Meander
log
Meander >

Meander Magazine >

Klassiekers >

 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Vannacht van Frieda Snel * Nader bekeken door Herbert Mouwen
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=1800
door Herbert Mouwen op 22-02-2006
Vannacht

Vannacht een brief geschreven, deze.
Was eruit geweest, zag op het bed

een lichtstreep waar je had gelegen.
Legde hem weg, kon het gordijn niet beter

sluiten, telde gezwichte jaren in zuchten,
slikte het dwingend gedraai, als koudvuur

bevroren mijn handen, mijn vuisten. Niet
laten lezen, de gedachten verscheurd.

Frieda Snel (1943)


Het gedicht 'Vannacht' lijkt de weergave van een strijd tussen het materiële en het immateriële, lijkt het zoeken naar een antwoord op de vraag: moet je een gedachte, een gevoel vastleggen om het te kunnen tonen aan de ander, of zijn er gedachten die je maar beter voor jezelf kunt houden. 'Vannacht' is de verbeelding van een crisismoment dat we allemaal wel kennen, dat we allemaal te lijf gaan, maar waar we vrijwel nooit als overwinnaars uitkomen. Integendeel, het levert ons meestal niets op en wanneer de nacht voorbij is, worden we weer geconfronteerd met de keiharde werkelijkheid van alledag. Beter: van overdag.

De nacht is er om rust te nemen, je even terug te trekken in je gedachten, te slapen. Maar het verkrijgen van deze verdiende rust is slechts voor weinigen weggelegd. Het zoeken naar rust leidt voor tallozen tot onrust en onzekerheid, tot handelen dat even later nog in diezelfde nacht als zinloos wordt ervaren. Een brief wordt geschreven, dat wil zeggen 'deze'. Een gedicht dus, maar als het gedicht geschreven is, komt de schrijver tot de conclusie: 'Niet laten lezen'. Waarom schrijf je dan gedichten? Om ze niet te laten lezen? Dat kan. Waarom zou je je gedichten laten lezen aan een ander. Maar fascinerend is de laatste zin: 'De gedachten verscheurd'. Zijn de gedachten verscheurde gedachten in de betekenis van deerniswekkende of gruwelijke gedachten? Of heeft de dichter zijn gedachten verscheurd, al dan niet door de brief te verscheuren? Het gedicht heeft een schijnbaar gesloten einde, maar gedachten zijn immaterieel en zullen er voor de dichter altijd zijn. Gedachten gaan nooit verloren.

Het gedicht is in een opvallende stijl geschreven. De 'ik' als onderwerp is nergens gerealiseerd, dit levert een telegramachtige, verslaggevende stijl op van het gedicht. Het gedicht krijgt hierdoor een heel eigen ritme. Dat ritme wordt door het beginrijm en de assonanties (sluiten – slikte) versterkt. De ee-klank overheerst in het begin, later is het de i-klank: gezwichte – slikte – dwingend. Deze stijlmiddelen blijven mooi verborgen in het gedicht. Ze zijn niet expliciet aangebracht, want dan werken ze storend op de lezer.

Een belangrijke vraag is of de ik-figuur het bed is uitgegaan, omdat een lichtstreep op het bed hem inspireerde tot het schrijven van een gedicht of dat hij de streep na het schrijven bij toeval waarnam. Anders gezegd, kun je na 'geweest' het woordje 'omdat' of 'en' inlassen?

Bijna elke versregel is op meerdere wijzen te interpreteren, zelfs 'Legde hem weg' kan verbonden worden met de 'lichtstreep' in plaats met de voor de hand liggende 'brief'. Niet dat ik aan de eerste mogelijkheid vasthoud, maar het roept een extra spanning op wanneer de interpretatiemogelijkheden zich als een breed uitgespreide waaier aandienen.

De ik-figuur is niet in staat het gordijn beter te sluiten. Dat heeft tot gevolg dat de lichtstreep niet verdwijnt en dat hij degene die naast hem in bed heeft gelegen niet kan 'wegstrepen' of misschien wel 'verdonkeremanen'. Deze persoon is er en is dus niet uit zijn gedachten te bannen. Om nog maar niet te spreken over de bijbetekenis van 'het gordijn sluiten' in de richting van 'het verleden vergeten', 'het boek sluiten' e.d. Het is blijkbaar niet mogelijk je volledig af te sluiten van de werkelijkheid. Altijd weet het licht binnen te dringen en houdt contact met je, ook in de nacht, wanneer er amper licht is.

De ik-figuur telt de jaren die voorbij zijn – 'zwichten' in de betekenis van 'wijken' – in het aantal 'zuchten' dat hij laat. De frase 'slikte het dwingend gedraai' roept door de woorden 'slikken', 'dwingen' en 'draaien' negatieve connotaties op, zonder dat de dichter iets inhoudelijk prijsgeeft aan de lezer, die altijd nieuwsgierig en op sensatie belust is. Maar de dichter houdt zich in, vooral emotioneel. Wat er precies gaande is, dat gaat de lezer geen donder aan. Het gaat om de herkenning en de emotie. Daar mag iedere lezer zijn eigen plaatje inkleuren. Een gedicht is geen tabloid of roddelblad. Bij 'als koudvuur bevroren mijn handen, mijn vuisten' komt voor de dichter de emotionele spanning door middel van dit fraaie paradoxale beeld tot een eind. Het gedicht komt in de gespannen 'vuisten' ritmisch tot stilstand. Tegelijkertijd wordt op dit 0-punt voor de lezer de spanning haast ondraaglijk. Deze vraagt zich af: hoe gaat dit aflopen? De ik-figuur neemt een beslissing: 'Niet laten lezen, de gedachten verscheurd.' Maar het is al te laat. Het gedicht is geschreven en de dichter heeft het al verspreid en 'laten lezen'. Aan ons.

Gedachten kun je niet verscheuren, zelfs papier verscheuren waar een gedicht op geschreven staat, valt niet mee. Je komt er niet toe, zeker niet 's nachts.
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand * 'vijfenveertig' van Wilma van den Akker
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=1771
door Herbert Mouwen op 28-12-2005
vijfenveertig

mijn eigen muze
en nog steeds geen
moeder

vanmorgen belde
de vader van het
koffieboontje

maar hij
boeit niet meer

intussen lag mijn pen
te lekken op het laken

diezelfde middag
begon het bloeden


Wilma van den akker

'Vijfenveertig' van Wilma van den Akker is een klein, maar zorgvuldig opgebouwd gedicht dat je als het om de inhoud gaat, geruime tijd kan bezighouden. Zoals elk goed gedicht bevat het veel vragen en lukt het me als lezer niet om een sluitend antwoord op al die vragen te krijgen. Dat is niet erg, het houdt het gedicht open. Sommige vragen blijven onbeantwoord, bij sommige vragen zijn meerdere antwoorden en interpretaties mogelijk. Laat ik het gedicht eens onderzoeken op de inhoud.
De titel is een getal, maar is hier als woord weergegeven. Meteen denk ik: 'Ik ben' kun je weglaten voor 'vijfenveertig' en ook voor 'mijn eigen muze'. Je ontdoet door deze weglating het gedicht van de harde feiten van de mogelijkheid tot identificatie. Ben jij het die 'vijfenveertig' is (of wordt) en ben jij het die nog zijn 'eigen muze' is? Het staat er wel. Dat je die leeftijd bereikt hebt is op zich een verdienste en dat je nog steeds je eigen muze bent en niet die van een ander of iets anders, daar moet mee te leven zijn, maar dan komt de anticlimax van deze strofe die het gedicht ogenblikkelijk een andere toon geeft: 'en nog steeds geen moeder'. Het staat er zo recht voor zijn raap, dat het bij mij als pijnlijk voorkomt. Ik kan me voorstellen dat je nu zou willen vloeken, het zou willen uitschreeuwen, alle vragende woorden, van 'waarom' tot 'hoezo' zou willen stellen, maar het zal de trieste vaststelling niet veranderen: 'en nog steeds geen moeder'. Of is het gewoon een nuchtere, zakelijke vaststelling en overdrijf ik nu?
'Vanmorgen belde de vader van het koffieboontje', lijkt in eerste instantie een mysterieuze strofe, maar 'koffieboontje' is naast de benaming van een kamerplant ook de spottende benaming van de vagina. Deze man is dan wel vader, maar niet de vader van een kind of een toekomstig kind. Hij is de man met wie ze een relatie heeft 'maar hij boeit niet meer'. Er staat heel duidelijk niet 'maar hij boeit me niet meer' en daarmee krijgt deze regel naast de betekenis van 'interessant vinden' ook de betekenis van: ik voel me niet meer met hem verbonden.
De vierde strofe: 'intussen lag mijn pen te lekken op het laken'. De man waar de vrouw mee is, is voor haar niet interessant meer. Ze heeft 'intussen' – tijdens het vrijen 'op het laken' dus – meer behoefte om te schrijven, ze is tenslotte haar 'eigen muze'. Door het verstrijken van de tijd lijkt zich een strijd af te spelen tussen de jonge vrouw, die misschien wel voorbestemd is om moeder te worden én het dichterschap, dat aanstaande lijkt. Het verlopen van de tijd zelf zorgt ervoor dat er een verschuiving plaatsvindt naar het schrijverschap, de weg naar het onvruchtbaar worden in de overgang levert misschien een nieuwe vruchtbaarheid op: gedichten. Een lekkende pen op een maagdelijk wit laken: een mooi beeld. Vanuit deze nieuwe maagdelijkheid kan met het dichterschap gestart worden.
De slotstrofe is wanneer deze gekoppeld wordt aan de vorige strofe, polyinterpretabel. Je kunt denken aan een late zwangerschap, ze gaat op de valreep moeder worden, maar eerlijk gezegd geloof ik daar niets van. Ik denk meer aan een poëtische ontmaagding, het aanboren (sic) van het dichterschap. Deze weg heeft de dichter definitief ingeslagen, want het gedicht is in de verleden tijd geschreven, maar van 'de vader van het koffieboontje' zegt ze in de tegenwoordige tijd dat hij haar niet meer 'boeit'. Niet meer dus, een nieuwe levensfase is begonnen.
'Vijfenveertig' is een haast onopvallend gedicht, opgebouwd uit wat iele strofen, opgeschreven in weinig alledaagse woorden, maar minder toegankelijk dan het lijkt. Ook dit kleine vers draagt een geheime betekenis met zich mee, die pas na nauwkeurige lezing wordt prijsgegeven.
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand december van Menno van der Beek
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=1747
door Herbert Mouwen op 01-12-2005
The great Eskimo vocabulary hoax

Als ik mijn moeder uitleg dat ik heb gelezen
dat Eskimo´s één woord hebben voor sneeuw,
en niet, zoals verteld wordt, meer dan vijftig,

wil zij mij niet geloven, want zij heeft
het rijk alleen: mijn vader was, een eeuw geleden
niet op de hoogte en zij wil dat het zo blijft.

Ze zegt: de Eskimo heeft al die tijd misschien
niemand het achterste van zijn tong laten zien.

Ik zeg: wij hebben vijftig termen voor
geslachtsgemeenschap en de dood. Wilt u ze horen?

Zij zegt: nu ben ik wel eens bang dat ik mij van
het weerbericht teveel heb voorgesteld.


Menno van der Beek

Mijn eerste reactie na lezing van dit gedicht was enigszins triviaal, misschien wel banaal. De Klisjeemannetjes – de vroege Kees van Kooten en Wim de Bie – presenteerden veel meer dan vijftig uitdrukkingen voor de geslachtsdaad. Ik vond dat grappig, maar is één woord eigenlijk niet genoeg? En waarom hebben we ergens zoveel woorden voor?
De Eskimo's hebben niet meer dan vijftig woorden voor iets ongelooflijk belangrijks als sneeuw, zegt de ik-figuur. Dat ze meer dan vijftig woorden zouden hebben is iets dat verteld wordt, maar de ik-figuur is op de hoogte van de waarheid: één woord voor sneeuw en niet meer. Hoe weet de ik-figuur dat? Hij heeft het gelezen en wat men kan lezen is blijkbaar betrouwbaarder dan wat er verteld wordt. Kortom, met deze vaststelling zit de lezer van het gedicht midden in de problemen en dienen talloze vragen zich aan. Of niet? Is een geschreven tekst betrouwbaarder dan een gesproken tekst. Bevat een boek per definitie waarheden en een mondelinge mededeling niet? Of hebben we hier te maken met de boekenwijsheid van een zoon tegenover de levenswijsheid van een oudere, van een volwassen moeder? Opvallend is ook het woord 'uitleg' in de eerste versregel. De ik-figuur deelt niet mede, maar legt uit dat hij het gelezen heeft. Is het spel met woorden dan allemaal een grap, een 'vocabulary hoax'?
De moeder gelooft de ik-figuur niet, want zij heeft het rijk alleen, namelijk 'mijn vader'. Wat niet weet, wat niet deert, zal de moeder gedacht hebben. 'Mijn vader' wist een eeuw geleden nog van niets 'en zij wil dat het zo blijft'. De mysterieuze vragen zitten in de tweede strofe van het gedicht. Waarvan is de vader niet op de hoogte? Van het feit dat er zoveel woorden voor 'sneeuw' zijn? En waarom hebben de eskimo's zoveel woorden voor 'sneeuw'? Dat kan maar één reden hebben. Sneeuw is ongelooflijk belangrijk voor eskimo's; hun leven wordt er door bepaald. Of: praten of schrijven over sneeuw is taboe. Ogenblikkelijk koppel ik als lezer 'sneeuw' aan 'geslachtsgemeenschap' en aan 'dood', want daar hebben 'wij' meer dan vijftig termen voor. De ik-figuur is bereid ze aan zijn moeder te laten horen. Beide onderwerpen zijn (voor haar) taboe. Hebben wij ook veel woorden voor onderwerpen waar we niet graag over spreken, onderwerpen die bedreigend voor ons zijn?
En als ik dan probeer enigszins vat te krijgen op dit gedicht, dan kijk ik weer naar de titel en zie het woord 'hoax', een mystificatie, een grap. Ik besef dat alles wat in dit gedicht beweerd wordt, voortdurend onderuit wordt gehaald. De ik-figuur houdt vast aan wat hij gelezen heeft, wat men in het algemeen vindt, interesseert hem niet. De moeder houdt vast aan die ene man die een rol speelde in haar leven. Ze wil haar werkelijkheid consolideren en conserveren. Ze heeft tegen de ik-figuur een weerwoord, háár uitleg voor wat de ik-figuur gelezen heeft: 'de eskimo heeft al die tijd misschien niemand het achterste van zijn tong laten zien'. De tijdsbepaling 'al die tijd' geeft problemen, deze loopt in ieder geval parallel aan 'een eeuw geleden' en markeert tot het moment dat de ik-figuur gelezen heeft dat de Eskimo's één woord hebben voor sneeuw. Heeft de eskimo zich niet laten kennen of heeft hij zijn mond dichtgehouden, gewoon gezwegen? Is het spel met woorden dan allemaal een grap?
Iets wat veel besproken wordt of gelezen kan worden is het weerbericht. Ook zoiets alledaags; trivialere of banalere gesprekken zijn er niet, maar ze lijken voor ons uitermate belangrijk. De moeder is bang dat ze zich van het weerbericht teveel heeft voorgesteld. Mag ik hier voor mezelf achter denken: '...en van geslachtsgemeenschap en de dood te weinig.'
Een gedicht kun je lezen, je kunt zoeken naar een betekenis van het gedicht en als je dan denkt deze gevonden te hebben, blijkt het gedicht een grap met woorden te zijn. Wel een boeiende grap, dat wel.
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand november 2005
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=1713
door Herbert Mouwen op 03-11-2005
Logos

Vandaag heb ik een woord gered
het lag versteend
verlaten in een groeve

Bij toeval liep ik langs
hoorde een gekerm
van kalk en kiezelzand
kantelde een blok

Het kwam vrij
de echo, de geuren
de slierten ademhaling
een transparante mantel

Het wikkelde zich
verliefd haast om mijn hals
het woord dat daar begraven lag


Ard Boeke

Dichters kunnen woorden redden, soms moeten dichters woorden redden. Woorden gaan immers nooit verloren, ook al worden sommige woorden niet meer gebruikt en liggen ze onder het stof. Soms komen die oude woorden ineens weer op de proppen, omdat de dichter iets te zeggen heeft en zo'n oud woord nodig heeft. De dichter moet altijd oplettend zijn, je weet maar nooit. De dichter als redder.
Nu heeft Ard Boeke in zijn gedicht 'Logos' een woord gered dat verlaten en versteend in een groeve lag. Het moet dus een heel oud woord geweest zijn.
De ik-figuur hoorde bij toeval het gekerm van een woord in nood en besloot handelend op te treden: de ik-figuur kantelde een blok en het woord kreeg zijn vrijheid terug. Sterker nog, niet alleen het woord an sich kwam vrij, maar vooral zijn echo, de geuren en de slierten ademhaling. De dichter als schatgraver.
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand oktober van Theo Monkhorst
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=1548
door Herbert Mouwen op 02-10-2005
In Watou, bij het graf van Eddy van Vliet


De natuur ziet je niet liggen.
In het grensland is jouw gras gruwelijk
gesnoeid en bomen zwaaien stom als gekken.

Jij bent jouw woorden geworden
in mijn hoofd, hoge woorden
die reiken naar de dood.


Theo Monkhorst



Hoe eer je een dichter? Door zijn graf te bezoeken en een gedicht over hem te schrijven. Zo zal Theo Monkhorst het ook gedacht hebben. Op zich is deze gedachte niet zo bijzonder; het wordt anders wanneer het gedicht niet zo zeer over de kwaliteiten van de dichter gaat, maar vooral over het monument dat de herinnering aan deze dichter levend moet houden.

Het grafmonument van de dichter Eddy van Vliet bevindt zich even buiten het kunstenaarsdorp – want zo mag ik het toch wel noemen – Watou, gelegen in het uiterste zuiden van Vlaanderen. Zijn as is daar verstrooid. Het ligt aan de 'schreve' met Frankrijk, zoals de bewoners zelf zeggen. Watou is niet zomaar een dorp, met een marktpleintje met een kerk en een kerkhof ernaast, een paar winkels, wat horecagelegenheden en enkele bierbrouwerijen, zoals er zoveel in Vlaanderen zijn, het is een locatie waar elk jaar poëzie en beeldende kunst elkaar weten te vinden en een paar duizend bezoekers daar komen genieten van de 'poëzie- en beeldenzomer'. Het grafmonument staat bekend als het 'In Memoriam Venster' en bevat een prachtig gedicht van Eddy van Vliet. Het heeft nogal wat voeten in de aarde gehad, voordat het grafmonument er was, omdat de Dienst Ruimtelijke Ordening vond dat het monument niet thuishoorde in dit agrarische deel van West-Vlaanderen. Daar hebben de rechtlijnige ambtenaren van deze Dienst volkomen gelijk in, maar het is precies deze ongerijmdheid tussen natuur en beeld die dit grafmonument zo bijzonder maakt.
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand september * Elise Aldering
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=852
door Herbert Mouwen op 02-09-2005

Moeder,

Goed dat we elkaar weer eens zagen
en ik vader de hemel in kon wensen

alles was je vergeten wat je nooit
hebt gezien en nooit hebt geweten

het had niets van een straf dat je keek
met een nek die verkeerd stond

ik zag het nooit eerder zo duidelijk
je haar had er iets mee van doen

en de tassen waartussen je meekwam
zo zeulde ik zelf met wat ik verdroeg

niet te weten wie ik ben
omdat ik alleen mezelf maar ken.

Elise Aldering


***

Hoeveel gedichten zijn er al over moeders geschreven? Talloze, maar het aantal gedichten waarin de moeder wordt toegesproken – zie de komma in de titel – is veel kleiner. En zo gaat dit gedicht niet over een moeder, maar het is een monoloog tegen een moeder. In de eerste versregel valt het 'we'-perspectief op: de 'ik' van het gedicht verenigt zich met de 'je' van het gedicht in een 'we'. Blijkbaar had de 'ik' van het gedicht haar moeder lang niet gezien en zagen ze elkaar niet veel, maar nu had de 'ik' de mogelijkheid 'vader de hemel in [te] wensen'.

Deze tweede versregel is prachtig, vanwege het feit dat deze op verschillende manieren te interpreteren is. Ontmoet de 'ik' haar moeder op de begrafenis van haar vader en hoopt ze dat haar vader het aardse met het eeuwige geluk heeft verwisseld? Of gaat het hier om een verwensing van haar vader die ze hier wederom ontmoet of gaat ontmoeten? Kortom, gaat na de eerste strofe het gedicht linksom of rechtsom? Ik lees verder, maar merk al vlug dat ik niet de volledige oplossing krijg die ik wens en dat ik al mijn vragen niet beantwoord ziet. Waarom ook? Misschien heeft deze jonge dichteres van 22 jaar alle reden om een geheim voor zich te houden, terwijl ze er toch in persoonlijke, poëtische bewoordingen over wil schrijven. Ik weet het, ik moet uitkijken met een identificatie van de 'ik' met de persoon van de dichter, maar in dit gedicht valt me dat niet mee. Is dit een afstandelijk gedicht waarin een moeder wordt aangesproken door een dochter? Het lijkt me haast paradoxaal. Is deze tekst een vorm van afstand nemen van diepgaande gebeurtenissen die ooit hebben plaatsgevonden door middel van een gedicht? Het lijkt me redelijk om dat te denken.

   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand augustus * Trijntje Gosker
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=819
door Herbert Mouwen op 06-08-2005
En de dag kwam dat men besloot
niet langer te investeren in mega of meer.

Agenda's vulden zich met lentebodes
die toetsten hun mobieltjes vrijuit in
pinautomaten gaven enkel nog geduld
en complimenten.

En in de oorden waar bejaarden
en gestoorden hun spraakverwarring
met blijdschap zaaiden in keurige bedjes
twee aan twee, daar was het altijd zomer.

De scholen begonnen met spelen als
hoofdvak en herfst als tweede taal,
ze plukten dan ook allemaal hun eigen
vruchten van geluk uit hoge bomen.

En verse sneeuw wreef warmte
in doorgewinterde beleidsmakers
die zich nu ijskoud overgaven aan
het raadselachtig ritme van de tijd
en haar seizoenen.

Trijntje Gosker

Het gedicht begint nieuwtestamentisch: 'En de dag kwam dat men...'. Het heeft dan ook geen titel nodig, een titel zou het gedicht dat op deze gedragen wijze begint alleen maar in de weg zitten. De dichter gaat spreken en zet hoog in. Inderdaad, ik zie de dichter voor me: sprekend, niet schrijvend. Hier gaat zich een verhaal ontspinnen, hier volgt het verslag van een cruciale gebeurtenis.
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand juli: 'Vogel' van Simon Horsten
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=574
door Herbert Mouwen op 29-06-2005
Vogel

Wat als het woord op de wind wacht en wankelt
als zuchtend de lucht lacht om het woord 'wind'.
That which we call a name by any other wind
would be blown away, so what's in a world?
Wij synonoemen roofwoorden en sturen hen op jacht
in de jachtige, wild-winderige wereld van daad en dood.
Roofwoorden: roofwoorden.

Wie zou nou een woord willen wezen – woord:
utopische werkelijkheid met tijdloze nagalm.
Ik neem een naam en noem een ding en niemand
die zich daaraan stoort, niemand die zich vragen stelt.
Ik neem een woord als napalm en ik bombardeer het
met letters, ketters en verklinkers, klikkers en tactiek.
A-A-a-a- lapman die een lap nam, pan mal.

Ik sta buiten in de cow loeit van woordeloos genot.
Waaien wil wel wind en wee en weer
verbaas ik mij om meer vervlieging.

Zonder water ben Demosthenes.
Wij woorden waaien weg.
Mijn woorden waaien weg en over weg en heg en wei
vergoten zij de voorsprong op de wereld en op mij.
Woorden waaien opgelucht in urenlange wind
en worden dan toch opgepikt, weer en wederom.

Iemand pikt mijn woorden op
en vliegt er dan mee weg.

De vleugel spreekt voor zich.

De woorden wieken klap.

Simon Horsten

Woorden kunnen van alles: op de wind wachten, wankelen en er kan om woorden gelachen worden. We sturen de woorden weg, als roofwoorden, we sturen ze op jacht of laten ze een andere taal binnen: so what's in a world? Het gedicht 'Vogel' van Simon Horsten is opgebouwd uit woorden, die moeiteloos over het papier vliegen, alle kanten uit, met het doel de wereld te veroveren of misschien wel te bestoken 'in de jachtige, wild-winderige wereld van daad en dood.' Het leven is geen pretje.
Elke keer wanneer ik de eerste strofe van dit gedicht lees,
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand juni: 'Alsof je lood verhandelen moet' van Jan van meenen
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=559
door Herbert Mouwen op 02-06-2005
Alsof je lood verhandelen moet

Alsof je lood verhandelen moet, weegt alles
zwaarder dan het doet. Je jonge overmoed
heeft je weer koppig uitgesloofd

Je ligt geveld. Je glimlach zachtjes uitgedoofd
je haar een kussen naast je hoofd. Een lichaam
danig leeggeroofd dat het niet eens meer bloedt
Omdat het moet

Alsof je keerde, weer in het gewijde van je meisjeslijf

Geen kracht meer voor geweld,
hoogstens een droge schoolslag in het laken
Je ligt steeds meer naast mij te waken
en aarzelt, of je angst hebt te bezeren

En toch,
de teerste tederheden wil je niet verleren
Je handen haast te licht voor strelen,
ze blijven dapper weemoed helen

Zolang er lichaam is, wil jij het delen.


Jan van meenen (1951)


Ik geef het toe, ik las de eerste maal de eerste versregel verkeerd: 'Als je lood verhandelen moet,...' Maar dat staat er niet, er staat:' Alsof je lood verhandelen moet,...' Het kwaad was al geschied. Ik was ogenblikkelijk begonnen met me af te vragen, wat het betekent wanneer je lood verhandelt. Ben je dan een loodgieter, een sloper, een handelaar in allerlei rommel, een bouwvakker? Lood brengt veel geld op, zeker voor iemand die handig is. Iemand, die lood verhandelt, is meestal een linke jongen met een vlotte verkoopbabbel. Het is een opvallend begin van een gedicht en omdat de eerste versregel ook als titel gekozen is, wordt de aandacht er extra op gevestigd en wordt het gedicht 'loodzwaar' ingezet.
   
 
 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand mei: 'Primavera' van Karin Beumkes
alle auteurs
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=545
door Herbert Mouwen op 04-05-2005
Primavera

Vier zusters ademen
dronken de lucht in
van het narcissenveld
krakerige ramen worden heropend
de noordenwind slaat met zijn blote handen
oude geuren uit het ondergoed

Boreas heeft een voorliefde voor naakt
maakt tepelhoven stijf tot kleine spitse bergen
met damesnagels kras ik landen in mijn huid

in de lente wordt er diep
en heftig gesnoven, ruiken
wij elkanders menstruatievocht
ook vrouwelijk zweet
komt los uit oksels
wanneer wij het oude kleed
met een rauwe kreet
aan de jonge aarde toevertrouwen
waar de madelieven bloeien op de bleek.


Karin Beumkes (1960)



De lente is bij uitstek het seizoen waarbij de zintuigen geprikkeld worden, of misschien wel: opnieuw geprikkeld worden. Het is het jaargetijde van nieuwe geuren en smaken, van een nieuwe wereld om aan te raken, van nieuwe geluiden, gezichten en vergezichten. In 'Primavera' van Karin Beumkes wordt de lente als een verlosser door vier zusters binnengehaald. Wie die vier zusters precies zijn, dat vertelt het gedicht ons nog even niet, maar de symboliek van het getal vier geeft aan dat we met een hechte, volmaakte eenheid te doen hebben. De nieuwe lucht die het koubestendige narcissenveld – de vroege lentebloemen bij uitstek – ons biedt, lijkt adembenemend. Zij veroorzaakt duizelingen, dronkenschap, zij geeft energie aan de vier. De ramen, die blijkbaar altijd al een krakend geluid maakten – er staat 'krakerig' en niet 'krakend' – gaan wederom open en de wintergeuren worden door de noordenwind uit het ondergoed gedreven. De lucht die de vier zusters inademen is een voorbode van wat komen gaat, de noordenwind is het laatste overblijfsel van de winter die nog even het achterste van zijn tong laat zien.

Nu de 'ik' het ondergoed uitgetrokken heeft, zorgt hij voor seksuele prikkeling. Ondergoed is niet alleen de onderkleding, maar ook de winterse beschermlaag die afgedaan wordt. En naakt richt het lichaam zich op een verlangen dat vervuld moet worden. Letterlijk, met tepels die zich spitsen! En de witte bleke huid laat rode striemen achter, wanneer de 'ik' het lichaam opnieuw met haar nagels verkent, er landen op tekent. De ander, Boreas, mag de grenzen verkennen, deze landen met zijn liefde inkleuren. De 'ik' heeft zichzelf pijn gedaan en wil door Boreas getroost worden.

Wie is Boreas? Een geliefde? Dat kan, maar dan kom ik als lezer niet veel verder met dit gedicht. In de Griekse mythologie is Boreas de god van de noordenwind en daarmee krijgt het gedicht een extra dimensie. Boreas is de zoon van Eos, de godin van de dageraad, en de Titanenzoon Astraios. Hij zwerft rond in het mythische noorden, het Noord-Griekse Thracië. Boreas is een ruwe, machtige, gewelddadige, nietsontziende god. Positief gewaardeerd, dat wel. Hij wordt vooral in Athene vereerd: hij verwoestte in 480 v. Chr. de Perzische vloot, waarmee Xerxes Athene belegerde, bij Pelion. In de Griekse mythologie worden de vier winden door Zeus onder de controle van Aeolus, de koning der winden, geplaatst. Hij woont op het sprookjeseiland Aeolia en houdt daar de winden gevangen. Alleen de wind die mag waaien wordt losgelaten. De vier belangrijkste winden, tevens broers van elkaar, zijn Euros, de oostenwind, Notos, de zuidenwind, Zephyros, de westenwind en Boreas, de noordenwind. Boreas wordt afgebeeld als de rover van de bergnimf Orytheia. Hij heeft vleugels, een baard en twee gezichten: een gezicht om mee vooruit te kijken en een om achteruit te kijken.

Nu krijgt het gedicht een heel andere dimensie. Hier zijn de vier winden opgesloten en niet de mensen, niet als broers, maar als zusters, en bij de eerste tekenen van de lente gaan de ramen open, wordt de noordenwind losgelaten om de oude winterse geuren te verdrijven, de geuren van de narcissen toe te laten en het lichaam zinnelijk te prikkelen. De wind is zo koud, dat de borsten 'als spitse bergen' gaan staan (Verovert Boreas de bergnimf Orytheia?) en dat de naakte 'ik' met haar handen over haar lichaam 'krast'. Meedogenloos waait de noordenwind over de 'landen'. De noordenwind, die afkomstig is van de winter en naar de lente toewaait, een wind die twee kanten op kan kijken en waaien, maar die toch zachtaardiger is dan de mythologie ons wil doen geloven. De noordenwind is vrouwelijk, is een vrouwelijke kracht en heeft drie zusters.

Of moet ik toch weer terug naar mijn eerste interpretatielijn? Het ondergoed is uitgetrokken, want dat heeft Boreas' voorkeur en hij zorgt voor seksuele prikkeling bij de ik-figuur. Ondergoed is niet alleen de onderkleding, maar ook de winterse beschermende laag die afgedaan wordt. En naakt richt het lichaam zich op een verlangen dat vervuld moet worden. Letterlijk, met tepels die zich spitsen, wanneer Boreas haar aanraakt! En de witte bleke huid laat rode striemen achter wanneer de 'ik' het lichaam opnieuw met haar nagels verkent, er landen op tekent. Ook voor de 'ik' zelf lijkt het lichaam in de lente nieuw, ook zij verkent haar eigen lijf. De ander, Boreas, mag de grenzen verkennen, deze landen met zijn strelingen inkleuren. De 'ik' heeft zichzelf pijn gedaan en wil door Boreas getroost worden.

In de laatste strofe treedt een 'wij' op. Zijn het de vier zusters van het eerste uur of betreft het hier een algemeen 'wij', waarmee we ons kunnen identificeren? De zintuiglijke ervaringen worden in de laatste strofe geïntensiveerd, de lezer wordt geconfronteerd met intieme vrouwelijke lichaamssappen: menstruatievocht, vrouwelijk zweet uit oksels. Het zijn de voorwaarden voor nieuw leven, nieuwe lichamelijke energie en kracht. Het 'oude kleed' wordt 'met een rauwe kreet aan de jonge aarde toevertrouwd'. De oude kleren, het winters landschap, het verleden... veel opvattingen over de betekenis zijn hier mogelijk. Het gaat erom dat al het nieuwe dat de lente ons geeft met veel energie ('een rauwe kreet') veroverd gaat worden. Langzaamaan wordt de narcis vervangen door de madelief, een meibloem, ook wel 'meizoentje' genoemd, een tere bloem die tussen het groene gras 'op de bleek' groeit, d.i. het grasveld waar men linnengoed laat bleken, een typische voorjaarsactiviteit in het kader van de schoonmaakwoede en nesteldrift. Madelief is ook een mooie naam voor een vrouw. De titel van dit gedicht is niet 'Lente' of 'Voorjaar', de titel van dit gedicht is zorgvuldiger gekozen: 'Primavera', het eerste groen.


Herbert Mouwen
   
 
 
2    volgende pagina >