Bekijk de nieuwe site van de Meander Klassiekers


Meander
 http://meander.italics.net
 literair  magazine
 aflevering 214 * 25 mei 2003 * verschijnt om de twee weken op zondag 
 meander is gratis, maar vrijwillige financiële bijdragen zijn nodig * kopij is welkom, reacties ook 



recensies * vijf * artikel * proza * nieuws * colofon 
Gedichten



In ringen

Ik ken dit woud
in stilte soms,
maar ook de mengeling
van haar geluiden, want...
ik ben zo oud:
één van de eersten hier.

Ik ken de wind,
en ik heb menig wezen
tot de rust gediend:
mijn takken wijd,
mijn oksels en
de grijze holten
in mijn ruige bast.

Of ingedreven zelfs
de platkop, met wat
zwaar getuig & mensenhand,
voor houten plankenkast;
waarin soms nest,
waarin soms klein gebroed,
waarin gekibbel en gestoei.

Ik bén zoals het woud:
ik groei.


Eric Vandenwyngaerden

auteurspagina Eric Vandenwyngaerden
geef commentaar op dit gedicht




Winterwonder

‘s morgens in een koude
meer wit dan blauwe lucht
vliegen stalen vogels
met vuurstaarten

aan de einder trekt
boven land vol poedersuiker
de zon haar bleke benen
roodoranje sokken aan

met kinderogen zie ik
nog steeds verwonderd
hoe de draak in mij
wolkjes blaast


Car

auteurspagina Car
geef commentaar op dit gedicht




Het schedeltje

Onder de hazelaar
Vond ik vandaag zo maar
In wat verdorde blaren
En takjes die eens twijgen waren
Een schedeltje.

Misschien als prooi hierheen gebracht,
Misschien hier op zijn dood gewacht;
Te groot om muis of rat te zijn,
Te klein om van een kat te zijn.
Een wezeltje?

Of anderzijds, het was al dagen
Dat wij het diertje niet meer zagen
Dat vrolijk over 't grasveld liep
Als ieder ander dier al sliep:
Een egeltje.

Maar dit is wat er over blijft
En waar een dichter over schrijft:
In wat verdorde blaren
En takjes die eens twijgen waren:
Een schedeltje.


Marc van Caelenberg

auteurspagina Marc van Caelenberg
geef commentaar op dit gedicht




Blijde boodschapjes

Ken ik je? Je zijden stem
resoneert in mijn hoofd
in ondertonen vibreert
wat je niet zegt
en toch belooft

in korte klanken sms je
blijde boodschapjes in de morgen
bevestig je slapeloosheid
rechtvaardigt lila denken
je zult ervoor zorgen –

ik hoor je. Je druppelt
kraanklanken tot slaapgas
holt mijn leven in en uit
met die stem van dun
doorzichtig spekglas.


Miranda Mei

auteurspagina Miranda Mei
geef commentaar op dit gedicht




Vogels

temidden van de volgende woorden
vliegen vogels zo ver weg
dat er alleen nog wat kleins
te bespeuren valt in het vallen

van de avondzon in het meer
willen dan goed voor ons is
geweest toen nog niet bekend was

dat wij bekend waren met wat
er nooit meer is geweest tussen
de vogels in weggevlogen


Ruud Offermans

auteurspagina Ruud Offermans
geef commentaar op dit gedicht
Ruud Offermans leest het gedicht voor







advertentie

verbeter je schrijftalent via e-mail bij

WRITERS @T HOME
thuis in literatuurworkshops
klik hier voor meer informatie





gedichten * vijf * artikel * proza * nieuws * colofon 
Recensies



"Daal af, leeuwerik"

Harry ter Balkt voltooit zijn Laaglandse Hymnen
Door Joop Leibbrand


Deze week, om precies te zijn op 21 mei, ontving Herman Hendrik ter Balkt (Usselo 1938) de P.C. Hooftprijs; behalve de spreekwoordelijke eer en de belofte van langdurige dichterlijke onsterfelijkheid leverde het hem € 57.000 op: de Lage Landen losten er de ereschuld mee in aan een dichter die als geen ander geworteld is in hun grond.

H.H. ter Balkt debuteerde in 1969 onder het oudtestamentische profetenpseudoniem Habakuk II de Balker met 'Boerengedichten', dat als ondertitel meekreeg: Met de Boerenbijl, bijeengelezen door zijn lintworm 96 bladzijden verfomfaaid en bespat met spreuken, raadsels en verkrommingen; In het groen groen knollenland van de haas. Een natuurtalent, Nederlands Fabrikaat; goedgekeurd door de Ver. van Huisvrouwen. Fens meende aanvankelijk een nieuwe vermomming van Lucebert te signaleren, wat gezien de combinatie van sociaal geëngageerde elegieën en profetisch bezwerende orakeltaal, waarin ogenschijnlijk heel uiteenlopende zaken moeiteloos met elkaar in verband gebracht worden, niet zo gek gedacht was. De landelijke natuurelementen, de verwantschap tussen mens en dier en de historische interesse hadden hem echter direct al op het spoor van een andere, eigen identiteit moeten brengen.

In hoog tempo volgden daarop nog zes vitale bundels, waarvan 'Uier van 't Oosten' (1970), 'De gloeilampen / de varkens' (1972) en 'Oud gereedschap mensheid moe' (1975) de bekendste zijn. Pas bij de achtste bundel, 'Waar de burchten stonden en de snoek zwom' (1979), openbaarde de profeet zich als 'Ter Balkt'; daarna kwam H.H. erbij, de letters die hem tot de gezegende onder de dichters maakten en zijn officiële canonisering van deze week inleidden.

'Laaglandse hymnen' is opgezet als een driedelige reeks gedichten over de Nederlandse geschiedenis en cultuur vanaf de steentijd tot laat in de twintigste eeuw. Het eerste deel, dat loopt tot en met de Overwintering op Nova Zembla verscheen al in 1993, het tweede deel, van de Slag bij Nieuwpoort tot 1899 kwam vorig jaar uit (zie voor de verhelderende recensie daarvan door Rutger H. Cornets de Groot Meander 191) en nu is er dan deel drie, dat in deze verzamelbundel voor het eerst wordt gepubliceerd. Tezamen zijn het 192 gedichten, vrijwel alle sonnetten (al zijn die alleen 'optisch' zo te benoemen, want veel specifieke kenmerken ontbreken).
Niet minder dan 116 gedichten zijn voorzien van een of meer aantekeningen; deze 'verhelderingen'- voor het merendeel zeer noodzakelijk, want wie weet dat O'Kelly's uitgestorven donkergroene mentholpastilles zijn, of dat de Amerikaanse kunstenaar Vincent Shine van acetaat en cyanocrylaat eendenkroos en papyrusloten maakte - beslaan liefst vijfentwintig bladzijden.

In 'Voortgeschopt als een steen' (Querido1999) laat Helene Nolthenius haar hoofdpersoon Leonidas van Tarente zeggen: “(...) de fortuin van een dichter is afhankelijk van twee voorwaarden. Het zijn de kwaliteiten van zijn werk – dat spreekt vanzelf – maar daarnaast de kwaliteit van zijn publiek. Voor zijn succes is het absoluut noodzakelijk die voorwaarden met zorg op elkaar af te stemmen.” Een dichterleven lang is Ter Balkt bezig geweest het publiek dat hij verdient te verwerven. Zijn gehoor bestaat niet uit toehoorders (of zelfs alleen maar toeschóuwers) voor wie de poëzie een gemakkelijk avondje uit is, maar uit lezers die niet alleen bereid zijn zich open te stellen voor zijn eigenzinnige, exuberante idioom en zijn weerbarstige complexiteit, maar die ook zijn werkelijkheidsperceptie delen. Een sterk vergankelijkheidsgevoel en een groot sociaal engagement zijn er de kenmerken van.
Ter Balkts stem is vaak een 'tegenstem', die opklinkt tegen allerlei vormen van onrecht en verwording en niet schroomt haast apocalyptische banvloeken te profeteren.

”Elk hof is totalitair, kou aan alle hoven: // (...) Geloof geen / hoven, nu niet en nooit (...) / (...) Geen heerser deugt.” houdt hij ons voor (Charlemagne, deel I). “(...) Het leven is een werveling / van rook: dan gezichten, dan vachten en snuiten, / dan vorst. dan dooi; en sfinxenlach van de wind.” (Ontzettend oud Polygoonjournaal, deel II). Hij stelt vast dat de moderne mens geperverteerd is: “(...) Ik steek mijn hand op naar de mensen die / machines geworden zijn: wandelend in de straten / zenden zij hun lokstoffen uit; er gloeit kalm / stilstaand een groen radiolicht in hun oog. Dat // - koud als permafrost – zendt het signaal uit 'Ik/ ben een machine; vorst in mijn hart; poolkappen / van Mars zijn mijn hersens en hart.' (...) // (...) groot / is nu de haat en vuurhaarden smeulen in de ziel.” (Aan de mensen die machines geworden zijn, deel III).

Als dichter is Ter Balkt typisch een 'maker' en aan zijn gedichten valt vrijwel zonder uitzondering af te lezen dat er hard – en vakkundig – aan gewerkt is. De gedichten zijn overvol van beelden en betekenis, een informatiedichtheid die nog eens verhoogd wordt door het gecomprimeerde taalgebruik met een voorliefde voor beknopte constructies: “Carillon uit Damiate mijn strot”, “Zout de cartograaf radeert Reimerswaal”. Daarbij vallen de vele vooropplaatsingen, aansprekingen, bezweringen en opdrachten op: “Boomtoppen! Jullie zijn zo hoog en mijn verzegelde / boodschap is leeggewaaid”, “Vernietig niet langer meer, vernietiger.” Opvallend is daarbij, dat het bijzondere 'bijzonder' blijft en het specifieke specifiek. Ter Balkt laat zijn ingrediënten nooit verkoken tot een pruttelend soepje; wat in zijn gedichten een plaats vindt, behoudt zijn eigen kracht.

Minder dan in de eerste delen zijn de gedichten in het nieuwe derde deel gerelateerd aan speciale gebeurtenissen. De nieuwe bundel is ook minder historisch en heeft dan ook helemaal niets van een kroniek. WO I ontbreekt, WO II wordt slechts een paar keer zijdelings genoemd. We vinden wel een Siberisch strafkamp (een prachtig gedicht over Osip Mandelstam, waarin het eerder in deel II bezongen Puttertje van Carel Fabritius terugkeert), de Watersnoodramp, de Maanlanding, Ötziman en warempel asielzoekers. Verder nogal wat kunst (Permeke, Berserik, Westerik), natuur (met name het veranderende landschap) en film (Fellini, Ivens). En Ter Balkt beperkt zich niet tot de twintigste eeuw, want via de god Ptah, Democritos, Vergilius, Hadewych, het tapijt van Bayeux, Swift en Shakespeare smokkelt hij er veel ouds is. De opsomming geeft meteen een goed beeld van de ongelooflijke inhoudelijke gevarieerdheid van dit werk.

In wezen is Ter Balkt een romantisch dichter, maar dan niet een die uit de werkelijkheid wegvlucht, maar er óf de confrontatie mee zoekt, óf het hogere in haar wil evoceren. In Spreuken van de donder, blijkens een aantekening naar Habakuk 2:12), schrijft hij:

(...)
Wie de stad met list bouwt, de burcht met onrecht,
die zal vallen. Wie raaskalt zal verdwalen,
hartenscheurders worden zure regen.

Wie vervoering dooft, van tombe naar tombe
tolt hij. Die 't water teert, zoet DDT
kust vroeger dan hij de engelenveer.
(...)

en in Januari's (motto: Is alles weggewaaid? - Tjalie Robinson):

Waarheid, soms nog op doorreis, heel vroeger
bleef weg. En van wie zijn wij nu de vloeren
sinds de daken ons verlieten, beschutting
in een dolhuis woont, vriendschap, hoop, geloof,

liefde alleen hun stappen nalieten.
Wiens handschrift zijn wij nu dan wel geworden,
onvrede, spot en hoon griffen hun runen.
Omkering dreunt met haar gespleten hoef.

Zwart licht klopt aan en bedrog vlekt de schermen
van televisie, berenklauw; duister
snelt het oogwit in. Windbuilen aan halzen

blazen dwingelandij. Meer dan tweeduizend
januari's raasden al, en coma
bevangt de bossen, de helderste meren.

Dat tij moet gekeerd, en voor de naar onvergankelijke schoonheid strevende dwarse dichterziel ligt daar als eenzame maar goddelijke zanger een taak:

HYMNE AAN EEN VELDLEEUWERIK

Straf kreeg zo menigmaal linde, veldmuis,
varken, wegens omvallen, graanvraat of iets
ergers. Nu verwoesting heilig verklaard, ben
jij, roest, zilver en jij, veldleeuwerik

zanger en balling. Heen ging menige
vogelveer, maar jij, frêle verdwijnpunt, stijgt en
daalt nog aan de hemel ook belt geworden:
haard van ruwgevederde rook en geur.

Jij, laatste rebel! Beraam je nog iets bij
de kluisters van roet en steen, vliegroutes
van niets naar nergens, de Zadkine-zangen met

uitgehakt hart? Sta ons bij, klein verenpak.
Houd met halm en aar hoog de lantaren
van de goudglans van eeuwen, gloed en geloof.

Al eerder (in Hymne aan de turfrook van weleer) had de dichter in wat het midden hield tussen een wens, een bevel en een verzoek geschreven: “Daal af, leeuwerik.”
Ter Balkt – zanger, balling, rebel - deed het zelf, en neemt zijn lezers mee op de hoge vlucht van zijn verbeelding.
Lezen, dit monument!

H. H. ter Balkt – Laaglandse hymnen
De Bezige Bij, Amsterdam 2003
240 blz., € 22,50
ISBN 90-234-1157-9




Joop Leibbrand





Vergeet de grote vijf, ga voor de vogels

Chris Coolsma bespreekt Aves,
de nieuwste bundel van de ecologiedichter Johann Lodewyk Marais



Tijdens het denken over de bespreking van de nieuwste bundel van Johann Lodewyk Marais ('Aves': Gevogelte) betrap ik mij op de gedachte dat ik deze bundel het liefst in zijn geheel voor u zou overschrijven, met een vertaling erbij (of liever nog met een vertaling door Ad Zuiderent, of een andere Nederlandse dichter van formaat met kennis van de Zuidafrikaanse letterkunde). Hoe anders kan ik u overtuigen tot het kopen en lezen van deze poëzie, lezer?
Het boekje zelf is al een kostelijk bezit. Ik voelde hebzucht in me opwellen toen ik het voor het eerst zag. We vergeten dan even de foeilelijke streepjescode op de achterzijde. De bundel heeft het omslag gekregen van een bekend Zuid-Afrikaans vogelboek, 'n meneeeer van 'n boek, zoals een Zuid-Afrikaanse vriend het noemt. Namelijk dat van de vogelgids van Roberts, vergelijkbaar met de Europese Peterson's.
In de vogelgids van Marais treffen we een veertigtal vogels aan, die met liefde en humor worden getekend in woorden. Dat wil zeggen, niet alleen de vogels zelf, maar ook het landschap, de plek, de geluiden en de gedachten en gevoelens die ze oproepen. De volgende twee gedichten, die geen vertaling behoeven ('bewe' is beeft; 'toring' is toren; 'los' is loslaat), illustreren dat.

VOLSTRUIS
Struthio camelus

Die middag is geel en glansend om my.
Die Andoni-vlakte gloei in die lig
wat die wye grasveld gevange hou
asof ek enige tyd hier kon wees
en ver weg, waar hemel en aarde raak,
bewe 'n swart stippel voor my oë
en brand hom in my gedagtenis vas.


GROOTMALMOK
Diomedea exulans

Die wind bevaar die oop see
gestuur deur die malmok
wat sweef, val, dans, styg,
roerloos in die kwynende lig hang
aan die golwe se torings raak,
gaan sit in
die oproerige element
se siedende massa
terwijl die sout hom met lourier kroon
en die woedende skuim sis,
skeer oor die golwe
met sy groot symfoniese vlerke,
en los bo die storm 'n boek
wat vir altyd bly vlieg:
die wet van die wind.

(Naar Pablo Neruda)

Gedichten die ik telkens opnieuw lees, om de klank, om de beelden, om de originele gedachten. De gedichten maken de nieuwsgierigheid en het verlangen naar de landschappen en de vogels in je los.
De opbouw van de bundel is fraai. Drie inleidende gedichten over vogeltjeskijken lezen als een verantwoording bij wat komt. Het begon bij Darwin, legt Marais uit. Die 'reiziger met wenkbrauwen als bakkebaarden' heeft op de Galapagos-eilanden dertien verschillende vinken ontdekt en daar is het begonnen, dat heeft 'de man de rest van zijn leven gevangen gehouden op zijn studeerkamer'. Dan treedt de vader van Marais naar voren, die een vogelboek koopt opdat de namen van de vogels geleerd kunnen worden. Het boek heeft helaas geen plaatjes, maar dat weerhoudt de zoon niet om de vogels die hij ziet te herkennen, te benoemen en te beschrijven, zoals hij dat later in deze bundel zal vervolmaken. Met gedichten die zo beeldend zijn dat je er geen plaatjes bij nodig hebt. Eigenlijk mag hij zijn vader dankbaar zijn, want de verbeelding is toen al geprikkeld. En dan nodigt hij ons uit om met hem vogels te kijken. Zoek ze overal, luister naar ze. Maar word geen ornitholoog:

God, die skepper, was self nie een nie.
Die voëls van die tekstboek lewe nie.
Sonder nes, sonder boom, sonder tak,
sonder oggendson, sonder skemering
en sonder die mens bestaan hulle nie.

En hij leidt ons het land in en toont ons de vogels. Geestig (hier in mijn vertaling):

WITOOIEVAAR
Ciconia ciconia

Zijn wiel voor een hoogspanningsmast verruild,
staat hij vanavond op een poot hoog daarboven
en denkt misschien dat Afrika vooruitgaat.

En ontroerend:

GEWONE MELBA
Pytilia melba

Op pad tussen die haak-en-steek
langs die droë Timbavati
is vanmiddag geen Groot Vyf nie
en word ons harsings gaar gebraai.

Dan wip van 'n tak 'n juweel:
die pens van gestreepte agaat,
die vlerke van groen malagiet
en die snavel 'n rooi robyn.

Melba sing 'n mooi, kort liedjie,
sodat ek haar nie kan los nie
en soos 'n vuurwarm kooltjie

in my palm probeer vashou.

(haak-en-steek is een grimmige doornstruik; de Timbavati een rivier; harsings zijn hersenen)

Ik zei het al. Nog meer gedichten, alle gedichten zou ik hier willen opnemen. Maar beter is het als het boek zijn weg vindt naar de planken van Nederlandse boekwinkels en van Nederlandse boekenliefhebbers. Het zou mij verbazen als niet in elke lezer het verlangen naar dat land met zijn populaties van schitterende en vreemde vogels gaat branden. Marais brengt de liefde voor de natuur (voor hem Gods natuur) vol vuur en met groot vakmanschap op de lezer over. Dit is een dichter van formaat.



Johann Lodewyk Marais - Aves. Gedigte
Protea Boekhuis, Pretoria, 2002
ZAR 79,95
ISBN 1-919825-51-7
Te bestellen via




Chris Coolsma





Poëzie Kort

Joop Leibbrand bekeek zes bundels van vier dichteressen


Carla Dura is de compagnon van W. J. Simons, sinds de oprichting in 1953 de drijvende kracht achter 'De Beuk, Stichting voor literaire publicaties'. Het is een uitgeverij bij wie debutanten eerder een kans maken dan bij bijvoorbeeld Querido of Van Oorschot, maar die natuurlijk wel degelijk een kwaliteitscriterium hanteert: “In veel ons toegestuurde gedichten wordt alles uitgeschreven. Terwijl poëzie uiteindelijk een sublimatie moet zijn. Daarvoor is het verdicht. De lezer moet de kans krijgen de verbeelding aan het werk te zetten.”
Eind vorig jaar verscheen van Carla Dura Het licht mag zich verslapen, al haar zestiende bundel. De flaptekst meldt uitdagend: “Er valt niets toe te voegen aan hetgeen hier geschreven staat. Zwart op wit moet het zichzelf beleven”, maar het motto zegt bescheiden: “Als de dood voor de lente / gaat zij op kousenvoeten / bedenkt een tweede natuur / in de dingen om zich heen”. Hier lijkt dus iemand aan het woord te zijn die zichzelf tegelijkertijd zowel zelfbewust manifesteert als wegcijfert, die zich een uitbundige présence (in het gewone leven, in de literatuur?) kennelijk niet wil toestaan. In 27 voor het merendeel religieuze gedichten roept zij het beeld op van een vrouw die zich – na lange strijd – dienstbaar weet aan het goddelijke: 'Hoe wil zomer overleven / als lente niet kan inslaan / zij voelt zich als het vruchtbegin / waaraan de bloesem wordt ontzegd // (...) Heer – wees haar genadig / aan uw veelzijdigheid / het enkelvoudig offer”. Omdat van veel gedichten de suggestie uitgaat, dat ze door een kloosterzuster geschreven zouden zijn, speelt Dura ongetwijfeld een literair spel. Wellicht juist daardoor klinken de gedichten zeer authentiek en hebben ze niets zoetelijks. En de verbeelding wordt zeker aan het werk gezet.

Eveneens eind vorig jaar (ja, we lopen wat achter) verschenen tegelijkertijd de bundels van de 'schrijfvriendinnen' Gerda van Vemde en Miriam Janssen. Van Vemde (1942), maatschappelijk werkster in een verpleeghuis, debuteert met Scheve keien, gedichten over onder andere jeugd, ouders, ouder worden, relaties, lichamelijkheid. Het is een sympathieke bundel, waarin sterke fragmenten (“jij luisterde niet / kon niet horen / nam niet aan / wat nooit gegeven werd') helaas gezelschap krijgen van passages als “drink mijn liefste van de nachten / luister naar mijn minnezang / warm je aan mijn tintelingen / vang mijn liefde liefste vang”. De laatste regel kan ermee door, maar de rest heeft een hoog 'Candlelight-gehalte'. Jammer, want er zit een bepaalde eerlijkheid in de bundel die beslist aanspreekt.
Van Miriam Janssen (1951), psychologe, werkzaam als adviseur in het onderwijs, is Rondom de middag de tweede bundel. Uit haar versbouw blijkt dat zij poëtisch gezien de meest ervarene van de twee is; zij lijkt bij de samenstelling ook iets kritischer te werk gegaan te zijn. In over het algemeen 'smalle' verzen zoekt ook Janssen de onderwerpen voornamelijk in het eigen leven, maar zij slaagt er soms in een gedicht een extra poëticale lading mee te geven, zoals in Wandelen: “Ratelwoorden / denderen / door het hoofd // maar voeten tasten / naar stiller/ aarde // stilte / schrijft zich / onder het pad.” Opmerkelijk is dat ze de bundel besluit met een programmatisch gedicht (Iets anders 2) dat waarschijnlijk meer zegt over de gedichten die zij nog wil gaan schrijven, dan over de gedichten die in deze bundel staan: “Een vierkant vers wil ik / (...) // (...) een gedicht dat / zindert van // oranje kikakleurige hitte / dat stinkt van de autogassen / wanklanken, bloed / dat plompverloren eindigt!” Beslist talentvol, deze Miriam Janssen.

De Vlaamse Claire Vanden Abbeele geniet in eigen land bekendheid als dichteres, kunstenares en hulpverlener. Voor Lannoo maakte zij een drietal fraai verzorgde geschenkboekjes over 'vrouw-zijn, vriendschap en liefde, tederheid en verbondenheid'. “Haar poëzie raakt vele mensen diep”, roept de uitgever, en “Ideale cadeauboekjes om te koesteren”. Zoiets doet een poëzieliefhebber het ergste vrezen, vooral omdat hij de combinatie dichter – hulpverlener heeft leren wantrouwen. Als poëzie van doel middel wordt, is het resultaat meestal tenenkrommend. In het geval van Vanden Abbeele valt het reuze mee. Ze heeft een heldere, onsentimentele manier van schrijven en dat ze de clichés en daarbij behorende grote woorden niet altijd weet te vermijden is inherent aan het genre dat ze beoefent. Een enkel gedicht verdient het op een ander podium gezet te worden dan dat van de zelfhulp: “Er hangt hartstocht in de lucht / ingehouden adem die nevels tekent boven water / dampen, heet en dicht die mensen verbazen. // Er hangen dromen in de lucht / wat zich vormt, is liefde voor later.”




Carla Dura – Het licht mag zich verslapen
met tekeningen van Vanessa Jacobs
Uitg. De Beuk, 2002; 40 blz.; € 12,-
ISBN 90-6975-429-0

Miriam Janssen – Rondom de middag
Uitg. Kontrast, 2002; 64 blz.; € 12,50
ISBN 90-75665-47-4

Gerda van Vemde – Scheve keien
Uitg. Kontrast, 2002; 64 blz.; € 12,50
ISBN 90-75665-46-6

Claire vanden Abbeele – Ik verga in dagen en dromen; Zij is wie ik ben; Ik lees je met vrouwenogen
Uitg. Lannoo, 2003; 48 blz.; € 8,95
ISBN resp. 90-209-5153-X, 90-209-5155-6, 90-209-5156-4






Joop Leibbrand




advertentie

tijdschrift
SCHRIJVEN
tussen fascinatie en publicatie
Diamonds r 4 ever
klik hier






gedichten * recensies * artikel * nieuws * colofon 
Vijf

In de rubriek 'Vijf' leggen we iemand vijf maal het begin van een zin voor en vragen die naar eigen inzicht aan te vullen. Dit keer:

Frits van Oostrom

Als kind las ik Arendsoog, zonder te merken dat deze revolverheld katholiek was, en dat de boeken hun structuur gemeen hebben met middeleeuwse Arturromans.

De westerse cultuur is minder superieur dan haar geschiedschrijving soms suggereert, maar wel de bakermat van heel veel waardevols en prachtigs, artistiek en ideeël.

Als staatssecretaris van cultuur zou ik mij dikwijls bemoeien met de beleidsterreinen van de minister van onderwijs.

Sterk overschat: uiterlijkheden.
Zwaar onderschat: inhoud.

Adembenemend:: congreslezingen van Walter Haug.
Slaapverwekkend: vrijwel alle politici die het politiek lang uithouden.

Frits van Oostrom (1953) is universiteitshoogleraar in Utrecht. Van 1982 tot 2001 was hij hoogleraar Nederlandse Letterkunde tot de Romantiek in Leiden. Zijn boek 'Maerlants wereld' werd bekroond met de AKO-literatuurprijs 1996. Hij werkt nu o.a. aan een grote Nederlandse literatuurgeschiedenis van de Middeleeuwen, van 'Hebban olla vogala' tot aan de boekdrukkunst.


Vul op uw manier aan wat wij zijn begonnen: ga naar meander.italics.net/vijf





(advertentie)
Schrijf verhalen en gedichten die alle noodzakelijke elementen bevatten.

www.writersathome.nl/Schrijvenvoorauteurs.htm




gedichten * recensies * vijf * proza * nieuws * colofon 
Artikel


Auteursportret Paul Celan

door Carl De Strycker

Paul Celan, de belangrijkste Duitstalige dichter uit de tweede helft van de 20e eeuw, is ook in de Nederlandse literatuur geen onbekende. Auteurs als Van Bastelaere en Hertmans hebben deze dichter nauwkeurig gelezen en zijn er in hoge mate door beïnvloed, maar ook dichters als Nolens in “Twee vormen van zwijgen” en meer recent Stassijns in “Zwijghout” zijn in meer of mindere mate schatplichtig aan Celan. Zijn moeilijke, maar intrigerende poëzie fascineert steeds meer lezers, maar ook zijn tragische levensverhaal is de moeite waard om bekeken te worden.

Celan wordt op 23 november 1920 als Paul Antschel in het Roemeense Czernowitz geboren als enig kind van joodse Duitstalige ouders. Hij blijkt een goed student en na zijn middelbare studies reist hij naar Tours waar hij zich inschrijft aan de faculteit geneeskunde. In '39 keert hij echter naar zijn geboortestad terug omdat de opleiding hem niet bevalt. Hetzelfde jaar nog vat hij een studie Romaanse talen aan, met als keuzevak Russisch.
In 1941 komt het keerpunt in zijn leven. SS-troepen vallen Czernowitz binnen en Paul wordt meegevoerd naar een kamp waar hij dwangarbeid moet verrichten. Een jaar later worden zijn ouders gedeporteerd en omgebracht, gebeurtenissen die bij de jonge levenslustige Paul diepe wonden slaan. Ze zullen niet enkel de rest van zijn leven beheersen, maar ook zijn poëzie en poëtica een bepalende richting geven. Na zijn vrijlating in '44 begint hij Engels te studeren en ontstaan zijn eerste gedichten.
Wereldberoemd wordt Celan met zijn gedicht 'Todesfuge' in de bundel “Mohn und Gedächtnis”. Het openingsvers “Schwarze Milch der Frühe” is een ijzingwekkend beeld voor de rook uit de verbrandingsovens in de concentratiekampen, het gedicht een akelige weergave van en een aanklacht tegen de naziwaanzin: “Der Tod ist ein Meister aus Deutschland”. In dit boek wordt een heel eigen taalbehandeling en thematiek duidelijk, die zich vooral toespitst op een verwerking van de gruwelijke toestanden uit de oorlog. Vooral de situatie van de joden en in het bijzonder het lot van de moeder zijn vaak onderwerp van zijn werk. Algemeen wordt aangenomen dat Celans poëzie een artistiek antwoord is op Adorno's uitspraak “Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben ist barbarisch”. Celans poëzie wil een “Arbeit an die Sprache” zijn: hij wil zijn Muttersprache (moedertaal: Duits) die tot Mördersprache (taal van de moordenaars: de Duitsers) verworden is, zo bewerken dat zij toch nog iets anders dan gruwelijkheid uitdrukt. Hij wil een bezoedelde taal terug voor kunst bruikbaar maken en zo het meest romantische genre binnen de literatuur, de lyriek redden. Dat is volgens hem slechts mogelijk als de taal zelf grondig onder handen genomen wordt. Geen makkelijke beelden of natuurtafereeltjes meer, maar een totale breuk met de traditie, verwoord in het gedicht “Nähe der Gräber”: “Und duldest du, Mutter, wie einst, / ach, daheim, / den leisen, den deutschen, den / schmerzlichen Reim”. Het rijm, metafoor voor de traditionele Duitse poëzie wordt in vraag gesteld: die is te pijnlijk geworden. Trucjes en mooipraterij moeten achterwege gelaten worden. Celan wil de lezer met zijn neus op de werkelijkheid, op de feiten van het verschrikkelijke verleden drukken. Dat lukt hem op een zeer indringende manier. In “Sprachgitter” (vert.: Taaltralie) bijvoorbeeld doorbreekt hij de tralies van de taal: hij maakt de dingen bespreekbaar, hij maakt weer communicatie mogelijk, maar in poëzie! Dat deze door een grote graad van geslotenheid gekenmerkt wordt, is niet verwonderlijk: het werk dat de dichter aan de taal heeft, moet ook resulteren in een bereidheid van de lezer om te werken aan de taal en zo deel te nemen aan het gesprek.
Ondertussen reist Celan naar Wenen, waar hij een tot op heden mysterieuze relatie heeft met die ander grote figuur uit de Duitstalige poëzie Ingeborg Bachmann. De brieven die zij elkaar schreven en die ongetwijfeld opheldering kunnen brengen, zijn nog steeds niet vrijgegeven. Na de stromachtige verhouding met Bachmann gaat hij naar Parijs, waar hij zijn vrouw leert kennen en aangesteld wordt als lector aan de Ecole Normale Supérieure. Hij wordt ook vader en zijn poëzie kan op waardering rekenen: het lijkt hem allemaal voor de wind te gaan, tot Claire Goll, vrouw van de dichter Yvan Goll, wiens werk Celan vertaalde, Celan van plagiaat beschuldigt. Hij is psychisch niet sterk genoeg om zich boven deze lasterlijke en valse beschuldigingen te zetten en wordt van dan af zeer achterdochtig. Zijn paranoia wordt zelfs zo erg dat hij een aantal keer opgenomen moet worden in een instelling; zijn poëzie wordt steeds hermetischer en donkerder. Hij verliest blijkbaar het gevecht met de tragische gebeurtenissen van zijn jeugd en gaat ten onder aan psychische storingen. Op 1 mei 1970 wordt zijn lichaam in de Seine teruggevonden nadat hij al twee weken vermist werd.

Dit artikel verscheen eerder in Bibem, 16e jrg. no.3. Bibem is een uitgave van Talome vzw, Papegaaiestraat 69, 9000 Gent


Carl De Strycker




gedichten * recensies * vijf * artikel * nieuws * colofon 
Proza




Onderstroom

Irmelin Bourse


Met de punt van mijn handdoek wrijf ik tussen mijn tenen. Ik weet niet wat erger is: nat, plakkerig zand dat zich als klonten afzet, of droge korrels die scherp zijn als glassplinters. Tussen de randen van mijn badpak prikt en schuurt het, mijn hoofdhuid jeukt en wanneer ik mijn kiezen op elkaar zet, knarst en kraakt het zo hard dat ik er kippenvel van krijg.
Zand deert Stella niet. Ze wroet met haar tenen in het mulle zand en werpt grote hopen op mijn badlaken, ze schudt haar haren en zandkorrels vliegen in het rond, stuiven in mijn ogen. Hoe ik ook zucht en grom, ze reageert niet. Ze ligt op haar zij, haar billen in tijgerprint naar me toe gekeerd. Op haar glimmende, bruine huid van rug en benen kleeft zo veel zand dat ik de neiging het weg te vegen bijna niet kan bedwingen.
'Je zit helemaal onder.'
'Wat?' Ze draait zich op haar rug, haar hand voor haar ogen tegen het scherpe zonlicht.
'Er zit overal zand. Overal!'
Ze schokschoudert.
'Lag je te slapen?'
'Hm...,' ze strekt zich ruggelings uit. Haar buik is zo plat dat haar bikinibroekje alleen aansluit op haar heupbeenderen. Mijn hand past er makkelijk tussen. Net als Toby¹s hand met de lange vingers, de spitse toppen. Toby... Ik heb het warm. Bloedheet.
'Zwemmen?'
Stella draait haar gezicht naar me toe, opent lui een oog. Haar iris is licht als de lucht.
'Ga jij maar. Ik pas wel op de spullen.'
Ik knik maar blijf zitten. Ik zie op tegen de wandeling naar de vloedlijn. Ik heb geen platte buik zoals Stella en ik ben ook niet bruin maar rood als een kreeft. Om over mijn stomme badpak - donkerblauw, oerdegelijk model, meer iets voor een wedstrijdzwemmer - maar te zwijgen.
'Ga dan!' Stella geeft me een por.
Ik zou willen slenteren, heupwiegend, quasi ongeïnteresseerd, maar dat durf ik niet en ik zet het op een halfslachtig hollen, richting zee. Mijn hielen bonken zo hard in het zand dat zonnebadende badgasten verschrikt opkijken. Langzaam het water in waden, met mijn armen wijd de golven strelen, zoals ik het Stella heb zien doen, durf ik ook niet. Als een walrus plons ik het water in. Even ben ik bang dat mijn hart het zal begeven en schokkend hap ik naar adem. Ik zwem een paar slagen tot ik geen grond meer onder mijn voeten voel. Ik draai me op mijn rug. Mijn armen en benen voelen aan alsof ze van rubber zijn maar het drijven op de kabbelende golven, met de zon in mijn gezicht, is prettig. Ik sluit mijn ogen en buig mijn hoofd naar achteren totdat ook mijn oren onder water zijn. Nog beter. Het is net of er niets meer is, niemand meer is. Geen vakantie aan zee bij oom Henk en tante Roelie. Geen Toby met zijn ogen als fluweel en het stukje blote rug dat onder zijn T-shirt vandaan komt, als hij bij zijn brommer neerhurkt. Geen vader die zegt dat Stella hem net zo lief is. Geen Stella die... Gewoon geen Stella. Punt.
'Je boft maar Ed, heb je er ineens een mooie dochter bij!' Ineens kan ik niet meer drijven. Ik ga kopje onder, voel de koude onderstroom en weet niet hoe snel ik, woest bewegend met armen en benen, boven moet komen. Ik proest en snuif. Water in mijn neus, in mijn mond. Ik moet kokhalzen. Het water is net zo zout als de tranen die ik probeerde weg te slikken toen ik mijn vaders reactie hoorde op oom Henks besmuikt gefluisterde woorden. Hij lachte. Luid en klaterend als een fontein. Ik sloot de deur waar achter ik me verstopt had gehouden, rende het Duinhuis uit, struikelend langs het zandpad en draafde de duinen in. Mooie dochter, mooie dochter; in gedachten herhaalde ik de woorden net zo lang tot ze hun betekenis verloren hadden en ik buiten adem en met pijnlijke steken in mijn zij in een duinpan neerviel. Ik besloot te wachten tot ze me kwamen zoeken. Maar ze kwamen niet en toen ik uiteindelijk terug ging naar het Duinhuis zaten mijn vader, oom Henk en tante Roelie in de keuken bramen schoon te maken.
'Lekker gewandeld?' had mijn vader gevraagd, zonder op of om te kijken.

Met trage slagen zwem ik terug. Stella is niet langer alleen. Hoewel ik geen detail kan onderscheiden, het zeewater brandt in mijn ogen, weet ik zeker dat het Toby is. Als een hond achtervolgt hij ons. Terwijl hij mij alle vorige vakanties niet had zien staan. Ik ben immers zijn kleine, onnozele nichtje. Maar nu, met Stella... Het zou me ook niet verbazen als oom Henk en mijn vader ineens op zouden duiken. Wanneer de ijsverkoper, de badmeester, de dikke Duitse toerist, de strandpolitie uit het niets tevoorschijn zouden komen. Zelfs als de buurman van oom Henk en tante Roelie - tachtig jaar, half invalide - zich ineens op het strand zou wagen, zou ik er niet van opkijken. Ze windt ze allemaal om haar vinger, brengt alle hoofden, alle harten op hol.
'Is het water niet vreselijk koud, Ellis?' Lief, bezorgd. Ze slaat zelfs een handdoek om me heen.
'Gaat wel...' Maar mijn tanden klapperen zo hard dat Toby¹s ogen van Stella¹s borsten afdwalen en hij mij, peilend, aankijkt.
'Meisje toch, je ziet helemaal blauw!' en hij strekt zijn arm, legt zijn hand op mijn been. Als ik niet het gevoel zou hebben dat ik elk moment buiten bewustzijn kan raken, zou ik een gat in de lucht springen. Stella wrijft met de handdoek stevig over mijn rug. Zand schuurt mijn vel. Mijn badlaken zit ook weer helemaal onder.
'Ik haat het,' piep ik. Waarop Stella nog harder begint te wrijven. Toby kruipt naar me toe, met zijn knieën duwt hij nog meer zand op mijn badlaken. 'Ik haat het. Ik wil naar huis, naar mijn moeder.'
Het wrijven stopt abrupt. Toby blijft halverwege steken. Ik realiseer me wat ik gezegd heb. Er is thuis geen moeder. Er is alleen de nieuwe vriendin van mijn vader, Stella's moeder.

Toby heeft een zak friet voor me gekocht, voor de schrik. Terwijl ik met mijn vorkje in de kleffe aardappelen prik, kijkt hij me alsmaar aan. Zijn ogen staan zacht en droevig, hondenogen. Stella smeert me in met zonnebrandolie. Ze doet het heel voorzichtig zodat er geen zand tussen haar hand en mijn huid komt.
Toen Toby ons even alleen gelaten had om de friet te kopen, had ze gezegd dat ik haar moeder ook best als mijn moeder mocht beschouwen. Maar ik had mijn schouders opgehaald. Zei dat ik me gewoon vergist had. Nooit, maar dan ook nooit zou Stella's moeder mijn moeders plaats in kunnen nemen. Dat zij in haar eentje in ons huis is gebleven, omdat ze geen vrij heeft kunnen krijgen, vind ik verschrikkelijk. Ik ben bang dat ze aan mijn spullen komt, of, nog erger, aan de spullen van mijn moeder die, veilig opgeborgen in grote dozen, op zolder staan. Ik verbeeld me dat Stella's moeder de blauwe jurk met de witte stippen past, of het parfum uit het piramidevormige flesje op haar polsen spuit. Terwijl ik nog precies weet hoe ik me verstopte tussen de plooien van de wijde rok, hoe mijn moeders handen door mijn haar gingen, hoe ze rook, hoe ze glimlachte. Ik koester die herinneringen, meer nog dan de foto's. De foto's! Zou Stella's moeder in onze fotoboeken neuzen?
Misschien knipt ze mijn moeder wel van de foto's af!
De vette frieten maken me misselijk en Stella's handen die over mijn schouders gaan, irriteren me zo, dat ik er van moet huiveren.
'Misschien heeft ze kou gevat,' zegt Toby en voelt aan mijn voorhoofd.
Kippenvel van mijn nek tot aan mijn billen. Nog harder ril ik.
'Haar voorhoofd is wat warm. Verhoging, misschien.' Hij zegt het zakelijk, als een dokter.
Ik leun tegen zijn hand, stel me voor hoe die hand mijn gezicht streelt, mijn wangen, mijn lippen. Lager naar mijn hals.
'Laat mij eens voelen.' Stella trekt zijn hand weg, legt de hare met de rug tegen mijn voorhoofd, 'zou ze een zonnesteek hebben?'
Al dat gepraat over mijn hoofd heen! Alsof ik er niet bij ben. Nee, alsof ik blind, stom, doof en achterlijk ben! Wat ze willen is dat ik terug ga naar het Duinhuis. Zijn ze eindelijk van me af. Kunnen ze ongestoord gaan zitten zoenen.
'Hou op. Ik voel me oké. Oké?' Maar de tranen branden in mijn ogen en ik laat me achterover vallen, draai me op mijn buik en stop mijn gezicht in het badlaken. Zand. Overal zand. Mijn hoofd, mijn lichaam lijkt weg te zinken in het zand. Dieper en dieper zak ik weg. Ik spartel niet tegen, laat me gaan. Ik verdwijn, ga onder. Tot er niets meer is, niemand meer is.



Irmelin Bourse




gedichten * recensies * vijf * artikel * proza * colofon 
Nieuws



Presentatie bundel Sylvia Hubers
Op maandag 9 juni, tweede pinksterdag, presenteert Sylvia Hubers haar dichtbundel 'Men zegt liefde' in café Averechts in Utrecht. De bundel wordt uitgegeven door uitgeverij Fagel.
Tijdens de presentatie zullen ook schrijver/dichter Adriaan Bontebal en schrijver/cabaretier Bernhard Christiansen acte de présence geven. De Utrechtse bard Anton Rosmüller brengt enkele liederen ten gehore.
Het café is open om 15.00 uur. Het programma start om 16.00 uur.
Adres: Lijsterstraat 49, Utrecht.
Informatie: uitgeverij Fagel, tel. 020 676 19 28 e-mail:
website: users.bart.nl/~bontebal/nl/nadorst.htm


Nieuwe bundel Mark van Tongele
Op vrijdag 13 juni wordt om 20.15 uur in de Stadsschouwburg, Keizerstraat 3 in Mechelen de nieuwe dichtbundel 'Taalwaterval' van Mark van Tongele gepresenteerd. De bundel wordt uitgegeven door uitgeverij Lannoo, Tielt.
Benno Barnard en Mark van Tongele lezen enkele gedichten voor. De muzikale omlijsting komt van George de Decker en Lode Vercampt.


Edith de Gilde winnares sonnettenwedstrijd
Het gedicht 'Nachtzuster' van Edith de Gilde werd met sonnetten van Marjan van der A, G.M. Berelaf, Roderik Bouter, Jan Doornbos en Mark Meekers geselecteerd voor de finale van een sonnettenwedstrijd van de Stichting Sonnet op zaterdag 10 mei in Amsterdam. Edith, medewerkster van Meander, won tijdens de Nacht van het Sonnet de eerste prijs. De tweede prijs was voor Roderik Bouter. G.M. Berelaf en Mark Meekers deelden de derde prijs. Foto 's zijn te bekijken op www.webhome.demon.nl/sonnet en home.wanadoo.nl/gilde.ee.


Joop Leibbrand genomineerd
Meanderredacteur Joop Leibbrand werd genomineerd voor de door de bibliotheek van Bergen op Zoom uitgeschreven Anton van Duinkerken-gedichtenwedstrijd. De prijzen worden uitgereikt tijdens het poëziefestival dat op zaterdag 31 mei op de Grote Markt gehouden wordt. Vanaf 12.00 uur is er een poëziemarkt, om 16.00 uur start een jeugdprogramma en van 18.30 tot 01.00 uur presenteert Rick de Leeuw het eigenlijke festival, waarop ook Victor Vroomkoning, H.C. ten Berge en Maria van Daalen aanwezig zijn. Muziek is er van o.a. Thé Lau.


Vernieuwde website Concept
Sinds 1 mei heeft het multicultureel literair tijdschrift 'Concept' een vernieuwde website. Op deze site zijn onder meer recensies, proza en poëzie en essays te lezen. De site is te vinden op www.conceptcircuit.nl . Het literaire tijdschrift is met de aflevering van februari 2003 begonnen aan de 17e jaargang. Op 31 mei aanstaande wordt in het Vlaamse Ichtegem een Culturele Ontmoetingsdag georganiseerd met als bijzonderheid de opening van de 'Kijktuin'. 'Gedichten en beelden zullen in landschappelijke omgeving een eigen bekoring hebben,' aldus Ton Luiting in zijn 'conceptueel'.
Concept, postbus 1313, 1200 BH Hilversum, tel. 035 621 34 62 of 621 68 42.


Literaire avond Lucas van der Vost
Al meer dan tien jaar bouwt Lucas van der Vost, artistiek leider, regisseur en acteur bij het Antwerps theatergezelschap De Tijd, aan een repertoire van literaire teksten. Op 27 mei brengt hij om 20.30 uur een literaire avond in het Zuiderpershuis en hij draagt dan onder meer sonnetreeksen voor van Petrarca, Shakespeare, Gorter, Claus en De Coninck. In de voorverkoop is de toegangsprijs 8 euro, aan de kassa 9 euro. Zie voor meer informatie de website: www.zuiderpershuis.be


Libris Literatuurprijs
Juryvoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven heeft op woensdagavond 7 mei bekendgemaakt dat de tiende Libris Literatuurprijs is gewonnen door Abdelkader Benali met zijn boek 'De Langverwachte'. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden.


Dichter te gast
Robert Vollekindt stelt op zijn website users.pandora.be/vollekindtrobert/vollekindtrobert een pagina ter beschikking aan een dichter te gast. Dichters die aan het project willen meewerken, worden uitgenodigd een gedicht in te sturen per e-mail naar . Het gedicht blijft een maand online en wordt gepubliceerd onder vermelding van de auteur met daarbij eventueel een hyperlink naar een persoonlijke website en/of e-mailadres.


Nieuwe bundel van Jeannine Hoedemakers
Vanmiddag, zondag 25 mei, vindt om 15.30 uur in café Kraay & Balder, Strijpsestraat 79 te Eindhoven de presentatie plaats van de gedichtenbundel 'Het groen vindt al wat herfst' van Jeannine Hoedemakers. De bundel wordt uitgegeven door De Beuk Stichting Literaire Publicaties uit Amsterdam.


Smaragdpodium
Vanmiddag, zondag 25 mei, is het laatste Smaragd-podium van dit seizoen met voordrachten van onder meer de dichters M. Schook en Maaike van Steenis. Er is ook een speciaal open podium waarbij dichters hun kunnen mogen vertonen met kans op de publieksprijs. De presentatie van de middag is in handen van dichter en columnist Esnirido. De middag begint om 15.00 uur en vindt plaats in literair café Averechts, Lijsterstraat 49 te Utrecht. De entree is gratis.
E-mail:


Vlaamse winnaar bij Jambe
De drukbezochte slotmanifestatie van literair café Jambe in Delft, op zondag 18 mei, in Hotel de Plataan leverde dit jaar een Vlaamse winnaar op: de dichter Philip Hoorne ging er met de publieksprijs vandoor. Op de tweede plaats eindigde de eveneens uit Vlaanderen afkomstige Tine Moniek. De derde plaats was voor Han Ruijgrok uit Leiden.




Het nieuws werd samengesteld door Jan Boonstra en Yves Joris.

Nieuwsberichten voor Meander 215 van zondag 8 juni dienen uiterlijk dinsdag 3 juni in ons bezit te zijn. Stuur geen attachments mee.
Berichten kunnen worden gestuurd aan





gedichten * recensies * vijf * artikel * proza * nieuws 
Colofon


Site: meander.italics.net

E-mailadres:

Redactie:
Adelheid Bekaert, Yves Joris, Gerard Kool, Joop Leibbrand, Margo Verbiest, Rob de Vos

Vaste medewerkers:
Jan Boonstra, Annette van den Bosch, Yvonne Broekmans, Hans Hamburger, Milla van der Have, Vincent Scholze, Elly Woltjes.

Verder werken mee:
Edith de Gilde, Rutger H. Cornets de Groot, Peter Jongsma, Bert van Weenen.

De gedichten worden beoordeeld door: Annette van der Bosch, Yvonne Broekmans, Hans Hamburger, Milla van der Have, Joop Leibbrand en Vincent Scholze.
De verhalen worden beoordeeld door: Annette van den Bosch, Margo Verbiest, Rob de Vos en Elly Woltjes.


Financiën:
Meander is gratis, maar ook uw financiële bijdrage is nodig!
Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt op Postbank giro 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: Rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.

Mailinglist:
Zie http://www.lists.nl/mailman/listinfo/meander
Abonneren door een mail aan met als onderwerp: subscribe
Opzeggen door een mail aan met als onderwerp: unsubscribe

Kopij is welkom bij Meander. Zie http://meander.italics.net/kopij/

Verdere verspreiding van de in deze uitgave opgenomen teksten is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s)


Zie ook op onze site: gedichten * verhalen * artikelen * recensies * links * klassiekers * archief

naar begin van deze krant




Zoek
naar