekeurig doet denken aan het boeddhistische hart-sutra: leegte is vorm en vorm is leegte. Vanuit mijn streven naar zingeving (wat volgens het sutra eveneens leegte is), beweer ik dat Smits in haar creatief proces haar ego (het ik-concept) afbreekt om iets nieuws te kunnen maken. Als ik inzoom zie ik dat ze niet alleen afbreekt, maar ook weer opbouwt, zoals in het gedicht ‘Instructies om jezelf te troosten’ (fragment).

(ruik
het beeld van een net geschoren
berm
de  close-up van het houten kruid
geknipt tot waar knippert hoe hard
ze je inhalen (auto’s wezens etc.)

ga liggen tussen weiland en straat
wrijf grijze kevers schoon lak watervogels
mat en bedenk waar wagens
tegenwoordig naar vernoemd worden wacht
tot iemand je ziet zonder te kijken hoe jij jezelf on-dekt
snuif en bepaal de richting en geschiedenis van
dit ongehoorzame geluid

Vluchtheuvel op een razend weiland
prevel: van alles hier leef ik nu het meest)

Bovenstaand gedicht dat ik op zichzelf in knappe taal filmisch vind, wordt overigens onderbroken door twee foto’s.  Zo staan in de bundel meermaals foto’s midden op de pagina tussen twee ‘strofes’ van een gedicht. De zin hiervan ontgaat me soms. Ik ervaar de afbeeldingen op deze manier als onderbreking, een afleiding van de tekst die me ook al regelmatig laat stoppen met lezen om na te denken over het geschrevene. Ook wordt op sommige foto’s, zoals wij op de kunstacademie in theatertaal omschreven, de rode deur rood geverfd. Dat wil zeggen dat op de foto hetzelfde staat als in de tekst. In een gedicht wordt duin genoemd, op de foto staat een duin. Zou op de foto bijvoorbeeld een berg afval te zien zijn, dan zou het woord ‘duin’ een andere lading krijgen. Desalniettemin zou ik geen enkele foto uit de bundel geschrapt willen zien, ze weten nuchter en met een knipoog tegelijk adembenemend mooi te zijn.  Toch kan ik me een vorm voorstellen, zeg fotoboek of expositie, waarin de foto’s beter tot hun recht zouden komen. Op de bladzijdes dat de foto’s het rijk voor zich alleen hebben, met een enkele zin, komen ze naar mijn mening direct veel beter tot hun recht. De foto’s van Maartje Smits zijn gedichten op zich.  

Over het algemeen gezien hebben de kortere gedichten van Smits, die op de bladzijden meer witregels krijgen, de meeste zeggingskracht. Waar in de conceptuele vormgeving ‘wild’ wordt gedaan met groene strepen die naar de naastliggende bladzijde doorlopen raak ik weer wat de weg kwijt, maar dat terzijde. Het volgende gedicht, ‘Oververhitting bij tandelozen’, is eveneens een goed voorbeeld van het ‘stopcontact temidden van het groen’, de verwrongen en gelaagde dialoog tussen natuur en civilisatie.

(traject palliatieve zorg sloeg in
ontheffing vroeg onze aandacht

het dier rustig laten sterven:
1. intravasculaire injectie
2. vuurwapen
3. explosieven

Rendac stond klaar voor vewerking
rug- (kop, flipper) staartvin

na afloop
bleek Johanna
boterzacht

het snijwerk nam twee dagen in beslag.)

De taal van civilisatie is zakelijk en hard en vormt een confronterend contrast met Johanna’s ‘boterzacht.’ Het snijwerk komt daarna extra hard aan. Zo hakt een gedicht er wel in met een engagement dat observerend aanstipt zonder te oordelen.

Het mooiste vind ik wanneer Smits emotie in haar teksten toelaat, zoals in mijn favoriete zinnen uit het titelgedicht.

(mijn plantenmix huilde onder de douche
waar ik hun weke onderlijven ontpotte en begroef
in de uitgeknipte aarde )

Hier spreekt Maartje Smits zich uit en ik weet, nee ik voel, wat haar boodschap is.
Ze vertelt van personificatie en eenheid met de natuur en schetst tegelijk een mensbeeld. De mens die het leven uitknipt dat hij wil hebben, als plaatjes uit een catalogus op een verlanglijstje en de natuur die hieronder lijdt.

Ik vermoed dat ook de gedichten die onpersoonlijker lijken meer tot leven komen als de dichteres ze voordraagt. Gelukkig kon ik op haar website direct mijn verlangen stillen en mijn vermoeden bevestigd weten. In de voordracht worden gedichten die op papier moeilijk zijn te volgen vanzelf toegankelijk. Naast haar talent voor beeld en taal is Smits namelijk ook een perform-talent en ze zal zeker, op steeds weer verrassende wijze, nog veel van zich laten horen. 

Gedichten

door Michelle Brouwer (1991)
Michelle Brouwer (Leeuwarden, 1991) schrijft gedichten, verhalen en non-fictie. Ze is in 2016 afgestudeerd aan de opleiding Creative Writing (ArtEZ) met een dichtbundel naar aanleiding van de gasbevingen in Groningen. Michelle droeg haar teksten onder andere voor op Lowlands, Onbederf’lijk Vers, Noorderzon en Dichters in de Prinsentuin en publiceerde onder meer in Op Ruwe Planken, De Optimist en het Passionate Platform. Tegenwoordig werkt ze aan een debuutbundel met als concepttitel ‘te lijf’ over het thuisgevoel in een lichaam. Ze is nog op zoek naar een uitgever.
 

zonen van steen

de zonen van steen houden hun moeders
met geweren vast en hun vaders buiten beeld
verdwijnen achter de schilden
die hun gezichten zijn geworden

de zonen van steen slepen
hun broers door het hete zand
en hun zussen op het dak
zijn voor de vijand
geen gevaar

echo!

de moederhand op een voorhoofd
gewassen vingers, troostgezang
van duizend bekende stemmen

rook van zwart vlees en sigaretten
een diepe vaderkuch, een spervuur
van stekend bekende klanken

stenen schieten wild
door sponzige harten

de zonen van steen proberen
de projectielen af te weren
maar absorberen alles

de ontdekking van M.

soms ververst een seizoen zich verkeerd
jonge sla groeit van het zonlicht af de grond in
hagelvachten belemmeren de lammeren
van boomstammen bladderen bladzijden af

aangedreven door M.
de bron van mijn eigen gedachten
en de kracht van mijn eigen dwarse aard
zag ik onlangs pas dat M. een natuurverschijnsel was

een mosnest dat groeit waar het zich geroepen voelt
zich daar om aderen wikkelt en erin wortelt

en ik ben maar een lichaam – niet meer dan dat
ik ben mijn eigen dochter – en daarvan in de war
houd mij in mijn armen vast en knijp te hard

M. is een onmeetbare kracht
een seizoen is een onbedwingbaar gevaarte
ik ben niet meer dan een keuze die is gemaakt

M. is ondanks tegendraadse krachten
een verschijnsel dat in je opgaat en je draagt

barst

er loopt een lijn langs het kozijn
waarin ik het een en ander kwijt kan

een kam, theezakjes, lijsten met getallen
of een van mijn smalle gedachten

ik herken mezelf niet in een rij verdachten
etalagepoppen keren zich van me af

er is één buurman in de straat
die in staat is mij naar huis te slepen

daar is een raam dat als tolk fungeert
een gordijn dat sussend mijn mond toedekt

in het licht dwarrelt een sneeuwsterrenstelsel
door de hoekige schaduwen sluipt de tocht

ik duw mijn lichaam tegen het kozijn
leg een hand in mijn huis
en voel het kloppen

het een en het ander

ik vind mezelf even mooi als het geluid van een glas
dat over een houten tafel naar je toe geschoven wordt

even mooi als hoe je bovenbenen voelen bij thuiskomst
als je hebt gewandeld en het buiten rond het vriespunt is

even mooi als je neus in een kledingstuk steken
dat je op zolder bewaarde voor het juiste moment

even mooi als een mond vol Skittles tot het niet meer past
en het kleurenmengsel dat je uitspuugt in een servet

nee, even mooi als de eerste wintersneeuw zien vallen
over een gladde sneeuwweg lopen en wegzakken

met natte sokken over de deurmat wrijven
de tocht onder de deur naar je voelen grijpen

Met dit gedicht haalde Michelle een gedeelde derde/vierde plaats in de tweede ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Recensie van Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! - Peter Janzen en Frans Oerlemans

‘O, ’t waar zoo schoon geweest, dat Lied van ’t Leven’

Peter Janzen en Frans Oerlemans
Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog!
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043222
€ 29,50
407 blz.

Vijf jaar na In dit gevreesd gemis (2012) van Bart Slijper verschijnt er weer een biografie van Willem Kloos, nu van de historicus Peter Janzen en de neerlandicus Frans Oerlemans. De ondertitel is een wanhoopskreet van Kloos in een brief (d.d. 20 oktober 1881) van hem aan Carel Vosmaer, waarin hij schrijft dat Jacques Perk zeer ziek is en waarin hij zich afvraagt of de dichter en zijn naaste familie dat wel beseffen: ‘Ik geloof echter dat de oudelui niet geheel weten, hoe erg het is, en hy zelf vermoedt er niets van. O God, waarom schynt de zon nog!’ (p. 63). De biografie opent met ‘Bij wijze van inleiding’. In kort bestek wordt Willem Kloos als psychiatrisch patiënt, alcoholist, armoedzaaier en ruziezoeker neergezet. De mistroostige foto van Kloos op de omslag, gemaakt door zijn financiële steun en toeverlaat Willem Witsen, bevestigt dit beeld. Ondanks deze problemen had Kloos vanaf 1885 een hoog aanzien in literaire kringen. Daar beschouwde men hem als een virtuoos dichter en een scherp criticus. Na deze korte inleiding is de toon van het boek gezet.

Structuur van het boek

De auteurs hebben deze biografie een heldere opbouw gegeven, wat de leesbaarheid bevordert. Daarbij bevat ze een schat aan authentiek fotomateriaal, dat hoofdzakelijk op de linker pagina’s is afgebeeld en deze pagina’s geheel vult. De foto’s ondersteunen de tekst en zijn met zorg geselecteerd. Het boek bevat niet alleen portretten van de dichter zelf, van familieleden en literaire vrienden, maar ook foto’s van locaties waar Kloos geweest is en van opmerkelijke documenten, zoals drukproeven, boekomslagen, brieven, schoolrapporten en kattenbelletjes. De korte hoofdstukken – elk hoofdstuk omvat een klein tijdvak van een of enkele jaren – zijn onderverdeeld in korte paragrafen met titels, die de kenner van het leven van Kloos direct kan plaatsen. Meestal is zo’n bovenschrift een naam van een persoon, een locatie of de titel van een gedicht. De lezer die voor het eerst kennismaakt met deze voorman van de Tachtigers, kan stapsgewijs de wereld van Kloos veroveren. De auteurs bouwen hun biografie zo zorgvuldig op dat voorkomen wordt dat de lezer naast allerlei feiten en wetenswaardigheden verstrikt raakt in Kloos’ wispelturige standpunten en opvattingen. In de leefwereld van Kloos werden vrienden gemakkelijk vijanden of anderen die hij bekritiseerde van het ene op het andere moment personen die hij bewonderde.

Natuurlijk is dit boek, dat op authentieke brieven, dagboeken en aantekeningen gebaseerd is, niet alleen een biografie van Kloos, maar omdat de auteurs aandacht hebben voor de literaire kringen waarin hij verkeerde, is het bovendien een kleine literatuurgeschiedenis van de Beweging van Tachtig. Met name de ontwikkeling van het tijdschrift De Nieuwe Gids en alle redactionele, literaire en financiële perikelen daaromheen krijgen een prominente plaats in het boek. 

Inhoudelijke aspecten

Beide biografen zijn voorzichtig met het koppelen van feiten uit het leven van Kloos aan de inhoud van de gedichten, zeker wanneer het gaat om Kloos’ wankele verliefdheden, zijn psychische en financiële problemen, zijn levensstijl en moeilijke karakter. Daarmee nemen ze afstand van te gemakkelijke interpretaties van Kloos’ poëzie vanuit zijn levensloop. In de loop van de vorige eeuw zijn heel wat van die dubieuze denkbeelden aan het papier toevertrouwd. Toch is deze biografie niet sturend, het boek biedt de lezer een open ruimte die daar in alle vrijheid mee aan de slag kan. Dat maakt het boek geschikt voor een breed publiek. Op rustige wijze, zonder het sensationele van de gebeurtenissen uit Kloos’ leven te accentueren, geven Janzen en Oerlemans de feiten aan de hand van bronteksten weer. Enkele voorbeelden. 

De ontmoeting van Kloos met Jacques Perk, hun reis naar de Ardennen en de hechte, maar kortdurende vriendschap die daaruit voortkomt, presenteren de auteurs aan de hand van reisbeschrijvingen en brieffragmenten. Het zijn met name de langere citaten die het boek een eigen sfeer geven. Je krijgt als lezer inzicht in de literaire wereld van de late negentiende eeuw, waar aan de ene kant tussen literatoren allerlei formele omgangsvormen gebezigd werden en aan de andere kant de kritiek van de schrijvers op elkaar niet mals was. De grens tussen het werk van een auteur en de persoon van de auteur zelf was soms flinterdun, maar bij Kloos leidde dat niet tot gewetensbezwaren om deze te overschrijden. Bijzonder blijft zijn schrijven aan Vosmaer na het condoleancebezoek aan de familie Perk d.d. 3 november 1881, waarin hij subtiel de uitgave van de gedichten van Perk naar zich toetrekt, hoewel de vriendschap met Perk verbroken was. Een fragment (p. 65):

Men spreekt erover zijn gedichten uit te geven. […] Die uitgave is altijd een van zijn pia vota geweest, die ik nu zoo gaarne als een laatste liefdesdienst, zou vervuld hebben. […] Hyzelf heeft zich over de zaak in het geheel niet geuit, maar ik weet, dat hij ze ’t liefste in mijn handen zou zien.

Uiteindelijk zijn er drie personen bij de uitgave betrokken. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘De dominee [de vader van Jacques Perk. HM] meende dat hij de zaak in handen van Vosmaer had gegeven, Vosmaer wilde de uitgave samenstellen met de hulp van Kloos, maar Kloos wilde eigenlijk alles alleen doen.’ Het is een korte, maar rake typering van deze egocentrische karaktertrek van Kloos.

‘Het Boek van Kind en God. Een Passie-spel’ dat de kern vormt van 29 gedichten en dat onder andere de breuk tussen de vriendschap van Kloos met Verwey als onderwerp heeft, komt uitvoerig aan bod. Enkele sonnetten uit de reeks zijn volledig in de biografie opgenomen. Terecht, ze behoren tot de mooiste die hij geschreven heeft, zeker het openingsgedicht ‘Kind en God’ en het afsluitende, bekende sonnet ‘Van de Zee’, dat niet diepgaand geanalyseerd wordt. Integendeel, een interpreterende ontleding blijft achterwege, gelukkig maar: ze zou niet passen in deze biografie. Wel mag je als lezer meedeinen op de golven van de alexandrijnen (p. 167):

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
      De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning, 
      Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.

De vriendschap tussen Kloos en Verwey ontaardt na de breuk in een manipulerende wraakoefening van Kloos. Dat roept bij mij vraag op of Kloos wel zuiver op de graat was. Aan de ene kant is de kwestie pikant, omdat de rijke en aantrekkelijke Kitty van Vloten, de geliefde van Albert Verwey, ook bemind werd door anderen uit literaire kringen, waaronder Willem Kloos zoals Van Deyssel in een brief aan Frans Erens beweert. Dat bevorderde de vriendschap tussen Kloos en Verwey niet. Aan de andere kant is de zaak geruchtmakend, omdat Kloos wil voorkomen dat Verwey het secretariaat van De Nieuwe Gids definitief overneemt – hij is er financieel afhankelijk van! – en daarom van zijn mederedacteuren eist dat ze zich uitspreken voor Verwey of voor hem. Het merendeel van de redactie kiest om uiteenlopende redenen voor Kloos. Ondertussen blijft deze doorgaan met de strijd tegen Verwey met als dieptepunt het volledig afbranden van de uitgave van zijn Verzamelde gedichten (1889) in De Nieuwe Gids. Volgens de auteurs heeft ongetwijfeld jaloezie een rol gespeeld bij Kloos’ meedogenloze kritiek op zijn vroegere protegé, omdat zijn eigen poëzie die tot dan toe in tijdschriften was verschenen nog steeds op bundeling wachtte. In 1889 verschenen er toch weer vier sonnetten van Verwey in De Nieuwe Gids, de kou leek uit de lucht, maar Verwey had de redactie van De Nieuwe Gids verlaten.  

De Nieuwe Gids heeft een bredere opzet dan alleen een literair tijdschrift. Er is bijvoorbeeld aandacht voor binnenlandse politieke ontwikkelingen. Frank van der Goes was betrokken bij socialistische beweging. Hij leverde geregeld politieke teksten voor het tijdschrift. Progressief-liberale standpunten als kiesrechtuitbreiding, de schoolstrijd en de grondwetsherziening waren actuele onderwerpen in de jaren 1885-1888. Het hoofdstuk ‘Politiek en literair rumoer 1890-1892’ laat zien dat deze biografie ook een tijdsbeeld geeft van de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw.

Het twaalfde hoofdstuk gaat over Kloos’ drankverslaving en de analyse van dr. Jelgersma, zijn voortdurende geldtekorten, zijn zelfmoordpoging, zijn opnames in het Wilhelmina gasthuis en later in een Utrechtse kliniek, waar hij elektrotherapie onderging. Tijdens zijn verblijf correspondeerde hij met auteur-arts-psychiater Frederik van Eeden, die hem bezocht en later in zijn huis in Bussum opnam. Het laatste gedeelte van de biografie gaat in zijn verliefdheid op de jonge Lucie Broedelet, zijn Haagse jaren (1898-1900) en de moeizame instandhouding van De Nieuwe Gids in de periode 1900-1938. Bij de ontvangst van een hoge Belgische onderscheiding, had hij blijkbaar de behoefte het beeld dat velen van hem hadden in zijn dankwoord bij te stellen (p. 330-331):

‘Mijn heele leven heb ik moeten hooren dat ik niet werk en dat ik altijd maar wat deed, in plaats van mijn best te doen. En toch staan de feiten zóó […]: ik heb meer geschreven, en zelfs meer boeken in het licht gezonden dan allen, die zoo spraken of schreven. Maar toch zei men vroeger maar aldoor dat ik luierde, en mijn genoegen op andere wijze zocht.’

Het zestiende en laatste hoofdstuk ‘God-op-aard’ geeft een overzicht met boeiende citaten van de blijken van waardering en de kritiek die Kloos aan het einde van zijn leven ontving. Zijn zeventigste verjaardag in 1929 staat daarin centraal. Met de paragraaf ‘De laatste dag van maart’ – 31 maart 1938 is zijn sterfdag – eindigt deze levensbeschrijving van Willem Kloos.

Tot slot

In het ‘Nawoord’ wijzen de auteurs erop dat men op grond van allerlei bronnen gemakkelijk verleid kan worden ‘tot smakelijke uitspraken over zijn exuberante gedrag’. Ze vermelden dat Kloos door zijn generatiegenoten gezien werd als ‘de grootste dichter van zijn tijd’. Dit ‘Nawoord’ is een fraaie samenvatting van zijn gecompliceerde persoonlijkheid en zijn stroeve omgang met vrienden en schrijvers. De auteurs benoemen zijn problematiek op moderne wijze: het ‘borderlinesyndroom’. In het tweede gedeelte van het ‘Nawoord’ gaan zij in op Kloos’ seksuele geaardheid, zijn moeizame relaties met zijn ‘verloofdes’ en zijn ‘vermeende ongelukkige jeugd’. Als lezer kun je ook goed eerst dit nawoord lezen en dan vooraan in het boek beginnen, het ‘Nawoord’ fungeert dan als leidraad. Willem Kloos [1859-1938] O God, waarom schynt de zon nog! is een rijke, geslaagde biografie van een dichter-criticus, die een bewogen leven leed, richting gaf aan de ontwikkeling van de letteren, een aantal prachtige gedichten schreef en uiteindelijk aan het eind van zijn leven alom gewaardeerd werd. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: hij werd ‘als een ‘dichter des vaderlands’ avant la lettre op het schild gehesen en met ridderorders omhangen. Zijn status was legendarisch.’ (p. 344)

***
De auteurs Peter Janzen (historicus ) en Frans Oerlemans (neerlandicus) zijn in 2013 beiden bij Marita Mathijsen (UvA) gepromoveerd op het proefschrift De Amsterdamse jaren van Willem Kloos. Beiden hebben een deel van het leven en werk van Kloos onderzocht, Peter Janzen de jaren 1859-1888, Frans Oerlemans de periode 1888-1900. In de vorm van artikelen is veel van het onderzoeksmateriaal vanaf 1998 gepubliceerd in het tijdschrift De Parelduiker. Janzen en Frans Oerlemans schreven ook het nawoord bij de heruitgave van Kloos’ Verzen (Uitgeverij Vantilt 2017), die gelijktijdig met deze biografie verscheen.

Gedichten

door Jordi Lammers (1996)
Jordi Lammers is een twintigjarige dichter en schrijver uit Nijmegen. In 2015 was hij de campusdichter van de Radboud Universiteit. Sindsdien heeft hij op verschillende podia voorgedragen. Zijn gedichten en verhalen verschenen onder andere in Meander, De Optimist, Op Ruwe Planken en De Revisor.
 

zo bloot

dit blijft er over
als je steeds verder doorloopt
een stille stad, duizend lichtjes in de verte

lagen we ooit zo bloot op de bergtop?

misschien ligt het aan je navel
aan mijn oor op je buik
maar ik hoor kleine

eenzame geheimen
in je rondzwemmen
vissen die nog niet ontdekt zijn

ik sluit mijn ogen, duik naar de bodem
van je lichaam, naar een diepzee
in een vissenkom

we hadden het bed
nooit naar boven hoeven dragen

hoe noemen we dit lichaam

we gooiden onze namen in het dal en hoopten
dat het dal iets mooiers terug zou gooien

maar er kwam niets

we stopten bij een bergmeer, keken
elkaar oog in oog uit elkaars kleren
hingen onze spullen aan een tak en lieten
ons langzaam in het water zakken

je dreef op je rug alsof het water het gewicht uit je lichaam had gezogen

pas toen ik mijn vinger
aan een rotspunt opensneed
steeg uit de vallei een koor op
begon het uit volle borst onze naam te zingen

onze naam
zoals we die nooit
eerder hadden gehoord

Vaste vormen

Als ik mijn handen rond je middel leg
kruipt er in plaats van een vlinder
een bij uit je navel.

We zoeken altijd naar dingen
die ons bang maken. We zingen
wilde dieren naar de tent. Drukken de
angel dieper en dieper in de huid.

Het liefst breken we de blauwe
lucht met onze woorden open

knippen we onszelf
tot vaste vormen
figuren die voor eeuwig
en eeuwig in verhalen wonen.

Tot dan geven we de bijen
vrij spel op onze polsen
wachten we op onverwachte
zwarte wolken in de zomer.

Met dit gedicht haalde Jordi een gedeelde derde/vierde plaats in de tweede ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.