Meander
 http://meander.italics.net
 literair e-zine
 aflevering 201 * 24 november 2002 * verschijnt om de twee weken op zondag 
 meander is gratis, maar vrijwillige financiële bijdragen zijn nodig * kopij is welkom, reacties ook 





afrikaans * recensies * impressie * artikel * proza * nieuws * colofon 
Gedichten



1929

Het was de dag van na de krach
en menig man sprong tot de wormen
zij stelde toen haar eigen normen
door veel te slapen overdag.

Hij weet nog goed hoe zij daar lag
de warme weelde van haar vormen
ontlokte in hem wilde stormen
tezamen met haar mooie lach.

Zij wilde graag naar Frankrijk varen
waar vaak de liefde wel gedijt
soms zat ze voor zich uit te staren

want las in 'de verloren tijd'
over de adel in die jaren
dan voelde zij een vleugje spijt.


Kees Godefrooij

auteurspagina Kees Godefrooij
lees/geef commentaar op dit gedicht
Kees Godefrooij leest het gedicht voor




De film

zoals met johny toen
na sluitingstijd aan zee
twee meisjes mannequins
ze pakken ons als lieverds
lenig zijn hun kriebelvingers

kijk ze lachend watertanden
langs het duinenpad geflirt
de kleren glad gestreeld
veel wolken zwart er blaft
geen hond geen kat te zien

het duister ruilt een plek
ligt neer in zand vol lijven
alles draait en keert verkent
kneedt lekker kindermensen
kreunt een zucht van donker

plots geritsel door de struiken
schiet een camera geflits paniek
de meisjes wij de wilde jongens
rillend lijf de schrik voor film
de foto's van een nachtverblijf

en reeds vlucht johny rent mij na
de sprong van bange hazen rap
komaan waar blijven zij verlamd
twee laffe minnaars waren wij
het vloekt in ons nog jaren verder


omar vanca

auteurspagina omar vanca
lees/geef commentaar op dit gedicht




in de boot genomen

haar naam bracht visioenen van het noorden
weidse meren en de grauwe luchten
stille en zo eenzame gehuchten
haast onverstaanbare gezongen woorden

torenklokken die zacht kaatsend beieren
bevroren vaart, us Abe op zijn noppen
spijkerharde tegendraadse koppen
klunen, skûtsje, wad en kievitseieren

met zwijgzaamheid als deugd en niet als kwelling
doch toen zij sprak veranderde gestaag
de droomvrouw op de veerboot naar Terschelling

die klanken konden maar uit één plaats komen
daar stond mijn oude buurvrouw uit Den Haag
door dromen was ik in de boot genomen


Daan de Ligt

auteurspagina Daan de Ligt
lees/geef commentaar op dit gedicht




Drenthe

geen roestpolders in dit landschap
maar bomen en onbekend gewas
zoals jij

niet als het duivekruid
dat van onderen naar boven
bloeit

de mondjes pas geopend
als het tijd is
en de onderste gesloten
monddood


Miranda Mei

auteurspagina Miranda Mei
lees/geef commentaar op dit gedicht




Omtrent een klaproos

Iets in mij heeft mij vandaag coquelicot
genoemd, ik heb het duidelijk gehoord.
De klanken vielen als lauwe regendruppels
op mijn geschonden huid.
Ze overspoelden haar.

Ik heb niet terstond gedacht aan dood.
Noch aan oorlog, noch aan mijn vader
die hem als jonge man onderging.
Mijn vader. Hoe mis ik hem. Er kwam
nooit meer een man die me nooit
pijn zou doen.

Er was een stem die me coquelicot
heeft genoemd. Ze heeft mij genoemd
naar de meest kwetsbare bloem.
Hoe ik ook probeer haar terug te brengen
haar een gezicht te geven: ze deint weg.

Klank na klank word ik verlaten:
ik ben een geest, een verdwaalde,
die zich herinnert aan rood. Méér kan ik
uit deze trance niet halen,
tenzij een gekwetst naderend wit paard.


Iris Van de Casteele

auteurspagina Iris Van de Casteele
lees/geef commentaar op dit gedicht







advertentie

verbeter je schrijftalent via e-mail bij

WRITERS @T HOME
thuis in literatuurworkshops
klik hier voor meer informatie






gedichten * recensies * impressie * artikel * proza * nieuws * colofon 
Afrikaans



Met dank aan Danie Marais een gedicht van Ronel Nel uit haar debuutbundel "en die here het foto's geneem oor vanderbijlpark".
Voor de woordverklaring dank aan Alfred Schaffer en Chris Coolsma.




onder die aandwydte


onder die aandwydte en digby middernag mis ek jou my
medereisiger my tweelingplaneet my jong hart se ou bron.

ek dink ek het hom een maanskyn laat val
en route op die pas tussen hierdie plot en daardie moeras
deur 'n io iewers dartelend om een of ander ander komeet in ons kring
en 'n vae bewuste neweling het oor my gekom en ek dink ek het geweet
dit was die teken van die sot die omen van 'n donker son
want die môreson, dié is mos god.
en ek hier op my rug ver verwyderd van die wyse heelal
lê soos 'n uitgebrande brug 'n hemelliggaam reeds verstryk
'n ster reeds lank verskiet 'n pulsar of 'n tragic blonde
en ek lê en sien die diereriem en die groot hond
die son en maan se ewening
en word 'n phobos 'n bang satelliet
en besef opnuut hierdie uur is my laaste kwartier
hierdie is my laaste kyk


Ronel Nel


Woordverklaring:

* aandwydte = wijdse sterrenhemel
* ou = oud, met een bijgevoel van 'vertrouwd'
* een = één
* plot = erf, stuk land
* io = een maan van Saturnus
* iewers = ergens
* vae = vage
* neweling = neveligheid, mistigheid
* môreson = ochtendzon
* dié is mos god = díe is god
* lê = lig
* ewening = van gelijke lengte ("die kortste strale van die son val op die ewenaar; dae noord en suid van die ewenaar, afhangende van hul breedtegraad, is ewe lank")
* opnuut = opnieuw




gedichten * afrikaans * impressie * artikel * proza * nieuws * colofon 
Recensies


Van abrikozenboom tot halveringstijd

Milla van der Have bespreekt Alfabet
van Inger Christensen


In de onwaarschijnlijk slechte mystieke thriller 'De schat van de Tempel' onderzoekt de held van het verhaal, naast speurneus ook parttime Messias en schrijver, iedereen die hij tegenkomt op de aanwezigheid van Hebreeuwse letters op het gelaat. Iedere letter heeft namelijk zijn eigen set karaktereigenschappen en herbergt diepere, mystieke betekenissen. Een ander personage uit hetzelfde boek richt zijn energie op de bijbel, die volgens hem (en in het echt zijn er eveneens die dat geloven) gecodeerde boodschappen bevat, die met behulp van de computer te 'vertalen' zouden zijn.

Eeuwenlang al tracht de mens het geheim van het bestaan te vangen in woorden en, sinds Pythagoras, ook in nummers. Voor wie niet kan kiezen is er de kabbala, die woorden nummers toe kent, die dan weer leiden tot andere woorden met eenzelfde getalswaarde. Vanzelfsprekend heeft vooral de kabbala een magische aantrekkingskracht op dichters, die van nature in de ban zijn van de magie van het woord en wie het idee dat woorden andere woorden betekenen op het lijf geschreven is.

De in 1981 verschenen, maar onlangs pas vertaalde bundel Alfabet van de Deense dichter Inger Christensen roept, door de titel alleen al, associaties op met de kabbala. Evenwel wordt er de achterflap vooral gerept over de Fibonacci-nummers volgens welke de bundel geconstrueerd is en misschien dat iemand die meer onderlegd is in de wiskunde en/of de esoterie dan ondergetekende de dieperliggende numerologie uit de gedichten zou kunnen halen. Mij viel vooral de magie van de woorden op. Een grote, evocatieve magie, die op vrijwel iedere bladzijde van de bundel de lezer tracht te betoveren.

De bundel vangt aan met een eenregelig gedicht, dat welhaast als conclusie aandoet: 'Abrikozenbomen bestaan, abrikozenbomen bestaan' (p.7). Wat volgt zijn steeds langere gedichten, waarin steeds meer dingen in een enigszins alfabetische volgorde gaan bestaan. Het begint met abrikozenbomen, maar al snel zijn ook andere flora, dieren, jaargetijden, hersenschimmen, geweldsdelicten, fluisteringen en "het duizelende horizontale weten van het haverveld" (p. 15) tot leven gezongen. Vooral aan het begin van de bundel dreigt daarbij het gevaar van 'opsommings-poëzie'; het duizelt de lezer van wat er allemaal blijkt te bestaan. Juist door die enorme lijst zou men een gedicht te snel kunnen kwalificeren en over de betekenis heen gaan lezen. Vrij snel echter onderbreekt Christensen haar verzen met wat langere regels die het gedicht 'zin' geven, wat meer kleur verlenen aan iets wat bestaat:

en vruchtbomen bestaan en vruchten in de moestuin waar
abrikozenbomen bestaan, abrikozenbomen bestaan,
in landen waar de warmte juist die kleur
vruchtvlees voortbrengt die abrikozen hebben
(p. 12)


Het allermooist zijn echter die gedichten die weliswaar voornamelijk bestaan uit opsomming, maar waar tussen al die woorden met dezelfde beginletter een verband begint te ontstaan. Het gedicht wordt dan meer dan benoemen, het wordt evoceren:

fluisteringen bestaan, fluisteringen bestaan,
herfst, historie en de komeet

van Halley; heerscharen bestaan, hordes
heersers, holen, en binnen in de holen
halfschaduw, binnen in de halfschaduw af en toe

hazen, af en toe gebladerte voor de holen waar
varens bestaan; en bramen, bramen,
af en toe hazen verborgen onder gebladerte

en tuinen bestaan, hovenierskunst, de bleke
onbeweeglijke bloemen van de vlier als een ziedende
hymne; en de halvemaan bestaat, de halfzijde,
heel de heliocentrische nevel die deze toegenegen
hersenen hebben gedroomd, hun geluk; en huid
(uit: 8, p. 14)


Bovendien is de bundel meer dan alleen maar een objectieve weergave van al wat bestaat en ook meer dan een poging al wat bestaat een voorheen onbekend verband te geven. De dichter heeft wel degelijk een voorkeur voor de natuur, de underdog in deze poëzie, die het steeds moet afleggen tegen de mens en het geweld dat deze met zich meebrengt. Bomen, bloemen en planten staan centraal (niet verwonderlijk, want naar het schijnt treft men de Fibonacci-nummers met name in de natuur, bijvoorbeeld in de blaadjes van bloemen), waarbij vooral de abrikozenboom een symboolfunctie krijgt, terwijl de andere kant vooral gekenschetst wordt door halveringstijden en waterstofbommen.

De voorkeur van de dichter is duidelijk. Maar omdat in deze bundel nu eenmaal alles met alles verbonden is, (zelfs de grenzen van afzonderlijke gedichten vervagen) worden ook deze beide kanten (ongerepte natuur en nietsontziend atoomgeweld) met elkaar in verband gebracht in wat zeker een hoogtepunt van de bundel is:

kobaltbommen bestaan
gehuld in een mantel
van kobalt-60-isotopen

waarvan de halveringstijd
de extreem schadelijke
werking garandeert

meer valt er niet te
zeggen; we garanderen dat de schade zo groot
mogelijk wordt; meer
valt er niet te zeggen;

[...]

zo wil ik leven;
met mijn eigen bijzondere
halveringstijd diep
in mijn hart; zo wil ik sterven,
ik heb mezelf gezegd
dat ik moet sterven, gezegd
en bedankt voor het verdriet, voor
de vergetelheid, klaar; gezegd
tegen mezelf: denk als een vogel
die een nest bouwt,
denk als een wolk, als
de wortels van de dwergberk
(p. 37 - 38)


Verderop schrijft Christensen dat ze schrijft als de wind of de golven. Haar poëzie heeft inderdaad hetzelfde rusteloze, immer in beweging zijnde, wat normaliter aan deze twee natuurverschijnselen wordt toegeschreven. Dat behoedt Alfabet dan ook voor het al te starre, geconstrueerde, waarin een dergelijke op letters en cijfers gestoelde poëzie makkelijk kan verzanden. Het mooiste is echter dat ook deze Deense kabbala het geheim van het bestaan niet ontrafelt, maar slechts in kaart brengt en er al doende nieuwe geheimen aan toevoegt. Christensen versluiert én ontsluit betekenissen en weet met de 26 letters van het alfabet een keur aan meerduidigheid te creëren.

Hulde ook aan Annelies van Hees, de vertaalster. Hoewel het Deens en het Nederlands ongetwijfeld meer op elkaar lijken dan Nederlands en bijvoorbeeld Swahili, moet het zeker een helse klus zijn geweest dergelijke strak geconstrueerde en vrijwel alfabetische gedichten te vertalen, zonder aan poëtische zeggingskracht te verliezen. Dat is gelukt en dat is maar goed ook, want maar al te vaak nemen we hier pas kennis van buitenlandse poëten als ze een prestigieuze prijs in de wacht slepen. Christensen verdient een plaats in de boekenkast, of beter nog: op de leestafel, van iedere poëzieliefhebber. Ze brengt een eigen geluid en, in ieder geval in het Nederlands taalgebied, een volstrekt nieuwe klank. Er kan dan ook maar één conclusie resten: poëzie bestaat, poëzie bestaat.


Inger Christensen, Alfabet (1981)
Vertaling: Annelies van Hees
Uitgeverij Meulenhoff, 2002
69 blz., € 16,50
ISBN 9029070501




Milla van der Have



Selma Parmentier - Afscheid (roman)

Een bespreking door Elly Woltjes

Een romantisch huis aan zee op de voorplaat van de roman Afscheid van Selma Parmentier maakt nieuwsgierig naar deze plek. Omdat het verhaal zich voornamelijk afspeelt in een stad (in Friesland?), zal het huis wel verwijzen naar het huis op Jersey, waarheen de hoofdpersoon een keer op vakantie gaat. Wat dat betreft zet de voorplaat de lezer enigszins op het verkeerde been.

Irma, de hoofdpersoon van dit boek, kent een moeilijke jeugd door het alcoholisme van haar moeder. In de moeder van een vriendje vindt ze een trouwe bondgenoot, met wie ze menig plezierig uurtje beleeft. Deze vrouw leert Irma omgaan met een fototoestel. Met de hulp van een toegewijde winkelier lukt het haar om professioneel fotografe te worden. Het fototoestel biedt haar niet alleen een middel tot contact met anderen, maar ook een mogelijkheid zich er achter te verschuilen.
De echte ommezwaai in haar leven komt wanneer ze verliefd wordt op een veel oudere man. Wat volgt is een verrassend spannende en voor de buitenwereld volkomen geheim gehouden liefdesrelatie. Met deze man verplaatst zich het verhaal ook eenmaal naar het mooie buitenland, dat op de voorplaat wordt geschetst. Als lezer blijf je in de ban van het leven van Irma dat wel heel minutieus wordt besproken.
Het boek zou volgens mij krachtiger geweest zijn, als de schrijfster een bepaalde levensfase van de hoofdpersoon had gekozen en dit gegeven had uitgewerkt tot een roman met eventueel flashbacks. Nu krijgen we een chronologisch, ietwat saai verhaal van Irma's leven voorgeschoteld. Wel wordt het verhaal onderbroken door diverse brieven, die echter soms de overige geschreven tekst weer overlappen zodat je daar aandacht al gauw bij verslapt.

Van Selma Parmentier, die woont in wekt in Groningen, is dit haar vierde roman.
Net als in haar vorige romans weet zij op inlevende wijze een vrouw in een moeilijke levensfase te portretteren. Ze heeft een vlotte pen en haar stijl is levendiger dan die in haar eerste roman Witte doeken. De lezer leest verder, doordat hij bevangen raakt door de depressie die vanaf het begin boven het verhaal lijkt te hangen. De vraag hoe het nu verder zal gaan met de hoofdpersoon maakt het geheel wel boeiend. Het draait in dit boek, zoals de titel al aangeeft, om het afscheid.
In de verantwoording vooraf schrijft Parmentier:
"Ik heb ervan geleerd dat je altijd oplettend, met aandacht, met verstand en gevoel afscheid moet nemen. Het is waar dat de pijn minder kan worden door er een laagje af te pellen. Haar een plek te geven. Maar daardoor gaat ze niet weg. Ik voel dat ik die pijn altijd bij me zal dragen. Het is de prijs die ik moet betalen voor het afscheid dat ik niet genomen heb. Misschien is het wel zo in het leven dat je meer spijt hebt van de dingen die je niet hebt gedaan, dan van de dingen die je wel hebt gedaan."

Deze belerende toon komt gelukkig verder niet in de roman voor; ze probeert de lezer te laten leren door de fictie in zich op te nemen en slaagt daar goed in. Je hebt na het lezen van het boek zeker het gevoel dat je iets als een levensles hebt meegekregen, hoe moeilijk dat ook concreet te benoemen valt.

Selma Parmentier - Afscheid
De Passage, Groningen 2002
192 pagina's; € 16,00
ISBN 90 5452 092 2




Elly Woltjes



Geluksmomenten van korte duur

Bert van Weenen bespreekt Heden voelen mijn voeten zich goed van J. Eijkelboom

Van de Dordrechtse dichter Jan Eijkelboom verschenen er in de zomer van 2002 vrijwel gelijktijdig een verzamelbundel en een bundel met nieuwe gedichten. De verzamelbundel 'Tot zo ver' bevat "de meeste gedichten" (zoals de ondertitel luidt) uit Eijkelbooms bundels 'Wat blijft komt nooit terug' (1979), 'De gouden man' (1982), 'De wimpers van de dageraad' (1987), 'Kippevleugels' (1991), 'Hora incerta' (1993), 'Het lied van de krekel' (1996) en 'Het arsenaal' (2000). Maar kennelijk was de bron nog niet opgedroogd, want meteen volgde daar alweer bundel nummer acht: 'Heden voelen mijn voeten zich goed'.

Het maakt verschil of je een debuut bespreekt of nieuw werk van iemand die over een periode van twintig jaar al meer dan tweehonderd gedichten heeft gepubliceerd. In het laatste geval springen tijdens het lezen de motieven meer in het oog, is er sprake van een grote mate van herkenning. Bij J. Eijkelboom zijn dat zaken als dood en vergankelijkheid, en het rondkijken in de natuur en in het eigen geheugen.

In het gedicht 'Dit eiland' - dat trouwens ook over de poëzie zelf gaat - wil de dichter naar de kade lopen, nu zijn voeten zich goed voelen. (De eerste regel van dit gedicht is tevens de titel van de bundel.) En vanaf de kade wil hij rondkijken over "het eeuwig veranderlijk / zichzelf blijvende water" om te "ervaren dat tussen benauwenis / en ruimtezucht een afgepaald / maar onbeklemd domein kan liggen: / dit met één dagmars af te ronden // eiland." Een soortgelijk gevoel spreekt uit het gedicht 'De overkant', twee bladzijden verder.

Dordrecht is overal aanwezig in Eijkelbooms poëzie. In een boeiend gesprek met HP/De Tijd-medewerker Oswin Schneeweisz [1] vertelt Jan Eijkelboom over het ontstaan van zijn eerste gedicht: "Ik was hoofdredacteur van De Dordtenaar. Kreeg een hoekje in de krant waar ik wat mocht schrijven. Een van die stukjes ging over de sfeervolle museumtuin waar ik elke dag langs kwam op weg van huis naar werk. Dat krantenkolommetje is uiteindelijk poëzie geworden en betekende mijn doorbraak als dichter." En wanneer Schneeweisz en Eijkelboom langs de Grote Kerk lopen, raakt de dichter de zandstenen muur aan: "Macht der gewoonte. Doe ik vaak. Dan geef ik die oude kerk waar ik als kind al kwam en waar mijn moeder de Matthäus Passion nog heeft gezongen een soort schouderklopje." Ook die ervaring werd een gedicht, te vinden op pagina 46 van 'Heden voelen mijn voeten zich goed':

IN HET VOORBIJGAAN

Mij trekt de halfversleten steen.
Na eeuwen regen, zon en wind glijdt soms
mijn tijdelijke hand er nog eens overheen.

Zo'n oergebaar lijkt op een eerdere verering
van boom en rots, al zit mijn steen
vast in de kerk die later kwam,

een luchtschip dat hier wonderbaarlijk
bij de rivier werd neergezet, een toeverlaat,
ook voor wie liever buiten blijft

en aan de oppervlakte leeft,
passant die soms verstrooid
de mastodont een schouderklopje geeft.


In de gedichten van Eijkelboom staat alles in de schaduw van het verleden. Komt het doordat deze dichter pas op latere leeftijd verzen ging schrijven, dat vergankelijkheid en weemoed zo nadrukkelijk aanwezig zijn? Diverse gedichten beschrijven geluksmomenten van korte duur. Een in memoriam-gedicht eindigt met: "Zich zomaar in den vreemde thuis / te voelen, en dat bewaard / voor wel een tel of zes, / zeven." Een strofe in 'Dreamtime' luidt:

Maar in het leven is ons gegeven
te doen alsof er geen dood was,
niet met de kop in het zand
maar juist op de uitkijk
naar weer een ander land,
een te bevaren kust.


In het gedicht 'Van vergetelheid' associeert de dichter de rivier met vergetelheid. Alles lijkt stil te staan, totdat er een drijvende tak voorbijschiet. En het gedicht 'En 't blijft maar heel', dat aan Rutger Kopland doet denken, begint met: "Breekbaar geluk / en 't blijft maar heel / nu al een middag lang."

'Heden voelen mijn voeten zich goed' is geen opzienbarende bundel, maar wel een mooie voortzetting van Eijkelbooms eerdere bundels. Nostalgie loopt daar als een rode draad doorheen. De herinnering aan vroeger, de "opgevangen glimp" in het hoofd van de dichter die soms een uitweg vindt in een gedicht ('En passant 5'). Met één van de gedichten waaruit dat het duidelijkst spreekt, wil ik deze recensie besluiten:

MERWEDE

We moeten het er maar mee doen,
Richard, met dit gelijkmatige water,
deze vertraagde snelweg.

De schipper in zijn verstelbare fauteuil
draait allang geen rad meer in 't rond,
verheft zich hydraulisch boven kisten als huizen,

ziet de restanten riet over het hoofd
waartussen wij in voorwereldlijke kano's
soms scholen voor onweer of om degene

die voor ons zat gelegenheid te geven
het hoofd in onze ontvankelijke schoot te leggen.
De dronkenschap van gekneusde biezen

die je dan overviel. O, bring me
to the river, opnieuw en opnieuw.



J. Eijkelboom: Heden voelen mijn voeten zich goed
De Arbeiderspers, Amsterdam 2002; 48 blz.; EUR 14,95
ISBN 90-295-1526-0

Bronnen:
[1] Oswin Schneeweisz: Groeten uit Dordrecht: Jan Eijkelboom, HP/De Tijd, 9 augustus 2002.




Bert van Weenen



(advertentie)
Schrijf sneller en beter dan je OOIT voor mogelijk hebt gehouden!

www.schrijfdomein.nl



gedichten * afrikaans * recensies * artikel * proza * nieuws * colofon 
Impressie


Een weekendje poëzie

Impressie van de introductie van de Sandwichreeks, 16 november, Amsterdam
en van De Mooiste Dichteressen van de Lage Landen, 17 november, Den Haag

door Edith de Gilde


Ikea heeft de pluchen muizenpakjes nog eens van zolder gehaald, maar de HEMA voert een gloednieuwe decembercampagne. Zaterdagavond, na een dagje Schrijvers & Boekendagen in Amsterdam, zie ik vanuit de tram een levensgrote foto van een alternatieve sint of is het toch een piet: zwarte huid, rode kleren, zwierige gebreide muts. Om zijn hals een ketting met gigantische chocoladeletterbedels: B, I, G. Ik heb zo'n vermoeden dat men daarbij alleen aan 'niet small' heeft gedacht en er geen moment bij heeft stilgestaan dat een big een varkensbaby is. Nederlandstalige dichters werken in een krimpend taalgebied en toch zullen we pas ophouden ons druk te maken als het laatste Nederlandstalige gedicht het licht heeft uitgedaan. En dat is goed. Gerrit Komrij heeft het tweede idee dat hij als Dichter des Vaderlands wilde uitvoeren ten doop gehouden: de nieuwe "Sandwichreeks", kleine bundels die per twee uitkomen: een debutant en een dichter of dichtersgroep die volgens Komrij ten onrechte vergeten is. Zo is de Vlaamse Philip Hoorne die deel 1 vult terechtgekomen naast de 18e-eeuwse "drekpoëten" (Pieter Langendijk and friends) die in deel 2 staan. Uitbundige scatologie van een paar honderd jaar geleden naast ingetogener werk. Om het heuglijke feit te vieren treden naast Hoorne en Komrij zelf Ilja Leonard Pfeijffer, Wouter Godijn, Jan Eijkelboom en Gerrit Kouwenaar op. Bij Godijn, Eijkelboom en deze keer ook bij Kouwenaar heb ik het gevoel dat ik ze liever léés, al is de 79-jarige Kouwenaar het aanzien nog steeds waard. Pfeijffer doet hetzelfde als een paar weken geleden bij Literair Paspoort. Werken doet het ook hier, maar toch, zo groot is het poëzieminnende publiek dat naar lezingen gaat nu ook weer niet. Wat meer variatie in het repertoire zou voorkomen dat herinneringen bovendrijven aan die universitaire docent uit de jaren zestig die ongestraft maar niet onopgemerkt wegkwam met hetzelfde collegedictaat, jaar in jaar uit, inclusief tentamenvragen.
Zondagochtend meld ik me om 10 uur bij de organisator van de manifestatie "De Mooiste Dichteressen van de Lage Landen", waar ik heb beloofd vraagbaak te zijn voor dichteressen en publiek. Een luizenbaantje: hier en daar wat hand- en spandiensten verlenen en daarvoor zestien prachtige dichteressen uit Vlaanderen en Nederland mogen beluisteren. Oké, ook hier mis ik soms de woorden op papier - poëzie voordragen, ook die van jezelf, is een vak apart; niet iedereen heeft dat even goed in de vingers en vaak spelen ook opvattingen over hoe je poëzie wilt voorlezen een rol - maar het is een fraai programma met onder meer Eva Gerlach, Mirjam Van hee, Ilse Starkenburg, Sylvia Hubers en Fatima Ualgasi, die in 1999 het Meandergedicht van het jaar schreef. Wel jammer dat het mooie weer en concurrentie van een aantal andere manifestaties het aantal luisteraars nadelig beïnvloeden. Of zou het idee om nu eens alleen dichtende vrouwen aan het woord te laten niet iedereen de prikkel geven die het mij wel gaf? Laten we het maar op het weer houden. Nu werd het een mooie, maar al te kleinschalige aangelegenheid. Ik had organisator en deelneemsters meer gegund.
Een weekendje poëzie met mooie en minder mooie momenten. Toch, mijn tranen worden gereserveerd voor een stuk van Godert van Colmjon, 16 november in Trouw. Het gaat over het meisje Bep dat Gerrit Achterberg inspireerde tot de gedichtencyclus Zestien, nadat hij deze dochter van zijn hospita na een verkrachtingspoging verwondde; haar te hulp geschoten moeder schoot hij dood. Van Colmjon spoorde de dochter op. Zestien toen, eenentachtig nu en nog altijd getraumatiseerd. Van het bestaan van de gedichten heeft zij nooit iets geweten en ze zouden haar waarschijnlijk ook niet hebben geholpen. Wij maken ons druk om poëzie en dat is goed. Maar je zult zo'n muze wezen.



Edith de Gilde




gedichten * afrikaans * recensies * impressie * proza * nieuws * colofon 
Artikel



Opnieuw walgen

Henk Ruijsch


1. Inleiding

"Alles stroomt", zeiden de Grieken en ze hadden gelijk, de tijd gaat verder.
"De geschiedenis herhaalt zich", zeggen de Fransen en daarom moeten nieuwe generaties altijd weer opnieuw kennismaken met belangrijke literaire stromingen uit het al of niet nabije verleden. De existentiefilosofie heeft een onuitwisbaar stempel gezet op de generatie van na de Tweede Wereldoorlog. Enige tijd geleden verscheen van het voor het existentialisme belangrijkste boek een nieuwe vertaling, zeer goedkoop in pocketuitvoering verkrijgbaar.


2. De novelle 'Walging'

In het boek Walging van Jean-Paul Sartre (vertaling H.P. v.d. Aardweg, Bruna, zwarte beertjesreeks, 1961) ervaart de hoofdpersoon een aantal malen een diepe walging, wanneer hij dode of levende objecten ontmoet. Walging ten opzichte van het bestaan. Naast de beschrijving van het troosteloze leven in Bouville, waar hij een boek over een historische figuur tracht samen te stellen, komen er nu en dan passages voor waarin deze walging met name wordt genoemd. In de loop van het fragmentarische verhaal in dagboekvorm tracht hij deze walging steeds beter te doorzien omdat het een wezenlijk onderdeel van zijn eigen bestaan lijkt te vormen.
De ervaringen worden steeds indringender en de krachtige beschrijving van Sartre gaat soms door merg en been. We zien hoe de hoofdpersoon de dingen en verschijnselen beschrijft. Er is aanvankelijk geen sprake van een bepaald bestaan dat de dingen hebben. Zij zijn er gewoon en jagen hem angst aan. Hier zit hij in een tram:


"Mijn hand rust op de bank, maar ik trek haar haastig terug: die bank bestaat. Dat ding, waarop ik gezeten ben en waarop ik mijn hand legde, heet een bank. Het is opzettelijk gemaakt, om er op te kunnen zitten, de mensen hebben leer genomen, springveren, stof, en zijn aan het werk gegaan, met de bedoeling iets te maken waarop men zitten kan en toen zij klaar waren, hadden zij dit gemaakt. Zij hebben het hierheen gedragen, in deze tram, en de tram rolt voort en slingert nu met zijn trillende ruiten en draagt dit rode ding. Een beetje als een bezwering mompel ik: dit is een bank. Maar het woord blijft op mijn lippen; het weigert zich op het ding te plaatsen. De bank blijft wat zij is, met haar rode trijp, met haar duizenden rode pootjes, die stijf in de lucht steken, dode pootjes. Die reusachtig in de lucht gestoken buik, bloedend, opgeblazen - opgezwollen met al zijn dode pootjes, buik, die in deze tram dobbert, in deze grijze hemel, die buik is geen bank. Het zou bijvoorbeeld even goed een dode ezel kunnen zijn, opgezwollen van water, meegesleurd door de stroom, de buik in de lucht in een grote, grijze rivier, die buiten zijn oevers getreden is; en ik zou zitten op de buik van de ezel, terwijl mijn voeten nat zouden worden in het heldere water. Deze dingen hebben zich van hun namen bevrijd. Zij zijn er, grotesk, koppig, reusachtig, en het wordt dwaas ze banken te noemen of iets over ze te zeggen: Ik ben temidden van de Dingen, de onbenoembaren, Alleen zonder woorden, zonder verweer, omringen zij mij, onder mij, achter mij, boven mij. Zij eisen niets, zij dringen zich niet op: zij zijn er."


Bestaan de dingen en loopt Roquentin, de hoofdpersoon, temidden van de dingen rond? Aanvankelijk lijkt dit zo en bezorgt het hem slechts de Walging. Het bestaan van de dingen zelf lijkt niet gevaarlijk. Maar vervolgens krijgt dit bestaan tastbare eigenschappen. Het wordt "een soort vernis, waaronder de meest monsterlijke vormen schuil gaan":

Hij is de stadstuin binnengegaan in de avond en een wortel van de kastanjeboom komt juist onder zijn bank uit.


"Vòòr deze laatste dagen heb ik nooit begrepen wat 'bestaan' betekende. Ik was als de anderen, als zij, die aan zee, in hun beste kledij wandelen. Ik zei, evenals zij het doen, dat de zee groen is, dat die witte stip daar in de hoogte een meeuw is, maar ik voelde niet dat het bestond en dat de meeuw een 'meeuwbestaan' was; gewoonlijk verbergt het bestaan zich. Het is er rondom ons, in ons, wij zijn het bestaan, men kan geen twee woorden zeggen zonder over het bestaan te spreken, maar men raakt het niet aan. Wanneer ik geloofde eraan te denken, is het nodig te geloven, dat ik niets dacht, mijn hoofd was ledig, of, ik had juist één woord in het hoofd, het woord 'zijn'. Ofwel, ik dacht.... hoe het te zeggen? Ik dacht aan het toebehoren, ik zei tot mezelf dat de zee behoorde tot de klasse van de groene voorwerpen of dat het groen deel uitmaakte van de eigenschappen van de zee. Zelfs wanneer ik naar de dingen keek, was ik er honderd mijlen van af, om te denken dat zij bestonden: zij verschenen mij als een decor. Ik nam hen in handen, zij dienden mij tot werktuigen, ik voorzag hun weerstanden. Maar dat voltrok zich alles aan de oppervlakte. Wanneer men mij gevraagd had wat het bestaan was, zou ik te goeder trouw hebben geantwoord, dat het niets was, ternauwernood een lege vorm, die zich bij de dingen voegde, zonder iets aan hun aard te veranderen. En toen was het er eensklaps, het was zo helder als de dag: het bestaan was plotseling ontsluierd. Het had zijn onschadelijke eigenschap als abstracte categorie verloren: het was het deeg der dingen zelf, die wortel was gekneed bestaan. Of beter nog, de wortel, de hekken van de tuin, de bank, het grasperk, alles was bezweken; de verscheidenheid der dingen, hun individualiteit was slechts een vernis. Dat vernis had zich opgelost, er bleven monsterlijke, weke massa's, wanordelijk - naakt, van een verschrikkelijke, ontuchtige naaktheid."

Via de conclusie dat er sprake is van een te veel zijn - alle dingen zijn te veel ten opzichte van de andere dingen, zelfs de mens is te veel - komt hij op het begrip 'absurditeit'. Iets, een begrip of ding, is absurd, maar alleen ten opzichte van een bepaalde categorie . De beweringen van een krankzinnige zijn absurd in relatie tot zijn omgeving, maar niet ten opzichte van zijn waanzin.
De wortel onder de bank noemt hij zwart, maar hij realiseert zich onmiddellijk dat het ook 'ongeveer zwart' of 'meer dan zwart' zou kunnen zijn:


"Dat leek op een kleur, maar ook .... op een kneuzing of op een afscheiding, op een doorzweten - en op andere dingen, op een geur bijvoorbeeld, het smolt tot de geur van vochtige aarde, van klam en vochtig hout, tot een zwarte geur, als een vernis uitgestreken over dit gespierde hout, tot de gesuikerde smaak van gekauwde vezels. Ik zag het zwart niet op een eenvoudige wijze: het zien is een abstracte uitvinding, een gezuiverd, vereenvoudigd denkbeeld, een menselijk denkbeeld. Dat zwart, vormloze en slappe aanwezigheid, overstroomde, verre, het gezicht, de reuk en de smaak. Maar deze rijkdom ging over in verwarring en was tenslotte niets meer, omdat hij te veel was".


Hiermee verklaart Roquentin de Walging, die hem in driekwart van het boek overspoelde, te begrijpen:


"Ik begreep de walging, ik bezat haar. Eigenlijk gezegd formuleerde ik niet mijn ontdekkingen. Maar ik geloof, dat het me nu gemakkelijk zou vallen hen in woorden weer te geven. Het essentiële is het toevallige. Ik wil, bij definitie, zeggen, dat het bestaande niet het noodzakelijke is. Bestaan is eenvoudig er zijn: de dingen, die bestaan, verschijnen, vertonen zich, maar men kan hen nooit herleiden. Ik geloof dat er mensen zijn, die dat begrepen hebben. Zij hebben allen geprobeerd die toevalligheid te overwinnen, door een noodzakelijkheid uit te vinden, die haar rechtvaardiging in zichzelf draagt. Maar geen noodzakelijk wezen kan het bestaande verklaren: de toevalligheid is geen valse schijn, een verschijning, die men kan laten verdwijnen; het is het absolute, bij gevolg het volkomen zinloze. Alles is zinloos, die tuin, deze stad en ikzelf. Wanneer men zich daar rekenschap van geeft, raakt zo iets je tot in de kern en begint alles te vervloeien........."

Hierna probeert hij de bewegingen van de wind in de takken te volgen om de 'overgang' naar het bestaan te kunnen zien, maar het krioelt van bestaansvormen aan de uiteinde van de takken, die zich "onophoudelijk hernieuwen, maar nimmer geboren worden".
De dingen hebben er geen lust in om te bestaan, maar zij kunnen het niet verhinderen.
Hij concludeert met de prachtige volzin: "Al het bestaande ontstaat zonder reden, blijft in stand uit zwakheid en sterft terloops."
Wellicht (hopelijk?) is dit existentialistisch standpunt niet helemaal de eindconclusie van Sartre. Wanneer de hoofdpersoon de tuin verlaat, legt hij hem de volgende woorden in de mond:


"Ik stond op en ging heen. Bij het hek heb ik mij omgedraaid. Toen heeft de tuin tegen mij geglimlacht. Geleund tegen het hek heb ik lange tijd gekeken. De glimlach van de bomen, van het bos laurierbomen, wilde iets zeggen; dat was het ware geheim van het bestaan. Ik herinner mij dat ik op een zondag, niet langer dan drie weken geleden, over de dingen reeds iets van medeplichtigheid vastgesteld had. Richtte die glimlach zich tot mij? Gehinderd voelde ik, dat ik geen enkel middel bezat om te begrijpen. Geen enkel. Toch was het er, verwachtend, en het leek op een blik. Het was er, op de stam van de kastanjeboom..., het was de kastanjeboom. Dingen, men zou zeggen gedachten, die onderweg stilhielden, die zichzelf vergaten, die vergaten wat zij hadden willen denken en die bleven als dit, heen en weer geslingerd, met een grappige, kleine betekenis, die hun te boven ging. Die kleine betekenis ergerde me: ik kon haar niet begrijpen, zelfs niet wanneer ik honderd-en-zeven jaar tegen het hek geleund zou blijven staan; ik had over het bestaan alles vernomen wat ik er van vernemen kon. Ik ben vertrokken, teruggekeerd in het hotel en heb toen dit geschreven."


Zo ontdekt de hoofdpersoon het bestaan der dingen. Er blijft slechts een 'grappige, kleine betekenis' onverklaarbaar. De rest is overbodigheid, 'te veel - heid'.


3. Een nieuwe vertaling

Voor degene die een (in zijn ogen) belangrijk boek, dat stukgelezen is, van aantekeningen en onderstrepingen is voorzien, opnieuw vertaald ziet, is het wel even wennen! De vertaling van Marianne Kaas doet prettig modern aan en is voor iemand die het boek voor het eerst leest, veel leesbaarder dan de vertaling van H.P. v.d. Aardweg. Bestuderen we de achterliggende filosofie wat nauwkeuriger, dan is het verschil tussen de vertalingen duidelijker aanwezig. In het laatste bovenstaande citaat staat de zin: "......over de dingen iets van medeplichtigheid vastgesteld had." (vert. v.d. Aardweg.) Marianne Kaas vertaalt dit echter met: "... dat de dingen een soort gemeenzaamheid uitstraalden." Dit is nogal een verschil! Een kenner van het Frans mag bepalen wie hier de juiste vertaling geeft; "l'air complice" staat er oorspronkelijk.
De dingen zijn in deze filosofie 'behept' met een eigen expressie, die dus actief tot uiting komt. Voor het gevoel is 'gemeenzaamheid' toch veel minder actief dan 'medeplichtigheid'?
In het voorlaatste citaat hierboven staat de zin (oorspronkelijk Frans): "L'essentiel c'est la contingence." Dit is een filosofische uitspraak, door v.d. Aardweg vertaald met : "Het essentiële is het toevallige". Marianne Kaas schrijft: "De essentie ligt in de contingentie", waar de argeloze lezer natuurlijk niets van begrijpt. Waarom deze vertaalgemakzucht om vreemde woorden blindelings in qua klank overeenkomstige Nederlandse woorden om te zetten?

Er zijn, met het Frans ernaast, veel voorbeelden te vinden waar Marianne Kaas blijk geeft van hetzij onkunde met de onderliggende filosofie van Sartre, hetzij onwil om die de lezer eens extra duidelijk uit te leggen. Daarom deze goede raad: Lees voor een kennismaking met het boek Walging de prettige vertaling van Marianne Kaas. Wilt u dieper de filosofie bestuderen of bent u van de oudere generatie en wilt u 'opnieuw walgen', neem dan beide vertalingen ter hand bij de stukken die expliciet over de 'walging' gaan, liefst de Franse uitgave en de dikke Van Dale erbij.
In de loop van de tijd zijn er meer vertalingen geweest, bijvoorbeeld van Marianne Kuik (De Arbeiderspers, 1976). Hier zijn echter alleen de oudste en meest recente vertaling met elkaar vergeleken.


4. Literatuuropgave

Oorspronkelijk Frans: Jean-Paul Sartre - La nausée, collection folio, Galimard, 1986 ISBN 2-07-036805.
Vertaling H.P. v.d.Aardweg: Jean-Paul Sartre - Walging, zwarte beertjes 434, 1961, A.W.Bruna & zoon, Utrecht.
Vertaling Marianne Kaas: Jean-Paul Sartre - Walging, Singel pockets 1999, ISBN 9041330518/NUGI 301. Het boekje kost slechts € 2,93.


Henk Ruijsch




advertentie

tijdschrift
SCHRIJVEN
tussen fascinatie en publicatie
Diamonds r 4 ever
klik hier




gedichten * afrikaans * recensies * impressie * artikel * nieuws * colofon 
Proza



Een dolfijn in Haarlem

Bart J. Diephuis

'Wie komt er straks ook al weer op bezoek?'
Dorien zette een vaas met bloemen recht op het dressoir in de hal terwijl ze de vraag stelde. Als het om Tom zijn jeugdvrienden ging was haar geheugen slecht.
'Richard Voetelink,' zei Tom die in de kamer met zijn neus in een oude Voetbal International zat.
'En die zit bij de marine?' vroeg Dorien.
'Ja,' zei Tom. 'Tenminste, dat zat ie de laatste keer dat we elkaar spraken, maar dat zal inmiddels toch al gauw drie jaar geleden zijn.'
'Jullie waren vrienden? Ja, toch?'
'Ja, volgens mij wel.' Tom zei het op een weifelende manier die mannen eigen was als ze het over vriendschappen en genegenheid hadden. 'We zaten bij elkaar op de middelbare school in Den Haag. Het Segbroek College. Totdat zijn ouders naar Haarlem verhuisden. Voor zover ik weet woont hij daar nu nog in het ouderlijk huis - zijn ouders zijn inmiddels gestorven, maar als gezegd, we troffen elkaar voor het laatst zo'n drie jaar geleden. Hoe het nu met hem gaat zou ik niet weten. Het contact was er wel, maar vrij losjes.' Dorien liep met een speurende blik de woonkamer in. Kon alles ermee door? Was het huis toonbaar voor een lid van het vaderlandse marinekorps? Ze vroeg zich af of ze hem moest salueren. Nee, beter van niet.
Ze besloot dat het huis een rigoureuze inspectie doorstond en ze keek de achtertuin in. Daar liep een stel eenden over het gemillimeterde gras.
'Hé, Tom, kijk,' zei ze. 'Eendjes. Een mama-eend en ook jonkies. Eén, twee, vier stuks,' telde ze. 'Ik zie alleen de papa niet.'
'Ah, geen snater familias?' zei Tom. 'Zeker de hort op.'
'Ik dacht dat eenden zo goed voor hun kroost zorgden,' zei Dorien.
'Kroos,' zei Tom. 'Je bedoelt eendekroos.'
'Ik weet wat ik bedoel,' zei Dorien in rustige verontwaardiging, 'en ik bedoel kroost.'
Ze liep weg van het raam en streek met een vinger over een plank van de boekenkast. Geen stof. Uitstekend. Ze pakte Toms VI af en legde hem vervolgens in de uitsparing van hun tv-meubel. Ze moesten echt eens een lectuurbak gaan kopen, vond ze.
'Wat voor type is die Richard eigenlijk?' vroeg ze. 'Denk je dat ik hem mag? En hij mij?'
'Moeilijk te zeggen,' zei Tom. 'Het is nogal een rouwdouwer. Bikkelhard en grof in de mond. Zeker vergeleken met sommige van onze andere vrienden. Een ongeschoren vrouw is een berenmuts. Dat soort dingen. Hij zal jou wel een lekker mokkel vinden, denk ik.'
'Fraai is dat.'
'Met geweld naait men een ezel,' zei Tom.
'Wat zeg je?'
'Met geweld naait men een ezel,' lachte Tom. 'Dat is een van zijn marine-uitdrukkingen. Het zal iets betekenen als "Met dwang en wil valt alles te bewerkstelligen" of zo, maar bij de marine zeg je dat anders.'
'Tuurlijk,' zei Dorien hoofdschuddend. Een vuilbekkende rouwdouwer. Had ze daarvoor het huis aan kant gemaakt?
'Wat bezielt iemand eigenlijk om bij de marine te gaan?' zei ze.
Tom streek zich langs zijn kin. (Hij moest zich eigenlijk scheren, maar hij betwijfelde of hij daar de tijd voor had.)
'Tja,' zei hij, 'Richard was niet bepaald de beste leerling van het Segbroek. Niet echt een groot licht. En toen net na het eindexamen zijn toenmalige vriendinnetje het uitmaakte, zag ie het helemaal niet meer zitten. Het was ook zoiets doms. Zij had net haar rijbewijs en op een avond kreeg ze autopech. Ze belde bij iemand aan om daar om hulp te vragen en toen werd ze verliefd op de man die haar opendeed. Een gescheiden man met een zoontje van acht. Hij is iets van 15 jaar ouder dan zij. Ze zijn zelfs getrouwd, geloof ik. Richard wilde toen, zonder baan, universiteit of relatie in het vooruitzicht, gewoon weg. Weg van alles en toen heeft hij zich ingeschreven. Een beetje een impulsbeslissing, maar de discipline beviel hem wel, geloof ik.'
'A-ha,' zei Dorien.
'Toen het eenmaal uit was met dat meisje, heb ik me een keer laatdunkend over haar uitgelaten, en toen verslechterde het contact met Richard. Het verbaasde me dat ie belde.'
Dorien deed de deur naar de bijkeuken dicht. Niet alles was even netjes, dus dat hoefde Richard niet te zien. Het was net als in hotels, waar je als gast, als je van de gebaande paden afweek, opeens het marmer en de vergulde biezen zag verdwijnen om plaats te maken voor de met peertjes verlichte betonnen gangen voor het personeel.
'Van mij mag ie zo langzamerhand ook wel komen,' zei ze.
'Hebben we genoeg drank in huis?' vroeg Tom met een blik op de klok.
Richard was inderdaad laat.
'Drank?'
'Ja, hij lust er wel eentje. En ook wel meer dan één.'
'Verdomme zeg! Jullie houden het toch wel netjes?'
Op dat moment ging de bel.
'Natuurlijk,' bezwoer Tom.
Hij stond op, liep naar de voordeur en deed open. Daar stond Richard: een roestbruine baard van een vuist diep, een verbrand gelaat, wijdvallend batik-shirt (paars was hier de dominante kleur), daaronder een maf soort één-pijpige Bermuda (of was het toch een rok?) in felgeel, verbrande benen en in mosgroene sandalen twee verbrande voeten met zwartgeverfde nagels. Tom wist niet wat hij zag. Was dit zijn vriend uit de marine? Het leek eerder alsof er in een achterbuurt een verffabriek was ontploft. Tom had weleens gehoord dat de selectie-eisen losser waren geworden om na het afschaffen van de dienstplicht toch voldoende mensen te trekken, maar dat het zo erg was... Hij stak onzeker een hand uit.
'Richard?' zei hij vragend.
De toverbal knikte.
'Kom binnen,' zei Tom.
De man op de stoep vouwde zijn handen voor zijn borst ineen en maakte een kleine hoofdbuiging.
'Het is tegenwoordig weer Arshani, Tom,' zei hij en liep prompt langs hem de gang in. Verbouwereerd liet Tom hem zijn gang maar gaan.
'Hoe bedoel je "weer"?' vroeg hij, bang voor het antwoord, en liep hem achterna.
'Arshani is mijn kernnaam, de naam die ik had in mijn eerste leven.'
'Je eerste wat?' vroeg Dorien die alleen dit laatste had opgevangen. Ze bekeek hem van top tot teen. Wat waren de Jantjes veranderd.
'Mijn eerste leven,' zei Richard die haar verder negeerde en de inrichting monsterde. 'De eerste incarnatie van de entiteit die over ionen evolueerde in het wezen dat door zijn doorgevers Richard werd genoemd.'
'Doorgevers?'
'Mijn ouders, maar dat dekt de lading allesbehalve.'
Tom en Dorien keken elkaar aan. Leuke vrienden heb jij, leek ze te zeggen.
'Ri... Arshani, heb je suiker in de thee?' vroeg Dorien. Ze liep alvast achter Tom langs in de richting van de keuken. Tegen Toms rug siste ze: 'Volgens mij heb je me niet alles verteld, mannetje.'
'Geen suiker,' antwoordde Richard. 'Ik gebruik geen enkel stimulerend middel, dus zowel thee als suiker zijn uit den boze. Nou ja, behalve suiker in fruit dan. Dat is natuurlijk.'
'Wat kan ik dan voor je inschenken? Glaasje water?'
'Doe geen moeite. Ik heb zelf wat meegebracht.'
Richard nam in een lotushouding plaats op het middelste kussen van de driezitsbank en haalde als een volleerd goochelaar een thermosfles onder zijn shirt vandaan. Ergens uit de Bermuda volgden een porseleinen kommetje en een zakje gedroogde kamille. Als er straks een lepeltje uit die baard komt piepen, schop ik hem het huis uit, dacht Dorien.
Hun gast deponeerde ondertussen bedachtzaam de helft van het zakje in het kommetje en schonk er onverstoorbaar heet water uit de thermosfles bij. Tom ging tegenover Richard zitten en keek hem lang aan.
'Sorry dat ik het zeg, hoor,' zei hij uiteindelijk, 'maar wat is er in godsnaam met jou gebeurd sinds we elkaar voor de laatste keer zagen?'
'Ik ben op reis geweest en daarin ben ik gegroeid,' zei Richard. 'Het pad heeft zich aan mij geopenbaard.'
'Waar de Marine al niet goed voor is,' mompelde Tom.
'Ik zit niet meer bij die neofascistische organisatie. Daar was men er alleen op uit mijn innerlijke licht te doven, mijn wil te ketenen. Ik ben naar India geweest en ik heb daar mijn spirituele basis gevonden op de top van berg Dhaulagiri. Meer dan 8.000 meter, niet dat ik telde.'
'Mooi uitzicht?' vroeg Dorien droog terwijl ze haar en Toms kopje neerzette.
'Prachtig,' zei Richard kalm en nipte van zijn kamillewater. 'Het mooiste uitzicht dat denkbaar is. Op een heldere dag kun je jezelf zien...'
Tom en Dorien zuchtten eens diep. Als deze man lang bleef, dan werd het een zware middag.
'Welke godsdienst is dit nu precies?' vroeg Tom.
'Een combinatie van taoïsme, boeddhisme, veganisme...'
'Is veganisme nu ook al een godsdienst?' pikte Dorien de enige uit het rijtje waar ze zich iets bij voor kon stellen.
'Jezus was ook een veganist,' antwoordde Richard.
'Weet je zeker dat je jezelf aan Jezus wilt spiegelen?' kwam Tom ertussen. 'Trouwens, Jezus is het Nieuwe Testament. Da's niet belangrijk. Het Oude Testament, daar gaat het om. God was zeker geen veganist.'
Richard zweeg.
'Waarom ben je gekomen, Richard?' vroeg Tom. 'Zo hoor ik tijden niets van je, zo bel je op en vraag je of je de volgende dag langs kunt komen.
Richard gaf geen indicatie te gaan antwoorden, maar dronk zijn kamillewater.
'Niet volgende week of binnenkort, maar meteen de volgende dag. Waarom die haast?'
'Omdat,' zei Richard, die zich leek te realiseren dat hij zich niet zo kort na elkaar een tweede stilte kon veroorloven, 'een pad slechts een pad is als meerdere personen haar bewandelen. Zonder reizigers geen pad. Zonder lopers blijft het meest verlichte pad gehuld in duisternis.'
'Christus nogaantoe,' zuchtte Dorien.
'Als je het zo wilt zien,' zei Richard.
'Je komt dus om ons te bekeren?' vroeg Tom ongelovig. Deze man leek in niets op zijn vroegere vriend. 'We moeten samen met jou het pad aflopen? Is dat het?'
'Je moet toegeven dat je niet spiritueel genoeg leeft, Tom,' zei Richard. Hij hield zijn hoofd schuin terwijl hij het zei.
'Niet spiritueel genoeg?' zei Tom. 'Niet genoeg waarvoor? Voor God? Voor jouw smaak? Niet genoeg om de zon morgen op te laten komen?'
'Niet genoeg om waarlijk vrij te zijn.'
'Waarlijk? Is dat niet teveel een term uit de traditionele religies?' sneerde Dorien.
'Dus ik moet spiritueler worden? En dan? Denk je dat het ooit genoeg zal zijn?' legde Tom Richard voor. 'Kun je je indenken dat wij ooit spiritueel genoeg zullen zijn?'
'Misschien,' zei Richard, maar zijn stem verried zijn twijfel. 'Op weg hier naartoe vanmiddag liep mij een meisje tegemoet,' zei hij. 'Ze zal niet ouder zijn geweest dan een jaar of 16, al moet ik toegeven dat ik het steeds moeilijker vind de leeftijd van meisjes te schatten. Ze kwam mij tegemoet en voor mij uit liepen twee jongens.'
Tom en Dorien luisterden in afwachtende verwondering.
'Het meisje was niet erg kuis gekleed, het was allemaal wat kort en strak en weinig verhullend. Begrijpelijkerwijs had ze meteen de aandacht van de jongens.'
Waar ging dit naartoe?
'Het meisje droeg onder andere een blauwgrijs shirt met korte mouwen. Een soort van sportshirt, geloof ik, want op haar borst stond hierop het getal 23. Ze liep aan ons voorbij, eerst aan de twee jongens en toen aan mij. Ik hoorde de jongens spreken. Ze bespraken tot in detail het uiterlijk van het meisje en haar vermeend losse zeden. De ene jongen zei op een gegeven moment dat hij graag met haar zou vrijen - of meer plastische woorden van die strekking. Daarop zei de andere jongen dat ze daarna waarschijnlijk een shirt met 24 erop zou aantrekken...'
Tom en Dorien gniffelden, maar Richard keek afkeurend.
'Ze lachten hierover tot aan de eerstvolgende kruising,' zei hij. 'Het was me een gruwel. Die hang naar seks zonder gevoel, het verlangen naar materiële rijkdom tegenover innerlijke reinheid. Wat ik bedoel te zeggen is dat er zoveel gebeurt dat niet hoort.'
'Met geweld naait men een ezel?' zei Dorien scherp.
Richard keek in zijn kommetje waarin een geelbruin plasje schommelde.
'Een citaat uit mijn verleden,' zei hij. 'Een twijfelachtig citaat, mag ik wel zeggen. Betreurenswaardig. Maar die man bestaat niet meer. Hij is uitgebannen, achtergebleven in de bergen.'
'Komt dat even mooi uit,' zei Dorien.
'Ik zal niet zeggen dat ik perfect ben, maar mijn bedoelingen zijn ten juiste gekeerd. Je moet er wel aan blijven werken, natuurlijk. Aan jezelf. Vasten, reinigen, catharsis.'
'Spiritualiteit met vlijt,' zei Dorien.
Richard negeerde haar hernieuwd.
'Ik ben tot het inzicht gekomen dat juiste voeding het belangrijkste is. Alles begint en eindigt met eten. Wat je in je lichaam stopt wordt part en deel van je. Dan ga je toch niet iets slechts in jezelf toelaten?'
'Dat zal wel niet,' zei Tom.
'Wat is dat toch dat bekeerlingen uitgerekend gaan lijnen en vasten?' Dorien had haar geduld met Toms ouwe makker inmiddels zo ver verloren dat ze er geen doekjes meer om wilde winden. Zeker niet in haar eigen huis.
'Het lijkt wel een eetstoornis in plaats van een geloof,' ging ze verder.
'Heb je misschien het gevoel dat je de greep op je leven kwijt bent, Richard? Dat is toch vaak zo bij mensen met culinaire dwangmatigheden? Zoek je angstvallig naar iets - wat dan ook - dat je wel kunt controleren? Iets dat je de baas kunt voor de verandering? Als ik dan niets kan sturen, als er dan niets gaat zoals ik het wil, dan bepaal ik tenminste wat ik eet? Zoiets?'
'Laat hem toch,' zei Tom.
'Het geeft niet,' wimpelde Richard haar af zoals het een verlicht persoon betaamde. Hij wimpelde inmiddels met de besten.
'Ik laat hem niet,' siste Dorien. 'Waar haalt ie het gore lef vandaan? Dat komt ons huis binnen en bekritiseert ons? Hij kent ons niet eens! Sorry hoor, Richard, ik weet dat ik je niet goed genoeg ken om een mening over je te mogen hebben, maar ik voel dat ik er niet aan ontkom. Van alle zelfingenomen... Wat is dat toch met mensen die van religie wisselen? Waarom zijn dit soort spijtoptanten niet eerder tevreden dan wanneer ze je hebben overgehaald hun fout ook te maken? Waarom moet ik zijn nieuwe geloof staven? Laat hem dat lekker zelf doen. Niemand heeft het hem gevraagd, toch? Tenzij ie stemmen hoort natuurlijk, dan heb ik niks gezegd. En is het wel zo dat je ons wilt bekeren, Richard? Is het niet iets anders misschien? Is het niet gewoon zo dat je je superieur wilt voelen? Hmm? Ben je niet gewoon veel beter dan wij? Kijk ons armzaligen toch eens; huisje-boompje-beestje. Geketend, zei je? We zijn geketend, gekerstend en gebonden aan conventies en banen, materiële zaken. Nee, dan Richard. Die is zoveel meer in harmonie met de wereld. Zijn vloekende kleren even daargelaten. Richard is de man, geen kwade gedachten in zijn hoofd. O nee, zijn geest is rein, zijn ziel en darmen gezuiverd. Zo veel verlichter en beter dan wij. Hmm, is dat het? Nou, dan moet ik je teleurstellen, Jantje, want je verdient eerder een tik over de jatten. Als ik zie hoe je alles waar Tom en ik voor staan afwijst, hoe gegeneerd dingen je maken, hoe je ineenkrimpt bij onze zaken en keuzes, dan moet ik je toch zeggen dat hoe verheven jij je ook mag voelen, je bent er nog lang niet, Richard.'
Richard zweeg. En Tom ook.
'De paden op, de lanen in,' ging Dorien verder. 'De hoogste bergtop - achtduizend meter, zei je? - de hoogste bergtop en nog altijd niet vrij van je superioriteitsgevoel? Je bent er nog lang niet, Richard. Nog lang niet.'
'Ik...,' begon Richard, maar hij maakte zijn zin niet af.
Dorien verliet opgewonden de kamer, waarop Tom opstond en zei: 'Leuk je weer eens te zien, Richard, maar ik denk dat het beter is als je gaat.'
'Ik wilde slechts...'
'Ik laat je uit.'
Nadat Richard was gegaan, kwam Dorien weer de kamer in en trakteerde Tom op een verwoestende blik. Ze pakte de zaterdagbijlage van de krant en sloeg deze hardhandig open.
'Als hij dan echt zoveel verder is dan wij,' zei ze, 'als meneer dan zoveel verder is geëvolueerd, zoveel vaker is geïncarneerd en wijzer is, waarom is ie dan nog geen dolfijn..?'

***

Richard liep het tuinpad af en sloeg aan het einde linksaf. Hij liep tot aan de hoek, ging daar de bocht om de dwarsstraat in en stopte bij een geparkeerde auto. Op de achterruit van de Volvo prijkte een wervingssticker van de marine, de letters verkleurd door de zon.
Richard stapte in. Hij keek zo ernstig mogelijk om zich op de pijn voor te bereiden en trok toen in één langzame beweging de baard en de snor van zijn gezicht. In de vallei tussen zijn mond en zijn kin bleven wat lijmresten kleven.
Even zat hij roerloos, maar toen begon Richard te lachen, onbedaarlijk te lachen. De auto schudde ervan. Het leek er even op dat hij nooit zou stoppen, maar dat deed hij uiteindelijk toch.
God, wat was dat leuk geweest! De perfecte practical joke. Beter dan perfect, want ze hadden niets doorgehad. Tot en met het eind. En hij had zelfs zijn lachen in weten te houden. Prachtig. Dat hij zo goed een zweverige goeroevolger had weten te spelen, wie zou dat hebben gedacht? Soms verbaasde hij zichzelf. En wat had Toms vriendin zich opgewonden! Dat was geen katje om zonder handschoenen aan te pakken, o nee, zeker niet.
Hij bekeek zijn gezicht in zijn zijspiegel en hij pulkte aan de lijmresten.
Brrr, dat was schrikken. Wat zag hij eruit! Hij had zich echt beter in moeten smeren. Die Indiase zon was fel. Zeker boven de boomgrens. Maar ja, je bedacht daar nu eenmaal de beste grappen. Dat was algemeen bekend. In Nederland kwamen dergelijke grappen niet tot een mens. Daarvoor moest je echt naar het dak van de wereld. Om als rouwdouwer, als marinier, je vriend zo voor de gek te houden? Kom daar maar eens om op de Pietersberg. Maar om het vervolgens uit te voeren, dat viel nog niet mee. Hij had er bijna van afgezien omdat het hem ondoenlijk leek, maar ja, met geweld naait men een ezel...


Bart J. Diephuis




advertentie

Dode Zanger
gedichten van Cor Wulffelé

 
64 pagina's
€ 15,00 (exclusief verzendkosten)
Informatie:
Zie voor werk van
Cor Wulffelé in Meander
zijn auteurspagina




gedichten * afrikaans * recensies * impressie * artikel * proza * colofon 
Nieuws



Vanmiddag in Brielle
Literair Café Brielle presenteert vanmiddag leerlingen van basisschool De Ark te Brielle, Bas, Lillian de Dreu, Henk van Setten, Lilly Touwen en Anton Born. Presentatie: Hanny van der Lecq. Muziek: Jan van der Velde met zang van Rita de Kimpe.
Plaats: 't Kont van het paard, Kaatsbaan 1, Brielle
Tijd: vanmiddag, zondag 24 november, 14.00 uur


Noachs kat
Vanavond vindt in het Prinsentheater in Groningen de presentatie plaats van de nieuwe aflevering van Noachs Kat, Noord-Nederlands tijdschrift voor proza en poëzie. 'Noachs Kat' is vernieuwd en viert dit met optredens van verschillende auteurs uit Noord-Nederland, o.a. van Hans Mooi, Chris Houwman, André Degen, Janneke Lueks, Hubert Klaver en S. Hassan Golbang Khorasani. Muziek is er van Kirsti de Hek.
Presentatie: Chris Houwman.
Plaats: Prinsentheater, Noorderbuitensingel 11, Groningen
Tijd: vanavond, zondag 24 november, 20.15 uur
Entree gratis


Poëzie op de radio
Dichteres Ilse Starkenburg presenteert op dinsdag 26 november van tien tot elf uur 's avonds een door haar samengesteld radioprogramma vol poëzie. De gedichten worden afgewisseld met muziek van Ygdrassil (Linde Nijland en Annemarieke Coenders). In "De avonden", VPRO, Radio 747 AM.
Zie ook www.vpro.nl/avonden


Liefde in de Letteren
Alle literatuur gaat over de dood en de liefde, wordt wel eens gezegd. Op 28 november staat in Leiden het laatste centraal. Roelie Koning geeft daar een lezing over de liefde in de letteren. Zij schetst aan de hand van gedichten en fragmenten uit verhalen en romans een overzicht van de manier waarop wij in Nederland over de liefde denken. Het begint met 'Hebban olla vogala', het oudst in het Nederlands geschreven gedicht en eindigt met Ronald Giphart.
Plaats: de Tuinzaal van Sociëteit de Burcht, Burgsteeg 14, Leiden
Tijd: donderdag 28 november, 20.15 uur, zaal open 19.45 uur
Entree: EUR 7,-, met CJP, pas 65+, collegekaart EUR 5,-
Toegangskaarten te verkrijgen bij Boekhandel Kooyker, Breestraat 93 en Boekhandel De Kler, Breestraat 161, Leiden
Bron: www.cultuurnet.nl


Dansgedichten
Op zaterdag 14 december presenteert het Vlaamse Bibliofiele Genootschap Literarte Derwisj. Tien dansgedichten van Leonard Nolens. Wie erbij wil zijn in Kasteel Fruithof te Boechout moet contact opnemen met het genootschap: Literarte, Pieter Nollekensstraat 76, B-3010 Kessel-Lo (België). E-mail: jo.
Zie ook users.skynet.be/literarte


Sonnettenwedstrijd
Op zaterdag 10 mei 2003 organiseert Stichting Sonnet De Nacht van het Sonnet. Onderdeel daarvan is een sonnettenwedstrijd. Thema van de
wedstrijd: De nacht. Insturen kan tot 15 januari.
Voor meer informatie: www.webhome.demon.nl/sonnet


Zuiderzeeballade
In 1959 schreef Willy van Hemert 'De Zuiderzeeballade', een levenslied vol menselijke emotie tegen het decor van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Het verhaal achter het lied, van het ontstaan tot en met de hedendaagse persiflages, wordt uit de doeken gedaan op de tentoonstelling 'De Zuiderzeeballade en andere liederen van de Zuiderzee'. De expositie is te zien en te beluisteren in het binnenmuseum van het Zuiderzeemuseum in
Enkhuizen. Op de tentoonstelling zijn in totaal zo'n tachtig Zuiderzeeliederen bij elkaar gebracht. Bezoekers kunnen hun muzikale kwaliteiten tonen in 'De badkuip'. (Zang)groepen kunnen (tegen betaling) een video-opname laten verzorgen van zo'n optreden. Wel voorafgaand aanmelden bij de afdeling Reserveringen van het museum (tel. 0228 35 11 35).
Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen is iedere dag geopend van 10.00 tot 17.00 uur (met uitzondering van eerste Kerstdag en nieuwjaarsdag).
Zie ook www.zuiderzeemuseum.nl


Zwols dichterscollectief
De vijf leden van het Zwolse dichterscollectief "Rita", dat zijn naam ontleent aan de in 2000 overleden Zwolse schrijfdocente Rita Sanders, komen maandelijks bij elkaar om informatie uit te wisselen, een opdrachtgedicht
voor te lezen en te bespreken en zichzelf een nieuwe opdracht te geven. Het collectief treedt ook naar buiten: men treedt op in galeries en tuinen, op festivals, markten, zolders, scholen, open en besloten podia. Op zondag 12 januari 2003 is er een optreden als afsluiting van de tentoonstelling Verhalendragers in Wezup.
Meer informatie: trijntje.
Zie over "Verhalendragers" www.kunsthuis-interlokaal.nl (onderdeel 'galerie')


De Groene Waterman wint
Het literaire tijdschrijf Gierik & NVT heeft voor de tweede maal de zelfstandige literaire boekhandels in Vlaanderen onderzocht. Vijf onderzoekers, allen student aan de Antwerpse SchrijversAcademie, trokken van Oostende naar Hasselt. De Groene Waterman in de Antwerpse Wolstraat won dit jaar.
Zie ook www.gierik-nvt.be en www.groenewaterman.be


Strellus Prijzen
De Strellus Prozaprijs 2002 is gewonnen door Willem van Vliet uit Aardenburg met het verhaal De Componist. Anna Hardonk uit Emmen won de Strellus Poëzieprijs 2002 met haar gedicht Polen 2000.
De wedstrijden werden voor de twaalfde keer uitgeschreven door Uitgeverij De Vleermuis.
Zie ook www.vleermuis.nl


Duivelse Harry verscheurd
De Amerikaanse evangelist Douglas Taylor, oprichter van de "Jesus Party", ziet in de populaire Harry Potterboeken van J.K. Rowling goddeloze hekserij die kinderen op het verkeerde pad brengt. Het liefst had hij een grootscheepse boekverbranding georganiseerd, maar dat vond de gemeente Lewiston, Maine niet goed. Men was bang voor uitstoot van giftige stoffen. Onder applaus van zo'n honderd toeschouwers heeft Taylor toen maar een van de boeken verscheurd.
Zie ook www.spiegel.de/kultur/literatur/0,1518,223161,00.html




Het nieuws werd samengesteld door Edith de Gilde.
Berichten kunnen worden gestuurd aan




gedichten * afrikaans * recensies * impressie * artikel * proza * nieuws 
Colofon


Site: meander.italics.net

E-mailadres:

Redactie:
Adelheid Bekaert, Annette van den Bosch, Yvonne Broekmans, Edith de Gilde, Hans Hamburger, Milla van der Have, Yves Joris, Gerard Kool, Joop Leibbrand, Vincent Scholze, Marnix Speybroeck, Rob de Vos, Elly Woltjes.

Financiën:
Meander is gratis, maar ook uw financiële bijdrage is nodig!
Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt op Postbank giro 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: Rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.

Mailinglist:
Zie http://www.lists.nl/mailman/listinfo/meander
Abonneren door een mail aan met als onderwerp: subscribe
Opzeggen door een mail aan met als onderwerp: unsubscribe

Kopij is welkom bij Meander. Zie http://meander.italics.net/kopij/

Verdere verspreiding van de in deze uitgave opgenomen teksten is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s)


naar begin van deze krant




Zoek
naar