"Daal af, leeuwerik"
Harry ter Balkt voltooit zijn Laaglandse Hymnen
Door Joop Leibbrand
Deze week, om precies te zijn op 21 mei, ontving Herman Hendrik ter Balkt (Usselo 1938) de P.C. Hooftprijs; behalve de spreekwoordelijke eer en de belofte van langdurige dichterlijke onsterfelijkheid leverde het hem € 57.000 op: de Lage Landen losten er de ereschuld mee in aan een dichter die als geen ander geworteld is in hun grond.
H.H. ter Balkt debuteerde in 1969 onder het oudtestamentische profetenpseudoniem Habakuk II de Balker met 'Boerengedichten', dat als ondertitel meekreeg:
Met de Boerenbijl, bijeengelezen door zijn lintworm 96 bladzijden verfomfaaid en bespat met spreuken, raadsels en verkrommingen; In het groen groen knollenland van de haas. Een natuurtalent, Nederlands Fabrikaat; goedgekeurd door de Ver. van Huisvrouwen. Fens meende aanvankelijk een nieuwe vermomming van Lucebert te signaleren, wat gezien de combinatie van sociaal geëngageerde elegieën en profetisch bezwerende orakeltaal, waarin ogenschijnlijk heel uiteenlopende zaken moeiteloos met elkaar in verband gebracht worden, niet zo gek gedacht was. De landelijke natuurelementen, de verwantschap tussen mens en dier en de historische interesse hadden hem echter direct al op het spoor van een andere, eigen identiteit moeten brengen.
In hoog tempo volgden daarop nog zes vitale bundels, waarvan 'Uier van 't Oosten' (1970), 'De gloeilampen / de varkens' (1972) en 'Oud gereedschap mensheid moe' (1975) de bekendste zijn. Pas bij de achtste bundel, 'Waar de burchten stonden en de snoek zwom' (1979), openbaarde de profeet zich als 'Ter Balkt'; daarna kwam H.H. erbij, de letters die hem tot de gezegende onder de dichters maakten en zijn officiële canonisering van deze week inleidden.
'Laaglandse hymnen' is opgezet als een driedelige reeks gedichten over de Nederlandse geschiedenis en cultuur vanaf de steentijd tot laat in de twintigste eeuw. Het eerste deel, dat loopt tot en met de Overwintering op Nova Zembla verscheen al in 1993, het tweede deel, van de Slag bij Nieuwpoort tot 1899 kwam vorig jaar uit (zie voor de verhelderende recensie daarvan door Rutger H. Cornets de Groot Meander 191) en nu is er dan deel drie, dat in deze verzamelbundel voor het eerst wordt gepubliceerd. Tezamen zijn het 192 gedichten, vrijwel alle sonnetten (al zijn die alleen 'optisch' zo te benoemen, want veel specifieke kenmerken ontbreken).
Niet minder dan 116 gedichten zijn voorzien van een of meer aantekeningen; deze 'verhelderingen'- voor het merendeel zeer noodzakelijk, want wie weet dat O'Kelly's uitgestorven donkergroene mentholpastilles zijn, of dat de Amerikaanse kunstenaar Vincent Shine van acetaat en cyanocrylaat eendenkroos en papyrusloten maakte - beslaan liefst vijfentwintig bladzijden.
In 'Voortgeschopt als een steen' (Querido1999) laat Helene Nolthenius haar hoofdpersoon Leonidas van Tarente zeggen: “(...) de fortuin van een dichter is afhankelijk van twee voorwaarden. Het zijn de kwaliteiten van zijn werk – dat spreekt vanzelf – maar daarnaast de kwaliteit van zijn publiek. Voor zijn succes is het absoluut noodzakelijk die voorwaarden met zorg op elkaar af te stemmen.” Een dichterleven lang is Ter Balkt bezig geweest het publiek dat hij verdient te verwerven. Zijn gehoor bestaat niet uit toehoorders (of zelfs alleen maar toeschóuwers) voor wie de poëzie een gemakkelijk avondje uit is, maar uit lezers die niet alleen bereid zijn zich open te stellen voor zijn eigenzinnige, exuberante idioom en zijn weerbarstige complexiteit, maar die ook zijn werkelijkheidsperceptie delen. Een sterk vergankelijkheidsgevoel en een groot sociaal engagement zijn er de kenmerken van.
Ter Balkts stem is vaak een 'tegenstem', die opklinkt tegen allerlei vormen van onrecht en verwording en niet schroomt haast apocalyptische banvloeken te profeteren.
”Elk hof is totalitair, kou aan alle hoven: // (...) Geloof geen / hoven, nu niet en nooit (...) / (...) Geen heerser deugt.” houdt hij ons voor (
Charlemagne, deel I). “(...) Het leven is een werveling / van rook: dan gezichten, dan vachten en snuiten, / dan vorst. dan dooi; en sfinxenlach van de wind.” (
Ontzettend oud Polygoonjournaal, deel II). Hij stelt vast dat de moderne mens geperverteerd is: “(...) Ik steek mijn hand op naar de mensen die / machines geworden zijn: wandelend in de straten / zenden zij hun lokstoffen uit; er gloeit kalm / stilstaand een groen radiolicht in hun oog. Dat // - koud als permafrost – zendt het signaal uit 'Ik/ ben een machine; vorst in mijn hart; poolkappen / van Mars zijn mijn hersens en hart.' (...) // (...) groot / is nu de haat en vuurhaarden smeulen in de ziel.” (
Aan de mensen die machines geworden zijn, deel III).
Als dichter is Ter Balkt typisch een 'maker' en aan zijn gedichten valt vrijwel zonder uitzondering af te lezen dat er hard – en vakkundig – aan gewerkt is. De gedichten zijn overvol van beelden en betekenis, een informatiedichtheid die nog eens verhoogd wordt door het gecomprimeerde taalgebruik met een voorliefde voor beknopte constructies: “Carillon uit Damiate mijn strot”, “Zout de cartograaf radeert Reimerswaal”. Daarbij vallen de vele vooropplaatsingen, aansprekingen, bezweringen en opdrachten op: “Boomtoppen! Jullie zijn zo hoog en mijn verzegelde / boodschap is leeggewaaid”, “Vernietig niet langer meer, vernietiger.” Opvallend is daarbij, dat het bijzondere 'bijzonder' blijft en het specifieke specifiek. Ter Balkt laat zijn ingrediënten nooit verkoken tot een pruttelend soepje; wat in zijn gedichten een plaats vindt, behoudt zijn eigen kracht.
Minder dan in de eerste delen zijn de gedichten in het nieuwe derde deel gerelateerd aan speciale gebeurtenissen. De nieuwe bundel is ook minder historisch en heeft dan ook helemaal niets van een kroniek. WO I ontbreekt, WO II wordt slechts een paar keer zijdelings genoemd. We vinden wel een Siberisch strafkamp (een prachtig gedicht over Osip Mandelstam, waarin het eerder in deel II bezongen Puttertje van Carel Fabritius terugkeert), de Watersnoodramp, de Maanlanding, Ötziman en warempel asielzoekers. Verder nogal wat kunst (Permeke, Berserik, Westerik), natuur (met name het veranderende landschap) en film (Fellini, Ivens). En Ter Balkt beperkt zich niet tot de twintigste eeuw, want via de god Ptah, Democritos, Vergilius, Hadewych, het tapijt van Bayeux, Swift en Shakespeare smokkelt hij er veel ouds is. De opsomming geeft meteen een goed beeld van de ongelooflijke inhoudelijke gevarieerdheid van dit werk.
In wezen is Ter Balkt een romantisch dichter, maar dan niet een die uit de werkelijkheid wegvlucht, maar er óf de confrontatie mee zoekt, óf het hogere in haar wil evoceren. In
Spreuken van de donder, blijkens een aantekening naar Habakuk 2:12), schrijft hij:
(...)
Wie de stad met list bouwt, de burcht met onrecht,
die zal vallen. Wie raaskalt zal verdwalen,
hartenscheurders worden zure regen.
Wie vervoering dooft, van tombe naar tombe
tolt hij. Die 't water teert, zoet DDT
kust vroeger dan hij de engelenveer.
(...)
en in
Januari's (motto:
Is alles weggewaaid? - Tjalie Robinson):
Waarheid, soms nog op doorreis, heel vroeger
bleef weg. En van wie zijn wij nu de vloeren
sinds de daken ons verlieten, beschutting
in een dolhuis woont, vriendschap, hoop, geloof,
liefde alleen hun stappen nalieten.
Wiens handschrift zijn wij nu dan wel geworden,
onvrede, spot en hoon griffen hun runen.
Omkering dreunt met haar gespleten hoef.
Zwart licht klopt aan en bedrog vlekt de schermen
van televisie, berenklauw; duister
snelt het oogwit in. Windbuilen aan halzen
blazen dwingelandij. Meer dan tweeduizend
januari's raasden al, en coma
bevangt de bossen, de helderste meren.
Dat tij moet gekeerd, en voor de naar onvergankelijke schoonheid strevende dwarse dichterziel ligt daar als eenzame maar goddelijke zanger een taak:
HYMNE AAN EEN VELDLEEUWERIK
Straf kreeg zo menigmaal linde, veldmuis,
varken, wegens omvallen, graanvraat of iets
ergers. Nu verwoesting heilig verklaard, ben
jij, roest, zilver en jij, veldleeuwerik
zanger en balling. Heen ging menige
vogelveer, maar jij, frêle verdwijnpunt, stijgt en
daalt nog aan de hemel ook belt geworden:
haard van ruwgevederde rook en geur.
Jij, laatste rebel! Beraam je nog iets bij
de kluisters van roet en steen, vliegroutes
van niets naar nergens, de Zadkine-zangen met
uitgehakt hart? Sta ons bij, klein verenpak.
Houd met halm en aar hoog de lantaren
van de goudglans van eeuwen, gloed en geloof.
Al eerder (in
Hymne aan de turfrook van weleer) had de dichter in wat het midden hield tussen een wens, een bevel en een verzoek geschreven: “Daal af, leeuwerik.”
Ter Balkt – zanger, balling, rebel - deed het zelf, en neemt zijn lezers mee op de hoge vlucht van zijn verbeelding.
Lezen, dit monument!
H. H. ter Balkt – Laaglandse hymnen
De Bezige Bij, Amsterdam 2003
240 blz., € 22,50
ISBN 90-234-1157-9
Joop Leibbrand
Vergeet de grote vijf, ga voor de vogels
Chris Coolsma bespreekt Aves,
de nieuwste bundel van de ecologiedichter Johann Lodewyk Marais
Tijdens het denken over de bespreking van de nieuwste bundel van Johann Lodewyk Marais ('Aves': Gevogelte) betrap ik mij op de gedachte dat ik deze bundel het liefst in zijn geheel voor u zou overschrijven, met een vertaling erbij (of liever nog met een vertaling door Ad Zuiderent, of een andere Nederlandse dichter van formaat met kennis van de Zuidafrikaanse letterkunde). Hoe anders kan ik u overtuigen tot het kopen en lezen van deze poëzie, lezer?
Het boekje zelf is al een kostelijk bezit. Ik voelde hebzucht in me opwellen toen ik het voor het eerst zag. We vergeten dan even de foeilelijke streepjescode op de achterzijde. De bundel heeft het omslag gekregen van een bekend Zuid-Afrikaans vogelboek, 'n meneeeer van 'n boek, zoals een Zuid-Afrikaanse vriend het noemt. Namelijk dat van de vogelgids van Roberts, vergelijkbaar met de Europese Peterson's.
In de vogelgids van Marais treffen we een veertigtal vogels aan, die met liefde en humor worden getekend in woorden. Dat wil zeggen, niet alleen de vogels zelf, maar ook het landschap, de plek, de geluiden en de gedachten en gevoelens die ze oproepen. De volgende twee gedichten, die geen vertaling behoeven ('bewe' is beeft; 'toring' is toren; 'los' is loslaat), illustreren dat.
VOLSTRUIS
Struthio camelus
Die middag is geel en glansend om my.
Die Andoni-vlakte gloei in die lig
wat die wye grasveld gevange hou
asof ek enige tyd hier kon wees
en ver weg, waar hemel en aarde raak,
bewe 'n swart stippel voor my oë
en brand hom in my gedagtenis vas.
GROOTMALMOK
Diomedea exulans
Die wind bevaar die oop see
gestuur deur die malmok
wat sweef, val, dans, styg,
roerloos in die kwynende lig hang
aan die golwe se torings raak,
gaan sit in
die oproerige element
se siedende massa
terwijl die sout hom met lourier kroon
en die woedende skuim sis,
skeer oor die golwe
met sy groot symfoniese vlerke,
en los bo die storm 'n boek
wat vir altyd bly vlieg:
die wet van die wind.
(Naar Pablo Neruda)
Gedichten die ik telkens opnieuw lees, om de klank, om de beelden, om de originele gedachten. De gedichten maken de nieuwsgierigheid en het verlangen naar de landschappen en de vogels in je los.
De opbouw van de bundel is fraai. Drie inleidende gedichten over vogeltjeskijken lezen als een verantwoording bij wat komt. Het begon bij Darwin, legt Marais uit. Die 'reiziger met wenkbrauwen als bakkebaarden' heeft op de Galapagos-eilanden dertien verschillende vinken ontdekt en daar is het begonnen, dat heeft 'de man de rest van zijn leven gevangen gehouden op zijn studeerkamer'. Dan treedt de vader van Marais naar voren, die een vogelboek koopt opdat de namen van de vogels geleerd kunnen worden. Het boek heeft helaas geen plaatjes, maar dat weerhoudt de zoon niet om de vogels die hij ziet te herkennen, te benoemen en te beschrijven, zoals hij dat later in deze bundel zal vervolmaken. Met gedichten die zo beeldend zijn dat je er geen plaatjes bij nodig hebt. Eigenlijk mag hij zijn vader dankbaar zijn, want de verbeelding is toen al geprikkeld. En dan nodigt hij ons uit om met hem vogels te kijken. Zoek ze overal, luister naar ze. Maar word geen ornitholoog:
God, die skepper, was self nie een nie.
Die voëls van die tekstboek lewe nie.
Sonder nes, sonder boom, sonder tak,
sonder oggendson, sonder skemering
en sonder die mens bestaan hulle nie.
En hij leidt ons het land in en toont ons de vogels. Geestig (hier in mijn vertaling):
WITOOIEVAAR
Ciconia ciconia
Zijn wiel voor een hoogspanningsmast verruild,
staat hij vanavond op een poot hoog daarboven
en denkt misschien dat Afrika vooruitgaat.
En ontroerend:
GEWONE MELBA
Pytilia melba
Op pad tussen die haak-en-steek
langs die droë Timbavati
is vanmiddag geen Groot Vyf nie
en word ons harsings gaar gebraai.
Dan wip van 'n tak 'n juweel:
die pens van gestreepte agaat,
die vlerke van groen malagiet
en die snavel 'n rooi robyn.
Melba sing 'n mooi, kort liedjie,
sodat ek haar nie kan los nie
en soos 'n vuurwarm kooltjie
in my palm probeer vashou.
(haak-en-steek is een grimmige doornstruik; de Timbavati een rivier; harsings zijn hersenen)
Ik zei het al. Nog meer gedichten, alle gedichten zou ik hier willen opnemen. Maar beter is het als het boek zijn weg vindt naar de planken van Nederlandse boekwinkels en van Nederlandse boekenliefhebbers. Het zou mij verbazen als niet in elke lezer het verlangen naar dat land met zijn populaties van schitterende en vreemde vogels gaat branden. Marais brengt de liefde voor de natuur (voor hem Gods natuur) vol vuur en met groot vakmanschap op de lezer over. Dit is een dichter van formaat.
Johann Lodewyk Marais - Aves. Gedigte
Protea Boekhuis, Pretoria, 2002
ZAR 79,95
ISBN 1-919825-51-7
Te bestellen via
Chris Coolsma
Poëzie Kort
Joop Leibbrand bekeek zes bundels van vier dichteressen
Carla Dura is de compagnon van W. J. Simons, sinds de oprichting in 1953 de drijvende kracht achter 'De Beuk, Stichting voor literaire publicaties'. Het is een uitgeverij bij wie debutanten eerder een kans maken dan bij bijvoorbeeld Querido of Van Oorschot, maar die natuurlijk wel degelijk een kwaliteitscriterium hanteert: “In veel ons toegestuurde gedichten wordt alles uitgeschreven. Terwijl poëzie uiteindelijk een sublimatie moet zijn. Daarvoor is het verdicht. De lezer moet de kans krijgen de verbeelding aan het werk te zetten.”
Eind vorig jaar verscheen van Carla Dura
Het licht mag zich verslapen, al haar zestiende bundel. De flaptekst meldt uitdagend: “Er valt niets toe te voegen aan hetgeen hier geschreven staat. Zwart op wit moet het zichzelf beleven”, maar het motto zegt bescheiden: “Als de dood voor de lente / gaat zij op kousenvoeten / bedenkt een tweede natuur / in de dingen om zich heen”. Hier lijkt dus iemand aan het woord te zijn die zichzelf tegelijkertijd zowel zelfbewust manifesteert als wegcijfert, die zich een uitbundige présence (in het gewone leven, in de literatuur?) kennelijk niet wil toestaan. In 27 voor het merendeel religieuze gedichten roept zij het beeld op van een vrouw die zich – na lange strijd – dienstbaar weet aan het goddelijke: 'Hoe wil zomer overleven / als lente niet kan inslaan / zij voelt zich als het vruchtbegin / waaraan de bloesem wordt ontzegd // (...) Heer – wees haar genadig / aan uw veelzijdigheid / het enkelvoudig offer”. Omdat van veel gedichten de suggestie uitgaat, dat ze door een kloosterzuster geschreven zouden zijn, speelt Dura ongetwijfeld een literair spel. Wellicht juist daardoor klinken de gedichten zeer authentiek en hebben ze niets zoetelijks. En de verbeelding wordt zeker aan het werk gezet.
Eveneens eind vorig jaar (ja, we lopen wat achter) verschenen tegelijkertijd de bundels van de 'schrijfvriendinnen'
Gerda van Vemde en
Miriam Janssen. Van Vemde (1942), maatschappelijk werkster in een verpleeghuis, debuteert met
Scheve keien, gedichten over onder andere jeugd, ouders, ouder worden, relaties, lichamelijkheid. Het is een sympathieke bundel, waarin sterke fragmenten (“jij luisterde niet / kon niet horen / nam niet aan / wat nooit gegeven werd') helaas gezelschap krijgen van passages als “drink mijn liefste van de nachten / luister naar mijn minnezang / warm je aan mijn tintelingen / vang mijn liefde liefste vang”. De laatste regel kan ermee door, maar de rest heeft een hoog 'Candlelight-gehalte'. Jammer, want er zit een bepaalde eerlijkheid in de bundel die beslist aanspreekt.
Van Miriam Janssen (1951), psychologe, werkzaam als adviseur in het onderwijs, is
Rondom de middag de tweede bundel. Uit haar versbouw blijkt dat zij poëtisch gezien de meest ervarene van de twee is; zij lijkt bij de samenstelling ook iets kritischer te werk gegaan te zijn. In over het algemeen 'smalle' verzen zoekt ook Janssen de onderwerpen voornamelijk in het eigen leven, maar zij slaagt er soms in een gedicht een extra poëticale lading mee te geven, zoals in
Wandelen: “Ratelwoorden / denderen / door het hoofd // maar voeten tasten / naar stiller/ aarde // stilte / schrijft zich / onder het pad.” Opmerkelijk is dat ze de bundel besluit met een programmatisch gedicht (
Iets anders 2) dat waarschijnlijk meer zegt over de gedichten die zij nog wil gaan schrijven, dan over de gedichten die in deze bundel staan: “Een vierkant vers wil ik / (...) // (...) een gedicht dat / zindert van // oranje kikakleurige hitte / dat stinkt van de autogassen / wanklanken, bloed / dat plompverloren eindigt!” Beslist talentvol, deze Miriam Janssen.
De Vlaamse
Claire Vanden Abbeele geniet in eigen land bekendheid als dichteres, kunstenares en hulpverlener. Voor Lannoo maakte zij een drietal fraai verzorgde geschenkboekjes over 'vrouw-zijn, vriendschap en liefde, tederheid en verbondenheid'. “Haar poëzie raakt vele mensen diep”, roept de uitgever, en “Ideale cadeauboekjes om te koesteren”. Zoiets doet een poëzieliefhebber het ergste vrezen, vooral omdat hij de combinatie dichter – hulpverlener heeft leren wantrouwen. Als poëzie van doel middel wordt, is het resultaat meestal tenenkrommend. In het geval van Vanden Abbeele valt het reuze mee. Ze heeft een heldere, onsentimentele manier van schrijven en dat ze de clichés en daarbij behorende grote woorden niet altijd weet te vermijden is inherent aan het genre dat ze beoefent. Een enkel gedicht verdient het op een ander podium gezet te worden dan dat van de zelfhulp: “Er hangt hartstocht in de lucht / ingehouden adem die nevels tekent boven water / dampen, heet en dicht die mensen verbazen. // Er hangen dromen in de lucht / wat zich vormt, is liefde voor later.”
Carla Dura – Het licht mag zich verslapen
met tekeningen van Vanessa Jacobs
Uitg. De Beuk, 2002; 40 blz.; € 12,-
ISBN 90-6975-429-0
Miriam Janssen – Rondom de middag
Uitg. Kontrast, 2002; 64 blz.; € 12,50
ISBN 90-75665-47-4
Gerda van Vemde – Scheve keien
Uitg. Kontrast, 2002; 64 blz.; € 12,50
ISBN 90-75665-46-6
Claire vanden Abbeele – Ik verga in dagen en dromen; Zij is wie ik ben; Ik lees je met vrouwenogen
Uitg. Lannoo, 2003; 48 blz.; € 8,95
ISBN resp. 90-209-5153-X, 90-209-5155-6, 90-209-5156-4
Joop Leibbrand
Onderstroom
Irmelin Bourse
Met de punt van mijn handdoek wrijf ik tussen mijn tenen. Ik weet niet wat erger is: nat, plakkerig zand dat zich als klonten afzet, of droge korrels die scherp zijn als glassplinters. Tussen de randen van mijn badpak prikt en schuurt het, mijn hoofdhuid jeukt en wanneer ik mijn kiezen op elkaar zet, knarst en kraakt het zo hard dat ik er kippenvel van krijg.
Zand deert Stella niet. Ze wroet met haar tenen in het mulle zand en werpt grote hopen op mijn badlaken, ze schudt haar haren en zandkorrels vliegen in het rond, stuiven in mijn ogen. Hoe ik ook zucht en grom, ze reageert niet. Ze ligt op haar zij, haar billen in tijgerprint naar me toe gekeerd. Op haar glimmende, bruine huid van rug en benen kleeft zo veel zand dat ik de neiging het weg te vegen bijna niet kan bedwingen.
'Je zit helemaal onder.'
'Wat?' Ze draait zich op haar rug, haar hand voor haar ogen tegen het scherpe zonlicht.
'Er zit overal zand. Overal!'
Ze schokschoudert.
'Lag je te slapen?'
'Hm...,' ze strekt zich ruggelings uit. Haar buik is zo plat dat haar bikinibroekje alleen aansluit op haar heupbeenderen. Mijn hand past er makkelijk tussen. Net als Toby¹s hand met de lange vingers, de spitse toppen. Toby... Ik heb het warm. Bloedheet.
'Zwemmen?'
Stella draait haar gezicht naar me toe, opent lui een oog. Haar iris is licht als de lucht.
'Ga jij maar. Ik pas wel op de spullen.'
Ik knik maar blijf zitten. Ik zie op tegen de wandeling naar de vloedlijn. Ik heb geen platte buik zoals Stella en ik ben ook niet bruin maar rood als een kreeft. Om over mijn stomme badpak - donkerblauw, oerdegelijk model, meer iets voor een wedstrijdzwemmer - maar te zwijgen.
'Ga dan!' Stella geeft me een por.
Ik zou willen slenteren, heupwiegend, quasi ongeïnteresseerd, maar dat durf ik niet en ik zet het op een halfslachtig hollen, richting zee. Mijn hielen bonken zo hard in het zand dat zonnebadende badgasten verschrikt opkijken. Langzaam het water in waden, met mijn armen wijd de golven strelen, zoals ik het Stella heb zien doen, durf ik ook niet. Als een walrus plons ik het water in. Even ben ik bang dat mijn hart het zal begeven en schokkend hap ik naar adem. Ik zwem een paar slagen tot ik geen grond meer onder mijn voeten voel. Ik draai me op mijn rug. Mijn armen en benen voelen aan alsof ze van rubber zijn maar het drijven op de kabbelende golven, met de zon in mijn gezicht, is prettig. Ik sluit mijn ogen en buig mijn hoofd naar achteren totdat ook mijn oren onder water zijn. Nog beter. Het is net of er niets meer is, niemand meer is. Geen vakantie aan zee bij oom Henk en tante Roelie. Geen Toby met zijn ogen als fluweel en het stukje blote rug dat onder zijn T-shirt vandaan komt, als hij bij zijn brommer neerhurkt. Geen vader die zegt dat Stella hem net zo lief is. Geen Stella die... Gewoon geen Stella. Punt.
'Je boft maar Ed, heb je er ineens een mooie dochter bij!' Ineens kan ik niet meer drijven. Ik ga kopje onder, voel de koude onderstroom en weet niet hoe snel ik, woest bewegend met armen en benen, boven moet komen. Ik proest en snuif. Water in mijn neus, in mijn mond. Ik moet kokhalzen. Het water is net zo zout als de tranen die ik probeerde weg te slikken toen ik mijn vaders reactie hoorde op oom Henks besmuikt gefluisterde woorden. Hij lachte. Luid en klaterend als een fontein. Ik sloot de deur waar achter ik me verstopt had gehouden, rende het Duinhuis uit, struikelend langs het zandpad en draafde de duinen in. Mooie dochter, mooie dochter; in gedachten herhaalde ik de woorden net zo lang tot ze hun betekenis verloren hadden en ik buiten adem en met pijnlijke steken in mijn zij in een duinpan neerviel. Ik besloot te wachten tot ze me kwamen zoeken. Maar ze kwamen niet en toen ik uiteindelijk terug ging naar het Duinhuis zaten mijn vader, oom Henk en tante Roelie in de keuken bramen schoon te maken.
'Lekker gewandeld?' had mijn vader gevraagd, zonder op of om te kijken.
Met trage slagen zwem ik terug. Stella is niet langer alleen. Hoewel ik geen detail kan onderscheiden, het zeewater brandt in mijn ogen, weet ik zeker dat het Toby is. Als een hond achtervolgt hij ons. Terwijl hij mij alle vorige vakanties niet had zien staan. Ik ben immers zijn kleine, onnozele nichtje. Maar nu, met Stella... Het zou me ook niet verbazen als oom Henk en mijn vader ineens op zouden duiken. Wanneer de ijsverkoper, de badmeester, de dikke Duitse toerist, de strandpolitie uit het niets tevoorschijn zouden komen. Zelfs als de buurman van oom Henk en tante Roelie - tachtig jaar, half invalide - zich ineens op het strand zou wagen, zou ik er niet van opkijken. Ze windt ze allemaal om haar vinger, brengt alle hoofden, alle harten op hol.
'Is het water niet vreselijk koud, Ellis?' Lief, bezorgd. Ze slaat zelfs een handdoek om me heen.
'Gaat wel...' Maar mijn tanden klapperen zo hard dat Toby¹s ogen van Stella¹s borsten afdwalen en hij mij, peilend, aankijkt.
'Meisje toch, je ziet helemaal blauw!' en hij strekt zijn arm, legt zijn hand op mijn been. Als ik niet het gevoel zou hebben dat ik elk moment buiten bewustzijn kan raken, zou ik een gat in de lucht springen. Stella wrijft met de handdoek stevig over mijn rug. Zand schuurt mijn vel. Mijn badlaken zit ook weer helemaal onder.
'Ik haat het,' piep ik. Waarop Stella nog harder begint te wrijven. Toby kruipt naar me toe, met zijn knieën duwt hij nog meer zand op mijn badlaken. 'Ik haat het. Ik wil naar huis, naar mijn moeder.'
Het wrijven stopt abrupt. Toby blijft halverwege steken. Ik realiseer me wat ik gezegd heb. Er is thuis geen moeder. Er is alleen de nieuwe vriendin van mijn vader, Stella's moeder.
Toby heeft een zak friet voor me gekocht, voor de schrik. Terwijl ik met mijn vorkje in de kleffe aardappelen prik, kijkt hij me alsmaar aan. Zijn ogen staan zacht en droevig, hondenogen. Stella smeert me in met zonnebrandolie. Ze doet het heel voorzichtig zodat er geen zand tussen haar hand en mijn huid komt.
Toen Toby ons even alleen gelaten had om de friet te kopen, had ze gezegd dat ik haar moeder ook best als mijn moeder mocht beschouwen. Maar ik had mijn schouders opgehaald. Zei dat ik me gewoon vergist had. Nooit, maar dan ook nooit zou Stella's moeder mijn moeders plaats in kunnen nemen. Dat zij in haar eentje in ons huis is gebleven, omdat ze geen vrij heeft kunnen krijgen, vind ik verschrikkelijk. Ik ben bang dat ze aan mijn spullen komt, of, nog erger, aan de spullen van mijn moeder die, veilig opgeborgen in grote dozen, op zolder staan. Ik verbeeld me dat Stella's moeder de blauwe jurk met de witte stippen past, of het parfum uit het piramidevormige flesje op haar polsen spuit. Terwijl ik nog precies weet hoe ik me verstopte tussen de plooien van de wijde rok, hoe mijn moeders handen door mijn haar gingen, hoe ze rook, hoe ze glimlachte. Ik koester die herinneringen, meer nog dan de foto's. De foto's! Zou Stella's moeder in onze fotoboeken neuzen?
Misschien knipt ze mijn moeder wel van de foto's af!
De vette frieten maken me misselijk en Stella's handen die over mijn schouders gaan, irriteren me zo, dat ik er van moet huiveren.
'Misschien heeft ze kou gevat,' zegt Toby en voelt aan mijn voorhoofd.
Kippenvel van mijn nek tot aan mijn billen. Nog harder ril ik.
'Haar voorhoofd is wat warm. Verhoging, misschien.' Hij zegt het zakelijk, als een dokter.
Ik leun tegen zijn hand, stel me voor hoe die hand mijn gezicht streelt, mijn wangen, mijn lippen. Lager naar mijn hals.
'Laat mij eens voelen.' Stella trekt zijn hand weg, legt de hare met de rug tegen mijn voorhoofd, 'zou ze een zonnesteek hebben?'
Al dat gepraat over mijn hoofd heen! Alsof ik er niet bij ben. Nee, alsof ik blind, stom, doof en achterlijk ben! Wat ze willen is dat ik terug ga naar het Duinhuis. Zijn ze eindelijk van me af. Kunnen ze ongestoord gaan zitten zoenen.
'Hou op. Ik voel me oké. Oké?' Maar de tranen branden in mijn ogen en ik laat me achterover vallen, draai me op mijn buik en stop mijn gezicht in het badlaken. Zand. Overal zand. Mijn hoofd, mijn lichaam lijkt weg te zinken in het zand. Dieper en dieper zak ik weg. Ik spartel niet tegen, laat me gaan. Ik verdwijn, ga onder. Tot er niets meer is, niemand meer is.
Irmelin Bourse