Onderzoeksverslag Meander Enquête 2006

Inleiding
Ter voltooiing van mijn stage voor de studie Cultuur & Letteren aan de Universiteit van Tilburg, heb ik in januari 2006 een enquête afgenomen onder de redactieleden, de auteurs en de lezers van het MeanderMagazine, dat elke twee weken wordt uitgegeven door Stichting Literatuursite Meander.
Het doel van deze enquête was te onderzoeken wat de mogelijke verschillen in literatuuropvatting zijn tussen drie vooraf bepaalde doelgroepen, te weten 1) de redactieleden van het MeanderMagazine; 2) de auteurs van het MeanderMagazine; en 3) de lezers van het MeanderMagazine. Om inzicht te krijgen in de onderlinge verschillen met betrekking tot de opvattingen over en verwachtingen van poëzie, heb ik besloten 3 verschillende versies van de enquête op te stellen teneinde de vragen zoveel mogelijk van toepassing te laten zijn voor de geënquêteerde. De enquête bestond uit open en gesloten vragen. Dit om zowel kwantitatieve gegevens te verkrijgen als kwalitatieve antwoorden te verzamelen.

Naast een inzicht krijgen in de literatuuropvatting, ook wel poëtica, van de onderzoekseenheid, heb ik me tot doel gesteld om, door middel van de enquête, de positie van een digitaal tijdschrift in het literaire veld te bepalen. Om, met andere woorden, te onderzoeken wat de gepercipieerde status is van een digitaal tijdschrift ten opzichte van een gedrukt tijdschrift. Daarnaast heb ik enigszins in kaart willen brengen wie nu eigenlijk de lezer van het MeanderMagazine is en wat hij of zij verwacht van Meander: een klein demografisch onderzoekje dat dienstbaar kan zijn aan de redactie van Meander bij het zo mogelijk vernieuwen van het magazine.
De doelstelling van mijn onderzoek is in de volgende drie onderzoeksvragen samen te vatten:

Wat zijn de (persoons)kenmerken van de lezer van Meander?

Wat zijn de verschillen m.b.t. de literatuuropvatting tussen de drie groepen binnen Meander?

Wat is het gepercipieerde verschil tussen een gedrukt- en een digitaal tijdschrift?

Op basis van deze enquête en een afzonderlijke literatuurstudie, heb ik besloten om, naast dit onderzoeksverslag, een beschouwend artikel te schrijven over de positie van het digitale tijdschrift in het literaire veld. Daarin komt onder andere aan bod wat het effect van de digitalisering op de inhoud van het literaire tijdschrift is en wat de positie van de nieuwe media ten opzichte van de literatuurkritiek is.
Dit artikel zal, wellicht ingekort, in Meander verschijnen.

Resultaten
De digitale enquête is opgebouwd uit een aantal vragen die, afhankelijk van eerder gegeven antwoorden en de betreffende versie, wel of niet op het scherm verschijnen. Van de drie doelgroepen zijn de redactieleden afzonderlijk gevraagd om deel te nemen aan de enquête. De auteurs en de lezers van het MeanderMagazine zijn via een extra aflevering van het magazine, die op 18 januari verzonden is, uitgenodigd deel te nemen aan de enquête. De laatste twee doelgroepen is gevraagd zelf te bepalen welke situatie voor hen het meest van toepassing is en vervolgens te kiezen voor een van de twee versies, de versie voor de auteurs of de versie voor de lezers.
In het MeanderMagazine van 29 januari, aflevering 285, is vervolgens nog een oproep verschenen om alsnog deel te nemen aan de enquête voordat deze gesloten werd op maandagavond 30 januari. In totaal hebben 16 redactieleden de enquête ingevuld, 67 auteurs en 272 lezers. De gemiddelde tijd die men nodig had om de enquête volledig in te vullen was 25 minuten. Onder de respondenten zijn in totaal 4 dichtbundels verloot; de winnaars, die op willekeurige wijze middels hun e-mailadres zijn gekozen, zijn in het MeanderMagazine van 12 februari, aflevering 286, bekend gemaakt.

De lezer
Vooraf dient opgemerkt te worden dat de enquête in totaal door 355 mensen werd ingevuld die tezamen slechts 7% van het totale aantal abonnees uitmaken. Eén lezer gaf in de enquête aan het magazine nooit te lezen: hoe die bij de enquête terecht is gekomen blijft een raadsel.

Voor zowel de redactieleden, de auteurs als de lezers geldt dat de verdeling man/vrouw nagenoeg gelijk is. Ook voor de leeftijd van de respondenten geldt ongeveer hetzelfde en kan vastgesteld worden dat de meerderheid tussen de 40 en de 60 jaar is. Bij de lezers is slechts 4% jonger dan 20 en 4% ouder dan 70 jaar. Voorzichtig kan hieruit worden afgeleid dat volwassenen boven de 40 jaar meer zijn geïnteresseerd in een literair tijdschrift dan zij die jonger zijn. Wat deze uitkomst eveneens laat zien is dat ook de generatie die zonder internet is opgegroeid nu wegwijs is op het wereldwijde web.
Verder kan over de lezers van het MeanderMagazine gezegd worden dat het een trouwe lezersgroep is aangezien 67% aangeeft elk nummer dat uitkomt te lezen, en 18% één nummer per maand leest. Onder de auteurs wordt door 73% elk nummer gelezen, en één op de vijf auteurs leest één nummer per maand. Deze vraag is om vanzelfsprekende redenen niet opgenomen in de versie voor de redactieleden.
De vraag aan de lezers wat de motivatie is geweest om zich te abonneren, wordt veelal beantwoord met ‘de interesse voor literatuur en poëzie’. Voor velen is het MeanderMagazine een ideale manier om op de hoogte te blijven van wat er in de literaire wereld gebeurt, wat er aan nieuws verschijnt en om daar iets meer over te weten te komen. Veel lezers geven aan dat vooral de gedichten in het magazine een aangename ontspanning vormen tijdens het werk achter de computer, dat ze erdoor geïnspireerd raken en dat het abonneren op Meander aantrekkelijk is door de online aanmelding en het feit dat het gratis is. Voor velen is het magazine een uitkomst omdat het kostenloos kwaliteit levert.
Van de verschillende rubrieken in het MeanderMagazine worden het proza en de interviews het minst gelezen: slechts 15% gaf aan de interviews wel eens te lezen en 14% van de lezers leest het proza dat verschijnt in het magazine. De gedichten worden het meest gelezen, gevolgd door de recensies.

Wat opvalt is dat 43% van de ondervraagde lezers aangeeft naast het MeanderMagazine geen ander literair tijdschrift te lezen. Dit geldt slechts voor ongeveer 20% van de redactieleden en de auteurs. Door hen die aangeven naast het MeanderMagazine nog andere literaire tijdschriften te lezen, wordt de Poëziekrant het meest genoemd; ook De Brakke Hond en Rottend Staal Online worden vaak genoemd. Onder de redactieleden wordt De Contrabas het meest gelezen. Het feit dat meer dan 20% van zowel de auteurs als de lezers aangeeft nog andere tijdschriften dan de in de enquête genoemden te lezen, geeft aan dat de lijst niet uitputtend genoeg is geweest. De tijdschriften Awater, Stroom, Lava, Opspraak, Dighter, Deus ex Machina en Krakatau werden vaak genoemd in de vrije antwoord ruimte *).

Poëtica
Het tweede deel van de enquête is bedoeld om zicht te krijgen op de poëtica van de ondervraagde, en om uiteindelijk vast te kunnen stellen of er tussen de drie doelgroepen opvallende verschillen bestaan wat betreft de algemene opvatting aangaande poëzie. Daartoe zijn allereerst een aantal vragen opgesteld die aftasten hoe de respondent het begrip ‘poëzie’ inhoudt geeft, wat ‘goede’ poëzie is, en waar hij of zij op let bij het lezen van poëzie. Ook is gevraagd naar het doel of de (maatschappelijke) betekenis van poëzie en de persoonlijke opvattingen daarover. Daarnaast is een deel van de vragen uit dit onderdeel van de enquête gericht op de gedichten die zo mogelijk door de respondent zelf worden geschreven. Zij die hebben aangegeven niet of nauwelijks zelf gedichten te schrijven, hebben dit deel automatisch overgeslagen.
Bij de vraag ‘hoe poëzie te omschrijven’ had de respondent verschillende antwoordmogelijkheden en konden er meerdere worden aangevinkt. Opvallend hier is dat bijna elk redactielid (88%) onder andere aangaf poëzie als kunstvorm te zien, terwijl de auteurs en de lezers poëzie in de meeste gevallen als ‘een beschouwend medium’ omschreven. Binnen alledrie de groepen maakte de keuzemogelijkheid ‘een maatschappij-kritisch medium’ 10% van het totaal aantal gegeven antwoorden uit. Hetzelfde gold voor de mogelijkheid ‘een vorm van vermaak’ voor zowel de auteurs als de lezers; bij de redactieleden gaf iets meer dan tweederde dit antwoord. Opmerkelijk is dat meer dan 30% van de lezers ook de omschrijving ‘een vorm van reiniging’ aanvinkte, terwijl deze omschrijving slechts door één op de vijf redactieleden en auteurs werd gekozen. In de ruimte om zelf een omschrijving van poëzie te geven liepen de (vaak zeer mooie) eigen bewoordingen zeer uiteen, maar de tendens in de antwoorden was dat poëzie vooral een gevoelsuiting is, een kunstvorm die op een mooie manier vorm en inhoud combineert, een spel met woorden en betekenis.
‘Goede poëzie’ is voor velen poëzie die verrassend en origineel is, maar aan de andere kant vooral ook technisch goed in elkaar steekt. Het moet ritmisch zijn maar ook de woordkeus bepaalt de kwaliteit ervan. Poëzie moet aanspreken wil het ‘goede’ poëzie zijn. Over deze criteria voor goede poëzie is nagenoeg iedereen het eens.
De vraag naar het ‘doel’ van poëzie is een open vraag die een variëteit aan antwoorden opleverde, waarvan een relatief veel voorkomend antwoord was dat poëzie juist géén doel heeft, of misschien zichzelf tot doel heeft. De rest van de eigen bewoordingen liep zeer uiteen maar veel gegeven antwoorden kunnen in de volgende termen samengevat worden: het doel van poëzie is expressie, bewustwording via originaliteit, de lezer raken in tal van emoties, schoonheid via taal concretiseren, en rust of ontspanning brengen. Vooral veel mensen omschreven het doel van poëzie als het op een originele manier de werkelijkheid of het alledaagse beschrijven zodat het de aandacht van de lezer krijgt. Poëzie werd vaak omschreven als een andere (kunstzinnige) manier van kijken, als eye-opener. Poëzie moet iets teweegbrengen bij de lezer en dat kan uiteenlopen van verbazing, vervreemding en verwondering tot bespiegeling, vermaak en herkenning. Eén van de vele mooie omschrijvingen wil ik u niet onthouden: het doel van poëzie is meer te laten zien dan ogen. Tussen de drie groepen respondenten zijn geen verschillen in antwoordtendensen te ontdekken.

De volgende vraag in de enquête is een vraag naar de individuele verwachtingen aangaande poëzie: wat verwacht de lezer en wat is de reden dat hij of zij poëzie leest? Ook hier zijn er geen grote verschillen in de antwoorden tussen de drie groepen ondervraagden; er is juist grote overeenstemming. Nog meer dan bij de vraag naar het doel, levert de vraag naar de verwachting eensgezindheid op en blijkt uit veel antwoorden dat poëzie gelezen wordt voor het herkenbare. Velen lezen poëzie om herkenning te vinden; velen lezen poëzie ook om juist een nieuwe kijk op de dingen te ervaren, om geïnspireerd te raken en aan het denken gezet te worden. Ook ontroering is een reden om poëzie te lezen voor velen, evenals vermaak in brede zin. Men wil schoonheid ervaren, geboeid en verrast worden. Kortom, herkenning, inspiratie, vermaak en verrassing zijn zaken die van poëzie verwacht worden.
Het gebrek aan consensus over het doel of de functie van poëzie blijkt ook uit de antwoorden op de vraag naar waar men zich het meest op richt bij de beoordeling van een gedicht. Van de antwoordmogelijkheden werd ‘op iets anders’ het meest gekozen (56% van de redactie, 32% van de auteurs, 29% van de lezers), wat aangeeft dat de gegeven keuzemogelijkheden niet uitputtend zijn geweest. Er tekenen zich echter wel verschillen af tussen de drie groepen en vooral de redactieleden verschillen over het algemeen van mening met de lezers. Meer dan 35% van de lezers geeft aan het meest te letten op de mate waarin de gevoelens van de dichter naar voren komen, terwijl deze optie door geen van de redactieleden gekozen werd. Binnen de concrete antwoordmogelijkheden richt de redactie zich het meest (25%) op ‘de mate waarin het gedicht zich tot de lezer richt’, tegenover 12% van de lezers die dit antwoord kiest. De aandacht van de auteurs is redelijk gelijkmatig verdeeld over de verschillende keuzemogelijkheden, met uitzondering van de mogelijkheid te letten ‘op de mate waarin het gedicht de werkelijkheid beschrijft, realistisch is’ (6%), maar deze optie is ook bij de redactieleden (0%) en de lezers (5%) niet erg in trek.
Bij de vervolg vraag naar wie, volgens de respondent, de beste interpretatie van poëzie kan geven, valt op dat de auteurs en de lezers in één op de vijf gevallen de lezer aanwijst, terwijl slecht 1 redactielid deze mening deelt. Over het algemeen echter zijn de meeste van mening dat er ‘geen verschil’ is tussen lezer en auteur als het gaat om het interpreteren van poëzie (redactie 82%, auteurs 65%, lezers 66%).
De vraag of poëzie in het algemeen als belangrijk wordt ervaren, werd met een volmondig ‘ja’ beantwoord door het merendeel. Er werd aangetekend dat poëzie niet broodnodig is en in die zin niet van levensbelang, maar dat het toch zeker een aanvulling op de eerste levensbehoeften is die het leven kleur geeft en het waard maakt om geleefd te worden. Velen gebruikten het woord passie of gaven aan dat poëzie een onmisbaar alternatief op de werkelijkheid vormt. Anderen omschreven poëzie als een belangrijk (talig) wapen in de strijd tegen de vervlakking.
De hier op aansluitende vraag of poëzie een maatschappelijke rol kan vervullen, zorgde voor een sterke verdeling. Niet zozeer tussen de groepen onderling maar eerder binnen de groepen respondenten. Vaak een krachtig ‘neen’ en haast even vaak een bevestigend ‘ja’. Maar de overgrote meerderheid legde de nadruk op het woord ‘kan': het zóu kunnen, maar dat vergt dan een actieve rol van die maatschappij. Pablo Neruda en Bertolt Brecht, evenals de stadsdichter van Antwerpen, werden vaak genoemd als voorbeeld van poëzie die een maatschappelijke rol kan vervullen: een dichter heeft een analytisch vermogen en kan, door een accurate verwoording van een maatschappelijk gevoel, een spiegel voorhouden. Of er vervolgens in gekeken wordt is ook afhankelijk van omstandigheden zoals maatschappelijke onrust. Opvallend vaak wordt de bewering dat poëzie een maatschappelijke rol kan vervullen kracht bij gezet door een verwijzing naar de (pop)muziek. Zij die deze stelling ontkrachten geven vaak als argument dat simpelweg te weinig mensen poëzie lezen; dat het wel een krachtig communicatiemiddel is, maar dat het te weinig mensen bereikt. Geëngageerde poëzie werd over het algemeen niet per definitie beter gevonden dan niet geëngageerde poëzie. Bij de redactie, de auteurs en de lezers maakt het voor respectievelijk 50%, 31% en 43% van de respondenten eigenlijk ‘geen verschil’ voor de kwaliteit of poëzie wel of niet geëngageerd is. Uit eerdere antwoorden bleek al dat poëzie een maatschappelijke rol kan vervullen, maar dat het er het liefst niet te dik bovenop moet liggen.
De vraag tenslotte of het dichterschap een gave is of aangeleerd kan worden, is nagenoeg unaniem beantwoord met de mening dat een zekere aanleg een voorwaarde is maar dat het daarna aankomt op ‘oefening baart kunst’. Dit laatste echter tot op zekere hoogte want zonder taalgevoel bijvoorbeeld zal hard werken nooit leiden tot grote poëzie. Noodzakelijkheden als techniek en een mate van belezenheid zijn aan te leren. Dichterschap is een gave die uitgebuit moet worden en dat is vaak een kwestie van bloed, zweet en tranen. Ook hier geen opvallende onderlinge verschillen tussen de redactieleden, auteurs en lezers.

Eigen gedichten
De hierop volgende 17 vragen in de enquête zijn gericht op de gedichten van de respondenten zelf. In totaal gaven 225 mensen aan regelmatig zelf gedichten te schrijven: 13 redactieleden (81%), 58 auteurs (87%), en 154 lezers (57%). De overige respondenten zijn automatisch naar het volgende onderdeel van de enquête geleid.
De eerste serie vragen handelt over het publiceren van eigen werk. Allereerst de wens tot publicatie in een gedrukte bundel of op het internet: 21% van de lezers geeft aan überhaupt geen wens tot het publiceren van eigen werk te hebben; voor de auteurs geldt dit slechts voor 2 respondenten. In het algemeen maakt het de respondent niet uit of zijn of haar werk in gedrukte of digitale vorm verschijnt. Slechts 1 redactielid, 1 auteur en 7 lezers geven aan uitsluitend op het internet te willen publiceren. Alle dichtende redactieleden geven aan daadwerkelijk gedichten te hebben gepubliceerd, tegenover 96% van de dichtende auteurs en 67% van de dichtende lezers. Bij de vraag wáár de gedichten zijn gepubliceerd zijn de antwoorden over de meerdere keuzemogelijkheden verspreid. Toch is de tendens dat meer mensen in een gedrukt medium hebben gepubliceerd dan via de digitale media.
Middels de enquête heb ik gezocht naar een antwoord op de vraag wat de dichter met zijn gedichten tracht te bereiken en hoe persoonlijk poëzie voor hem is. Op de vraag of hij of zij met een bepaald publiek voor ogen gedichten schrijft, antwoordde een tweederde meerderheid ontkennend. Ongeveer 80% van de respondenten, uit elke groep, gaf vervolgens aan wel eens gedichten te schrijven en die vervolgens aan niemand te laten lezen. Van de resterende 20% gaf vervolgens ongeveer 60% aan wel eens een gedicht te schrijven dat hij of zij nooit zou publiceren. Bij de vervolgvraag wat de dichter met zijn gedichten zou willen bereiken, blijkt uit de antwoorden dat het doel vaak binnen de persoon ligt: in alledrie de groepen zijn ‘De voldoening die het mij geeft’ en ‘Het verwoorden van mijn gevoelens’ de meest gegeven antwoorden. Het enige externe doel dat vaak genoemd werd is ‘De lezer vermaken’. ‘Een verandering bij de lezer teweeg brengen’ en ‘De lezer aanzetten tot handelen’ maakten als antwoorden respectievelijk 10% en 4% van het totaal aantal gegeven antwoorden uit. Onder de auteurs bleken er de meeste dichters te zijn die aangaven een verandering bij de lezer teweeg te willen brengen. Op de vraag wát zij dan zouden willen veranderen, antwoordden haast allen het wereldbeeld van de lezer positief te willen veranderen, hem of haar op nieuwe ideeën te willen brengen of met andere ogen te laten kijken.
Uit deze antwoorden kan geconcludeerd worden dat gedichten voor velen toch een zeer persoonlijke uiting zijn waarvan het doel niet zozeer buiten de dichter ligt. Op de vragen echter in hoeverre het schrijven van gedichten een noodzaak is of het geluk bepaalt, wordt voorzichtig geantwoord en tekenen zich duidelijke verschillen af tussen de verschillende groepen. De respondenten werd gevraagd bij de volgende stellingen op een vijfpunts-schaal aan te geven in hoeverre ze het daarmee eens zijn: 1) Het schrijven van gedichten is voor mij een noodzaak, ik zou niet zonder kunnen; 2) Het schrijven van gedichten bepaalt mijn geluk. Bij de redactieleden is 54% het ‘eens’ met stelling 1; 23% kiest voor ‘neutraal’. 38% Van de redactieleden is het echter ‘niet eens’ met stelling 2, 23% kiest ‘neutraal’, 31% is het er wel ‘mee eens’. Van de auteurs is 32% het ‘helemaal niet eens’ met stelling 1, 39% is het er ‘niet mee eens’ en 20% kiest ‘neutraal’ bij deze stelling. Op stelling 2 reageren de auteurs gematigd: 32% ‘niet mee eens’, 28% ‘neutraal’ en 28% ‘mee eens’. Hetzelfde gaat op voor de groep lezers: de tendens bij stelling 1 is overwegend ‘niet mee eens’ (34%), 25% ‘neutraal’ en 19% zelfs ‘helemaal niet mee eens’. Op stelling 2 reageert 33% met ‘mee eens’, 31% kiest ‘neutraal’ en nog eens 21% stemt ‘niet mee eens’. Het grote verschil tekent zich af bij stelling 1 tussen aan de ene kant de redactieleden, waarvan meer dan de helft het wél met de stelling eens is, en aan de andere kant de auteurs en de lezers waarvan meer dan de helft het niet of zelfs helemaal niet met de stelling eens is.

De volgende vragen gaan over het belang van feedback en erkenning, waarbij 54% van de redactieleden aangeeft veel belang aan feedback te hechten en ook overwegend veel belang aan erkenning door anderen. De auteurs en de lezers verschillen ook hier weer van mening met de redactie: 44% geeft aan dat feedback niet van groot belang is. Wat betreft de erkenning geven deze twee groepen aan dat het een grote noodzaak is. De vraag of de autoriteit van de beoordelende instantie van belang is, wordt door de redactieleden overwegend met ‘ja’ beantwoord. De auteurs en de lezers maakt dat, zo blijkt uit de antwoorden, minder uit, wat op z’n minst opvallend genoemd mag worden.
Tenslotte werd aan hen die zelf regelmatig gedichten schrijven gevraagd of zij van mening zijn dat die gedichten in het MeanderMagazine zouden passen. Wat algemeen doorklinkt in de antwoorden is dat het per gedicht sterk kan verschillen of het er wel of niet in past, maar dat Meander een merkbaar kritisch selectiebeleid voert wat betreft de selectie van gedichten, al ligt de lat niet al te hoog. Té vreemdsoortige of experimentele gedichten zouden volgens velen niet passen in Meander, iets wat door een aantal auteurs betreurd wordt. Meander wordt over het algemeen gepercipieerd als een conventioneel podium voor poëzie wat voor de één een uitkomst is en voor de ander te weinig uitdaging.
Bij de groep lezers klinken andere geluiden, veelal van onzekerheid en schuchterheid. Vele dichtende lezers geven aan te denken niet goed genoeg te dichten voor Meander. Over het algemeen luidt het antwoord dat de eigen gedichten wellicht nog even moeten rijpen alvorens ze aan de wereld te tonen. Een aantal lezers geeft aan in een genre te dichten dat niet in Meander terug te vinden is of zou passen. Weer anderen hebben niet de behoefte überhaupt met hun gedichten in het daglicht te treden. Er wordt aangegeven dat de gedichten die in het magazine verschijnen vaak een inspirerend effect hebben op de eigen dichtkunst. Maar ook onder de lezers zijn er enkelen die aangeven dat Meander te laagdrempelige poëzie publiceert en dat zij dit niveau al ontstegen zijn.

Het digitale tijdschrift
Het derde deel van de enquête gaat over de verschillen tussen digitale tijdschriften en gedrukte tijdschriften. Twee vragen, die enkel gesteld zijn aan hen die aangaven zelf regelmatig gedichten te schrijven, gaan over de rol van het internet en de mogelijke anonimiteit. Op de stelling ‘Internet maakt het voor mij eenvoudiger om een beoogd publiek te bereiken’, antwoordde 6 van de 13 redactieleden ‘mee eens’, 3 waren het er ‘helemaal mee eens’ en evenveel gaven aan het er ‘niet mee eens’ te zijn. Van de auteurs gaf 52% aan het er ‘niet mee eens te zijn’, evenals 36% van de lezers. Van de auteurs en de lezers koos respectievelijk 17% en 31% voor het antwoord ‘neutraal’, wat het verschil met de redactieleden onderstreept. Ook bij de stelling ‘De mogelijke anonimiteit in Meander of op het Internet is voor mij een drempelverlagend aspect om te publiceren’ kwam dit verschil naar voren: de meerderheid van de redactie was het hier niet mee eens, terwijl de auteurs en de lezers aangaven dat dit toch overwegend wel het geval is.
Vervolgens de verschillen tussen een gedrukt en een digitaal tijdschrift die in verschillende vragen onderzocht zijn. De vraag naar het verschil tussen deze twee media leverde vooral het antwoord op dat het tastbare van een gedrukt tijdschrift nauwelijks te vervangen is door de voordelen van een digitaal tijdschrift. Een beeldscherm koester je niet zoals een tijdschrift dat je bijvoorbeeld mee kunt nemen naar de WC of in de trein. De geur van verse inkt , de waakzaamheid van een tijdschrift op het nachtkastje en het gemak van heerlijk lezen in de tuin zijn voordelen die niet worden overtroffen door de multimedialiteit van de digitale variant. Het wordt op prijs gesteld dat gedichten te beluisteren zijn via de digitale krant of dat het archief van het MeanderMagazine geen fysieke ruimte in beslag neemt, maar de algemene tendens is toch (nog) dat die eigenschappen het niet halen bij het geduldige papier dat nog steeds de status heeft ‘echter’ te zijn. Toch valt op dat 35% van de auteurs en 31% van de lezers aangeeft ‘geen verschil’ te ervaren bij het lezen van een gedrukt of een digitaal tijdschrift. De meerderheid echter laat weten het niet prettiger te vinden om een digitaal tijdschrift te lezen in vergelijking met een gedrukt tijdschrift: 81% van de redactie, 61% van de auteurs, en 55% van de lezers. De resterende 41 respondenten geven de voorkeur aan een digitaal tijdschrift wat betreft de leesbaarheid.
Of er een verschil in status is tussen de twee media, wordt door de meerderheid bevestigend beantwoord: ‘ja’ zegt 75% van de redactie, 73% van de auteurs, en 65% van de lezers. Bijna 100% van hen die deze mening uitten geeft aan dat het gedrukte tijdschrift een hogere status heeft; slechts 4 lezers achtten de status van een digitaal tijdschrift hoger. Het verschil in status zit volgens 25% van de redactie in de ‘vakkundigheid van de redactie’ en volgens 50% onder anderen in ‘de kwaliteit van de gedichten’. Volgens de meerderheid van de auteurs geldt hetzelfde en zit het verschil in deze twee aspecten. Volgens de meeste lezers echter zit het verschil in status voor een groot deel in de layout, met op de tweede en derde plaats evens de ‘kwaliteit van de gedichten’ en ‘de vakkundigheid van de redactie’. De ‘kwaliteit van de medewerkers/journalisten’ en de ‘inhoud van de recensies’ doen volgens de meerderheid niet onder voor die van een gedrukt literair tijdschrift. Volgens velen echter zit het verschil ‘in nog iets anders’ en moet geconcludeerd worden dat de gegeven mogelijkheden niet afdoende waren.
De volgende vragen in de enquête gaan over de invloed van de digitalisering op de inhoud van een literair tijdschrift, of, anders gezegd, of een digitaal tijdschrift per definitie ook een andere inhoud heeft. De eerste vraag, ‘Bestaat er volgens u een verschil tussen gedichten die in een gedrukte bundel verschijnen en gedichten die in het Meander Magazine, als zijnde een digitaal tijdschrift, worden gepubliceerd?’ , wordt terecht van enige kritiek voorzien: de vergelijking tussen een bundel en een tijdschrift heeft implicaties die losstaan van het gegeven dat het tijdschrift digitaal is. Toch zijn de antwoorden interessant aangezien velen erop wijzen dat het verschil tussen gedrukt en digitaal onder andere schuilt in het feit dat bij een gedrukt product niet alleen de redactie maar ook de uitgever zeggenschap heeft over de uitgave. Bij een digitaal tijdschrift heeft de redactie wat dat betreft alleenheerschappij. Een tweede verschil dat door een meerderheid wordt onderstreept is dat het papier meer eeuwigheidswaarde lijkt te hebben, dat digitaal vluchtiger is en sneller in de (digitale) prullenbak verdwijnt. Ook wordt opgemerkt dat het internet meer ruimte heeft en de selectie dus minder streng hoeft te zijn. Een groot aantal respondenten geeft echter ook aan geen verschil te ervaren: poëzie is poëzie.
Iets anders echter bleek uit de reacties op de stellingen ‘Dat het MeanderMagazine een digitaal tijdschrift is hoeft geen invloed te hebben op de kwaliteit van de gedichten die erin gepubliceerd worden’ en ‘Dat het MeanderMagazine een digitaal tijdschrift is hoeft geen invloed te hebben op de kwaliteit van de recensies die erin gepubliceerd worden’. Enkel de redactieleden zijn het met deze stellingen ‘eens’ of ‘helemaal mee eens’, terwijl meer dan 70% van de auteurs en meer dan 80% van de lezers het ‘niet met deze stellingen eens’ is of het er zelfs ‘helemaal niet mee eens’ is. Hieruit zou toch geconcludeerd mogen worden dat volgens de auteurs en de lezers de digitale aard van Meander wel degelijk invloed heeft op de inhoud.

Tot slot is de vraag gesteld of de respondent iets mist in het MeanderMagazine of dat hij of zij vindt dat er iets verbeterd kan worden. Allereerst valt op dat er veel positieve reacties zijn op het magazine en er wordt zelfs voorgesteld het MeanderMagazine vaker te laten verschijnen. Het gratis tijdschrift is voor velen een uitkomst om in financieel krappe tijden toch op de hoogte te blijven van de literaire actualiteit.
Daarnaast zijn velen van mening dat er iets meer durf getoond zou mogen worden op het gebied van de gedichten die worden geselecteerd. Daarnaast zou er voor sommigen meer aandacht voor bekende auteurs mogen zijn. De layout zou volgens een grote meerderheid beter kunnen, en mogen worden aangevuld met meer foto’s. Wat vaak wordt opgemerkt is dat het jammer is dat een reden tot afwijzing voor de ingezonden gedichten ontbreekt: meer feedback zou inspireren tot het verbeteren van de eigen inzendingen. Velen missen ook een poëzie-competitie die bijvoorbeeld de overbodige proza-rubriek zou kunnen vervangen. Wat betreft de inhoud is de algemene mening dat er méér gedichten in zouden mogen en dat de artikelen in hun totaliteit zouden mogen worden gepubliceerd in plaats van met de huidige verwijziging naar het hele artikel. De inhoudsopgave zou mogen worden uitgebreid en interactief kunnen verwijzen naar de verschillende artikelen.

Conclusie
De bedoeling van de enquête met bovenstaande resultaten is uiteindelijk geweest drie onderzoeksvragen te beantwoorden. Allereerst de vraag naar de kenmerken van de groep lezers van het MeanderMagazine, waarvan nu gezegd kan worden dat die bestaat uit een gelijke verdeling mannen en vrouwen, overwegend in de leeftijd van tussen de 40 en 60 jaar. Meer dan de helft daarvan geeft aan zelf ook gedichten te schrijven maar deze nog niet rijp genoeg voor het magazine te vinden of geen behoefte te hebben aan het publiceren ervan.
Door de enquête aan drie verschillende groepen voor te leggen, te weten de redactieleden, de auteurs en de lezers van het MeanderMagazine, is getracht inzicht te krijgen in de onderlinge verschillen wat betreft de poëtica. Daarvan kan gezegd worden dat de verschillen voornamelijk naar voren komen tussen, aan de ene kant, de redactie en, aan de andere kant, de auteurs en de lezers. Met name bij de omschrijving van poëzie, bij de vraag of het schrijven van poëzie noodzakelijk of geluk bepalend is, en bij de vraag of digitalisering invloed heeft op de inhoud van een tijdschrift, is dit verschil in opvattingen gebleken. Ook wat betreft het belang van feedback, de autoriteit van de beoordelende instantie, en het laagdrempelige karakter van internet is er sprake van een scheiding tussen deze groepen. De overeenkomsten tussen de auteurs en de lezers zijn wellicht te verklaren door het feit dat de categorisering is overgelaten aan de respondent zelf, waardoor het onderscheid tussen een auteur en een lezer niet aan de hand van bepaalde criteria is bepaald. Toch blijkt uit antwoorden op verschillende vragen dat er zich weldegelijk verschillen aftekenen en er dus gesproken kan worden van, in totaal, drie verschillende groepen respondenten.
Zij die zelf gedichten schrijven geven aan dit schrijven als iets persoonlijks te zien waar niet per se een publiek bij hoort. Het publiceren van eigen werk mag zowel digitaal als gedrukt.
Het doel en de verwachting van poëzie liggen dicht bij elkaar en sluiten op elkaar aan. Een reden hiervoor zou kunnen zijn dat het merendeel van de ondervraagden zelf gedichten schrijft en in die zin doel en verwachting op elkaar af kan stemmen. De verscheidenheid aan antwoorden over de invulling van dat doel laat in ieder geval zien dat poëzie geen absoluut of universeel doel dient. ‘Goede’ poëzie moet verrassend en technisch goed zijn. Poëzie wordt over het algemeen gelezen voor het herkenbare. De algemene mening is dat poëzie een maatschappelijke rol zou kunnen vervullen maar dat dit met name een actieve rol van de maatschappelijke actoren vergt. De dichter wordt een analytisch vermogen toegedicht dat hem in staat zou stellen een maatschappelijke communicatie op gang te brengen.
Bij het onderzoek naar de verschillen tussen een digitaal tijdschrift en een gedrukt tijdschrift, is gebleken dat er nog steeds een verschil in status is waarbij het gedrukte tijdschrift de hogere status geniet. Het papier heeft een grotere eeuwigheidswaarde in vergelijking met het vluchtige digitale. Toch worden er veel voordelen van het digitale tijdschrift genoemd en klinkt ook het idee ‘poëzie is poëzie’ door in de antwoorden: het aangename van papier is dus ook een kwestie van gewenning. Het grote verschil zit nog in de tastbaarheid en de mobiliteit van een gedrukt tijdschrift. Zodra een computer niet meer misstaat op het nachtkastje zal wellicht het verschil tussen gedrukt en gedigitaliseerd verdwenen zijn.

*) Door een technische fout bij deze vraag werd velen gevraagd naar welke andere tijdschriften zij dan nog meer lazen, terwijl zij hadden aangegeven dat niet te doen.

(1) "Lees maar, er staat niet wat er staat"

Deze illustere regel van Nijhoff wordt vaak geciteerd als men het over poëzie heeft. Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
Joris Lenstra

Deel 1

‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ — en daarom nodigt een goed gedicht uit tot herlezen. Maar de criticasters – zij die rijmpjes en versjes maken – voegen daar haastig aan toe dat dit herlezen moet gebeuren onder het oog, en het liefst mét het oog, van de schoolmeester. Goede poëzie is een puzzel van woorden. Ja maar, zo brengt men er dan tegen in, wel een puzzel van woorden mét artistieke intenties. Poëzie is bovenal géén brok emoties. Het is geen performance. Geen mens. Geen kunstenaar. Het is een werk van taal dat op zichzelf kan bestaan, van alle kanten aangevallen wordt, en zich weet te verdedigen. Dat is poëzie.

Dit is één opvatting, vooral talig van aard. En ten dele is deze juist. Een gedicht staat uiteindelijk toch op zichzelf op papier tussen de kille bladeren van een boek in zwarte letters tegen een stil-witte achtergrond. De auteur is begraven. De uitgever is failliet. Het pr-bedrijf is opgedoekt. Dat is het lot van het gedicht. Had het maar geen gedicht willen zijn.
Maar… de naam van de maker dan, rechts of links eronder gezet, al dan niet met jaartallen? Die naam, die het gedicht moet rechtvaardigen of soms zelfs beschermen, die naam zegt alleen iets als de lezer hem kent en achting ervoor heeft. Anders heeft hij geen waarde. Alleen de woorden van het gedicht, de bouwstenen, zijn universeel. En op die basis blijven ze communiceren met deze of gene die de bladzijden openslaat. Althans, afgezien van de kwijnende invloed van de taalinquisitie, plaatselijke dialecten en modieuze, journalistieke uitingen.
Kortom, het gedicht moet het uiteindelijk doen. In z’n eentje. Jaarlijks worden zo vele eenlingen aangevallen door lezers van diverse pluimage. Vaak in de schoolbanken en bibliotheken, maar soms ook er buiten. Al dan niet moedwillig, en al dan niet succesvol. Het eerste wapen in de strijd is het woordenboek. Juist omdat dichters veel gelezen hebben en zo een breed en diep vocabulaire bezitten, eisen zij van hun lezer niets meer dan hetzelfde.
Door de noodzakelijke beperkingen van tijd en ruimte in een gedicht, is de werkelijkheid van een gedicht altijd intensiever dan de werkelijkheid eromheen; zowel de werkelijkheid waarin het gelezen wordt als die waaruit het ontstaan is. Een gedicht is eigenlijk samengebalde energie omgezet in woorden. Een intensieve constructie van woorden. En om dat te verkrijgen, moeten die woorden intensief gebruikt worden. Nu kan de lezer hier natuurlijk niks mee, behalve dan zich schrap zetten en inzien dat een woordenboek onontbeerlijk is.

Wanneer je zo naar een gedicht kijkt, begrijp je niet waarom mensen zich überhaupt nog ervoor zouden inspannen. Waarom zouden ze een talige puzzel willen ontrafelen waarachter zich louter fictie schuilhoudt. Ze zullen er geen persoon ontmoeten. Niemand. Niets. Ze kunnen geen prijs winnen met de juiste oplossing, want die is er niet. Dat is zelfs één van de eigenschappen van het betere gedicht, zo krijg je te horen. Je zou er niks van gaan snappen.
De schoolmeester heeft zijn excuus. Het gaat immers om het doorgeven van het erfgoed of het behouden van de cultuur. Maar de andere lezers? De studenten, de geïnteresseerde jongere, de oudere man of vrouw op vrijdagmiddag met een boekje open gezeten in Arte et Amicitae? Waarom wagen zij zich eraan? Wat ligt er in die woorden verstopt dat de ijverige scholier zo moet zoeken? Welke schat ontgaat klaslokalen vol glazige ogen?

Ik zou het eerlijk gezegd niet kunnen zeggen.
Laat ik maar meteen al mijn glazen ingooien door te beweren dat er niet zoiets is als de poëzie. Stel het je eerder voor als een groot grijs gebied op een kaart, een ‘blob’, waarbinnen zich gedichten in allerlei soorten en maten ophouden. De grenzen veranderen constant. Zo struikelen sommige gedichten eruit om in de regio van ‘experimentele proza’ te vallen. Om tientallen jaren later weer verwelkomd te worden en zelfs een plaats nabij het middelpunt te krijgen. En eigenlijk is er niet één middelpunt. Iedere stam heeft zijn eigen idolen en voorkeuren, en vormt zo een eigen middelpunt met om zich heen een constellatie van zorgvuldig uitgekozen dichters en dichtwerken.
En er zijn gedichten die sterven, gelijk mensen. Die vergeten worden. Of vergaan. De laatste papyrusrol opgegeten door een scarabee. Een onfortuinlijke kerkbrand. Dichtregels geschreven in een inmiddels vergeten taal. Of wat prozaïscher: een harddiskcrash of het laatste manuscript meegegeven aan een slecht functionerende TPG-medewerker. Wist u veel. Dat de kunst voor eeuwig zou zijn, is een grote leugen. Maar het is wel echt iets voor de poëzie om het te beweren. Waarom: zijn het haar pretenties om eeuwig te willen bestaan? Nee, dat is het niet. Taal is niet eeuwig, mensen zijn niet eeuwig. Nee. Het is de pretentie van de poëzie om te liegen. Sterker nog, het is een van haar grootste prestaties.

En nu komen we ergens. We hebben gezien wat ze allemaal niet is en niet doet. Maar één ding doet ze dus wel, en met verve: liegen.

De leugen is eigen aan de literatuur in algemene zin. Er is een ongeschreven verbond tussen de lezer en de literatuur dat de talige wereld als waar aangenomen zal worden. De lezer beeldt zich het boek in dat hij of zij leest. De toeschouwer verbindt zich met het toneelstuk dat opgevoerd wordt. En in deze actieve handeling vindt een klein wonder plaats. De leugen, de fictie, het universele woord, is plotseling waar geworden, realiteit en persoonlijk.

De poëzie zou echter de poëzie niet zijn als ze zou het hierbij zou laten. Vrouwelijk als ze is, wil ze meer en rammelt dan ook hard aan de woorden zelf om ze te laten liegen. Door middel van overdrijvingen, tegenstellingen, beeldspraken stelt zij van alles in het werk om aan de waarheid te ontkomen. Waarom zij hier toch zo intensief mee bezig is, daar kom ik in een later deel op terug.
Wel is liegen een menselijke eigenschap en een teken van hoge intelligentie. Liegen is, dankzij het christendom, een van onze meest ondergewaardeerde karaktertrekken. Niemand wil graag in zijn gezicht belogen of opgelicht worden. We zouden er uiterst wantrouwig en mensenschuw van worden. Maar voor een vakkundig uitgevoerde leugen heerst bewondering. De gecultiveerde leugen in optima forma hervindt zich in de poëzie.

Zoals we eerder hebben gezien haalt de leugen van de poëzie zijn kracht uit het feit dat de lezer in de leugen gelooft en haar rechtvaardigt. In deze totale overgave van de lezer aan het gedicht wordt een capaciteit van het gedicht getoond die in iedere vakkundige leugen terug te vinden is: de capaciteit om iemand te hersenspoelen. Alles wat je tot dusverre als werkelijk hebt aangenomen, blijkt een leugen te zijn, een fata morgana. Een poëtische realiteit. Op het moment dat de lezer stuit op een onbegrepen wending, of een onlogische of onverwachte gedachte, stopt de ‘flow’ van het gedicht. De lezer krabt zich achter zijn oren, staat op, klopt het stof van gisteren van zich af en gaat opnieuw lezen. Maar dit maal aandachtiger, en met meer overtuiging voor de woorden. Hij sluit zich niet meer af voor het gedicht, maar opent zich ervoor. En op die manier staat hij de werkelijkheid van het gedicht toe om voor een moment zijn eigen werkelijkheid te overstemmen. Hij gaat kijken met de ogen van de dichter. En dit is gevaarlijk.

Plato wist dat en gooide alle kunstenaars en dichters zijn staat uit. En hij kon het weten. Het ideale model dat hij zijn burgers wou voorschotelen was ook zeer poëtisch. Hij kon daarom geen concurrenten dulden.

In deel twee zal ik ingaan op de relatie tussen poëzie en dat andere circus: de politiek.
De feiten en de cijfers

Waarom schrijven?

Meander bestaat tien jaar.
Toen we vijf jaar bestonden hielden we een enquête onder iedereen van wie in de daaraan voorafgaande vijf jaar werk was gepubliceerd in Meander. De vraag waar het om draaide was ‘Waarom schrijf je?’
223 personen werden aangeschreven. 98 personen vulden het ‘formulier’ volledig in. Een flinke hoeveelheid gegevens dus.
De enquête en de daarvan gepubliceerde resultaten hadden uiteraard geen enkele wetenschappelijke pretentie. Er is dan ook geen conclusie getrokken uit het onderzoek. Alleen al niet, omdat het niet eenvoudig was een algemene lijn te vinden in alle antwoorden. Zoveel (amateur)schrijvers, zoveel motivaties, zou je bijna kunnen zeggen.
Wie zich echter een beeld wil vormen van wat al die mensen die verhalen en gedichten schrijven nu toch eigenlijk bezielt, vindt in de Meanderaflevering waarin de resultaten werden gepubliceerd heel interessant (studie)materiaal.

Daarom brengen we via deze link de aan deze enquête gewijde extra aflevering van Meander nog eens onder de aandacht.
Smikkelen in alle denkbare variaties

De adventskalender

Een bontgekleurde prent, zo’n plaatje waar kinderogen uren in kunnen dwalen. Met huizen, ramen, deuren. En op elk raam, op elke deur een cijfer, van 1 tot en met 24. De dagen in december voor het kerstfeest. En als je zo’n deurtje, zo’n luik openmaakt, elke dag één, is daarachter iets verborgen. Vroeger plaatjes, later zoetigheid.
Twee jaar geleden schreef ik volgens dit model elke dag een korte tekst, een vignet. Telkens met gefingeerd snoepgoed als thema. Het ging daarbij niet om de smaak, of om de exacte beschrijving, maar om het snoeperige gevoel dat bij het lezen wordt opgewekt. Het was een vorm van écriture automatique, en omdat ik het in een Duitstalige omgeving schreef, was mijn taal door het Duits geïnspireerd, met de nodige associatieve uitstapjes naar belendende talen en culturen, om door middel van deze onscherpte het dromerige aspect te versterken.
Snoepgoed en koekjes vormden het basisthema, omdat de adventstijd van oudsher is verbonden met het bakken van trommelsvol met lekkers. En misschien ook, omdat door de gedachte aan zulke lekkernijen het snelst een verbinding met smikkelen in alle denkbare variaties wordt gelegd.


Adventsbaeckerei:

altmodisches blunzengebaeck mit rosa zuckerglasur
garbstriezel
reusamenhoernchen
ratterfedern (feierliche)
baeuchle voll!


karmominen

karmominen da!
in glas auf der theke,
schliffdeckel daneben
(farbige, federige)
vorsicht bei beruehrung
brennstechen auf finger
und polyfonzetern
fuer erwachsenenstimmen


rautenspeck

rautenspeck
(hellgelb und rosa)
sehr fein gezuckert
wenn zwischen zaehne gezogen
zieht es faeden


raïssaschaum

raïssaschaum
ueberbordend
mengenmaesig massig
rosa flockend wolkend
aus toepfe steigend
substanzig fluffig
kuechentuere fenster aufdrueckend
sich breit machend
ueberquirlend
strassenschluchten fuellend
stadtviertel einhuellend
zuckerwattig gut


oermeln

oermeln!
kennst du sie noch?
die echte gerippte
solche kleine kissenfoermige
pastellfarbige leckerdingen
hart, klebrig
zungenspitzenverwoehnend
alles spaetere sinnliche
vorwegnehmend


kartauserlocken

kartauserlocken
bernsteindurchscheinend sind sie
gotisch gedrechselt
zum anlutschen lang
tropfsteingebilden
aus zuckerhoehlen geerntet
sind sie auf dem markt
geht ein raunen durchs dorf


zimtniesel

braunschneeaehnlich
liegt es flockig
auf buecher, auf hefte
auf tischplatten
es wirbelt hoch bei jeder bewegung
(drin tauchen, wuehlen, besinnungslos?)
zimtniesel
nur an einem tag im ganzen jahr,
bloss welcher?


botterdeern

botterdeern
es sind solche knuesperduenne schmetterlinge
und schraeg drueber geschaut
scheint es eben
alsob sich baeckchen leicht erroeten
in diesem augenblick zubeissen, wirklich, da schmecken sie am besten


wieveken stempeln

aus bretter wird die mulde gestochen
dunkelbraun sind sie nach jahrhundertelanger teig und gewuerzberuehrung
alles hier riecht nach handwerk
der ernst des meisters
die hand die die mengen kennt
das auge, das immerfort die konsistenz prueft
und dann ist es so weit
die masse wird in den mulden gestrichen
und was erst nur noch gelblicher teig war, wandelt sich froehlich in
archaische formen und figuren
reiter sind dabei, stolze haehne
und natuerlich, die roeckenweiber, denn so sagt man es hier: wieveken
stempeln


schabrackenohren

schabrackenohren
spitze gibt es (die helle)
und runde (die dunkle)
teig wird um einem kleinen stab gerollt
und so in hantelfett ausbacken
das innere gefuellt mit einer zarten,
kremigen mischung aus datteln sahnesteif und kandiertem


rochusthaler

rochusthaler
ein netz voll!
achte auf diesen sonderwerten
25 und 2,50 auch
wie sie schmecken?
beiss doch zu
sei nicht schuechtern
(hinweis: besser als florentiner,
ce sont des vrais mendiants)


witwentrost

witwentrost
(volksmund oh volksmund!)
und dabei ist es nicht sosehr form
sondern vielmehr geschmacksache
denn, wer dies einmal im mund hatte
einmal zungenumrundend kostete
will nie mehr was andres
(die originalen kommen aus monschau,
du weisst wohl,
in der packung mit lustigen traumsymbolen)


jultidden

wenn die jultidden aufgetischt werden
ist das ein untrueglisches zeichen dafuer
dass das fest naeher kommt
der fjord zugefroren sein wird
und eine klarheit herrscht
die die glocken vom andern ufer
bis hier klingen laesst
das besondere tischtuch kommt aus der truhe
die stickereien an den balken
noch einmal ein besen durch die bude
draussen wird schnee von stiefel gestampft
ja, gleich kann´s anfangen


marellen

marellen oder labyrinthwaffeln
auch wohl himmel hoellespeis genannt
sehr einfach zu backen und ergiebig
wichtig dieser vanillenteig
und die richtige menge rebhuhneier
(markant: wegen des obligatorischen liedes
marelle marelle, wer trinkt von meiner quelle,
kommt man beim verspeisen von diesen waffeln auf altbewaehrter art,
naemlich vom fach zu fach huepfend,
nicht drum herum, mit vollem mund zu reden!)


rallenbrot

rallenbrot
es ist fremd
aber wer es isst
fuehlt sich
leichtfuessig
oder besser noch
lockerkrallig
und scheint mit gruenen
scharfnaegeligen fuesse
ueber seerosenteiche
zu stapfen
und an schilfhalmen hochzuklettern
ein tiefes rohrdommelsummen im hals
und morgenstille aufs wasser
das plaetschern von riemen
leiseschaukelkahn
erstaunlich
was ein bissen von diesem gebaeck bewirkt!