Recensie van Nachtefteling - Martijn Benders

Prachtige rompslomp van woorden

Martijn Benders
Nachtefteling
Uitgever: Van Gennep
2017
ISBN 9789461648082
€ 17,90
86 blz.

De Efteling in volslagen duister, als de vele bezoekers huiswaarts zijn gekeerd en niemand meer in de rij staat. Is dat de Nachtefteling, of is het meer een heel ander soort pretpark waar duistere sprookjes de inspiratie zijn geweest? Maar zijn de bestaande sprookjes niet al duister genoeg? In de brief die de bundel afsluit, geschreven door ‘Martinus’ Benders op Camping ‘De Zwarte Bergen’, lezen we over de ambitie om een Nachtefteling te starten en rendabel te maken: ‘Nacht na dag na nacht zat ik te peinzen over hoe ik deze Nachtefteling zou gaan scheppen, en hoe ik er alle dichters van Nederland een baan in zou verschaffen. (…) Een plek waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt, hier ga ik hem bouwen, hier in De Zwarte Bergen. En deze bundel dient u dan maar te beschouwen als een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking, als een eerste, kleine verkenning.’

Hij is er weer, de dichter/grappenmaker, waarbij je niet goed weet wat ernst is en wat een grap. Albert Hagenaars beschreef in een recensie over Martijn Benders’ bundel Lippenspook de dichter als: ‘nar en jongleur ineen’. Dat is een gevaarlijk compliment. Nar en jongleur. Clown én acrobaat. Zowel Bassie als Adriaan. Tijdens het Tuinfeest in Deventer zag ik Benders optreden met naast hem een lange man in een regenjas die op gezette tijden iets in de microfoon mocht roepen. Het leek op VPRO-kindertelevisie in zijn beste jaren, maar het boeide mij niet, en ook niet toen er werd overgeschakeld naar het zingen van simpele kreten. Benders zoekt het experiment, de absurde vorm, maar ik haakte af omdat het voor mij te ver af staat van de essentie van poëzie, zoals Benders dat in de brief zelf aanduidt: ‘Je buiten de tijd zetten, een fractie van een seconde maar.’ Die gekkigheid trekt je heel hard de tijd in.

Clown en acrobaat. Hier schuilt gevaar voor de dichter: zoveel aandacht voor de humor in zijn werk en zijn uitzonderlijke taalvaardigheden is vooral aandacht voor de vorm. Maar veel vorm verstopt de inhoud en verhult ook het gebrek aan inhoud. Dat gevaar heeft Benders kunstig afgewend in Nachtefteling. De nieuwe bundel is allesbehalve een ‘nietszeggende voorbode’, er zit veel inhoud en gelaagdheid in de gedichten.

De bundel bestaat uit drie onderdelen: NOKS, ELPH en TOELINK. Het eerste deel bestaat uit 16 gedichten die onderling samenhang vertonen, het tweede deel is één groot gedicht en het laatste bevat 20 uiteenlopende gedichten die als een soort toegift zijn toegevoegd.

ELPH is te lezen als een zwarte variant op Gorters Mei, en is daarmee de hoofdattractie van de Nachtefteling. Er is sprake van een monster dat door een piepklein gaatje naar buiten kan kijken, waarna we een uitvoerige beschrijving krijgen van wat het allemaal niet kan zien. Lieflijke beschrijvingen van de natuur met subtiele verwijzingen naar dood en oorlog: ‘de pierlala van de wind’, de ‘torpedojager van een gele narcis’. De verwijzing naar Gorter is expliciet: ‘Het gortert door de eeuwige goot, waar dit gedicht opgekrast staat.’ Maar in die eeuwige goot treffen we ook Guido Gezelle ‘op het nulleke van de horizon’, ‘op het noerke van de horizon’ en Paul van Ostaijen als wolkenformaties worden getekend met het woord ‘wolk’. En dan aan het slot zijn we terug bij het monster:

(…)

Maar niets ziet monster 
door dit piepkleine gaatje, 
door het vizier Gods, 
de hemel niet en niet het nulleke van de zee. 
Het ziet alleen jou. En mij. 
En het heeft tijd noch kogels meer.

Heb meelij met ons, Lieve Heer.

Dat is toch wel een belevenis waar je de lange wachttijden in de Nachtefteling voor wil trotseren? En als je de ervaring wil herbeleven, ga je gewoon nog een keer, gewoon weer achteraan sluiten.

Waarin schuilt dat veelgeprezen jongleerwerk van Martijn Benders? Benders (nomen est omen) buigt betekenissen zo dat woorden opeens meer betekenen, er komen veel nieuwe woorden in zijn gedichten, maar dat lijken hele gewone, heel vaak gebruikte woorden. Wat te denken van lieden die ‘ogelen naar wiffels’. Je voelt meteen aan dat er een penetrante stank om dat soort types hangt. In het gedicht ‘Wicht’ denk je even dat de titel verwijst naar een jong onschuldig meisje en misschien doet het dat ook, maar misschien ook weer niet of misschien is het een homoniem. Het werkwoord ‘wichten’ heeft vast verwantschap met wegen, wachten, wiegen en het voelt net zo vertrouwd als ‘dorven’ aan het graf.

Wicht

Argwanend knispert grint onder haar voeten, 
Wanneer zij het graf van haar vader bezoekt.

Ze heeft een goudgele orchidee en in haar sproeten 
tekent zich een ander gezicht, dat alleen hem is.

Zo dorven zich de dochters aan onze graven, vaders. 
Alle verlokking bedacht in het wilde steen.

De ogenblikken graven in, op de bottenradar 
wicht het goudgeel licht zijn orchidee.

En zo staan we even een paar seconden buiten de tijd. Door de nauwkeurig geregisseerde ‘rompslomp van woorden’ die ons verblijf zeer aangenaam maakt in Martijn Benders’ Nachtefteling zoals het door de dichter ontworpen omslag het presenteert. Nergens de neiging om de bundel in de mond van Holle Bolle Gijs te mikken. Als dit de voorbode is, ben ik erg benieuwd hoe het poëziepretpark zelf uitpakt.

***
Martijn Benders (1971) debuteerde in 2008 met de bundel Karavanseria, die genomi­neerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.  Nachtefteling is zijn zevende bundel.

Recensie van Zonder is het licht niet zacht genoeg - Sven Cooremans

Dat moeders van oudsher de hoeders van de feiten zijn

Sven Cooremans
Zonder is het licht niet zacht genoeg
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339294
€ 16,00
48 blz.

Geen poëziebundel meer uitnodigend dan deze: een intrigerende titel, een met die titel corresponderende geheimzinnige omslag  en dit openingsgedicht:

Voornemen

In een kamer met bladgrond
en takjes die zorgen voor klimgelegenheid

zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen

en na weken van uitharden en op kleur komen
zal ik mijn vleugels ontvouwen

vleugels die ik nodig heb

om mezelf, ik noem maar iets
uit te drukken in het voornemen

om u te woord te staan

Goed, het opvallende en prachtige synoniem ‘bladgrond’ ( van ‘teelaarde’), naar mijn weten door Gust Gils bedacht en tevens de titel van de laatste bundel van Roland Jooris, kan een beetje pikkerig overkomen, maar daar staat tegenover: ‘zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen // (…) om mezelf, ik noem maar iets / uit te drukken in het voornemen // om u te woord te staan’.
Subtiele zelfspot en veelbelovend.

De Vlaamse schrijver ervan, Sven Cooremans (1970), is psycholoog en leadzanger van de rockband Ludo. Verhalen en gedichten van hem verschenen in onder andere De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2003 debuteerde hij met Myeline, welke bundel hier eerder werd besproken door Yves Joris.
Hij is als bestuurslid van PEN Vlaanderen verantwoordelijk voor het ‘Writers in Prison Committee’.

Gaan wij verder met het gedicht ‘Sisyphus’, waarmee hij in 2014 de tweede prijs won in de prestigieuze Turing Gedichtenwedstrijd.
Het is geschreven naar de uitzichtloosheid van de arbeid van Sisyphus in de gelijknamige mythe waar vele dichters zich door lieten en laten inspireren. Het verplicht verrichten van deze arbeid als straf voor het tarten van de goden; alsof de mens met zijn handelen de wereld zou kunnen bestieren, de hoogmoed! De wereld gaat aan vlijt ten onder, we weten het, maar het lukt maar niet daarnaar te leven; de vrije wil, wat is dat, bestaat er wel zoiets als een vrije wil?
Cooremans  speelt het klaar in enkele regels over blauwzwarte mestkevers die zich op de sterren verlaten en via zijn winkelwagentje met koppige wieltjes duidelijk te maken dat deze vraag ‘berust in de aard van de beperkingen’. Knap.

Wordt dit niveau voortgezet in de bundel? Ik vind van niet, vooral in een aantal gedichten direct hierna is het aanzienlijk minder. Het derde gedicht, een cyclus met de titel ‘Een moeilijke oefening’ maakt die titel meer dan waar; er staan regels in die niet alleen hoogdravend zijn maar ook eerder strompelen dan lopen: ‘(…) zitten we met opgerolde handdoeken / onder de hielen van onze rusteloosheid (…)’ en ‘(…) vertwijfeld  liggen ze op het malste gras van matten / onze oren in de stilte van het zachte verhemelte / te luisteren te leggen’.
En zo gaat het nog een gedicht of zeven door. Cooremans  wil hierin in vaak losse regels te veel zeggen, regels die te weinig samenhang hebben waardoor het geheel loszanderig en cryptisch wordt: ‘uiteindelijk duurt niets en slaap is belangrijk // ook de mooie dagen noch de stem bij vorst van moeder niet: // ze verzwijgt ons het voordeel dat niet opweegt – sneeuwgericht / zou zonder plastic minder op onze winterharde zieltjes drukken (…)’ uit ‘Voorleesuur voor wintergroenten’. En uit ‘Hoe gordijnen hangen’: ‘hoe gordijnen hangen: rakelings, zo // dat het bijna raakt // hoe de gele hoogklank, hoe de buitenwereld: // op veilige afstand van onze binnenzee // drijft de middagzon onze kamer (de ogen geloken) // voorbij, schuiven lijven als gemoederen / naar de oude binnenstad (…)’.

Na deze inzinking stuit ik in de tweede deel van de bundel op afwisselend boeiende en minder geslaagde  gedichten, de eerste vaak met  verrassende wendingen en geestige regels als ‘(…) ook voor watergebruikers die kranten lezen / is water een bestaansvoorwaarde // en in iedere krant zit wel een kikker’. ( Uit: ‘De kikker in kwestie’).

Tot slot een vers dat door eenvoud en balans de vergelijking met de twee eerstgenoemde gedichten in deze recensie  kan doorstaan:

Logisch positivisme

denken aan niets dan waarneembare geiten

en jerrycans: ritmisch klotsend
vullen ze zich met het ondergrondse

en moeders: ritmisch zingend over het geloof
in de vooruitgang van de mensheid

tot de drinkbak van modder water bevat
en ze met hun ruige ruggen staan te drinken

en weten dat moeders van oudsher
de hoeders van de feiten zijn

Al met al een bundel met pareltjes, mindere gedichten en te ambitieuze verzen die ik respectievelijk met bewondering, fronsend en hoofdschuddend  heb gelezen.
Het leek het leven zelf wel.

Poëzie Kort 2017 / 6

 

Jan M. Meier, Engelenspoor

(Door Lennert Ras)

Engelenspoor leest als een liedtekst en is uitermate zangerig. Komt dat omdat het jambisch geschreven is? Maar dat is niet zo. Er is gemis. Gemis van een zoon. Alhoewel de engel ergens ook vrouwelijke vormen krijgt. De bundel begint zacht mijmerend. Zeer poëtisch. Het verdriet over de heengegane. Dan krijgt de dood hardere vormen. Een geraamte. Stinkend rottend vlees. Karkas. Zelfs het woord dood, toch een zeer groot woord, dat eigenlijk niet in poëzie thuis hoort, wordt verschillende keren gebruikt, zonder dat het storend is. Er is een gang tussen bed en bank, een zwijgen, groot lijden, en een alsmaar sigaretten roken, wat doet denken aan het leven van een psychiatrisch patiënt. Maar dat wordt nergens benoemd. De slotafdeling ‘Engelenspoor’, die voor de titel zorg droeg, is een kakofonie van engelen. Bolle wangen van cherubijntjes, reuzenbaby’s. Er is zelfs sprake van een bouwpakket-engel. Hetgeen een dissonant is, maar ook weer een prachtige vondst. De dood is de spil en het grote thema. De bundel eindigt met: ‘de winter komt altijd / te zacht en te laat.’ Zo is het timbre en ritme van de bundel. Zacht. Een megazwaar onderwerp. Dood, verlies. Maar o zo zacht neergeschreven. Waarom te laat? Had de achtergeblevene minder lijden gewenst voor de geliefde dode .. een eerdere dood gewild? ‘De laatste adem ingebed / tussen zang en zucht’. Dat typeert de hele bundel. Zang en zucht. Van een zeer bekorende schoonheid. De schoonheid van het verlies en de grillige dood van ‘een engel zo / waar.’  ‘inleverdatum onbekend / draag ik de dood in / een doosje in mijn hoofd / tot het tijd wordt om / in de doos te verdwijnen.’

(contrapunt) onthande handleiding

dingen bedwingen
de duivel temmen
engelen ontstoffelijken
de slager slachten

dat alles en meer gevat
in het vlak van een rechthoek
het podium van een tafel
een hakblok van lieflijk lijden

de haak als wrede kapstok
uithangbord
van karkas tot worst
lichaam tot lijk

vorstelijk verpakt in kaalheid

***
Jan M. Meier (2017). Engelenspoor. Uitgeverij P, 72 blz. € 17,00

 

Jack Weijkamp & Lucy Legeland, Nieuwkijken   

(Door Hans Puper)

Het aantal stads-, dorps- en streekdichters is zo langzamerhand niet meer te tellen. De Achterhoek heeft ook een: ‘De dichter des Achterhoeks’, een functie die in 2013 het leven geroepen is door de regioredactie van het dagblad De Gelderlander. Helaas staat de dichter met die oubollige titel meteen op achterstand. ‘Des Achterhoeks’: het klinkt niet. ‘Dichter des vaderlands’ wel, omdat het een allusie is op ‘Vader des vaderlands’, de eretitel van Willem van Oranje. Maar stel dat je zou zeggen: ‘Dichter des Nederlands’. Dat is grammaticaal correct, net als ‘des Achterhoeks’, maar serieus kun je zulke nieuwbakken archaïsmen niet nemen – ik niet, in ieder geval. Waarom niet gewoon ‘Dichter van de Achterhoek’?  Dat past ook beter bij de manier waarop veel Achterhoekers zich profileren: ‘Doe normaal’.

Het huidige Achterhoekse dichterschap is tweekoppig: Jack Weijkamp en Lucy Legeland. Een weerslag van hun werk vinden we in de bundel Nieuwkijken. Gelukkig schrijven zij geen gelegenheidsgedichten over jubilea van fanfares, de honderdste verjaardag van oma Klein Heuvelink of de fluisterbootjes in Zutphen. ‘Hoezo geruzie in gemeenteraden of verbreding van de Twenteroute?’ schrijft Gerco Mons van De Gelderlander. ‘Niet interessant, laten we het over het leven hebben.’ Hij werd niet teleurgesteld: ‘Een gang door dit boekje vol kunstwerkjes is […] een feest der herkenning geworden.’ De robuuste derde strofe uit ‘Afspraak is afspraak’ gaat over een oud, maar nog springlevend Achterhoeks gebruik:

niets deed vermoeden
dat vandaag
donderdag 13 december
exact om 13.00 uur
ik aanbel
zwijgzaam meeloop
naar de waskamer
om jou daar
resoluut achterlangs
lief te hebben
met jouw neus
zoals afgesproken
in de schone was

Bij dat leven horen ook wandelingen, herinneringen, het ophalen van historische gebeurtenissen en bezorgdheid over de leegloop van de Achterhoek, met als voor de hand liggende remedie de liefde: ‘kruip in bed / om de krimp te weren’. Of dat helpt is de vraag. In de derde strofe van het liefdevolle ‘In memoriam Wim Brands’ schrijven zij: ‘jij begreep het Oosten / daarom ben je er weggegaan / omdat je van haar hield / keerde je er vaak terug.’ Wim Brands kwam overigens uit Brummen en dat ligt aan de verkeerde kant van de IJssel. Geeft niet, de dichters zijn ruimhartig: zij rekenen ook De Liemers tot de Achterhoek.

***
Jack Weijkamp en Lucy Legeland (2017). Nieuwkijken. Uitgeverij Fagus, 63 blz. € 12,50

 

Lianne Maring, Op de rand van mijn gedachten      

(Door Hans Puper)

Op de rand van mijn gedachten is het debuut van Lianne Maring (1996). Ze lijkt nog zoekende te zijn naar de vorm: ze experimenteert met herhalingen, parallellieën, rijm en, opmerkelijk, de taal: een derde van de gedichten schreef ze in het Engels. Het sterkst vind ik haar in spreektaal, die ze als stijlmiddel gebruikt: ‘Hij dacht misschien dat hij het was vergeten / hoe het was, of nee: hoe het voelde / of nee: hoe het moest.’ Het woordje ‘het’ in de eerste regel versterkt de indruk van spreektaal (in schrijftaal zou je het waarschijnlijk weglaten, omdat het overbodig is) en datzelfde geldt voor de zelfcorrecties, ingeleid door ‘of nee’. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat het om gestileerde spreektaal gaat. In ‘Naar huis’, dat in mijn ogen het beste gedicht van de bundel is, zie je dat heel goed. Met dit middel bereikt Lianne Maring een maximaal effect.

Heb je het een beetje kunnen verliezen, de weg
bedoel ik,
dat is nog een hele uitdaging, is het niet
De weg vinden, dat is niet zo moeilijk, je klampt
als een anemoon
een voorbijganger aan
en zegt: pardon, excuus, ik ben de weg verloren
en ze wijzen je met vriendelijke vingers tot je hem
weer vindt

Maar de weg verliezen. Dat is me toch wat.
De weg zo hartgrondig, hartstochtelijk verliezen
alsof je met je ogen dicht hebt gelopen, en dan nog
ergens staan en zeggen: mooi. Ik ben ‘m kwijt.
Daar zijn we vanaf.
Alle wegen leiden immers naar huis, juist
als je daar niet wilt zijn.

Door de luchtige conversatietoon komen de laatste twee regels onverwacht hard aan.

Het merendeel van de gedichten gaat over voorbije of onbereikbare liefdes; bestaande relaties verlopen moeizaam. Niet alle gedichten zijn even goed gelukt; soms ligt de Weltschmerz er wel erg dik bovenop en is de vorm weinig aantrekkelijk. Dat geldt niet voor het Engelse gedicht ‘Old Flame’, alleen al door de humoristische titel, de licht ironische toon en de schijnbaar laconieke wending na de eerste strofe:

The sky’s on fire and it does nothing for me, dear
Not when you’re so far away from here,
from me, and I miss you so desperately,
wondering who got your new years kiss; it
should’ve been me,
but then again, why should we-

-nevermind. There’s colours falling down as I’m
drowning in champagne
and required happiness and dreams, it rains,

It rains and rains in sparks and rainbows and in pain.

Ik hoop meer van Lianne Maring te lezen.

***
Lianne Maring (2017). Op de rand van mijn gedachten. Eigenzinnig, 40 blz. € 14,99

Gedichten

door Gert Vanlerberghe (1986)

Dichter Gert Vanlerberghe (1986) staat al vijf jaar lang op menig podium in de Lage Landen. Bij de muzikale projecten Hersencellen, Veelvraat en Koala gaan poëzie en muziek hand in hand. Naast zijn romans, zoals Nachtprater (2017), schreef hij ook het theaterstuk Gifkind voor Studio Bernadette. Gert organiseert het Antwerpse podium Ballonnenvrees, en presenteerde de Poëziebus 2017. In januari 2018 staat hij in de halve finale van het NK poetry slam.

 

Hades

Gradaties van verveling
lopen lukraak over straat.
Hoe lang nog voor
een eerste blijk van leven
in comateuze ogen.
Hoe lang nog dolen
in deze krimpende biotoop.
Het water dient ververst,
de groeven gladgestreken.
Een simulatie van een simulatie,
het dagelijkse decor
waar onze passies beteugeld,
                      onze lusten genormaliseerd,
                                onze fetisjen gedemoniseerd.

Ze ziet een grote witte hengst in de gang,
en hij spookt als een demon achter het behang.
Een uil woont in zijn romp,
zijn ribbenkast een kooi.
Weefsel houdt hem op zijn plaats,
onderhuids zeewier in plaats van veren.
Hou hem tegen. Hij haalt het bloed
en de clous onder onze nagels vandaan.
Hij huilt naar een kazige maan
en verloochent elk bestaan
dat leugenaars bijeen hebben geschraapt.
Maakt dat hem zuiver op de graat?
We moeten wandelen met dinosaurussen
en zwemmen met de leviathan.
We zijn strijders zonder maagden,
we spijzen zonder magen,
vergrijzen in een kamer
waar de tijd ons vastgenageld.
Leven op de pof,
beven met de knieën in het stof,
streven naar een alomvattend
schema als een kader voor de regels
bij elkaar gefantaseerd
door een fantast die beweert
dat hij het leven heeft verbeterd.

Maar wij, wij vliegen in de drank,
de toog staat ermee blank.
We zwelgen in de nacht
tot onze lever het begeeft.
En elke morgen landt
een arend op onze vensterbank,
plukverse lever in de snavel.
Wij zijn een omgekeerde Prometheus.
Elke ochtend hees van de beloften
die we prevelen tegen ons spiegelbeeld.
We keilen rotsen naar beneden,
geraken van onze wijn niet af.
Een keelgat als een metrotunnel,
dát is onze straf.
En het vat is nooit af.

Stille kreten

Hier houdt zelfs de angst haar adem in.
De straten geplaveid met hun eigen sterftecijfers.
De stad schaamt zich een vooroorlogs gehucht.
Geen levende ziel hier tussen muren die krimpen.
Niemand lijkt thuis, ook niet op straat.
Een afwezigheid met de geldingsdrang van een bonzend hart,
de contouren van waar net nog een lijk lag.
Pendeldienst naar het kerkhof, waar kraaien
krijtlijntjes in onze ziel krassen. Adem stokt empathisch,
solidair met het magnetisch veld van afgesneden
praatjes onder onze voeten. Al die open eindes,
daar waar het leven zich er rap vanaf heeft gemaakt.
Half afgewerkte verhalen liggen hier voor het opgraven.
Propjes van levens die nooit nog gladgestreken
maar prominent een plek in de prullenmand innemen.
Ronde stenen van betekenis die langzaam eroderen.
Zolang wij ze vergeten zal dit fenomeen enkel toenemen.
Gekiste stille kreten.

Berichtgeving

Sommige waarheden komen van zo
diep dat je ze enkel kunt hoesten.
Ver vanuit de bast, de holle put betraliest
door ribben die bij de minste trilling breken.
Dit is geen hart dat gelucht, dit is de ziel uitkotsen,
dossiers en blauwdrukken, levenslopen verbonden
door aders en draden, convergerende verhalen.

Geef me een lepel en ik schraap de nuance van het
achterste van mijn tong, daar waar smaak zich niet waagt,
en katapulteer het in uw verbijsterde gezichten.
Zit er nog iets tussen mijn tanden?
Heb ik iets van u aan of heb ik mezelf
zonet zomaar even averechts gebraakt?
Zit mijn façade nu diep in mij verscholen, en kan enkel
een zielenknijper tot bij mijn uiterlijke schijn?

Een flinke hoestbui en alweer wat betekenis gelekt.
Als klokkenluider reis ik naar het middelpunt
van de waarheid, tot aan de nek in de lava,
een strijd tegen draken, met de hoop om af te varen
in de bloedsomloop, flarden op pad naar het brein,
van een taal die verdwijnt, een schimmenspel
van visies en kanten en water en wijn.

De dronken dans relativeert zichzelf te pletter
in het aanzien van twijfels die knagen en vreten en bijten,
een waarheid met diplomatie besmet, te beleefd en te bedeesd
om de straten met kraters te slaan, een wereld die beeft
op haar grondvesten, ontdaan van verklaringen, onwetend,
in de war, met gewiste hersenlagen, als na een coma.

Nee, niets daarvan. De diepgewortelde leugen
heeft zich goed ingedekt, tot in het beenmerg verzekerd
tegen doofpotten die overkoken, rook waar ook vuur is,
complotten die ontpoppen tot feiten. Zot zijn doet geen zeer.
Maar nog zo’n hoestbui en je wordt gehospitaliseerd.
Dingen zien die er niet zijn, daar hebben ze pilletjes tegen.

Gedichten

door Pom Wolff (1953)

In de Windroosreeks van uitgeverij Holland verscheen in 2005 het debuut van Pom Wolff (1953): je bent erg mens.  In 2006 gaf uitgeverij Holland zijn tweede bundel  toen je stilte stuurde uit. In 2014 verscheen zijn derde bundel bij Uitgeverij Douane: een vrouw schrijft een jongen.
Zijn poëziesite www.pomgedichten.nl is wereldberoemd in Nederland en Vlaanderen.
Simon Vinkenoog over het werk van Pom Wolff: “Hij verschaft illusieloos inzicht in de werkelijkheid”.

 

alsof

het is alsof ze is opgestaan
haar stenen bed verlaten heeft
mijn kant is uitgegaan
niet om iets te zeggen
ze wilde bij me zijn
dat wilde ze
ik hoefde niets

maar zo was het niet

niet dat ik nog iets hoorde
of iemand anders zag
er vlogen roze vogels in het rond
in mijn hoofd bedoel ik
waren we al ver  
van iedereen en alles
en het was wat het ook wilde

maar zo was het niet

niet meer

je bereidt je voor op
waar het donker zal zijn
niet eens meer dat

waar niets meer wordt
belicht – niets meer wordt
bedacht

je laatste kerst
niemand die het zegt

herinnering

ik weet je tuin nog
met een heg tegen de buren
het plastic tafeltje
voor als het weer op frankrijk lijkt

weet van de dagen
die achteloos voorbij gingen
oplosten in diezelfde achteloosheid
waarin ook wij bestonden

in de mooiste woorden
die te vinden zijn
ze had ze graag gelezen
ze wist dat hij ze schrijven zou