Gedichten

door Maarten Inghels (1988)
DIT KON

kijk ik vond gisteren mijn zuster te vondeling,
dat dit kon, zei zij, in een tunnel onder de rivier,
je als broer en zuster vinden, dat dit kon. laveer
wijn langs je darm, kurksmaak in je mond,
vergeten dat iets leeft, dat dit kon. drinken met
praten ertussen, een deur die kleppert en flarden
van oplossing waaien aan, dat dit kon. een bank
in een haag die meedenkt onder onze vorm,
dat dit kon. Marokkaanse volksmadam kla kla
klaagt hand in hand met hoofddoek, dat dit kon,
wij klinker a in haar praten zijn, ze hem stuitert
over de rivier naar haar man die steeds wacht,
dat dit kon. zonder blozen je voedsel verteren;
pijlen in wonden schieten. dat dit kon; hoorn
vlies brandt, elkaar zien als kijken in de zon.
 




ONDER DIT RAAM

ik lig op mijn slaapzij
in het bed, het zit verkeerd,
achterstevoren, ik hoor
voorbijganger 48 knipogen

het raam laat de neon
door de kamer walsen
maar de stoel blijft stoel
tafel tafel, gordijn te weinig

nu besef ik dat wij speelden;
een hond, een vis, twee geliefden
die van elkaar hielden
onder dit raam

door het raam wil ik weer
naar ieder van jou uitkijken
maar zie! de stad in pixels
ik schaam mij voor de buren

misschien is dit raam te ver
om door te kijken of staat
het bed te haaks op de straat
 




DIT GEDICHT IS DOOD

dit gedicht is dood / zegt niet waarop de woorden slaan
zolang jij of iemand niet luidop leest wat hier staat;
deze woorden zijn dood tot jij verstaat / jij leest dat

tot niemand deze bevroren letters leest
weet geen hond / geen kat / zou geen mens ooit weten /
misschien is dit geen goede manier;
moest ik je in steen schrijven / alles in graniet vertellen

zodat een hond in 2837
ook nog weet
wat in dit archief geschreven staat

want met graniet gaat niets verloren, dan
gaat mijn vel zelfs vluchten van de woorden;
ga niet
 
Keke Keukelaar fotografeert krasse knarren

Zilveren Schrijvers

Meander presenteert in samenwerking met fotografe Keke Keukelaar een serie indringende portretten van de stamoudsten van de Nederlandse literatuur. Deze krasse knarren zijn te zien op de expositie Zilveren Schrijvers in de Drvkkery in Middelburg.

Eerder publiceerde Meander van Keke Keukelaar een serie Schrijversportretten op toiletten en een interview met haar.
Dit keer fotografeerde Keukelaar schrijvers, onder wie Leo Vroman en Remco Campert, voor de Boekenweek – die heeft het thema Van oude menschen… De derde leeftijd en de letteren. De expositie loopt nog tot en met 12 april 2008.
Margo Verbiest stelde ook dit keer een presentatie voor Meander samen: Zilveren Schrijvers.

Gedichten

door Vrouwkje Tuinman (1974)
Maandagochtend

Aan de koelkast hangen alle dingen die niet mogen.

Wie heeft mij in elkaar gezet: een man met om zijn nek
drie brillen en een vrouw die ziek wordt van een glaasje melk.

Nu zwem ik nog voor vijfenzeventig procent.
Mijn status laat me met de lift naar boven.

Omdat ik rechts niet breken wilde heb ik links verbogen.
 




Contract

‘Whoa, all ye Pharisees and motherfuckers!’

Een man een man, ik heb een paard voor je gekocht.
Voor iedereen een paard, je bent een meisje dus je draagt een rok.

Ik schrijf niets op. In plaats daarvan zal ik een liedje voor je zingen.
Als vriend van de politie mag ik overal naar binnen.

Er is een vliegtuig en een motorpark, maar geen mens laat mij alleen.
Ze wachten met ontbijten totdat ik ben aangekleed.

De groene ziekenhuispyjama staat geweldig bij je haar.
Vertel het als je plassen moet, er is al voor betaald.

Ik heb een bus voor je gehuurd en pluchen dieren klaargelegd.
In elke hand leg ik een pil want niemand mag naar bed.

Uit: Wees niet wreed – Gedichten voor Elvis Presley (2008), uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
 
Geert Buelens op zoek naar de betekenis van poëzie

Onvermoede schatten ontdekken

Geert Buelens is dichter, essayist en hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de universiteit van Utrecht. Hij debuteerde in 2002 met de bundel Het is, bekroond met de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs en genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2005 verscheen Verzeker U. Voor zijn werk Van Ostaijen tot heden: zijn invloed op de Vlaamse poëzie ontving hij de Vlaamse Cultuurprijs voor Essay en de Prijs van de Provincie Antwerpen voor Essay. Meander sprak hem – transatlantisch – over zijn nieuwe boek, Oneigenlijk gebruik, over de betekenis van poëzie.


Foto: Sabrina Bongiovanni
U bent op het moment in Washington, D.C. Wat bent u daar aan het doen?
Tot eind juli werk ik in de Library of Congress hier, de grootste bibliotheek ter wereld. Dat komt me goed uit, want ik maak een bloemlezing met gedichten uit de Eerste Wereldoorlog, zo internationaal mogelijk. De oogst is gigantisch, vele tienduizenden gedichten zijn over die oorlog geschreven. En daarnaast schrijf ik een geschiedenis van diezelfde oorlog – Europa Europa!– gezien door de ogen van enkele bekende en minder bekende Europese dichters. Daarbij vraag ik me niet alleen af hoe ze die oorlog hebben ervaren en hoe hun schrijven erdoor is beïnvloed, maar ook hoe ze in die gedichten nadachten over hun eigen land en over het Europese continent. Het boek gaat dus ook over nationalisme en pogingen om dat nationalisme te overstijgen. In dat opzicht was de Eerste Wereldoorlog een proeftuin voor kwesties die vandaag nog altijd aan de orde zijn: hoe samen te leven met zo veel verschillende culturen, talen, geschiedenissen en visies? En dat hierover dus niet alleen werd nagedacht in politieke traktaten, maar ook in gedichten.

Kunt u vertellen wat de centrale stelling – of les, zo u wilt – is van Oneigenlijk gebruik?
Een ‘les’ bevat Oneigenlijk gebruik hopelijk niet. Het is geen college. Maar een punt maakt het hopelijk wel. Eigenlijk gaat het erover dat je poëzie ook kunt gebruiken voor bijvoorbeeld propaganda. Dat is, in het licht van de erg romantische of niet minder erg postmoderne visie die bestaat misschien een ‘oneigenlijk gebruik’ van de poëzie. Tegelijk verwijst die titel Oneigenlijk gebruik ook naar de manier waarop in poëzie met taal wordt omgesprongen: niet de ‘eigenlijke’ manier zoals in een gesprek, maar ‘oneigenlijk’, want indirect, uiterst geconcentreerd, soms op de rand van wat te begrijpen is. Maar net op die rand spelen zich vaak spannende dingen af.
Het gaat in het boek vaak over de avant-garde. Historisch gezien probeerde de avant-garde dingen open te gooien – de manier waarop we naar kunst kijken, naar de aparte genres. De avant-garde wilde exploreren, experimenteren, op een interessante manier verloren lopen, onvermoede schatten ontdekken. En die traditie wil ik graag eren en in ere houden. Ik heb het dus over erfgenamen van die avant-gardisten, maar net zo goed over hun dwaalwegen. En ik benadruk – misschien wel de belangrijkste constante in het boek – dat ook wat zij deden heel veel te maken had met concrete gebeurtenissen uit hun tijd. Voor mij zijn dichters geen wereldvreemde ivorentorenbewoners, maar heel bewust levende kunstenaars die op een ongekende manier vorm trachten te geven aan hun leven en hun kunst.
Muziek is ook een belangrijk thema in het boek. De jaloezie die dichters en muzikanten tegenover elkaar voelen: ‘o, had ik maar taal’ tegenover ‘o, kon ik me maar zonder taal uitdrukken’. En het gaat over het taalgebruik van hiphoppers, de girl power van blueszangeressen uit de jaren twintig, de experimenten van freejazzmuzikanten in de jaren zestig en de geschiedenis van de ‘topical songs’, liedjes die commentaar geven bij actuele gebeurtenissen…

Wat is voor u het doel van een essay? Wanneer is een essay geslaagd?
Dat is bij elk stuk anders. Een essay is, dat betekent het woord ‘essay’ ook in zekere zin, een ‘probeersel’. Het is dus een relatief vrije vorm, waarin je gedachten kunt omcirkelen en uitproberen. Mijn essays bevatten verhoudingsgewijs ook heel veel harde feiten, denk ik. Je hebt ook essayisten die briljant doorredeneren op een idee. Dat kan ik helaas niet. Ik moet me dus behelpen met allerlei hulpstukken: feiten, gebeurtenissen, flarden tekst, liedjes of uitspraken die volgens mijn intuïtie iets met elkaar te maken hebben. En in dat essay probeer ik dan uit te zoeken wat ze met elkaar te maken hebben. Wat heeft een toevallig gelezen zinnetje van Grunberg te maken met het effect dat de gedichten van de negentiende-eeuwse kluizenaar Emily Dickinson op me hebben? Wat is het verband tussen het Antwerps Liedboek uit de zestiende eeuw en liedjes over de Titanic of de vroege songs van Bob Dylan? Als schijnbaar zo verschillende dichters als Guido Gezelle en H.H ter Balkt zo veel dichten over het boerenleven, welke accenten leggen ze dan?

En wat beoefent u als u een essay schrijft: wetenschap of literatuur?
Een tussenvorm, denk ik. Hoop ik. In het beste geval: het beste van de twee. De helderheid en precisie van de wetenschap en de stijl en aantrekkingskracht van de literatuur. Niet dat ik dat kan, hè. Maar dat is wel het streefdoel.

In het openingsessay stelt u dat de dichter ‘zichzelf op het spel’ moet zetten. Dat is ongeveer wat bijvoorbeeld Ilja Leonard Pfeijffer ook zegt als hij oproept tot het schrijven van ‘gevaarlijke poëzie’. Bent u het ook met Pfeijffer eens dat de meeste hedendaagse Nederlandse gedichten inwisselbaar, overbodig en dus niet eens echt poëzie zijn?
Daar ben ik het niet helemaal mee oneens, al zal ik wellicht de laatste zijn om me vrijwillig onder het banier van Pfeijffer te plaatsen. Ik kan met de beste wil van de wereld niet zien wat er ‘gevaarlijk’ zou zijn aan zijn poëzie of wat hij op het spel zou zetten. Ik vind hem een formalist, in de slechte betekenis van het woord. Een ontzettend groot technisch vermogen, maar wat doet hij ermee? Rebussen maken voor gevorderden. Ermee uitpakken. Een beetje zoals een machine die ronkend in een museum zou staan. Indrukwekkend, maar waar dient het toe?
Ik zou mijn eigen poëzie ook niet snel gevaarlijk noemen. Gevaarlijk zijn gedichten alleen in dictaturen. Als er al ‘gevaar’ in het geding is, dan inderdaad ten opzichte van jezelf. Dat je dingen blootlegt die je niet meteen en al helemaal niet graag met jezelf zou willen associëren. Niet dat deze voor mij geldt (haha), maar hij maakt mijn punt wel: waar blijft het gedicht met de openingsregel ‘Ik ben een beul in het diepst van mijn gedachten’?
Ik vind het in alle opzichten van groot belang op zoek te gaan naar de blinde vlek. In je eigen redenering, in je gedrag, in je politieke of artistieke overtuigingen. Er zijn altijd dingen die je ontgaan, belangrijke dingen die je visie en houding zouden kunnen bijsturen. Ik ben op zoek naar manieren om tegelijkertijd radicaal en genuanceerd te zijn. De achterkant van het eigen gelijk onderzoeken zonder te vervallen in het nefaste relativisme dat suggereert dat alle meningen even valabel zijn.
Maar dus niet je zwakte cultiveren. Dat is waarom ik poëzie vaak zelfgenoegzaam vind: het cultiveren van ‘o wat ben ik klein en gevoelig’ en net daaraan je waarde te ontlenen. Een mier is ook klein en gevoelig, maar ik zou haar bezwaarlijk als rolmodel willen zien.

U noemt in uw boek Komrij een ‘man die van het belazeren der kluit met succes zijn hoofdbezigheid heeft gemaakt’. Wilt u dat eens uitleggen?
Een variant van mijn probleem met Pfeijffer. Buitengewoon virtuoos en talentrijk, maar volstrekt onkwetsbaar. Altijd superieur, altijd ironisch, altijd een retorische slag om de arm.

U beklaagt zich regelmatig over het niveau van het Nederlandse middelbaar onderwijs. Denkt u, nu de politiek het na de conclusies van de commissie Dijsselbloem eindelijk met u eens lijkt te zijn, dat het tij gekeerd is?
Als het nu niet gebeurt, wanneer dan wel? Sinds ik in 2005 in Nederland arriveerde, hoorde ik hierover eigenlijk alleen maar gelijkgestemden. Dat begreep ik niet. Als iedereen het zozeer eens is over iets, waarom doet de politiek dan niets? Nu weten we dus waarom. Omdat er eerst nog een commissie moest komen om vast te stellen wat iedereen al lang wist. Mij niet gelaten, hoor. Ik ben oprecht blij dat er nu een rapport ligt met deze conclusies.

Als u het voor het zeggen had, wat zou er dan op het gebied van de poëzie in ieder geval verplichte leerstof zijn?
Ik zou in het begin vooral heel lang de nadruk leggen op taalspel, omdat dat volgens mij het begin is van elk poëtisch gevoel. De ontdekking wat je met taal allemaal kunt. Kleine kinderen doen dat, maar leren dat al snel af. Ik zou die kinderlijke verwondering over taal dus zo lang mogelijk cultiveren.
En dan in een volgende fase leren hoe belangrijk vorm is, rijm, metrum en ritme. Kun je mooi illustreren aan de hand van Drs. P. En dan later Buddingh’ en Schippers en Van Ostaijen en Gorter: taalplezier en kijkplezier en luisterplezier. En hoe die in bijzondere poëzie samenkomen.
Later op de universiteit aandacht voor de breedte – dus ook liedjes en uitgesproken politieke teksten, bijvoorbeeld -, maar ook de grote namen uit de canon: Leopold, Nijhoff, Marsman, Minne, Lucebert, De Haes, Claus, Faverey…
Ook studenten Nederlands en Letteren lezen bijna nooit uit zichzelf een bundel. Wel eens een los gedicht of een bloemlezing, maar niet een hele, door de dichter bewust gecomponeerde bundel. Daar gaan we nu in Utrecht extra aandacht aan besteden: actuele poëzie. Kijk ik zeer naar uit.

In het slotessay van het boek betoogt u dat het directe genot van het lezen bij geroutineerde (beroeps)lezers veelal verdwijnt en plaatsmaakt voor een ander soort plezier: dat van het nadenken en schrijven over het gelezene. Betreurt u soms het gemis van dat ‘eenvoudige’ lezen, het gewoon ontspannen met een boek op de bank zitten, zonder pen en papier bij de hand?
Ja, dat betreur ik. Een beetje zoals Eva het vast betreurde dat ze van die appel had gebeten. Maar er is geen weg terug, hè.

Het achterplat van de bundel waarschuwt al: ‘de vraag of Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur moet krijgen, wordt hier niet beantwoord.’ Maar dan zijn we toch nieuwsgierig geworden!
Eerst Hugo Claus. En dan kunnen we nog eens praten.

Geert Buelens – Oneigenlijk gebruik. Over de betekenis van poëzie.
Vantilt, Nijmegen, 2008; 304 blz.; € 19,90
ISBN 9077503641
Interview met Saskia Waterman

Tussen geisha en Kabuki

 
Saskia Waterman (1982) studeerde Taal- en Cultuurstudies in Utrecht, werkt als desk researcher en begint binnenkort met de opleiding Illustratie aan een grafisch lyceum. Haar tekeningen en gedichten verzamelt ze op haar website www.hazeymaiko.com. Jeroen Dera sprak met haar over haar vervreemdende kunst en poëzie.

Je presenteert jezelf met veel verve op je website Hazey Maiko. Waar komt die naam eigenlijk vandaan?
Ik heb die naam destijds vrij achteloos gekozen voor mijn eerste e-mailadres. Een maiko is een leerling-geisha, en ‘hazey’ kan zowel mistig, verward als lichtelijk dronken betekenen. Geisha’s moeten van kindsaf aan een jarenlange training doorlopen in allerlei traditionele Japanse kunstvormen. Zelf voel ik me ook nog een leerling: ik ben er nog láng niet in het leven. Maar dat geeft niks: eigenlijk wil ik het liefst zo lang mogelijk een maiko blijven, een nieuwsgierige leerling die openstaat voor experimenten.

Je schrijft wonderlijke poëzie. Wat probeer je ermee over te brengen?
Vooral verwondering, denk ik. Ik ben van nature een observator, dat stille kind dat in een hoekje zit en stiekem alles volgt. En daar vervolgens zijn verbeelding op loslaat. Het begint vaak met een stemming waarin ik zit, een gesprek dat ik met iemand heb gehad, of een beeld of verhaal dat indruk op me heeft gemaakt. Ik schrijf eerst op wat me daar allemaal bij te binnen schiet en schaaf het daarna steeds meer bij. De verwondering zit hem in de bijzondere lading die alledaagse dingen of handelingen kunnen krijgen. Bijvoorbeeld de kop koffie die je geliefde ‘s ochtends voor je zet. Het kan zomaar tot een gedicht leiden.

Hoe herkennen we een gedicht van jouw hand? Met andere woorden: wat
zijn thematische en stilistische constanten?

Ik vervorm de werkelijkheid vaak tot een fantasiewereld. Levenloze dingen hebben de neiging om te gaan leven, mensen worden archetypes of vreemde wezens, dat soort dingen. Realisme zal ik nooit voor elkaar krijgen, ben ik bang. Aan de ene kant voel ik me daar nog niet volwassen genoeg voor: ik heb nog niet voldoende mensenkennis. Aan de andere kant heb ik gewoon veel te veel plezier in het gebruiken van mijn fantasie.
Wat de taal in mijn gedichten betreft, hou ik het graag eenvoudig. Ik ben pas sinds kort echt bezig te letten op mijn hoofdlettergebruik en interpunctie, en ben steeds zuiniger geworden met bijvoeglijke naamwoorden. Het liefst speel ik met de syntaxis. Ik vind het leuk om met grammatica te schuiven om te zien wat voor ritme eruit komt. Met ‘bij ademen blijft hij rechtop’ krijg je bijvoorbeeld iets heel anders dan wanneer je ‘hij blijft rechtop als hij ademt’ schrijft.

Welke literatoren beïnvloeden jouw werk?
Ik ben een groot fan van Tobias Hill, die prachtig beeldend proza schrijft. Ook schrijvers als David Mitchell en Haruki Murakami zijn grote voorbeelden. Ze mengen fantasie en werkelijkheid tot een geheel eigen, geloofwaardige wereld en vooral Mitchell weet daarbij allerlei stijlregisters open te trekken. Qua Nederlandse literatuur vind ik Mustafa Stitou en Menno Wigman erg mooi. Hun poëzie wordt gekenmerkt door rijke beeldspraak en een kalme toon. Als lezer diep je zelf de emotie en sfeer op uit hun gedichten: je kunt erdoor dwalen, omdat de dichter je niet naar een bepaald punt stuurt.

Je houdt niet alleen van dichtkunst, maar ook van beeldende kunst. Beïnvloeden die twee elkaar wel eens?
In mijn hoofd begint alles altijd met beelden. Soms worden ze woorden, soms tekeningen, soms allebei, in een strip. Daarin komen woord en beeld heel mooi samen. Ik ben erg blij met de toenemende belangstelling voor de strip als literair genre, al was het maar vanwege het groeiende aanbod in winkels. Maar zelf lees ik lang niet altijd strips die ‘literair’ zijn. Ik hou vooral van strips die me emotioneel raken en inventief met het medium omgaan. Dat kan een psychologisch diepgaand epos als Kabuki zijn, maar ook een hilarische soap als Scott Pilgrim.

Op je website schrijf je dat je gek bent op griezelen. Kun je dat nader specificeren?
Met fantastische middelen kun je veel over de werkelijkheid zeggen. Dat zie je vooral heel mooi in films. Eternal Sunshine of the Spotless Mind laat bijvoorbeeld zien hoe het is om tegelijk gekweld en gelouterd te worden door herinneringen aan een voorbije liefde. Of neem de verfilming van Crash van J.G. Ballard: mensen genieten ervan dat hun auto mooi is of sjiek, of stoer of juist schattig, alsof die auto een partner is. Maar tegelijk zijn het gruwelijke, levensgevaarlijke machines. Over de horrorfilm Cloverfield was ik zelfs zo lyrisch dat ik iedereen er de oren van het hoofd over heb gekletst. Cloverfield houdt zich aan de regels van het horrorgenre, maar is meer dan entertainment. De film laat je ook voelen hoe zinloos, rauw en willekeurig de dood kan zijn. En dat er soms niemand overblijft, dat er soms gewoon geen redding komt.

Je zegt niets te snappen van kapitalisme. Hoe zit dat precies?
Tja, er is zoveel aan de grote-mensen-wereld dat ik niet begrijp… Wat ik er eigenlijk mee bedoel, is dat ik een dromer ben en niet zo praktisch ingesteld. Ik maak voortdurend dingen, maar heb geen idee hoe ik ze het beste zou kunnen verkopen. Ik zou niet zo snel mijn werk naar een uitgever insturen. Tegelijkertijd ben ik gek op de DIY/smallpress scene van striptekenaars: zelf boekjes maken en die op kleine schaal aanbieden. De grote literaire spelers kijken volgens mij nogal neer op ‘uitgeven in eigen beheer’, terwijl dat onder striptekenaars juist wordt gewaardeerd.

Zou er dan minder neergekeken moeten worden op uitgaven in eigen beheer?
Lang niet alles wat in eigen beheer wordt uitgegeven – of dat nou een strip is of een boek – is goed. Maar dat kun je ook van de fondsen van uitgeverijen zeggen. Het verschil zit hem in het distributie-, recenseer- en promotienetwerk dat je tot je beschikking hebt. Meer aandacht voor ‘kleine publicaties’ in bijvoorbeeld (online) boekenbijlagen zou volgens mij nog de meeste kansen bieden om interessant werk uit eigen beheer een groter publiek te geven. En dat is soms broodnodig.