Bekijk de nieuwe site van de Meander Klassiekers
Meander
http://meander.italics.net
literair magazine
aflevering 218 * 20 juli 2003 * verschijnt om de twee weken op zondag
meander is gratis, maar vrijwillige financiële bijdragen zijn nodig * kopij is welkom, reacties ook
Gedichten
Sta naast mijn bed
Kijk voor mij uit
Zie in de ruit
het kind van net
verschoond, gekamd
winterjas aan
shawl om, verlamd
in schoenen staan
aan moeders hand
En God zelfs weet
hoe ik het land
heb aan weggaan
hier
hier stil wil staan
bij hoe ik heet
Marcel Hoeko
auteurspagina Marcel Hoeko
geef commentaar op dit gedicht
Schuilplaats
Ik zat in Plato's grot. Waar
anders moest ik schuilen
voor de regen? De meester zelf
stond aan de tapkast
in diep gepeins verzonken. Hoe
anders moest hij zich
een houding geven?
Er waren veel schimmen
uit een eerder bestaan
en aan kleine tafels,
bedoeld om het gezellig te maken,
zaten dichters te praten
met vlinderende bakvissen.
De lampen staken uit de vloer.
Uit naden tussen de plavuizen
welde regenwater op.
Ik voelde mij hulpeloos jong.
Kees Klok
auteurspagina Kees Klok
geef commentaar op dit gedicht
vier woorden
vier woorden
het onderwerp ben ik
de zin eindigt op graag
jij komt erin voor
en het werkwoord
heeft iets te maken met ogen
ik zou niet weten
waarom ik het zou zeggen
soms vertelt de stilte meer
en het maakt ook niets uit
want een wolk
zuchtend roze
boven het laatste vogelgeschetter
hoe mooi
hoe zacht
zegt nooit
ik jou ook
rhode liana hagmeijer
auteurspagina Rhode Liana Hagmeijer
geef commentaar op dit gedicht
besloten tijd
het is die lange avond
dat ze gebogen bladert
in de weemoed van haar denken
de stilte ommantelt haar
met gesloten ogen
ze glijdt in onderstroom
traag voorbij de rimpels van haar dagen
ze splijt hun klamme schaduw open
rilt hun kilte bot
tot ze drijven kan op haar gedachten
tot ze er roerloos stil op slapen kan
Ann Tronquo
auteurspagina Ann Tronquo
geef commentaar op dit gedicht
Kindervragen
Je vraagt zo moeilijk soms:
of alles steeds opnieuw zal komen?
Of de blaadjes aan de bomen
herboren worden na hun winterslaap?
Ik ken je honger wel,
maar jij hebt zoveel van het leven nog te leren
dat ik nu niet verklaren kan.
Je moet je eerst nog leren weren.
Zo vroeg je gisteren of oma,
die van haar dromen niet genas,
in de lente weer zou groeien als het gras?
En,
of haar dood, waarvan je had gehoord,
de winter was?
Pierre Van Laeken
auteurspagina Pierre Van Laeken
geef commentaar op dit gedicht
advertentie
verbeter je schrijftalent via e-mail bij
WRITERS @T HOME
thuis in literatuurworkshops
klik hier voor meer informatie
|
Vijf
In de rubriek 'Vijf' leggen we iemand vijf maal het begin van een zin voor en vragen die naar eigen inzicht aan te vullen. Dit keer:
Marion Bloem
Als kind las ik alles wat ik kon vinden als ik maar kon lezen.
De westerse cultuur ......, bestaat die dan als zodanig?
Als staatssecretaris (minister) van cultuur zou ik uit laten zoeken welke kongsi's in onze samenleving van cultuur een eng begrip maken.
Sterk overschat zijn de begrippen identiteit en cultuur.
Zwaar onderschat is het belang van de dynamiek in een samenleving.
Adembenemend is leven.
Slaapverwekkend is alles wat we bedenken om wat adembenemend is te institutionaliseren.
Marion Bloem (1952) is o.a. schrijfster [Geen gewoon Indisch meisje (1983); Mooie meisjesmond (1997); Games4Girls (2001)] en filmmaakster [Het land van mijn ouders, documentaire(1983); De Tovenaarsleerling, korte speelfim (1986)].
Als ondernemer van het multi-media bedrijf G4G is ze, in samenwerking met een team van jonge vrouwen, bezig met de ontwikkeling van www.xohra.nl
www.marionbloem.com
Vul op uw manier aan wat wij zijn begonnen: ga naar meander.italics.net/vijf
Recensies
Postmodernisme voor (de) wolven
Over 'Boze wolven' van Erik Spinoy
door Rutger H. Cornets de Groot
Al in de eeuw van zijn ontstaan is het postmodernisme voor velen een onhandelbare, haast besmette term geworden. Zelfs postmodernisten voelen zich er doorgaans niet bij thuis. Dat ligt in de eerste plaats wel aan het postmodernisme zelf, dat door zijn omarming van uiteenlopende cultuuruitingen een projectiescherm werd voor alle mogelijke wensdromen, verdachtmakingen en vooroordelen. Toch blijft het aanwijzen van een kern in het postmodernisme problematisch, omdat het postmodernisme zelf juist het bestaan van een centrum ontkent van waaruit de dingen worden beheerst en bepaald. Dit laatste hangt samen met een volslagen gebrek aan naïveteit, dat zich merkwaardig genoeg - maar niet onlogisch - juist uit in een naïef aandoende kunst- en literatuurbeoefening. In postmoderne kunst kan tenslotte alles: stijlen bestaan er vrolijk naast elkaar en tot veler verdriet is er niemand die je daar op aan kan spreken, want de immer aan zichzelf en aan de modernistische heilstaat voortbouwende mens heeft, na het echec van de 'grote verhalen' uit met name de 18e en 19e eeuw, helaas het veld geruimd.
Wanneer de Vlaamse dichter Erik Spinoy (1960), 'partner in crime' van postmodern collega Dirk van Bastelaere (
1), in zijn vorig jaar verschenen, vijfde bundel
Boze wolven 140 pagina's lang de gangen van een wolf volgt, moet dat dier dan ook niet als held of belichaming van een idee worden gezien, maar veeleer als metafoor voor een deelnemer aan het grote postmodernistische discours. Wanneer dat discours wordt opgevat als een voortdurende analyse en kritiek van zowel de modernistische traditie als van de huidige tijd, dan blijkt de wolf een bijzonder gelukkig gekozen metafoor die talloze mogelijkheden biedt om de problemen van het postmodernisme inzichtelijk te maken. De wolf als welp van de zichzelf nog steeds als jong beschouwende theorie; als lid van een troep geestverwanten (de 'partners in crime'); als eenzame eenling, huilend naar de maan van het voorgoed onbereikbare ideaal; als bloeddorstig roofdier dat de droom van het modernisme aan flarden scheurt; als wolf in schaapskleren, die in schijnbaar naïeve en door de massa voor zoete koek geslikte kunst de maatschappij een loer draait; als hongerige wolf, die de stijlen van voorbije eeuwen naar hartelust verslindt; of als boze wolf tenslotte, die met zijn niet zo blijde boodschap de op orde en rust gestelde burger voortdurend de stuipen op het lijf jaagt; - dit zijn zo een aantal mogelijkheden, die door Spinoy overigens lang niet allemaal worden benut, maar ongetwijfeld wel worden verondersteld. Laten we hem zelf aan het woord in het volgende gedicht, een van de eerste uit de bundel:
Hoe wolf te draven heeft
waarheen hij reizen moet
dat leest hij nu eens
in een wemelend spel van
wolken nevel sneeuw
dan hoort hij het weer
van deze koppige honger
zonder ingewand.
Nooit merkt hij zelf
het onderscheid.
In de eerste strofe treffen we meteen een van de basispremissen van het postmodernisme aan: de mens (c.q. wolf) is onderhorig aan krachten die hij niet beheerst en moet dus wel 'draven waarheen hij reizen moet'. Als intellectueel 'leest' hij die onbeheersbaarheid in een 'wemelend spel van wolken nevel sneeuw', nl. in de verwarring die het postmodernisme aan het licht brengt en zo gaarne bevordert; maar ook voelt hij het aan zijn eigen 'koppige honger' naar nieuwe, oude vormen, ook al ontbreekt het daarin aan een 'ingewand', een centrum waardoor het discours wordt gevoed (of uitgehongerd desnoods). En 'nooit merkt hij zelf het onderscheid', want waar geen centrum is, daar vallen ik en wereld eenvoudig samen in de kolkende maalstroom die het postmodernisme is.
Dit voorbeeld suggereert dat de gedichten in deze bundel zich stuk voor stuk voor een leerstellige parafrasering lenen, en wie daar op uit is kan daar best een heel eind mee komen. Maar dat is niet de bedoeling en de gedichten ontlenen hun belang er ook niet aan. Veeleer is het andersom: al lezende ontstaat, voor wie zich daarvoor openstelt, een begaanheid met het wel en wee van de wolf en voor de opgaven waar die zich tegenover geplaatst ziet. Pas door zich in te leven in zijn lot kan men tot een aanvaarding komen van de postmoderne situatie waarin dat lot zich voltrekt. Spinoys gedichten zijn dus geen parabels, laat staan leerdichten, maar liederen die tegen het licht van het postmodernisme kunnen worden bekeken, - niet omdat het postmodernisme als zodanig is gegeven, maar omdat Spinoy, door zijn wolf eenvoudig op pad te sturen, een postmoderne wereld schept. Daarin onderscheidt zijn poëzie zich van de propagandapoëzie van om het even welke ideologie. Bij Spinoy ontmoet ieder idealisme in het 'voorbij goed en kwaad' van hen die erachter aanrennen vanzelf al zijn eigen ontkenning:
Gesneeuwd heeft het
in deze vlakste aller vlakten.
Een wolf voelt zich
geroepen tot bewegen
en zet zich dan ook
werkelijk in beweging.
Een goede wolf draaft links
de dageraad tegemoet.
Kwade wolven ook.
- waarbij de tweede strofe volgens goed postmodern gebruik alludeert op het gedicht
De autobezitter (uit 'Een klok en profil', 1960) van K. Schippers: "Er stapt een man in een auto / verricht de nodige handelingen / voor het rijden / en rijdt / daarna / dan ook / inderdaad / weg."
Dergelijke zinspelingen, waarin menig postmodernist geen maat heeft weten te houden, vormen maar een enkel voorbeeld van de vrolijke en amorele stemming die veel postmodern werk kenmerkt. Dat geldt ook voor deze rijke en tot de nok toe gevulde bundel. Zo dragen zulke uiteenlopende figuren als de evangelist Johannes, de tv-helden The Sopranos en de dichteres Emily Dickinson elk hun eigen motto bij aan een hoofdstuk, en loopt de bundel over van typografische vormexperimenten (waarbij als zo vaak de voor Vlaamse dichters nog altijd onweerstaanbare invloed van Paul van Ostaijen zich laat gelden). Wolf zelf zien we inmiddels ouder worden, een hoofdstuk lang de gedaante van architect Frank Lloyd Wright aannemen (niet toevallig de kunstdiscipline waarin het postmodernisme de hoogste punten scoorde) en tenslotte zwakker worden en sterven. In zijn nadagen denkt wolf nog eenmaal terug aan de gelukkige pre-postmoderne tijden uit zijn jeugd -
waarin oorlogen soms kwamen
onverklaarbaar
tot ze ook weer gingen
auto's voor het eerst verschenen
roestten
als in dromen reden
zich vermenigvuldigden
en weer verdwenen
liefde zwol
als bloemknoppen
en vrucht droeg
en vervroor
en kranten van dit alles
niets versloegen.
Het is niet nodig zich tot het postmodernisme te bekennen om deze gedichten te waarderen. Men hoeft alleen maar in deze tijd te leven, en dan het liefst met de ogen open. Komt gij een wolf tegen, weest niet bevreesd: allicht is het een goede wolf, en bent u zelf de boze.
1 Volgens de opdracht in diens essaybundel Wwwhhoooosshhh, zie de bespreking in Meander 200.
Erik Spinoy - Boze wolven
Uitg. Meulenhoff, Amsterdam, 2002
140 blz., € 13,30
ISBN 90 270 7214 8
Rutger H. Cornets de Groot
Poëzie kort
Joop Leibbrand bespreekt een
viertal recent verschenen bundels
Bob Bachra (1926) was het grootste deel van zijn leven werkzaam als biochemicus. Tussen 1979 en 1989 studeerde hij Semitische talen en algemene linguïstiek in Leiden en promoveerde hierop in 1999. Hij geeft al jaren les bij het Joods Studiecentrum in Leiden, met name in het Bijbels Hebreeuws. In
Rimpelingen en steekvlammen bundelt hij gedichten die hij in twee perioden van zijn leven schreef:
Tien jaren van terugkeer ontstond in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog,
Verlate bloesems stamt uit de jaren tachtig. Het is opvallend dat in de in het algemeen strofische, rijmende gedichten (waaronder nogal wat sonnetten) niets is terug te vinden van zijn vakgebieden, al is er vaak wel sprake van een bepaalde intellectuele beheersing van romantische gevoelens; niet voor niets doen de beste gedichten uit de eerste periode soms aan Slauerhoff denken: "Ik ben uit sneeuw en hagelsteen ontstaan, / waar in de branding golven gaan / en tussen mos en modder op de wegen / zal ik vergaan in mist en regen." Een enkele keer is er zelfs een echo van Leopold, zoals in het kwatrijn 'Vraag': "Gij nietig breker wilt een bouwer wezen / van droomkastelen, die uit modder rezen. / Maar zal Uw plan, van worsteling doorweven, / als waan en wrevel worden afgewezen?"
Het is poëzie die qua vorm, inhoud en vooral pretentie natuurlijk niet marktconform de huidige trend is, maar Bachra maakt zijn dichterschap met overtuiging waar, zoals in 'Misoogst', waarvan de slotterzine luidt: "Ik blijf verstikt in zingen, een verstrikte zanger, / tot ik het komen van het voorjaar kan verdragen, / een blinde vink in netten van de vogelvanger." Tegen de tijdgeest, maar authentiek persoonlijk.
Na enkele uitgaven in kleine kring debuteert de uit het onderwijs afkomstige
Thei Ramaekers (1944) voor een groter publiek met
een dag beginnen bij zijn eigen speciaal voor dat doel opgerichte uitgeverij 'Polygonium'. Op zijn website stelt hij zich kwetsbaar op: "Of ik iets te zeggen heb, ik weet het niet. Het zijn persoonlijke gedachten, uitkomsten van sommen, conclusies en vooral twijfels." Zijn decor is, schrijft hij, "een harde, oorlogvoerende, deels hongerende, verscheurde wereld. Een land dat hopeloos verdeeld is en waar de onverdraagzaamheid en het geweld hoogtij vieren. Een wereld waarin woorden vaak worden gebruikt als wapens. Verbaal geweld in woord en geschrift."
Het brengt Ramaekers gelukkig niet tot het schrijven van getormenteerde verzen waar het wereldleed van afdruipt. In eenvoudige, vrije verzen doet hij in de eerste twee afdelingen herkenbaar verslag van zijn belevingen in de wereld van alledag; speels en ironisch, waarbij de beste gedichten een melancholieke ondertoon meekrijgen, zoals in 'het gebeurt gewoon': "heeft iets van vuil / van slecht en stiekem / smaakt naar verse leugens / en het gebeurt gewoon // heeft het harde koude van metaal / de natte doek in het gezicht / geslagen als een platte vloek / en het gebeurt gewoon // het is soms even weg maar / keert met een boog terug / net als de vele vliegen bij / het vochtig paardenoog".
De derde afdeling bevat treffende gedichten over (een) moeizame liefdesrelatie(s); een goed voorbeeld is 'don't leave': "luister; ga zitten / leg je jas bij je / voeten op tafel // sluit de gordijnen / zwijg de woorden / laat zachte / muziek verwaaien // laten we samen / wachten op de avond / zeg het niet / ik weet het". Voor deze poëzie moeten zeker lezers te vinden zijn.
Eric Vandenwyngaerden (1955), bij Meanderlezers bekend als eVadeVin, debuteerde al enige tijd geleden met
Onder de roos, waarin hij naar eigen zeggen gedichten verzamelde uit de periode 1998 tot 2001. Het is een uitgave in eigen beheer, die niettemin een professionele indruk maakt. Met dank aan de sponsors die hij wist aan te trekken, werd het een voorbeeldig uitgegeven bundel, die ook inhoudelijk de moeite waard is, zeker voor de liefhebber van gevoelige, beeldende lyriek. Natuurimpressies, reisindrukken en liefdeservaringen bepalen het beeld van de bundel, maar steeds gaat het daarbij in de eerste plaats om heel persoonlijke overdenkingen. Vandaar ook de titel:
sub rosa wil hij in goed vertrouwen 'ziel en zaligheid' delen. Willem Vermeylen spreekt in zijn inleiding over Vandenwyngaerdens "hunkeren naar harmonie, zijn zoektocht naar zielsverwantschap, zijn smeekbede om waardering en genegenheid", waarmee hij deze gedichten zeer juist karakteriseert. Ze zijn zacht, gevoelig, soms van een haast Gorteriaans sensitivisme: "kom dan toch wat dichterbij; ik heb de avondzon / met al haar tederheid in mij (hervonden-jou), / hoewel ik telkens zelf weer kom / en meer nog van je hou."
Opvallend is het veelvuldige gebruik van de puntenreeks (...), die hij een kleine zestig keer gebruikt. De normale functie van het beletselteken is dat de lezer een onvolledige gedachte zelf moet aanvullen, maar in deze poëzie wordt er vaak diepgang mee gesuggereerd, wordt het een signaal om diep met de dichter mee te denken en vooral te voelen, wat het geheel soms wat week maakt. Waar hij het achterwege laat, wordt het resultaat direct krachtiger: "Maar wat ik ook / zeg van de liefde, / soms vind ik geen woorden / als het gaat over stilte. // En niets is erger dan / stilte en botsen op muren: / Waar ben je? / Wat voel je? / Wat wil je? // Wat haat hij die stilte."
Hopelijk blijft het rond de poëzie van Vandenwyngaerden níet stil.
De Vlaamse dichter
Carl De Strycker (1981) wist voor zijn debuut
Bladstad de kleine Amsterdamse uitgeverij DiVers te interesseren, die er een fraai boekje van maakte. Dat een jonge dichter als hoofdthema de liefde kiest (en daarvan dan niet zozeer de vervulling maar het tekort), is niet zo verwonderlijk, maar dat hij dat doet in poëticale verzen, waarin dus de taal en het dichten zelf centraal staan, is wél opvallend: "het zou allemaal / veel eenvoudiger zijn / als je nu eens was: / van papier // (...) // maar zo makkelijk / als een blad zich / in wind of aan / inkt verliest laat / jij je niet winnen // en ik zin op jou / maar mijn zinnen / zet ik nog steeds / zwijgend en op / kladpapier".
Heel bewust en met overtuiging bouwt De Strycker aan een herkenbare, werkelijke wereld van taal. Het titelgedicht begint met "ik hou zo van die stad / met haar papieren huizen / aan de Gitzwarte Zee", maar er mag natuurlijk niet verwacht worden, dat hij er zijn bestemming meteen al vindt. In een ander gedicht staat dan ook: "ik dichtertje dicht en / sticht maar woorden als / steden in het zuiden / maar raak het noorden kwijt // vaak loop ik verloren / langs de inktzee van mijn hand / of in lange zinnen zonder / einder en verdwijn er". Nergens wordt dit taalspel een maniertje, zoals ook nooit de gedachte opkomt dat deze jeugdpoëzie onvoldragen is.
Een van de laatste gedichten van de bundel ('ik ben vergeten welke kleur') was in mei 2002 Meanders gedicht van de maand. Zie voor een bespreking ervan Meander 185 en hoor hoe de dichter leest.
B.N. Bachra - Rimpelingen en Steekvlammen
Uitg. GigaBoek, Heerhugowaard 2003
128 blz.; €; 13,95
ISBN 90 75311 419
www.gigaboek.nl
Thei Ramaekers - Een dag beginnen
Uitg. Polygonium, Roggel 2003
56 blz.; € 12,50
ISBN 90 806608 2 5
www.polygonium.nl
Eric Vandenwyngaerden - Onder de Roos
Eigen beheer, Diest 2003
78 blz.; € 10,- (excl. verzendkosten)
users.pandora.be/eric_vdwgd./
Carl De Strycker - Bladstad
Uitg. DiVers, Amsterdam 2003
50 blz.; € 9,95
ISBN 90 7663 391 6
Joop Leibbrand
Overtocht naar Zweden - Nico de Beer
Een prozarecensie door Yves Joris
Een onbekende schrijver vraagt je om een recensie van zijn boek te maken. Je stemt toe en na enkele dagen valt een turf van bijna driehonderd bladzijden in de bus. De foto op de omslag toont een blonde dame in een idyllisch tafereeltje, een cliché dat het ergste doet vermoeden. Gelukkig zijn titel en cover niet representatief voor de inhoud van het boek.
Als men u vraagt waar u was op 11 september 2001, dan is de kans groot dat u zich dit nog wel kunt herinneren, tenzij u in een godvergeten woestijn zat te sukkelen met de batterijen van de wereldontvanger of net met een hoogtestage bezig was in de buurt van Tibet. Maar als men vraagt wat er gebeurde in de nacht van 27 op 28 september 1994, dan is de kans groot diep te moeten graven in het geheugen. Die nacht zonk de MS Estonia en veranderde het leven van heel veel Zweden en Esten; in de koude golven van de Oostzee kwamen 852 mensen om.
Met dit gegeven als rode draad ontpopt Nico de Beer zich als een perfecte schrijver van faction. Hij verweeft de levens van de Zweed Carl Hansson en de Estse Tonia Malibovic met de tragische zeeramp; we maken kennis met de twee protagonisten tijdens een boozecruise (belastingvrij alcoholkopen en dan zo snel mogelijk consumeren tijdens een tocht tussen Zweden en Estland) op de Regina Baltica.
Liefde op het eerste gezicht, haar vlucht uit Estland in de cabine van een Zweedse truck en de zorgeloze liefde in Zweden die hen zegent met drie kinderen, vormen het eerste gedeelte van het boek. De Beer neemt ons mee in het alledaagse van hun levens. Carl geeft les, Tonia specialiseert zich in kalligrafie, ze voeden de kinderen op en gaan met vakantie. Kan het banaler?
Als de ramp met de Estonia zich voltrekt, zijn we nog maar op een derde van het boek. Tonia is met haar kinderen Elsbeth en Miriam op de terugweg, nadat ze bericht had gekregen dat haar moeder op sterven lag. Doordat haar moeder overlijdt, ziet Tonia zich verplicht om iets langer te blijven om de begrafenis te regelen en daardoor schepen ze op die bewuste avond in op de Estonia. De rest is geschiedenis.
Carl is met zijn zoon Per terug van een aantal dagen vakantie als hij het noodlottige nieuws op de radio hoort. De volgende 150 bladzijden voert De Beer ons mee door de gedachte- en gevoelswereld van Per en Carl. Langzaam ontrafelt de zoon het verleden van zijn ouders en komt de waarheid die Tonia uit Estland deed vluchten, aan de oppervlakte. De auteur maakt er zich een beetje te gemakkelijk vanaf met een verkrachting en een afgenomen kind, maar hij bezondigt zich gelukkig niet aan een gelukkige afloop waarbij de verloren dochter op de proppen komt. Ook het geheim van de vader komt aan het licht en hierbij toont de auteur zich sterk in het schetsen van karakters. Helaas gaat De Beer zich soms te buiten aan een overdaad aan details. Zo zijn de dagen 'afschuwelijk' heet of 'verschrikkelijk' koud. De liefde is 'brandend' en nooit sluimerend. Maar de auteur heeft ook niet de pretentie om een literair meesterwerk te schrijven. Hij wil ons gewoon enige uren meevoeren in de hoofden van enkele gewone mensen die door een ramp hun leven overhoop gegooid zien.
'Overtocht naar Zweden' is een mooi faction-boek geworden, waarbij de auteur behendig de dunne draad tussen fictie en realiteit bewandelt en de lezer meegesleurd wordt in het noodlot dat de familie Hansson overkomt. Op de website van de auteur (www.nicodebeer.nl) kan de geïnteresseerde lezer een voorproefje krijgen van het boek. Tevens is er een pagina gewijd aan de tragedie met de Estonia en bovendien zijn er enkele foto's te bekijken waardoor de lezer zich beter kan inleven in de verschillende locaties waar het leven van de hoofdpersonen zich afspeelde.
Nico de Beer (1958) studeerde Engels en is werkzaam in het onderwijs. Hij debuteerde met de roman 'Zwaluwen'.
Nico de Beer - Overtocht naar Zweden
Uitgeverij Servo
288 blz.; € 16.90
ISBN 90 5786 83 69
www.uitgeverijservo.nl.
Yves Joris
(advertentie)
Schrijf verhalen en gedichten die alle noodzakelijke elementen bevatten.
www.writersathome.nl/Schrijvenvoorauteurs.htm
Artikel
Onbedoelde humor in taal
Friese proef met drank in verkeer
dr. M.A. van den Broek
Voor velen is het geen eenvoudige zaak is om hun gedachten op een heldere en goed gestructureerde wijze onder woorden te brengen. Versprekingen en verschrijvingen zijn dan ook in de communicatie tussen mensen aan de orde van de dag. Dikwijls sorteren dergelijke uitglijders ongewild en onbedoeld komische effecten.
Algemeen bekend is het geval van de man die een juwelier verzocht zijn
genitaliën in plaats van zijn initialen in de verlovingsring te graveren. En wat te denken van het onschuldige omaatje dat nooit Engels heeft geleerd en haar conditie op doktersvoorschrift met behulp van een
homotrainer weer op peil moest brengen? Of van de trouwhartige melkveehouder uit West-Friesland, die zijn rijvaardigheidsexamen meteen voor de eerste keer met succes aflegde, hetgeen volgens hem niet in de laatste plaats te danken was aan de uiterst vriendelijke
inseminator. Een sprekend voorbeeld van beroepsdeformatie!
Dat er behalve mensen met een homo- of heteroseksuele geaardheid ook mannen en vrouwen zijn die beide eigenschappen in zich verenigen, is op zich niet verbazingwekkend. Vreemder is het wanneer een dergelijk iemand als
bioseksueel wordt aangeduid, hetgeen niet alleen verwondering, maar bovendien een bijzonder vitale suggestie wekt. In dit kader past overigens ook de jonge dame die bij haar aanmelding voor een schriftelijk examen het examenbureau wil laten weten dat zij moeilijkheden heeft met het ontcijferen van het woordbeeld en dus
dyslesbisch is.
De grootste verwarring ontstaat telkens weer in de medische sfeer, waar allerlei moeilijke woorden en Latijnse vaktermen de ongeschoolde leek vaak de nodige problemen bezorgen. Bovendien beschikt men niet altijd over voldoende kennis omtrent de bouw van het menselijk lichaam, zodat ook nogal eens een wat scheve beeldspraak wordt gehanteerd. Een goed voorbeeld hiervan vormt de in anatomisch opzicht nogal gedesoriënteerde patiënt, die zijn huisarts meedeelt dat hij
zijn hoofdpijn nu weliswaar onder de knie heeft, maar dat hij nog steeds flink last heeft van zijn rechter
testeikel, waardoor volgens hem ook zijn
impotentie iedere keer weer de kop op steekt. Een opmerkelijk bericht, dat ons respect voor de medische wetenschap alleen nog maar kan vergroten, lezen we in de krant van wakker Nederland:
in een vraaggesprek met deze krant ging kno-chirurg dr. G. uitgebreid in op een tweeënhalf uur durende operatie die hij samen met de Leidse hoogleraar prof. G. onder volledige narcose uitvoerde bij de koningin.
Dat men bij opname in een ziekenhuis trouwens altijd terdege op zijn tellen en vooral op zijn portemonnee moet passen, blijkt uit de mededeling dat
tillen - met name van patiënten - een in de gezondheidszorg een frequent voorkomende handeling is . Niettemin kan een verblijf aldaar - afhankelijk van de uiterlijke verschijning van de verplegende - ook zijn aangename kanten hebben, getuige de volgende zinsnede uit het 'algemeen eisenkader voor verpleegkundigen' van het Streekziekenhuis Zevenaar:
de verpleegkundige ontbloot indien mogelijk tijdens de behandeling of verzorging niet meer dan een lichaamshelft tegelijk.
Met name in de laatmiddeleeuwse literatuur en uiteraard ook ten tijde van de Reformatie verschijnen er regelmatig satires waarin het dikwijls losbandige en zedeloze leven der rooms-katholieke geestelijkheid met welbehagen aan de kaak wordt gesteld. Dat er ook heden ten dage in deze kringen nogal wel eens sprake is van afwijkend gedrag toont de kortelings in een onzer dagbladen prijkende kop
Bisschoppen worstelen met gebruik condooms, een zin die tegelijkertijd vanwege de onhandigheid en hulpeloosheid van deze eerbiedwaardige, meestal al wat oudere heren vertederend aandoet. Misschien zou aan dit probleem tijdens de priesteropleiding aandacht moeten worden besteed.
Seksualiteit en alles wat daarmee samenhangt, speelt in het leven van de mens uiteraard een belangrijke rol. Volgens deskundigen neemt de kwaliteit van het sperma in de Westerse landen steeds meer af. Het is dan ook van groot belang naar wegen te zoeken om dit euvel te verhelpen. Bijzonder origineel is in deze een procédé waarbij bruin brood - dat zeker gezonder is dan wit -, alvorens te worden geconsumeerd, een nogal merkwaardige behandeling dient te ondergaan:
sla op bruin brood voor beter sperma.
Douaniers hebben in de eerste plaats de taak grensoverschrijdende passanten eventueel te controleren op hun identiteit of op illegaal meegevoerde waren. Dat ze daarnaast ook nog andere activiteiten ontplooien en daarbij geen middel schuwen om zich daarop terdege voor te bereiden, suggereert het Algemeen Dagblad:
douane neemt Viagra-pillen in.
Door weglating van b.v. lidwoorden, voorzetsels of hele zinsdelen ontstaan vaak volkomen onlogische constructies, waardoor dikwijls het omgekeerde wordt beweerd van wat in feite is bedoeld. Zo laat de Haagsche Courant zien dat criminaliteit niet alleen bij mensen maar ook bij dieren kan voorkomen en dat mens en dier elkaar zelfs in het kwaad kunnen bijstaan:
kat sticht brand, krantenbezorger helpt. Vertraging en ontwrichting van het treinverkeer zijn in ons land bijna dagelijks terugkerende zaken. Dat de daardoor ontstane verwarring door bepaalde weerverschijnselen nog in belangrijke mate kan worden verergerd, moge blijken uit het volgende opschrift:
bliksem verstoort chaos treinverkeer.
Een goed glas wijn, een pittige borrel of een met liefde en toewijding getapt biertje kunnen het leven af en toe in belangrijke mate veraangenamen en ons de beslommeringen van alledag enkele ogenblikken doen vergeten. Op die manier heeft de alcohol in zekere zin een stimulerende werking. Dat geldt echter niet voor hen die aan het verkeer deelnemen of van plan zijn dit op korte termijn te gaan doen. Dat de Friezen, die zich toch al in menig opzicht van de gemiddelde Nederlander willen onderscheiden, hier ogenschijnlijk geheel anders over denken, bewijst tenslotte de volgende krantenkop, die een totaal ander beeld geeft van deze over het algemeen als bijzonder nuchter geldende volksstam:
Friese proef met drank in verkeer.
Van dr. M.A. (Rien) van den Broek verscheen vorig jaar bij uitg. L.J. Veen het
Erotisch Spreekwoordenboek.
M.A. (Rien) van den Broek
advertentie
tijdschrift
SCHRIJVEN
tussen fascinatie en publicatie |
|
Diamonds r 4 ever
klik hier |
|
Proza
Roken
Remco Ekkers
We spelen op zolder van het huis aan de Binnenhaven, bij het raam, dat open staat. Het is zomer. Aan onze voeten een groot, groen blik, met kaakjes. Joop gooit kaakjes naar buiten. Ze zijn droog en maar even lekker. We spelen met een gasmasker. Het zat in een lange groene bus. Het deksel gaat krakend dicht en open. De weerstand is prettig. In het deksel is een doosje gemaakt, waaruit een doekje te voorschijn komt met een vettig, vierkant staafje. Ik gooi het staafje naar buiten, achter de koekjes aan en zet het gasmasker op en af. Als Joop het masker opzet, klinkt zijn stem vreemd. Ik zie zijn bruine ogen naar mij kijken. Hij zegt: 'Misschien viel dat staafje op iemand zijn hoofd. Straks wordt er gebeld. Dat is jouw schuld!' Hij trekt het masker los en ik prop het weer in de bus. We hollen naar beneden en verstoppen ons in de tuin.
Toen ik in dienst zat, moest ik één keer de gaskamer in, om echt te oefenen. Gasmasker goed laten aansluiten, glaasjes goed insmeren met een amberkleurig staafje. Het was nooit goed genoeg. De glazen besloegen toch. Ik vroeg me af hoe je moest vechten met zo'n ding op je gezicht. Maar vooral: hoe kon je na de oorlog nog zogenaamd oefenen in een gaskamer? De benauwdheid kwam niet van het moeizame ademen door het masker. Ik schaamde me toen ik uit de gaskamer kwam, na de kinderachtige exercitie. Ik probeerde erover te praten, maar mijn lotgenoten vonden het onzin.
Tijdens oefeningen in het veld liepen we soms een kilometer met het gasmasker. Je was dan uitgeput. Hoe moesten we geloven in het nut van het gasmasker? Konden we niet beter meteen sterven na een gasaanval? Hoe weerzinwekkend stompzinnig was dit oefenen. We kregen filmpjes te zien met brakende en krankzinnig wordende soldaten. Zij hadden geen gasmasker, maar ze waren dood. Een cyaankalipil hadden ze moeten hebben.
We verhuisden naar de Lorentzstraat. Een groot huis. Een bijna nieuw huis. Er hadden Duitsers gewoond. De zolder was nieuw. Mijn vader liet kamertjes aftimmeren. Achter de schotten, onder het schuine dak, lagen houtkrullen. Ze roken naar nieuw en ze bleven daar nog heel lang liggen. Hout. Vers, blank hout dat langzaam geel werd. Ik kroop achter het schot en betastte de krullen. Ze werden steeds stijver en geler.
Joop sliep in de andere kamer. De kamers hadden een klein raam, uitziend op het dak. Mijn vader noemde de constructie op het dak hondenhok. 'Ik moet het hondenhok nog schilderen', zei hij. Hij stond in de schuur te hannesen met blikjes en kwasten. Het rook er naar verf. Hij had een oude schildersjas aangetrokken. Een heel karwei was de dakgoot en de uitbouw op het dak, met ladders en klimpartijen. Hij was een zorgvuldig schilder. Eerst brandde hij de oude verf af, dan ging hij plamuren. Met nat schuurpapier schuurde hij alles glad, maar het was hem niet glad genoeg en dan ging hij het hout nog eens bewerken met puimsteen. Dan gronden, weer schuren, nog eens gronden en dan pas de glansverf. Het resultaat was prachtig. Hij stond hoog op de ladder te werken. Ik keek trots naar hem en bedacht dat mijn vader veel rollen kon spelen: kantoorman, schilder, regisseur, violist. Soms mocht ik voorzichtig een kwast komen brengen of een doek die gevallen was. Wij, de jongens, erfden het gemak waarmee hij op het dak klom. Wij gingen voor ons plezier op het hondenhok zitten en als ridders te paard op de nok van het huis. Hoog op het huis keken we naar de watertoren en de daken in de buurt.
Het raam grensde gevaarlijk aan Joops domein. Als het openstond, in de zomer, als ik rookte, kon ik tegen zijn raam tikken, maar ik keek wel uit. Ik kon op de vensterbank klimmen en dan door Joops raam naar binnen kijken. Als Joop bij zijn bed was, zag ik hem niet. Er was nog een ander wandje, maar als hij bij de tussenwand stond, kon hij me zien. Dat was gevaarlijk. Joop rookte niet. Hij hield mij scherp in de gaten. Op een dag lichtte hij mijn vader in over mijn rookgedrag. Joop had mij zien roken in de stad en hij wist wel van dat gerook bij het open raam. Ik rookte ook op de dijk, aan zee, maar daar kwam Joop niet.
Mijn vader, zelf een hartstochtelijk roker van Carl Upmann-sigaren, wilde een jaar eerder zijn zonen behoeden voor het kwaad. Hij had Pieter Bas gelezen en koos voor vader Bas' pedagogiek. Hij gaf Joop en mij een sigaar en zei: 'Rook maar op.' Joop werd misselijk nadat de sigaar voor een kwart was opgebrand. Ik niet, maar ik moest mijn sigaar toch ook laten uitgaan. Toen werd mij het roken eenvoudig verboden en er werd een beloning in het vooruitzicht gesteld.
Het kwaad was echter al vererfd. Ik begon met het drogen van wingerdblad. Achter in de tuin was de schutting begroeid met een klimplant, die in de herfst prachtig bruin en rood kleurde. De kleur bracht me op een idee. Maar waar moest het verkruimelde blad in? Wc-papier was het gemakkelijkst voorhanden. In de winter volstond wc-papier, opgerold en walgelijk, maar je kon roken. Ik pikte ook wel eens sigaretten van mijn moeder, biechtte die zonde, maar gaf het niet op. Later kocht ik van mijn zakgeld kleine pakjes van tien sigaretten: Golden Fiction. Soms leende ik geld uit mijn moeders portemonnee. Ik deed wel eens kleine bedragen terug, maar mijn schuld loste ik nooit af.
Ik kocht één bolknak, Agio, in cellofaan verpakt. Eerst zocht ik ver van huis een winkel uit en liep een paar keer heen en weer voor de etalage. In de winkel zei ik dat ik mijn vader wilde verrassen. Ik stak de sigaar in de borstzak van mijn overhemd en reed voorzichtig op de fiets naar het Noord-Hollands kanaal. Daar was een windstille plek, achter een groep bomen en struikgewas, waar ik onzichtbaar voor passanten kon roken, uitkijkend over het water. Ik stak de sigaar aan en rookte hem, met enige moeite, helemaal op. Ik voelde me opgewonden en ongeduldig. De sigaar was bepoederd, zodat mijn lippen verkleurden. Ik keek naar de boten die voorbij voeren en pufte de rook in hun richting. Vogels vlogen af en aan. Ze hadden geen last van de rook. Ik was blij toen ik de peuk in het water kon gooien. Een beetje misselijk voelde ik me wel. Kwam het door de kwaliteit van de sigaar of had ik te veel geïnhaleerd? Ik veegde mijn lippen schoon met mijn zakdoek en reed met open mond ademend naar huis.
Ik was zo dom om de peuken in de dakgoot te gooien. Ik dacht er niet over na, dat die peuken daar niet automatisch verdwenen, maar dat ze zich ophoopten en een stinkend en walgelijk bewijs vormden van mijn wangedrag. Mijn vader kwam op uitnodiging van Joop kijken en was kwaad. Ik verbaasde me over mijn broer. Wat bezielde hem mij te verraden? Ik wist wel dat we elkaar niet lagen en dat we vaak ruzie maakten, wat mijn moeder tot grote wanhoop en woede bracht. Ook daar verbaasde ik me over. Hoe kon een moeder zich zo laten gaan? Als ze kwaad was, leek zij een vreemde.
Meestal vermeed ik Joop. Op een dag ging ik de trap af naar beneden. Joop kwam de trap op en riep: 'Ga op zij idioot!' Ik stak mijn tong uit , hij werd kwaad en begon me omhoog te duwen. Hij was sterker en dus kwam ik weer terug op de overloop. Daar begon ik te schreeuwen en te huilen en te schoppen. Joop schreeuwde terug: 'Vecht dan klootzak en jank niet als een meid.' Plotseling kwam mijn moeder de trap op stormen. Ze schreeuwde met een hoog hysterisch geluid en sloeg ons uit elkaar en ik schaamde me onder het bukken voor de klappen, voor haar viswijverigheid of op zijn minst voor haar verlies aan zelfbeheersing. Haar gezicht was verwrongen. Ik wist toen al dat ze niet alleen maar de mooie, lieve, jonge sprookjesmoeder was en dat haar houding tegenover mijn vader niet alleen maar die van geliefde was. Ik schaamde ik me over haar gedrag, ook al vond ik dat ons geruzie er alle aanleiding voor gaf. Ik dacht zelfs, of ik voelde zonder woorden, dat ik, als volwassene schouderophalend aan dat kinderachtige geruzie voorbij zou zijn gegaan, want waar gingen die ruzies nou eigenlijk over?
Mijn moeder had, begreep ik later, financiële zorgen. Hoe moest ze die vier kinderen voeden en kleden van een mager ambtenarensalaris? Zij was haar goedlopende tabakswinkel kwijt geraakt, maar mocht na de oorlog die winkel niet weer laten opbouwen. Mijn vader wilde kostwinner zijn. Hij wist ook niet hoe zij rond moest komen, maar voor hem speelde geld geen rol. Hij was tevreden met een paar kwartjes op zak. Er moest wel eten op tafel staan en de rekeningen moesten betaald worden. Hoe? Daar was zijn salaris toch voor!
Joop en ik bewogen ons in twee door een houten wand gescheiden kamers, ook als we op school of in de stad waren. Joop was iemand voor wie je wel bewondering moest hebben. Op het schoolplein won hij met knikkeren, niet het kinderachtige met een potje en schuivende vingers. Nee, stuiters op een rij en ze er dan afketsen. Er waren vele ingewikkelde spelregels die hij allemaal beheerste. Hij kon met een looier, een stalen kogel, door te mikken met één oog een hele rij uit elkaar laten spatten. En dan was er nog een geheimzinnig spel dat alleen de hoogste klas speelde. Die grote jongens stonden in een kring en hielden bijzondere glazen stuiters met mooi gekleurde vlinders achter hun rug, mompelden van alles, waarna de schatten van eigenaar wisselden. Joop ging 's morgens met één stuiter van huis en kwam met een hele zak terug. Hij liet me de buit zien en als ik dan bewonderend te lang keek naar het glanzende innerlijk van een vlinder, pakte hij hem terug. 'Dat is een twintiger en hier heb ik een vijftiger!' Als ik dan zei dat ik die twintiger mooier vond, keek hij me minachtend aan en zei: 'Het gaat niet om mooi!'
Hij was groter en sterker, hij was populair. Hij kon goed voetballen. Op een dag daagde hij mij, zijn magere broertje, uit een rondje hard te lopen rond het veld.
'Ik kan wel tien rondjes!'
'Laat me niet lachen, jij... Nou, als je dat lukt, krijg je van mij een tientje.' Een tientje was een fabuleus bedrag.
'Meen je het? Een tientje?'
'Ja hoor', zei hij, al wat minder flink. 'Dat lukt je toch niet.'
Gelukkig stonden er andere jongens bij. Ik begon te rennen. Het viel me niet mee, maar het lukte. Toen ik hijgend en doodmoe mijn beloning opeiste, krabbelde hij terug en beweerde dat ik het laatste rondje gesmokkeld had. Ik was vóór het doel langs gegaan. De andere jongens begonnen te joelen en hij moest toegeven. Hij maakte er vijf gulden van. Nog een heel bedrag.
Hij flaneerde door de drie stadstraten: Spoorstraat, Koningstraat, Keizerstraat, heen en weer. Hij kon de mooiste meisjes krijgen. Ik voelde een vage trots dat Joop mijn broer was, maar tegelijkertijd keek ik op hem neer, op hem met zijn populaire uitstraling. Het kwam niet bij me op Joop te verraden, als hij een uitgaansverbod had en ik hem achter meisjes zag aangaan. Ik had ook geen behoefte aan wraak vanwege zijn verraad. Mijn verachting was al erg genoeg.
Eén keer beschermde Joop me tegenover een hufter die een bal van me had afgepakt en die de bal, een tennisbal, waar ik op weg van school naar huis mee speelde, pesterig achter zijn rug hield of overgooide naar een nog kloteriger figuur die genoot van mijn machteloze woede. Joop had gezag vanwege het voetballen. Hij zorgde ervoor dat ik, het magere broertje, de bal terugkreeg, nou ja ik kon hem ophalen van achter de muur waar die jongen hem nog gauw even gooide, voordat hij zich vol misprijzen, vanwege mijn tranen, van Joops broertje afwendde.
Remco Ekkers
gedichten * vijf * recensies * artikel * proza * colofon
Nieuws
Literair diner Hilvarenbeek
Op zondag 5 oktober organiseert de Stichting 'Tussen Hemel en Aarde' voor de derde keer in de Gouden Carolus in Hilvarenbeek het literaire diner. In het jaar dat de Tour de France haar honderdste verjaardag viert, staat het literaire diner in het teken van de wielersport. Een Vlaamse en een Nederlandse schrijver zullen worden hun literaire en sportieve prestaties aan de tand gevoeld door Jace van de Ven, journalist van het Brabants Dagblad. Ook lezen de auteurs, te weten Robin Hannelore uit België bekend van hilarische en venijnige maatschappijkritische romans en de jeugdboekenschrijver Edward van de Vendel, voor uit eigen werk. De Compagnie Artistique verzorgt een komisch intermezzo en drie Brabantse auteurs zullen hun fietservaringen vertellen. Tijdens het viergangendiner zal de Hilvarenbeekse schrijver Jan Naaijkens als erespreker zijn stem laten horen. Ook wordt dan het thema bekend gemaakt voor de Literatuurprijs 2004 van de Gemeente Hilvarenbeek. De middag duurt van 13.30 tot 17.00 uur. Kosten zijn 25 euro.
Voorinschrijven is gewenst omdat het aantal plaatsen beperkt is. E-mail , of 013-5056150.
Beelden- en poëzieroute in Lo
In het centrum van het Vlaamse stadje Lo-Reninge is deze zomer een beelden- en poëzieroute ingericht langs de Noordoverwandelroute, waar een viertal gedichten kan worden beluisterd en een twintigtal sculpturen zijn te bekijken. Het publiek wordt in de gelegenheid gesteld om over wat men te zien krijgt een eigen mening te geven. Eind september wordt het project afgesloten met een slotevenement.
Zie: www.kunsthuisexlibris.be/vvv_lo.htm.
Zwolle-Hattem, want woorden willen stromen
Op zondagmiddag 27 juli lezen Trijntje Gosker, Krijn Korver, Henk Staal en Lenny Stelwagen, leden van het Zwolse dichterscollectief RITA, gedichten voor bij het veer van Oldeniel over de IJssel, tussen Hattem en Zwolle. Het programma wordt afgewisseld met muziek. Bert Vonhof bespeelt zijn didgeridoo en Wilfred Kroes de trompet. Er is een open podium waarop het publiek zelf gedichten ten gehore kan brengen. Het thema is: Denk een gedicht naar de overkant want woorden willen stromen. RITA heeft onlangs een bundel pontjespoëzie getiteld 'Wandeling' uitgegeven die ter plekke te koop zal zijn voor twee euro.
Tori Academia
Begin september start de Tori Academia weer met cursussen verhalen vertellen. Behalve in Rotterdam worden de trainingen met ingang van het nieuwe seizoen ook gegeven in Breda. Cursusleiders zijn Paul Middellijn en Arnout Dalkman. Voor aanmelding, inschrijving en informatie kan een mailtje worden gestuurd naar .
Website: www.storyworld.nl.
De Raadselige Roos
Tot eind september kan weer een gedicht en/of verhaal worden ingestuurd voor deelname aan de elfde wedstrijd om 'de Raadselige Roos', die wordt uitgeschreven door het Literair Café Venray. De wedstrijd is bedoeld voor schrijvers die afkomstig zijn uit Limburg, Brabant, Gelderland beneden Waal, Zeeland en Belgisch Limburg. Van deelnemers (minimaal achttien jaar) wordt tien euro inschrijfgeld gevraagd.
|
Alle deelnemers ontvangen een bundel met het bekroonde werk van de prijswinnaars en een selectie uit de inzendingen. Publicatie vindt ook plaats op internet. Men dient voor 1 oktober gedichten in vijftienvoud en verhalen in zesvoud in te sturen naar Isabellahof 25, 5801 LD Venray. Verhalen en gedichten mogen niet eerder zijn gepubliceerd. Personalia dienen op een bijlage te worden meegestuurd. Op zondag 11 januari 2004 worden de winnaars bekend gemaakt en wordt tevens de bundel 'Raadselige Roos 2003' gepresenteerd. Voor informatie en/of het volledige reglement kan een mailtje worden gestuurd naar of zie de website: www.literair-cafe-venray.nl.
Claus en Vanriet op internet
Exclusief voor Literaal, de grote literaire happening aan de Belgische kust, maakten dichter Hugo Claus en schilder Jan Vanriet de bundel 'Zeezucht'. De bundel kan gratis worden gedownload. Surf naar www.literaal.be en klik dan op de link 'Zeezucht'.
Onbekend jeugdwerk Herman de Coninck
Zes jaar na zijn dood is er onbekend jeugdwerk van de Vlaamse dichter Herman de Coninck opgedoken. Twee aantekeningenboekjes en een kleine tiental mappen met documentatie, correspondentie en gedichten lagen jarenlang vergeten in de kelder van zijn woonhuis aan de Cogels-Osylei in Berchem.
De Muziekdoos
Elke tweede donderdag van de maand organiseert Stichting Pipelines een poëziepodium in café De Muziekdoos (bij de Waterpoort) aan de Verschansingstraat 63 in Antwerpen-Zuid. Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met of Stichting Pipelines vzw., Pothoekstraat 21, 2060 Antwerpen.
Webpagina in opbouw: users.pandora.be/stichtingpipelines.
Op Ruwe Planken
'Op Ruwe Planken' is een Nijmeegs literair tijdschrift dat twee jaar geleden is ontstaan uit een fusie van de tijdschriften 'PS' en 'Letterik'. Het streeft ernaar een open podium op papier te zijn. Iedereen die schrijft wordt uitgenodigd zijn of haar werk, in welk literair genre dan ook, in te sturen. De redactie van ORP plaatst wat zij de moeite waarde vindt. 'Op Ruwe Planken' verschijnt viermaal per jaar. Voor meer informatie: .
Schrijfwedstrijd over 'de peuk'
Egmonder Kees Oosterbaan, schooldirecteur en kunstenaar, organiseert een verhalenwedstrijd met als thema 'de sigarettenpeuk'. Hij roept mensen op korte verhalen te schrijven over bijvoorbeeld hun eerste sigaret of het verlangen om nog eens de laatste op te roken. Oosterbaan heeft 27 september uitgeroepen tot nationale peukenherdenkingsdag. In de Eerste Bergensche Boekhandel is dan de prijsuitreiking voor het mooiste peukenverhaal. Inzendingen voor 1 september naar Kees Oosterbaan, Prinses Irenelaan 38 in Egmond of .
Nieuwsberichten voor Meander 219 van zondag 3 augustus dienen uiterlijk dinsdag 29 juli in ons bezit te zijn. Stuur geen attachments mee.
Berichten kunnen worden gestuurd aan
|
gedichten * vijf * recensies * artikel * proza * nieuws
Colofon
Site: meander.italics.net
E-mailadres:
Redactie:
Adelheid Bekaert, Yves Joris, Gerard Kool, Joop Leibbrand, Margo Verbiest, Rob de Vos
Vaste medewerkers:
Jan Boonstra, Annette van den Bosch, Yvonne Broekmans, Hans Hamburger, Milla van der Have, Stacey Knecht, Vincent Scholze, Elly Woltjes.
Verder werken mee:
Edith de Gilde, Rutger H. Cornets de Groot, Peter Jongsma, Bert van Weenen.
De gedichten worden beoordeeld door: Annette van der Bosch, Yvonne Broekmans, Hans Hamburger, Milla van der Have, Joop Leibbrand en Vincent Scholze.
De verhalen worden beoordeeld door: Annette van den Bosch, Margo Verbiest, Rob de Vos en Elly Woltjes.
Financiën:
Meander is gratis, maar ook uw financiële bijdrage is nodig!
Bijdragen vanuit
Nederland kunnen worden overgemaakt op Postbank giro 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit
België: Rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.
Mailinglist:
Zie http://www.lists.nl/mailman/listinfo/meander
Abonneren door een mail aan met als onderwerp: subscribe
Opzeggen door een mail aan met als onderwerp: unsubscribe
Kopij is welkom bij Meander. Zie http://meander.italics.net/kopij/
Verdere verspreiding van de in deze uitgave opgenomen teksten is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s)
Zie ook op onze site: gedichten * verhalen * artikelen * recensies * links * klassiekers * archief