(3) Beeldspraak

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
 


Deel 3

Een poëtische tekst is geen gewone tekst. De lezer weet dat, de toehoorder weet dat en ook de dichter weet dat. Verwacht daarom geen boodschappenlijstjes, geen boterbriefjes, geen handleiding over het gebruik van een grasmaaier, geen journalistieke nieuwsberichten en geen uitgebreide essays over de toestand in de wereld. En als dat wel het geval is, dan is het een poëtisch boodschappenlijstje, een poëtisch boterbriefje, een poëtische etc. Een gedicht is een bijzondere vorm van communicatie. De lezer weet dat, de toehoorder weet dat en ook de dichter weet dat. Iedere poëtische tekst vormt een afzonderlijk pact met de dichter en de luisteraar en op zijn eigen voorwaarden. De lezer stelt zoveel mogelijk zijn eigen oordeel uit en opent zich voor de wereld van het gedicht.
Of niet natuurlijk, want niet iedereen heeft behoefte aan zo’n verbond. Niet iedereen kan zich erin vinden. De poëzie heeft – en soms met recht – de naam moeilijk te zijn.

Anders dan een gewone tekst benut een poëtische tekst bepaalde effecten van de taal om een ‘poëtisch effect’ te creëren. Een van de meest basale poëtische elementen die een lezer in een tekst tegen kan komen, is de beeldspraak; in de volksmond kortweg ‘metafoor’ genoemd. In het woord zelf zit al een fraaie tegenstelling, zoals zoveel in de poëzie zich in louter tegenstellingen laat uitdrukken: beeld versus spraak; de waarnemingen van het oog en van het oor. Synesthesie heet dit, verwarring van de zintuigen. Kun je met woorden iemands ogen binnendringen? Schijnbaar wel. Waarom anders zouden we een ‘beeldspraak’ hebben, en waarom anders zou deze zo mateloos populair zijn?

De term ‘metafoor’ of ‘symbool’ laat zich het gemakkelijkst omschrijven als een beeld dat representant is voor een abstract begrip. Zo kan de roos representant zijn voor het abstracte begrip liefde: "mijn liefde is als een roos". En in zekere zin is ieder gedicht op zich weer een metafoor, omdat iedere tekst niet naar zichzelf verwijst maar naar iets anders. Vergelijk het wellicht met de paradox van het woordenboek: de uitleg van ieder woord verwijst constant naar andere woorden in datzelfde woordenboek.

De basis van iedere beeldspraak is de als-vergelijking, zoals ons voorbeeld zo mooi laat zien. Hiermee wordt de lezer de mogelijkheid geboden om het actuele, het werkelijke, te verlaten en af te reizen naar het poëtische oord van het mogelijke. Mits de lezer de impliciete uitnodiging van de ‘als’ aanvaardt. Dan doet de verbeelding haar intrede. Tussen het scherm van de harde realiteit door, sijpelen de dagdromen, de fictionaliteit. Het is alsof het werkelijke louter een toneelstuk of een film blijkt te zijn, die door de lezer naar believen geïnterpreteerd en wellicht ook ge-edit kan worden.

Binnen een gedicht gaan de beelden vervolgens een gesprek met elkaar aan. Ieder volgend beeld versterkt, verzwakt of vervormt het voorafgaande. Binnen een tekst ontstaat zo een zang van beelden die het gedicht mede coherentie verleent en en passant poogt de lezer te verleiden. Om inzicht te verkrijgen in zulke samenzangen is het mogelijk om een beeldenreeks te verzamelen onder een of meerdere paradigma’s. Dit zijn reeksen woorden die ongeveer dezelfde betekenis dragen. Zo zou daar voor ons voorbeeld bij kunnen komen: roos, minnaar, liefde, bed, huwelijk, etc.
Enerzijds versterkt zo’n reeks de coherentie in een gedicht; we beginnen steeds beter te begrijpen waar het in het gedicht om gaat. Anderzijds zorgen de beelden ervoor dat er door hun onderlinge correspondentie een meerwaarde ontstaat. De roos blijkt bestendig te zijn, de minnaar vastberaden, de liefde geconsumeerd.

In veel moderne beeldspraken is de één-op-één relatie losgelaten. Hedendaagse dichters redeneren vaak dat zij de interpretatie van hun gedichten niet aan de lezer op willen dringen. Zij kunnen wel extra betekenissen in een tekst hebben aangebracht, met bestaande symbolen spelen, of er kunnen gecompliceerde intenties aan ten grondslag liggen. Zij laten het echter aan de lezer over om eruit te halen wat hij of zij wil en wellicht ook zoekt. Op het gevaar af dat de dichter ‘niet begrepen’ wordt in zijn werk, bijvoorbeeld omdat hij te solistisch of te hermetisch bezig is geweest.
Op de achtergrond van deze moderne omgang met de beeldspraak speelt de invloed van het postmodernisme. Door het postmodernisme wordt gemorreld aan de onveranderlijke waarheden die zulke abstracte begrippen plachten uit te drukken. Er wordt gesteld of er wel zoiets bestaat als de ‘archetypische liefde’. En er wordt afgevraagd tot op welke hoogte wij kennis kunnen hebben van zo’n archetype. Kortom, de relatie tussen beeld en begrip wordt erin geproblematiseerd. Voor de dichter niet het ideale klimaat om een eenduidige metafoor na te streven. Nog los van de logische vraag of de moderne lezer nog wel zou willen geloven in een eenduidige metafoor in de tekst.

De moderne beeldspraak is dus complex. Men laat de beelden voor zichzelf spreken en is niet meer op zoek naar de achterliggende, altijd geldende begrippen. In het verlengde hiervan wordt ook eenduidige coherentie binnen een gedicht niet meer nagestreefd. Het gedicht treedt schoorvoetend het gebied van de kunst binnen en staat op zichzelf als kunstobject. Beelden zijn symbolen voor zichzelf geworden en het is aan de lezer om ermee te doen wat hij of zij wil doen. Associaties die door de gebruikte beelden worden opgeroepen, worden belangrijker geacht dan auteursintenties, betekenissen of de begrippen die men eraan kan hangen. Vandaar dat men het ook kan hebben over zintuiglijke poëzie, poëzie die zintuiglijk sterke associaties oproept.

Het landschap van beelden en stijlen is er gecompliceerder en gevarieerder op geworden. Niet in de laatste plaats dankzij de immense invloed van het beeld in onze huidige cultuur. De basis is echter hetzelfde gebleven. Ieder beeld legt middels een als-uitnodiging een relatie met de lezer. En het is aan de lezer om ermee te doen wat hij of zij wil doen.

Daar beeldspraak zo belangrijk is, zijn er heuse ge- en verboden opgesteld. Bij tijd en wijle duiken zwarte lijsten op met beeldmateriaal dat Onder Geen Beding Door Den Serieuzen Dichter Gebruikt Mag Worden. Deze zijn vaak door dichters zelf samengesteld en noemen beelden die hetzij vallen in de categorie ‘dode beeldspraak’, hetzij in de categorie ‘romantische beeldspraak’.
De categorie ‘dode beeldspraak’ laat zich summier omschrijven als die beelden die zo vaak gebruikt zijn, dat ze volledig zijn uitgehold. De lezer kijkt daardoor niet meer naar het beeld, maar ziet louter hetgeen ermee bedoeld wordt. Clichés vallen zonder uitzondering in deze categorie.
De tweede categorie wil nog wel eens felle discussies doen ontsteken. De categorie ‘romantische beeldspraak’ bestaat uit beelden die zo vaak gebruikt zijn voor de liefdespoëzie en andere lyrische ontboezemingen, dat de emotie die ze wensen uit te dragen niet meer overgebracht wordt.

Een cultuur ontplooit en ontwikkelt zich net zoals een mens dat doet, waardoor beelden bij frequent gebruik aan zeggingskracht verliezen. Ze slijten zich in het geheugen met een bepaalde betekenis en laten zich daarna niet meer loswrikken. Het is aan de dichter om steeds weer te verrassen. Hij heeft de taak om een beeldspraak te hanteren die de lezer doet meenemen, om een beeldspraak te scheppen die verrassend is en toch bestendig genoeg om bij te blijven. Een zich herhalende, moeilijke opgave. Zeker omdat de categorie dode beelden een traag uitdijend spook blijkt.
Kijken we naar het tegenovergestelde van dood en romantisch, dan zien we: ‘nieuw’ en ‘authentiek’, zonder uitzondering voorwaarden voor goede beeldspraak.
Maar goede beeldspraak benut daarnaast andere kwaliteiten van het woord, zoals klank en ritme van het woord en in de zin. Een fraaie beeldspraak is leuk, verrassend en goed. Maar een leuke, verrassende en goede beeldspraak is op zichzelf niet afdoende voor een eveneens leuk, verrassend en goed gedicht.

Is beeldspraak essentieel voor een gedicht? Maakt een beeldspraak een tekst tot gedicht? Of bestaat er een gedicht zonder beeldspraak? Nee en misschien en ja. De beeldspraak is wellicht het meest beproefde poëtische element. Een van de vroegste Nederlandstalige poëtische regels is in ieder geval een onvervalste: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu’. Wanneer zijn wij, als twee vogeltjes, aan de beurt voor ons nestje?
Maar er zijn ook gedichten te vinden waarin geen beeldspraak zit. Gedichten die veel op hebben met ritme en muzikaliteit, of gedichten die de abstracte begrippen ouderwets bij hun naam noemen. Of in gedichten met een ‘pointe’, humoristische of vileine gedichten die met andere, eveneens zeer effectieve middelen een gelijkwaardig poëtisch resultaat weten te behalen. Ze zijn wel verreweg in de minderheid.

Maar wat is dan toch dat ‘poëtische effect’? We weten nu dat het liegt, verleidt, dat het weinig op heeft met de actuele politiek, en dat het ons een verborgen universum kan tonen dat verborgen zit in dat van alledag: het mogelijke.
En dat allemaal dankzij dat ene alledaagse instrumentje zonder welke wij nooit enige beschaving van de grond hadden kunnen krijgen.

Het woord.

In deel vier zal ik ingaan op de oorsprong der allegorieën: religie.

(2) Poëzie met een politieke boodschap

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
 

Deel 2

"Lees maar, er staat niet wat er staat" — als er één vorm van poëzie is waarbij deze leus niet opgaat, dan is dat wel bij politieke poëzie, of, nauwkeuriger geformuleerd: poëzie met een politieke boodschap. Het zou niet fraai zijn als deze gedichten een waar arsenaal aan woordenboeken vroegen om begrepen te worden. Nee: er staat wat er staat — dit lijkt bovenal de slogan te zijn van het politieke gedicht.
Of juist niet, als het bijvoorbeeld gedichten zijn met een verborgen boodschap; als er signalen in de tekst te vinden zijn die een betere wereld bepleiten, tegen de heersende maatschappelijke ideologie in. In Rusland wisten ze daar alles van. Mensen hebben er hun leven gewijd aan het ‘zuiveren’ van zulke poëtische teksten.

Poëzie en politiek. In de grond van hun samenwerking een afschuwelijk broederschap. De fijnzinnige, welbespraakte en goedgeklede estheet naast de norse, wantrouwige en bloeddorstige reus. De één heeft nog niet gesproken of de ander wil hem weer tegenspreken of uit gaan leggen. Het enige moment waarop ze echt goed lijken te harmoniëren, is in de satire, de schelmenroman en het cabaret, wanneer de piepkleine poëzie de schouders recht en flink gaat schoppen tegen de grotere broeder.
Maar in andere zaken, het verheerlijken van de daadkracht van de politiek, het bepleiten van een standpunt, het verdedigen van een overwinning, lijkt het niet te boteren tussen hen. Hoogstens kan de poëzie proberen politieke sympathieën onder de mensen op te wekken en te verwoorden. Meer is er niet. Hoezeer de poëzie het in het verleden ook geprobeerd heeft; wat is er overgebleven dat van memorabele waarde is?

Maar waarom lukt het toch niet om een pact te smeden tussen beide maatschappelijke velden? Ogenschijnlijk hebben ze zoveel gemeen. Ze worden vaak voortgedreven door dezelfde menselijke sympathieën, idealen en emoties. Door pathos, bevrijding, bewustwording en rechtvaardigheid. Beide moeten het vooral van hun retoriek hebben, van hun verbale capaciteiten en van de mogelijkheden om de taal te temmen tot hun boodschap. Hoewel de één daar overwegend beter in slaagt dan de ander.
In de grond van hun hart zijn het twee totaal verschillende werelden. Binnen de politiek draait alles om macht; binnen de poëzie om de machteloze verbeelding. En die twee zaken moet je goed gescheiden weten te houden. In het verleden is dat niet altijd gebeurd, wat soms tot bijzonder pijnlijke gebeurtenissen heeft geleid. Kunstenaars die hun leven gewijd hadden aan een artistiek ideaal om zich aan het einde ervan pas te realiseren dat het allemaal om ordinaire politiek ging. Daarentegen wil de politiek zich ook wel eens aan een gedicht vergrijpen, bijvoorbeeld om een partijprogram op te leuken. Maar zoiets heeft vaak minder vergaande consequenties. Tenzij het om censuur gaat natuurlijk.

Eigenlijk moet ik mezelf hier even corrigeren: de verbeelding is namelijk helemaal niet zo machteloos. Poëzie kan wel degelijk politiek bedrijven, en nog wel verdomd goed ook. Dat is één van de voornaamste redenen waarom politici beduidend weinig op hebben met dichters en ze het liefst na hun kunstje weer op willen sluiten in een kooitje op de plank. Politiek is immers de arena van populisten en volksmenners. Massa’s moeten gekneed en gevormd worden naar de wensen van de politicus. En niet andersom. Slechte politieke gedichten herken je dan ook aan dezelfde prangende drijfveer. De lezer moet erdoor gekneed en gevormd worden naar de wensen van de schrijver.

Maar de relatie tussen de dichter en de lezer is niet één-op-één. Die onmogelijkheid ligt in de essentie van het wezen van de taal besloten. Ieder woord is meerduidig en wekt bij iedere lezer zijn eigen associaties op. Zodoende kan een gedicht nooit zijn wil eenduidig aan een lezer opleggen. Wel kan een gedicht zijn lezer meevoeren, verleiden, naar een ander oord overbrengen: het oord van de verbeelding. En dat wordt bereikt, zoals eerder gezegd, door dat poëtische medium bij uitstek: de leugen.
Door handig gebruik van de gecultiveerde leugen wordt de lezer losgemaakt van zijn werkelijkheidsbesef. Hij opent zich voor de taal van het gedicht en de suggesties ervan. Hij verandert hierdoor, tijdelijk, in zijn geest van perspectief. Hij is aan het verbeelden. Hij is onderdeel geworden van de woorden en de associaties die ze bij hem oproepen. Maar tegelijkertijd is hij er de meester over. Dat is de wonderbaarlijke paradox van het leesproces. In dit droomrijk van mogelijkheden, interpretaties, van voorkeuren, identiteiten, van esthetische spelen en effecten; in dit droomrijk heerst dus op paradoxale wijze de lezer zelf. Hij is tegelijkertijd schepper en toeschouwer. In zijn verbeelding is op het moment van lezen iedere vorm van controle, van dictatuur, uitgesloten; behalve dan die controle die inherent is aan de taal als medium.
En voor iemand die eraan hecht om zijn normen en waarden in andere mensen gereflecteerd te zien, is dit een gevaarlijke wereld. Hij onttrekt zich aan de normen en waarden van de maatschappij. Hij ontstijgt zelfs aan de wetten van de ethica doordat de lezer de gedachte heeft uiteindelijk de controle te behouden over de scheidslijn tussen feit en fictie. Tijdens het leesproces heersen echter de wetten van de tekst boven die van de ethica. Zo kunnen wij onaangedaan over de meest gruwelijke moorden lezen; de gedachten van lustmoordenaars volgen, juist omdat we weten dat we daar niet zijn, dat we hen niet zijn.
Dit unieke procédé staat bol van de anarchistische en zelfs revolutionaire tendenties. Geen wonder dus dat iedere rechtgeaarde politicus niets van dit spel van vrijheden moet hebben. In Den Haag zou niemand meer lekker slapen als ze zouden beseffen welke, soms niet al te stabiele, bevolkingsgroepen zich in de dichtkunst trachten te bekwamen.

Kortom, de vrijheid van de verbeelding opgewekt in de lezer door het lezen van het gedicht overstijgt externe regels en ideologieën waaronder die van de politiek. Dit procédé leidt ertoe dat schrijvers, dichters en hun soortgenoten nog steeds niet welkom zijn in politiek strikt geleide samenlevingen. En ook in de meer liberale samenlevingen zijn ze eigenlijk niet welkom in de politieke arena. Maar wellicht hebben ze daar als ware schrijvers ook weinig te zoeken. De rol van een schrijver als oplettend, stemmend burger is natuurlijk een andere vraag en zeer prijzenswaardig.

Toch moeten we de relatie tussen poëzie en de politiek niet ontbinden op grond van hun basale verschillen. Afgezien van de succesvolle satire kent de poëzie een handvol andere trucjes in haar strijd tegen de politiek. Allereerst kan zij een alternatief tonen voor de heersende politieke ideologie. Ten tweede kan zij, door te benoemen, inzicht verschaffen in maatschappelijke misstanden, of personen aanwijzen die zich schuldig hebben gemaakt aan bepaalde zaken. Een soort antilyriek. Maar haar rol hierin is niet wezenlijk anders dan die van de onderzoeksjournalistiek. Ten derde kan zij de retoriek van de heersende politieke dogma’s tot zich nemen en zodanig aanpassen dat de constructies achter de politieke taal duidelijk worden. Zij kan hierdoor de daadwerkelijke afstand tussen een politiek woord en de ideologie erachter inzichtelijk maken. Maar hierin verschilt zij niet van andere kunstvormen die dit procédé ook hanteren. Denk met name aan de ‘cut up’-techniek en de collagetechnieken, waardoor bestaande teksten in andere contexten een andere boodschap laten zien.
Een ander fraai voorbeeld heb ik altijd Ginsbergs ‘force field of language’ gevonden. Hij schreef in de jaren zestig ellenlange gedichten met regels die maar bleven doorgaan. Hij gebruikte deze taalovervloed in zijn strijd tegen een gelijksoortig taalbombardement van de regering om de bevolking te beïnvloeden. Door zijn vele woorden wilde hij met talige ellebogen de politieke boodschappen wegdrukken.
Tot slot is er nog een veld dat ik onbenoemd heb gelaten en waarin de poëzie zeer succesvol is als politiek instrument: de songteksten. Juist omdat muziek de capaciteiten heeft om emoties uit te vergroten, worden de emotionele raakvlakken tussen poëzie en politiek benadrukt. Zo kweken bittere woorden uitgesproken met harde klanken een emotioneel-politiek besef bij de luisteraar. Denk maar aan een mooie klassieker als ‘Strange Fruit’, gezongen door Billy Holiday: ‘Black bodies swinging in the southern breeze / strange fruit hanging from the poplar trees’. De vruchten van een Amerikaanse lynchpartij. Of U2’s ‘Sunday Bloody Sunday': ‘I can’t believe the news today / I can’t close my eyes / and make it go away’.

Maar in dit platte land van consensus en plat water heeft het vurige politieke vers weinig voet aan de grond gekregen. Verwacht hier geen Henriëtte-Roland-Holst-achtige taferelen. Geen zenuwachtig opengevouwen papiertje met daarop twaalf brandende, rijmende regels voor de Goede Zaak. Geen dissidenten die gedichten uit het hoofd leren om de revolutionaire inhoud ervan te eren. Geen bijna onontcijferbaar gekrabbel in de marge van een boek. En gelukkig maar. Het zou een niet zo fraai beeld betekenen van onze samenleving.

In deel drie zal ik ingaan op iets vederlichts en tegelijkertijd loodzwaars: de beeldspraak.

Onderzoeksverslag Meander Enquête 2006

Inleiding
Ter voltooiing van mijn stage voor de studie Cultuur & Letteren aan de Universiteit van Tilburg, heb ik in januari 2006 een enquête afgenomen onder de redactieleden, de auteurs en de lezers van het MeanderMagazine, dat elke twee weken wordt uitgegeven door Stichting Literatuursite Meander.
Het doel van deze enquête was te onderzoeken wat de mogelijke verschillen in literatuuropvatting zijn tussen drie vooraf bepaalde doelgroepen, te weten 1) de redactieleden van het MeanderMagazine; 2) de auteurs van het MeanderMagazine; en 3) de lezers van het MeanderMagazine. Om inzicht te krijgen in de onderlinge verschillen met betrekking tot de opvattingen over en verwachtingen van poëzie, heb ik besloten 3 verschillende versies van de enquête op te stellen teneinde de vragen zoveel mogelijk van toepassing te laten zijn voor de geënquêteerde. De enquête bestond uit open en gesloten vragen. Dit om zowel kwantitatieve gegevens te verkrijgen als kwalitatieve antwoorden te verzamelen.

Naast een inzicht krijgen in de literatuuropvatting, ook wel poëtica, van de onderzoekseenheid, heb ik me tot doel gesteld om, door middel van de enquête, de positie van een digitaal tijdschrift in het literaire veld te bepalen. Om, met andere woorden, te onderzoeken wat de gepercipieerde status is van een digitaal tijdschrift ten opzichte van een gedrukt tijdschrift. Daarnaast heb ik enigszins in kaart willen brengen wie nu eigenlijk de lezer van het MeanderMagazine is en wat hij of zij verwacht van Meander: een klein demografisch onderzoekje dat dienstbaar kan zijn aan de redactie van Meander bij het zo mogelijk vernieuwen van het magazine.
De doelstelling van mijn onderzoek is in de volgende drie onderzoeksvragen samen te vatten:

Wat zijn de (persoons)kenmerken van de lezer van Meander?

Wat zijn de verschillen m.b.t. de literatuuropvatting tussen de drie groepen binnen Meander?

Wat is het gepercipieerde verschil tussen een gedrukt- en een digitaal tijdschrift?

Op basis van deze enquête en een afzonderlijke literatuurstudie, heb ik besloten om, naast dit onderzoeksverslag, een beschouwend artikel te schrijven over de positie van het digitale tijdschrift in het literaire veld. Daarin komt onder andere aan bod wat het effect van de digitalisering op de inhoud van het literaire tijdschrift is en wat de positie van de nieuwe media ten opzichte van de literatuurkritiek is.
Dit artikel zal, wellicht ingekort, in Meander verschijnen.

Resultaten
De digitale enquête is opgebouwd uit een aantal vragen die, afhankelijk van eerder gegeven antwoorden en de betreffende versie, wel of niet op het scherm verschijnen. Van de drie doelgroepen zijn de redactieleden afzonderlijk gevraagd om deel te nemen aan de enquête. De auteurs en de lezers van het MeanderMagazine zijn via een extra aflevering van het magazine, die op 18 januari verzonden is, uitgenodigd deel te nemen aan de enquête. De laatste twee doelgroepen is gevraagd zelf te bepalen welke situatie voor hen het meest van toepassing is en vervolgens te kiezen voor een van de twee versies, de versie voor de auteurs of de versie voor de lezers.
In het MeanderMagazine van 29 januari, aflevering 285, is vervolgens nog een oproep verschenen om alsnog deel te nemen aan de enquête voordat deze gesloten werd op maandagavond 30 januari. In totaal hebben 16 redactieleden de enquête ingevuld, 67 auteurs en 272 lezers. De gemiddelde tijd die men nodig had om de enquête volledig in te vullen was 25 minuten. Onder de respondenten zijn in totaal 4 dichtbundels verloot; de winnaars, die op willekeurige wijze middels hun e-mailadres zijn gekozen, zijn in het MeanderMagazine van 12 februari, aflevering 286, bekend gemaakt.

De lezer
Vooraf dient opgemerkt te worden dat de enquête in totaal door 355 mensen werd ingevuld die tezamen slechts 7% van het totale aantal abonnees uitmaken. Eén lezer gaf in de enquête aan het magazine nooit te lezen: hoe die bij de enquête terecht is gekomen blijft een raadsel.

Voor zowel de redactieleden, de auteurs als de lezers geldt dat de verdeling man/vrouw nagenoeg gelijk is. Ook voor de leeftijd van de respondenten geldt ongeveer hetzelfde en kan vastgesteld worden dat de meerderheid tussen de 40 en de 60 jaar is. Bij de lezers is slechts 4% jonger dan 20 en 4% ouder dan 70 jaar. Voorzichtig kan hieruit worden afgeleid dat volwassenen boven de 40 jaar meer zijn geïnteresseerd in een literair tijdschrift dan zij die jonger zijn. Wat deze uitkomst eveneens laat zien is dat ook de generatie die zonder internet is opgegroeid nu wegwijs is op het wereldwijde web.
Verder kan over de lezers van het MeanderMagazine gezegd worden dat het een trouwe lezersgroep is aangezien 67% aangeeft elk nummer dat uitkomt te lezen, en 18% één nummer per maand leest. Onder de auteurs wordt door 73% elk nummer gelezen, en één op de vijf auteurs leest één nummer per maand. Deze vraag is om vanzelfsprekende redenen niet opgenomen in de versie voor de redactieleden.
De vraag aan de lezers wat de motivatie is geweest om zich te abonneren, wordt veelal beantwoord met ‘de interesse voor literatuur en poëzie’. Voor velen is het MeanderMagazine een ideale manier om op de hoogte te blijven van wat er in de literaire wereld gebeurt, wat er aan nieuws verschijnt en om daar iets meer over te weten te komen. Veel lezers geven aan dat vooral de gedichten in het magazine een aangename ontspanning vormen tijdens het werk achter de computer, dat ze erdoor geïnspireerd raken en dat het abonneren op Meander aantrekkelijk is door de online aanmelding en het feit dat het gratis is. Voor velen is het magazine een uitkomst omdat het kostenloos kwaliteit levert.
Van de verschillende rubrieken in het MeanderMagazine worden het proza en de interviews het minst gelezen: slechts 15% gaf aan de interviews wel eens te lezen en 14% van de lezers leest het proza dat verschijnt in het magazine. De gedichten worden het meest gelezen, gevolgd door de recensies.

Wat opvalt is dat 43% van de ondervraagde lezers aangeeft naast het MeanderMagazine geen ander literair tijdschrift te lezen. Dit geldt slechts voor ongeveer 20% van de redactieleden en de auteurs. Door hen die aangeven naast het MeanderMagazine nog andere literaire tijdschriften te lezen, wordt de Poëziekrant het meest genoemd; ook De Brakke Hond en Rottend Staal Online worden vaak genoemd. Onder de redactieleden wordt De Contrabas het meest gelezen. Het feit dat meer dan 20% van zowel de auteurs als de lezers aangeeft nog andere tijdschriften dan de in de enquête genoemden te lezen, geeft aan dat de lijst niet uitputtend genoeg is geweest. De tijdschriften Awater, Stroom, Lava, Opspraak, Dighter, Deus ex Machina en Krakatau werden vaak genoemd in de vrije antwoord ruimte *).

Poëtica
Het tweede deel van de enquête is bedoeld om zicht te krijgen op de poëtica van de ondervraagde, en om uiteindelijk vast te kunnen stellen of er tussen de drie doelgroepen opvallende verschillen bestaan wat betreft de algemene opvatting aangaande poëzie. Daartoe zijn allereerst een aantal vragen opgesteld die aftasten hoe de respondent het begrip ‘poëzie’ inhoudt geeft, wat ‘goede’ poëzie is, en waar hij of zij op let bij het lezen van poëzie. Ook is gevraagd naar het doel of de (maatschappelijke) betekenis van poëzie en de persoonlijke opvattingen daarover. Daarnaast is een deel van de vragen uit dit onderdeel van de enquête gericht op de gedichten die zo mogelijk door de respondent zelf worden geschreven. Zij die hebben aangegeven niet of nauwelijks zelf gedichten te schrijven, hebben dit deel automatisch overgeslagen.
Bij de vraag ‘hoe poëzie te omschrijven’ had de respondent verschillende antwoordmogelijkheden en konden er meerdere worden aangevinkt. Opvallend hier is dat bijna elk redactielid (88%) onder andere aangaf poëzie als kunstvorm te zien, terwijl de auteurs en de lezers poëzie in de meeste gevallen als ‘een beschouwend medium’ omschreven. Binnen alledrie de groepen maakte de keuzemogelijkheid ‘een maatschappij-kritisch medium’ 10% van het totaal aantal gegeven antwoorden uit. Hetzelfde gold voor de mogelijkheid ‘een vorm van vermaak’ voor zowel de auteurs als de lezers; bij de redactieleden gaf iets meer dan tweederde dit antwoord. Opmerkelijk is dat meer dan 30% van de lezers ook de omschrijving ‘een vorm van reiniging’ aanvinkte, terwijl deze omschrijving slechts door één op de vijf redactieleden en auteurs werd gekozen. In de ruimte om zelf een omschrijving van poëzie te geven liepen de (vaak zeer mooie) eigen bewoordingen zeer uiteen, maar de tendens in de antwoorden was dat poëzie vooral een gevoelsuiting is, een kunstvorm die op een mooie manier vorm en inhoud combineert, een spel met woorden en betekenis.
‘Goede poëzie’ is voor velen poëzie die verrassend en origineel is, maar aan de andere kant vooral ook technisch goed in elkaar steekt. Het moet ritmisch zijn maar ook de woordkeus bepaalt de kwaliteit ervan. Poëzie moet aanspreken wil het ‘goede’ poëzie zijn. Over deze criteria voor goede poëzie is nagenoeg iedereen het eens.
De vraag naar het ‘doel’ van poëzie is een open vraag die een variëteit aan antwoorden opleverde, waarvan een relatief veel voorkomend antwoord was dat poëzie juist géén doel heeft, of misschien zichzelf tot doel heeft. De rest van de eigen bewoordingen liep zeer uiteen maar veel gegeven antwoorden kunnen in de volgende termen samengevat worden: het doel van poëzie is expressie, bewustwording via originaliteit, de lezer raken in tal van emoties, schoonheid via taal concretiseren, en rust of ontspanning brengen. Vooral veel mensen omschreven het doel van poëzie als het op een originele manier de werkelijkheid of het alledaagse beschrijven zodat het de aandacht van de lezer krijgt. Poëzie werd vaak omschreven als een andere (kunstzinnige) manier van kijken, als eye-opener. Poëzie moet iets teweegbrengen bij de lezer en dat kan uiteenlopen van verbazing, vervreemding en verwondering tot bespiegeling, vermaak en herkenning. Eén van de vele mooie omschrijvingen wil ik u niet onthouden: het doel van poëzie is meer te laten zien dan ogen. Tussen de drie groepen respondenten zijn geen verschillen in antwoordtendensen te ontdekken.

De volgende vraag in de enquête is een vraag naar de individuele verwachtingen aangaande poëzie: wat verwacht de lezer en wat is de reden dat hij of zij poëzie leest? Ook hier zijn er geen grote verschillen in de antwoorden tussen de drie groepen ondervraagden; er is juist grote overeenstemming. Nog meer dan bij de vraag naar het doel, levert de vraag naar de verwachting eensgezindheid op en blijkt uit veel antwoorden dat poëzie gelezen wordt voor het herkenbare. Velen lezen poëzie om herkenning te vinden; velen lezen poëzie ook om juist een nieuwe kijk op de dingen te ervaren, om geïnspireerd te raken en aan het denken gezet te worden. Ook ontroering is een reden om poëzie te lezen voor velen, evenals vermaak in brede zin. Men wil schoonheid ervaren, geboeid en verrast worden. Kortom, herkenning, inspiratie, vermaak en verrassing zijn zaken die van poëzie verwacht worden.
Het gebrek aan consensus over het doel of de functie van poëzie blijkt ook uit de antwoorden op de vraag naar waar men zich het meest op richt bij de beoordeling van een gedicht. Van de antwoordmogelijkheden werd ‘op iets anders’ het meest gekozen (56% van de redactie, 32% van de auteurs, 29% van de lezers), wat aangeeft dat de gegeven keuzemogelijkheden niet uitputtend zijn geweest. Er tekenen zich echter wel verschillen af tussen de drie groepen en vooral de redactieleden verschillen over het algemeen van mening met de lezers. Meer dan 35% van de lezers geeft aan het meest te letten op de mate waarin de gevoelens van de dichter naar voren komen, terwijl deze optie door geen van de redactieleden gekozen werd. Binnen de concrete antwoordmogelijkheden richt de redactie zich het meest (25%) op ‘de mate waarin het gedicht zich tot de lezer richt’, tegenover 12% van de lezers die dit antwoord kiest. De aandacht van de auteurs is redelijk gelijkmatig verdeeld over de verschillende keuzemogelijkheden, met uitzondering van de mogelijkheid te letten ‘op de mate waarin het gedicht de werkelijkheid beschrijft, realistisch is’ (6%), maar deze optie is ook bij de redactieleden (0%) en de lezers (5%) niet erg in trek.
Bij de vervolg vraag naar wie, volgens de respondent, de beste interpretatie van poëzie kan geven, valt op dat de auteurs en de lezers in één op de vijf gevallen de lezer aanwijst, terwijl slecht 1 redactielid deze mening deelt. Over het algemeen echter zijn de meeste van mening dat er ‘geen verschil’ is tussen lezer en auteur als het gaat om het interpreteren van poëzie (redactie 82%, auteurs 65%, lezers 66%).
De vraag of poëzie in het algemeen als belangrijk wordt ervaren, werd met een volmondig ‘ja’ beantwoord door het merendeel. Er werd aangetekend dat poëzie niet broodnodig is en in die zin niet van levensbelang, maar dat het toch zeker een aanvulling op de eerste levensbehoeften is die het leven kleur geeft en het waard maakt om geleefd te worden. Velen gebruikten het woord passie of gaven aan dat poëzie een onmisbaar alternatief op de werkelijkheid vormt. Anderen omschreven poëzie als een belangrijk (talig) wapen in de strijd tegen de vervlakking.
De hier op aansluitende vraag of poëzie een maatschappelijke rol kan vervullen, zorgde voor een sterke verdeling. Niet zozeer tussen de groepen onderling maar eerder binnen de groepen respondenten. Vaak een krachtig ‘neen’ en haast even vaak een bevestigend ‘ja’. Maar de overgrote meerderheid legde de nadruk op het woord ‘kan': het zóu kunnen, maar dat vergt dan een actieve rol van die maatschappij. Pablo Neruda en Bertolt Brecht, evenals de stadsdichter van Antwerpen, werden vaak genoemd als voorbeeld van poëzie die een maatschappelijke rol kan vervullen: een dichter heeft een analytisch vermogen en kan, door een accurate verwoording van een maatschappelijk gevoel, een spiegel voorhouden. Of er vervolgens in gekeken wordt is ook afhankelijk van omstandigheden zoals maatschappelijke onrust. Opvallend vaak wordt de bewering dat poëzie een maatschappelijke rol kan vervullen kracht bij gezet door een verwijzing naar de (pop)muziek. Zij die deze stelling ontkrachten geven vaak als argument dat simpelweg te weinig mensen poëzie lezen; dat het wel een krachtig communicatiemiddel is, maar dat het te weinig mensen bereikt. Geëngageerde poëzie werd over het algemeen niet per definitie beter gevonden dan niet geëngageerde poëzie. Bij de redactie, de auteurs en de lezers maakt het voor respectievelijk 50%, 31% en 43% van de respondenten eigenlijk ‘geen verschil’ voor de kwaliteit of poëzie wel of niet geëngageerd is. Uit eerdere antwoorden bleek al dat poëzie een maatschappelijke rol kan vervullen, maar dat het er het liefst niet te dik bovenop moet liggen.
De vraag tenslotte of het dichterschap een gave is of aangeleerd kan worden, is nagenoeg unaniem beantwoord met de mening dat een zekere aanleg een voorwaarde is maar dat het daarna aankomt op ‘oefening baart kunst’. Dit laatste echter tot op zekere hoogte want zonder taalgevoel bijvoorbeeld zal hard werken nooit leiden tot grote poëzie. Noodzakelijkheden als techniek en een mate van belezenheid zijn aan te leren. Dichterschap is een gave die uitgebuit moet worden en dat is vaak een kwestie van bloed, zweet en tranen. Ook hier geen opvallende onderlinge verschillen tussen de redactieleden, auteurs en lezers.

Eigen gedichten
De hierop volgende 17 vragen in de enquête zijn gericht op de gedichten van de respondenten zelf. In totaal gaven 225 mensen aan regelmatig zelf gedichten te schrijven: 13 redactieleden (81%), 58 auteurs (87%), en 154 lezers (57%). De overige respondenten zijn automatisch naar het volgende onderdeel van de enquête geleid.
De eerste serie vragen handelt over het publiceren van eigen werk. Allereerst de wens tot publicatie in een gedrukte bundel of op het internet: 21% van de lezers geeft aan überhaupt geen wens tot het publiceren van eigen werk te hebben; voor de auteurs geldt dit slechts voor 2 respondenten. In het algemeen maakt het de respondent niet uit of zijn of haar werk in gedrukte of digitale vorm verschijnt. Slechts 1 redactielid, 1 auteur en 7 lezers geven aan uitsluitend op het internet te willen publiceren. Alle dichtende redactieleden geven aan daadwerkelijk gedichten te hebben gepubliceerd, tegenover 96% van de dichtende auteurs en 67% van de dichtende lezers. Bij de vraag wáár de gedichten zijn gepubliceerd zijn de antwoorden over de meerdere keuzemogelijkheden verspreid. Toch is de tendens dat meer mensen in een gedrukt medium hebben gepubliceerd dan via de digitale media.
Middels de enquête heb ik gezocht naar een antwoord op de vraag wat de dichter met zijn gedichten tracht te bereiken en hoe persoonlijk poëzie voor hem is. Op de vraag of hij of zij met een bepaald publiek voor ogen gedichten schrijft, antwoordde een tweederde meerderheid ontkennend. Ongeveer 80% van de respondenten, uit elke groep, gaf vervolgens aan wel eens gedichten te schrijven en die vervolgens aan niemand te laten lezen. Van de resterende 20% gaf vervolgens ongeveer 60% aan wel eens een gedicht te schrijven dat hij of zij nooit zou publiceren. Bij de vervolgvraag wat de dichter met zijn gedichten zou willen bereiken, blijkt uit de antwoorden dat het doel vaak binnen de persoon ligt: in alledrie de groepen zijn ‘De voldoening die het mij geeft’ en ‘Het verwoorden van mijn gevoelens’ de meest gegeven antwoorden. Het enige externe doel dat vaak genoemd werd is ‘De lezer vermaken’. ‘Een verandering bij de lezer teweeg brengen’ en ‘De lezer aanzetten tot handelen’ maakten als antwoorden respectievelijk 10% en 4% van het totaal aantal gegeven antwoorden uit. Onder de auteurs bleken er de meeste dichters te zijn die aangaven een verandering bij de lezer teweeg te willen brengen. Op de vraag wát zij dan zouden willen veranderen, antwoordden haast allen het wereldbeeld van de lezer positief te willen veranderen, hem of haar op nieuwe ideeën te willen brengen of met andere ogen te laten kijken.
Uit deze antwoorden kan geconcludeerd worden dat gedichten voor velen toch een zeer persoonlijke uiting zijn waarvan het doel niet zozeer buiten de dichter ligt. Op de vragen echter in hoeverre het schrijven van gedichten een noodzaak is of het geluk bepaalt, wordt voorzichtig geantwoord en tekenen zich duidelijke verschillen af tussen de verschillende groepen. De respondenten werd gevraagd bij de volgende stellingen op een vijfpunts-schaal aan te geven in hoeverre ze het daarmee eens zijn: 1) Het schrijven van gedichten is voor mij een noodzaak, ik zou niet zonder kunnen; 2) Het schrijven van gedichten bepaalt mijn geluk. Bij de redactieleden is 54% het ‘eens’ met stelling 1; 23% kiest voor ‘neutraal’. 38% Van de redactieleden is het echter ‘niet eens’ met stelling 2, 23% kiest ‘neutraal’, 31% is het er wel ‘mee eens’. Van de auteurs is 32% het ‘helemaal niet eens’ met stelling 1, 39% is het er ‘niet mee eens’ en 20% kiest ‘neutraal’ bij deze stelling. Op stelling 2 reageren de auteurs gematigd: 32% ‘niet mee eens’, 28% ‘neutraal’ en 28% ‘mee eens’. Hetzelfde gaat op voor de groep lezers: de tendens bij stelling 1 is overwegend ‘niet mee eens’ (34%), 25% ‘neutraal’ en 19% zelfs ‘helemaal niet mee eens’. Op stelling 2 reageert 33% met ‘mee eens’, 31% kiest ‘neutraal’ en nog eens 21% stemt ‘niet mee eens’. Het grote verschil tekent zich af bij stelling 1 tussen aan de ene kant de redactieleden, waarvan meer dan de helft het wél met de stelling eens is, en aan de andere kant de auteurs en de lezers waarvan meer dan de helft het niet of zelfs helemaal niet met de stelling eens is.

De volgende vragen gaan over het belang van feedback en erkenning, waarbij 54% van de redactieleden aangeeft veel belang aan feedback te hechten en ook overwegend veel belang aan erkenning door anderen. De auteurs en de lezers verschillen ook hier weer van mening met de redactie: 44% geeft aan dat feedback niet van groot belang is. Wat betreft de erkenning geven deze twee groepen aan dat het een grote noodzaak is. De vraag of de autoriteit van de beoordelende instantie van belang is, wordt door de redactieleden overwegend met ‘ja’ beantwoord. De auteurs en de lezers maakt dat, zo blijkt uit de antwoorden, minder uit, wat op z’n minst opvallend genoemd mag worden.
Tenslotte werd aan hen die zelf regelmatig gedichten schrijven gevraagd of zij van mening zijn dat die gedichten in het MeanderMagazine zouden passen. Wat algemeen doorklinkt in de antwoorden is dat het per gedicht sterk kan verschillen of het er wel of niet in past, maar dat Meander een merkbaar kritisch selectiebeleid voert wat betreft de selectie van gedichten, al ligt de lat niet al te hoog. Té vreemdsoortige of experimentele gedichten zouden volgens velen niet passen in Meander, iets wat door een aantal auteurs betreurd wordt. Meander wordt over het algemeen gepercipieerd als een conventioneel podium voor poëzie wat voor de één een uitkomst is en voor de ander te weinig uitdaging.
Bij de groep lezers klinken andere geluiden, veelal van onzekerheid en schuchterheid. Vele dichtende lezers geven aan te denken niet goed genoeg te dichten voor Meander. Over het algemeen luidt het antwoord dat de eigen gedichten wellicht nog even moeten rijpen alvorens ze aan de wereld te tonen. Een aantal lezers geeft aan in een genre te dichten dat niet in Meander terug te vinden is of zou passen. Weer anderen hebben niet de behoefte überhaupt met hun gedichten in het daglicht te treden. Er wordt aangegeven dat de gedichten die in het magazine verschijnen vaak een inspirerend effect hebben op de eigen dichtkunst. Maar ook onder de lezers zijn er enkelen die aangeven dat Meander te laagdrempelige poëzie publiceert en dat zij dit niveau al ontstegen zijn.

Het digitale tijdschrift
Het derde deel van de enquête gaat over de verschillen tussen digitale tijdschriften en gedrukte tijdschriften. Twee vragen, die enkel gesteld zijn aan hen die aangaven zelf regelmatig gedichten te schrijven, gaan over de rol van het internet en de mogelijke anonimiteit. Op de stelling ‘Internet maakt het voor mij eenvoudiger om een beoogd publiek te bereiken’, antwoordde 6 van de 13 redactieleden ‘mee eens’, 3 waren het er ‘helemaal mee eens’ en evenveel gaven aan het er ‘niet mee eens’ te zijn. Van de auteurs gaf 52% aan het er ‘niet mee eens te zijn’, evenals 36% van de lezers. Van de auteurs en de lezers koos respectievelijk 17% en 31% voor het antwoord ‘neutraal’, wat het verschil met de redactieleden onderstreept. Ook bij de stelling ‘De mogelijke anonimiteit in Meander of op het Internet is voor mij een drempelverlagend aspect om te publiceren’ kwam dit verschil naar voren: de meerderheid van de redactie was het hier niet mee eens, terwijl de auteurs en de lezers aangaven dat dit toch overwegend wel het geval is.
Vervolgens de verschillen tussen een gedrukt en een digitaal tijdschrift die in verschillende vragen onderzocht zijn. De vraag naar het verschil tussen deze twee media leverde vooral het antwoord op dat het tastbare van een gedrukt tijdschrift nauwelijks te vervangen is door de voordelen van een digitaal tijdschrift. Een beeldscherm koester je niet zoals een tijdschrift dat je bijvoorbeeld mee kunt nemen naar de WC of in de trein. De geur van verse inkt , de waakzaamheid van een tijdschrift op het nachtkastje en het gemak van heerlijk lezen in de tuin zijn voordelen die niet worden overtroffen door de multimedialiteit van de digitale variant. Het wordt op prijs gesteld dat gedichten te beluisteren zijn via de digitale krant of dat het archief van het MeanderMagazine geen fysieke ruimte in beslag neemt, maar de algemene tendens is toch (nog) dat die eigenschappen het niet halen bij het geduldige papier dat nog steeds de status heeft ‘echter’ te zijn. Toch valt op dat 35% van de auteurs en 31% van de lezers aangeeft ‘geen verschil’ te ervaren bij het lezen van een gedrukt of een digitaal tijdschrift. De meerderheid echter laat weten het niet prettiger te vinden om een digitaal tijdschrift te lezen in vergelijking met een gedrukt tijdschrift: 81% van de redactie, 61% van de auteurs, en 55% van de lezers. De resterende 41 respondenten geven de voorkeur aan een digitaal tijdschrift wat betreft de leesbaarheid.
Of er een verschil in status is tussen de twee media, wordt door de meerderheid bevestigend beantwoord: ‘ja’ zegt 75% van de redactie, 73% van de auteurs, en 65% van de lezers. Bijna 100% van hen die deze mening uitten geeft aan dat het gedrukte tijdschrift een hogere status heeft; slechts 4 lezers achtten de status van een digitaal tijdschrift hoger. Het verschil in status zit volgens 25% van de redactie in de ‘vakkundigheid van de redactie’ en volgens 50% onder anderen in ‘de kwaliteit van de gedichten’. Volgens de meerderheid van de auteurs geldt hetzelfde en zit het verschil in deze twee aspecten. Volgens de meeste lezers echter zit het verschil in status voor een groot deel in de layout, met op de tweede en derde plaats evens de ‘kwaliteit van de gedichten’ en ‘de vakkundigheid van de redactie’. De ‘kwaliteit van de medewerkers/journalisten’ en de ‘inhoud van de recensies’ doen volgens de meerderheid niet onder voor die van een gedrukt literair tijdschrift. Volgens velen echter zit het verschil ‘in nog iets anders’ en moet geconcludeerd worden dat de gegeven mogelijkheden niet afdoende waren.
De volgende vragen in de enquête gaan over de invloed van de digitalisering op de inhoud van een literair tijdschrift, of, anders gezegd, of een digitaal tijdschrift per definitie ook een andere inhoud heeft. De eerste vraag, ‘Bestaat er volgens u een verschil tussen gedichten die in een gedrukte bundel verschijnen en gedichten die in het Meander Magazine, als zijnde een digitaal tijdschrift, worden gepubliceerd?’ , wordt terecht van enige kritiek voorzien: de vergelijking tussen een bundel en een tijdschrift heeft implicaties die losstaan van het gegeven dat het tijdschrift digitaal is. Toch zijn de antwoorden interessant aangezien velen erop wijzen dat het verschil tussen gedrukt en digitaal onder andere schuilt in het feit dat bij een gedrukt product niet alleen de redactie maar ook de uitgever zeggenschap heeft over de uitgave. Bij een digitaal tijdschrift heeft de redactie wat dat betreft alleenheerschappij. Een tweede verschil dat door een meerderheid wordt onderstreept is dat het papier meer eeuwigheidswaarde lijkt te hebben, dat digitaal vluchtiger is en sneller in de (digitale) prullenbak verdwijnt. Ook wordt opgemerkt dat het internet meer ruimte heeft en de selectie dus minder streng hoeft te zijn. Een groot aantal respondenten geeft echter ook aan geen verschil te ervaren: poëzie is poëzie.
Iets anders echter bleek uit de reacties op de stellingen ‘Dat het MeanderMagazine een digitaal tijdschrift is hoeft geen invloed te hebben op de kwaliteit van de gedichten die erin gepubliceerd worden’ en ‘Dat het MeanderMagazine een digitaal tijdschrift is hoeft geen invloed te hebben op de kwaliteit van de recensies die erin gepubliceerd worden’. Enkel de redactieleden zijn het met deze stellingen ‘eens’ of ‘helemaal mee eens’, terwijl meer dan 70% van de auteurs en meer dan 80% van de lezers het ‘niet met deze stellingen eens’ is of het er zelfs ‘helemaal niet mee eens’ is. Hieruit zou toch geconcludeerd mogen worden dat volgens de auteurs en de lezers de digitale aard van Meander wel degelijk invloed heeft op de inhoud.

Tot slot is de vraag gesteld of de respondent iets mist in het MeanderMagazine of dat hij of zij vindt dat er iets verbeterd kan worden. Allereerst valt op dat er veel positieve reacties zijn op het magazine en er wordt zelfs voorgesteld het MeanderMagazine vaker te laten verschijnen. Het gratis tijdschrift is voor velen een uitkomst om in financieel krappe tijden toch op de hoogte te blijven van de literaire actualiteit.
Daarnaast zijn velen van mening dat er iets meer durf getoond zou mogen worden op het gebied van de gedichten die worden geselecteerd. Daarnaast zou er voor sommigen meer aandacht voor bekende auteurs mogen zijn. De layout zou volgens een grote meerderheid beter kunnen, en mogen worden aangevuld met meer foto’s. Wat vaak wordt opgemerkt is dat het jammer is dat een reden tot afwijzing voor de ingezonden gedichten ontbreekt: meer feedback zou inspireren tot het verbeteren van de eigen inzendingen. Velen missen ook een poëzie-competitie die bijvoorbeeld de overbodige proza-rubriek zou kunnen vervangen. Wat betreft de inhoud is de algemene mening dat er méér gedichten in zouden mogen en dat de artikelen in hun totaliteit zouden mogen worden gepubliceerd in plaats van met de huidige verwijziging naar het hele artikel. De inhoudsopgave zou mogen worden uitgebreid en interactief kunnen verwijzen naar de verschillende artikelen.

Conclusie
De bedoeling van de enquête met bovenstaande resultaten is uiteindelijk geweest drie onderzoeksvragen te beantwoorden. Allereerst de vraag naar de kenmerken van de groep lezers van het MeanderMagazine, waarvan nu gezegd kan worden dat die bestaat uit een gelijke verdeling mannen en vrouwen, overwegend in de leeftijd van tussen de 40 en 60 jaar. Meer dan de helft daarvan geeft aan zelf ook gedichten te schrijven maar deze nog niet rijp genoeg voor het magazine te vinden of geen behoefte te hebben aan het publiceren ervan.
Door de enquête aan drie verschillende groepen voor te leggen, te weten de redactieleden, de auteurs en de lezers van het MeanderMagazine, is getracht inzicht te krijgen in de onderlinge verschillen wat betreft de poëtica. Daarvan kan gezegd worden dat de verschillen voornamelijk naar voren komen tussen, aan de ene kant, de redactie en, aan de andere kant, de auteurs en de lezers. Met name bij de omschrijving van poëzie, bij de vraag of het schrijven van poëzie noodzakelijk of geluk bepalend is, en bij de vraag of digitalisering invloed heeft op de inhoud van een tijdschrift, is dit verschil in opvattingen gebleken. Ook wat betreft het belang van feedback, de autoriteit van de beoordelende instantie, en het laagdrempelige karakter van internet is er sprake van een scheiding tussen deze groepen. De overeenkomsten tussen de auteurs en de lezers zijn wellicht te verklaren door het feit dat de categorisering is overgelaten aan de respondent zelf, waardoor het onderscheid tussen een auteur en een lezer niet aan de hand van bepaalde criteria is bepaald. Toch blijkt uit antwoorden op verschillende vragen dat er zich weldegelijk verschillen aftekenen en er dus gesproken kan worden van, in totaal, drie verschillende groepen respondenten.
Zij die zelf gedichten schrijven geven aan dit schrijven als iets persoonlijks te zien waar niet per se een publiek bij hoort. Het publiceren van eigen werk mag zowel digitaal als gedrukt.
Het doel en de verwachting van poëzie liggen dicht bij elkaar en sluiten op elkaar aan. Een reden hiervoor zou kunnen zijn dat het merendeel van de ondervraagden zelf gedichten schrijft en in die zin doel en verwachting op elkaar af kan stemmen. De verscheidenheid aan antwoorden over de invulling van dat doel laat in ieder geval zien dat poëzie geen absoluut of universeel doel dient. ‘Goede’ poëzie moet verrassend en technisch goed zijn. Poëzie wordt over het algemeen gelezen voor het herkenbare. De algemene mening is dat poëzie een maatschappelijke rol zou kunnen vervullen maar dat dit met name een actieve rol van de maatschappelijke actoren vergt. De dichter wordt een analytisch vermogen toegedicht dat hem in staat zou stellen een maatschappelijke communicatie op gang te brengen.
Bij het onderzoek naar de verschillen tussen een digitaal tijdschrift en een gedrukt tijdschrift, is gebleken dat er nog steeds een verschil in status is waarbij het gedrukte tijdschrift de hogere status geniet. Het papier heeft een grotere eeuwigheidswaarde in vergelijking met het vluchtige digitale. Toch worden er veel voordelen van het digitale tijdschrift genoemd en klinkt ook het idee ‘poëzie is poëzie’ door in de antwoorden: het aangename van papier is dus ook een kwestie van gewenning. Het grote verschil zit nog in de tastbaarheid en de mobiliteit van een gedrukt tijdschrift. Zodra een computer niet meer misstaat op het nachtkastje zal wellicht het verschil tussen gedrukt en gedigitaliseerd verdwenen zijn.

*) Door een technische fout bij deze vraag werd velen gevraagd naar welke andere tijdschriften zij dan nog meer lazen, terwijl zij hadden aangegeven dat niet te doen.

(1) "Lees maar, er staat niet wat er staat"

Deze illustere regel van Nijhoff wordt vaak geciteerd als men het over poëzie heeft. Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
Joris Lenstra

Deel 1

‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ — en daarom nodigt een goed gedicht uit tot herlezen. Maar de criticasters – zij die rijmpjes en versjes maken – voegen daar haastig aan toe dat dit herlezen moet gebeuren onder het oog, en het liefst mét het oog, van de schoolmeester. Goede poëzie is een puzzel van woorden. Ja maar, zo brengt men er dan tegen in, wel een puzzel van woorden mét artistieke intenties. Poëzie is bovenal géén brok emoties. Het is geen performance. Geen mens. Geen kunstenaar. Het is een werk van taal dat op zichzelf kan bestaan, van alle kanten aangevallen wordt, en zich weet te verdedigen. Dat is poëzie.

Dit is één opvatting, vooral talig van aard. En ten dele is deze juist. Een gedicht staat uiteindelijk toch op zichzelf op papier tussen de kille bladeren van een boek in zwarte letters tegen een stil-witte achtergrond. De auteur is begraven. De uitgever is failliet. Het pr-bedrijf is opgedoekt. Dat is het lot van het gedicht. Had het maar geen gedicht willen zijn.
Maar… de naam van de maker dan, rechts of links eronder gezet, al dan niet met jaartallen? Die naam, die het gedicht moet rechtvaardigen of soms zelfs beschermen, die naam zegt alleen iets als de lezer hem kent en achting ervoor heeft. Anders heeft hij geen waarde. Alleen de woorden van het gedicht, de bouwstenen, zijn universeel. En op die basis blijven ze communiceren met deze of gene die de bladzijden openslaat. Althans, afgezien van de kwijnende invloed van de taalinquisitie, plaatselijke dialecten en modieuze, journalistieke uitingen.
Kortom, het gedicht moet het uiteindelijk doen. In z’n eentje. Jaarlijks worden zo vele eenlingen aangevallen door lezers van diverse pluimage. Vaak in de schoolbanken en bibliotheken, maar soms ook er buiten. Al dan niet moedwillig, en al dan niet succesvol. Het eerste wapen in de strijd is het woordenboek. Juist omdat dichters veel gelezen hebben en zo een breed en diep vocabulaire bezitten, eisen zij van hun lezer niets meer dan hetzelfde.
Door de noodzakelijke beperkingen van tijd en ruimte in een gedicht, is de werkelijkheid van een gedicht altijd intensiever dan de werkelijkheid eromheen; zowel de werkelijkheid waarin het gelezen wordt als die waaruit het ontstaan is. Een gedicht is eigenlijk samengebalde energie omgezet in woorden. Een intensieve constructie van woorden. En om dat te verkrijgen, moeten die woorden intensief gebruikt worden. Nu kan de lezer hier natuurlijk niks mee, behalve dan zich schrap zetten en inzien dat een woordenboek onontbeerlijk is.

Wanneer je zo naar een gedicht kijkt, begrijp je niet waarom mensen zich überhaupt nog ervoor zouden inspannen. Waarom zouden ze een talige puzzel willen ontrafelen waarachter zich louter fictie schuilhoudt. Ze zullen er geen persoon ontmoeten. Niemand. Niets. Ze kunnen geen prijs winnen met de juiste oplossing, want die is er niet. Dat is zelfs één van de eigenschappen van het betere gedicht, zo krijg je te horen. Je zou er niks van gaan snappen.
De schoolmeester heeft zijn excuus. Het gaat immers om het doorgeven van het erfgoed of het behouden van de cultuur. Maar de andere lezers? De studenten, de geïnteresseerde jongere, de oudere man of vrouw op vrijdagmiddag met een boekje open gezeten in Arte et Amicitae? Waarom wagen zij zich eraan? Wat ligt er in die woorden verstopt dat de ijverige scholier zo moet zoeken? Welke schat ontgaat klaslokalen vol glazige ogen?

Ik zou het eerlijk gezegd niet kunnen zeggen.
Laat ik maar meteen al mijn glazen ingooien door te beweren dat er niet zoiets is als de poëzie. Stel het je eerder voor als een groot grijs gebied op een kaart, een ‘blob’, waarbinnen zich gedichten in allerlei soorten en maten ophouden. De grenzen veranderen constant. Zo struikelen sommige gedichten eruit om in de regio van ‘experimentele proza’ te vallen. Om tientallen jaren later weer verwelkomd te worden en zelfs een plaats nabij het middelpunt te krijgen. En eigenlijk is er niet één middelpunt. Iedere stam heeft zijn eigen idolen en voorkeuren, en vormt zo een eigen middelpunt met om zich heen een constellatie van zorgvuldig uitgekozen dichters en dichtwerken.
En er zijn gedichten die sterven, gelijk mensen. Die vergeten worden. Of vergaan. De laatste papyrusrol opgegeten door een scarabee. Een onfortuinlijke kerkbrand. Dichtregels geschreven in een inmiddels vergeten taal. Of wat prozaïscher: een harddiskcrash of het laatste manuscript meegegeven aan een slecht functionerende TPG-medewerker. Wist u veel. Dat de kunst voor eeuwig zou zijn, is een grote leugen. Maar het is wel echt iets voor de poëzie om het te beweren. Waarom: zijn het haar pretenties om eeuwig te willen bestaan? Nee, dat is het niet. Taal is niet eeuwig, mensen zijn niet eeuwig. Nee. Het is de pretentie van de poëzie om te liegen. Sterker nog, het is een van haar grootste prestaties.

En nu komen we ergens. We hebben gezien wat ze allemaal niet is en niet doet. Maar één ding doet ze dus wel, en met verve: liegen.

De leugen is eigen aan de literatuur in algemene zin. Er is een ongeschreven verbond tussen de lezer en de literatuur dat de talige wereld als waar aangenomen zal worden. De lezer beeldt zich het boek in dat hij of zij leest. De toeschouwer verbindt zich met het toneelstuk dat opgevoerd wordt. En in deze actieve handeling vindt een klein wonder plaats. De leugen, de fictie, het universele woord, is plotseling waar geworden, realiteit en persoonlijk.

De poëzie zou echter de poëzie niet zijn als ze zou het hierbij zou laten. Vrouwelijk als ze is, wil ze meer en rammelt dan ook hard aan de woorden zelf om ze te laten liegen. Door middel van overdrijvingen, tegenstellingen, beeldspraken stelt zij van alles in het werk om aan de waarheid te ontkomen. Waarom zij hier toch zo intensief mee bezig is, daar kom ik in een later deel op terug.
Wel is liegen een menselijke eigenschap en een teken van hoge intelligentie. Liegen is, dankzij het christendom, een van onze meest ondergewaardeerde karaktertrekken. Niemand wil graag in zijn gezicht belogen of opgelicht worden. We zouden er uiterst wantrouwig en mensenschuw van worden. Maar voor een vakkundig uitgevoerde leugen heerst bewondering. De gecultiveerde leugen in optima forma hervindt zich in de poëzie.

Zoals we eerder hebben gezien haalt de leugen van de poëzie zijn kracht uit het feit dat de lezer in de leugen gelooft en haar rechtvaardigt. In deze totale overgave van de lezer aan het gedicht wordt een capaciteit van het gedicht getoond die in iedere vakkundige leugen terug te vinden is: de capaciteit om iemand te hersenspoelen. Alles wat je tot dusverre als werkelijk hebt aangenomen, blijkt een leugen te zijn, een fata morgana. Een poëtische realiteit. Op het moment dat de lezer stuit op een onbegrepen wending, of een onlogische of onverwachte gedachte, stopt de ‘flow’ van het gedicht. De lezer krabt zich achter zijn oren, staat op, klopt het stof van gisteren van zich af en gaat opnieuw lezen. Maar dit maal aandachtiger, en met meer overtuiging voor de woorden. Hij sluit zich niet meer af voor het gedicht, maar opent zich ervoor. En op die manier staat hij de werkelijkheid van het gedicht toe om voor een moment zijn eigen werkelijkheid te overstemmen. Hij gaat kijken met de ogen van de dichter. En dit is gevaarlijk.

Plato wist dat en gooide alle kunstenaars en dichters zijn staat uit. En hij kon het weten. Het ideale model dat hij zijn burgers wou voorschotelen was ook zeer poëtisch. Hij kon daarom geen concurrenten dulden.

In deel twee zal ik ingaan op de relatie tussen poëzie en dat andere circus: de politiek.
De feiten en de cijfers

Waarom schrijven?

Meander bestaat tien jaar.
Toen we vijf jaar bestonden hielden we een enquête onder iedereen van wie in de daaraan voorafgaande vijf jaar werk was gepubliceerd in Meander. De vraag waar het om draaide was ‘Waarom schrijf je?’
223 personen werden aangeschreven. 98 personen vulden het ‘formulier’ volledig in. Een flinke hoeveelheid gegevens dus.
De enquête en de daarvan gepubliceerde resultaten hadden uiteraard geen enkele wetenschappelijke pretentie. Er is dan ook geen conclusie getrokken uit het onderzoek. Alleen al niet, omdat het niet eenvoudig was een algemene lijn te vinden in alle antwoorden. Zoveel (amateur)schrijvers, zoveel motivaties, zou je bijna kunnen zeggen.
Wie zich echter een beeld wil vormen van wat al die mensen die verhalen en gedichten schrijven nu toch eigenlijk bezielt, vindt in de Meanderaflevering waarin de resultaten werden gepubliceerd heel interessant (studie)materiaal.

Daarom brengen we via deze link de aan deze enquête gewijde extra aflevering van Meander nog eens onder de aandacht.