Meander
http://meander.italics.net
literair magazine
aflevering 240 * 9 mei 2004 * verschijnt om de twee weken op zondag
meander is gratis, maar vrijwillige financiële bijdragen zijn nodig * kopij is welkom
reageren, abonneren, opzeggen, adres wijzigen, zie: meandermagazine.net/service
Vooraf
De eerste ronde van 'Allesbehalve de liefde' is afgelopen. De jury van deze poëziewedstrijd voor jongeren van 16 t/m 29 jaar koos uit de 218 geldige inzendingen de 18 beste gedichten. De auteurs van deze gedichten moeten in de tweede ronde, die tot 8 juni duurt, nog eens twee gedichten inleveren. Daarna bepaalt een jury, bijgestaan door de lezers van Meander, wie de eerste, tweede en derde prijs krijgen in deze Meanderwedstrijd.
Alle 218 inzendingen kunt u lezen op het adres http://meander.italics.net/w/d.php. De 18 winnende gedichten staan op http://meander.italics.net/w/d2.php.
Gedichten
Meisjesbad
Het was een zomer met alleen maar
warme dagen, waarop wij
in de schaduw lagen van de esdoorns
op de dijk, om daar zelden meer
op te vangen dan een schim
achter de hekken van het meisjesbad.
Vanuit de douchecabines kwamen soms
harde kreten of een waarschuwend geroep.
Er was iets onbenoembaars nog,
iets dat steeds weer eindigde
met een man die stalen hekken sloot
en daarna wegliep in de avondzon.
Kees Klok
auteurspagina Kees Klok
geef commentaar op dit gedicht
Bovenstaand gedicht van Kees Klok,
is Meanders Gedicht van de maand mei 2004, zie Uitgelicht
Lees ook het interview met Kees Klok op de website van Meander.
Onder stroom
Voor Matylda
In bed gelepeld, waar wring je nog
dan in een onbeduidend negligé
úit het niets en in en onderdoor
lig ik twijfelaar, jij bent breeduit
de gedijbeende tussen dood en dood
in daad en woord verzwelg je huid en haar
jij, negenpotig monster van volmaaktheid
dat steeds van vorm en kleur verschiet.
Warschau. De Revolutie-etudestraat
lang de naam, kort van stof het rokje
hield ik me nog Chopin, zij tokkelde
me behendig langs het ivoor, voorbij
haar zedig-katholieke oogopslag
jemig! hoe rond, hoe rad draaide
haar kont, hoe liederlijk haar mond
om god met genot te kunnen zoenen.
Allang en breed het huwelijksbed
het meisjeslijf gebenedijd, de spanning
van haar buik een waslijn vol met witgoed
want niet haar kont, de wásmachine draait
met de kracht van het wel willen vluchten:
ze draait mijn nummer en het halve continent -
ook het nuttige product van stierlijke verrukking -
wordt met een stamelwoordje onder stroom gezet.
Johan Hendrikx
auteurspagina Johan Hendrikx
geef commentaar op dit gedicht
Vivisectie
Al behoorlijk uitgeteld van in de plasticzak, onder
de boterhammen in de bruinleren tas, gaf hij zich
makkelijk gewonnen. Vliespootjes opgesperd:
een hoekig uitgevallen omega onder
een ronduit buikje
Het had iets akelig primitiefs dat speldengeprik,
het uitstropen van het glibbergroene jasje, het hele
ritueel daar in dat bioklasje wel altijd moest er eentje plat
Maar tegelijk ook iets vertederend liefs hoe hij zich offerde
aan al dat kinderkijken. Etherisch bevlogen oogjes opende,
even nog door wat leven aangeraakt.
Jan van meenen
auteurspagina Jan van meenen
geef commentaar op dit gedicht
Jeugd.com
Je hebt het hoofd geschoren. Het
laatste haar geplukt, geluk
gevonden. Honing tussen
de oren: de stilte is verzwegen.
Krijs van wespen en van mieren.
Wees verlekkerd. Haal de trekker
over. Gedaan. Het is genoeg
geweest. Steek je hoofd
in je buik. Laten
we dansen. Dansen
en blijven dansen.
De stip op tafel weggeveegd.
Een diner in de plaats. Bevries
me.
Je m'en foutisme.
Fabian Van De Wiele
auteurspagina Fabian Van De Wiele
geef commentaar op dit gedicht
"Dichters zijn als honden, die knoken in de grond verstoppen.
Zij begraven dingen die anderen moeten ontgraven." (Paul Snoek)
In de kuil tussen neus en voeten gaan meer geheimen schuil
dan men kan vermoeden. Als bewijs, dames en mijnheren,
ga ik grondig in de aarde wroeten. U ziet: dit is geen theater.
Geen tovertruuk. Niets in de handen. Niets in de mouwen. Maar nu
tussen wijs en duim deze reeds verjaarde schuld in slome slakkengang
met luister: in zijn schulp nog steeds het onvermurwbaar mea-culpa-knagen:
ik ik ik. Hier wurmt de wriemelmier de wrange wroeging vrolijk voorbij
- "hij hij" fluistert hij. En kijk, die blozende verboden zoen schiet in een boog
de schaamte haast voorbij. De glimworm die toen gluurde, glundert de lippen muurvast
op elkaar, houdt zijn mond. Elke zachte streling voor eigen huid wrijft hard
- hier valt vel gevoelloos op de grond.
In een duister hoekje van een ondergrondse kamer gromt een grove leugen groots.
En stiekem nog sist steeds de stem die ezelsoren zet aan Midas' hoofd.
Als archeoloog van bodemwoorden borstel ik de parafrasen schoon,
schuif sluiers van citaten, schenk mijn vondst aan de hoogstbiedende
suppoost. Zo wordt elk ondergronds geheim in kast van glas ontbloot.
Tine Moniek
auteurspagina Tine Moniek
geef commentaar op dit gedicht
advertentie
verbeter je schrijftalent via e-mail bij
WRITERS @T HOME
thuis in literatuurworkshops
klik hier voor meer informatie
|
Uitgelicht
Iets onbenoembaars nog
door Joop Leibbrand
Wat is er voor hedendaagse puberjongens nog 'geheim' aan meisjes? Ze kunnen, ja moeten alles zien, alles weten, alles ervaren. Geen volwassene die nog grenzen stelt, alle hekken om wat vroeger 'verboden' was, staan wijd open. Maar er was een tijd hoe lang geleden al - waarin het oude verhaal van jongens en meisjes nog verteld kon worden in termen van de verleidingen en verlokkingen van het ongeziene. In een mooie, functionele vorm - de zes distichons vormen als het ware het hek waarbinnen en waarbuiten alles gebeurt - verbeeldt Kees Klok hoe ooit voor jongens, als zij zich eenmaal van het bestaan van meisjes bewust geworden waren, de wereld als het ware één groot 'meisjesbad' was, waarin ze zich als het had gekund (maar wie had het gedurfd?) helemaal hadden willen onderdompelen. En natuurlijk is dan het aparte bad voor meisjes, streng door volwassenen bewaakt, de uitgelezen plek om dat spannende 'onbenoembare', dat 'iets dat steeds weer eindigde' voor het zelfs maar begon, op te roepen. Mooi hoe tegelijkertijd ook vanuit de meisjes wordt gedacht: zij zullen heus niet alleen vanwege het koude water van de douche zo gegild hebben: zij die hen straks opwachten, moeten horen hoe bloot ze nu zijn!
'Het gedicht komt voort uit een herinnering', vertelt Kees Klok. 'Je hebt in Dordrecht een openluchtzwembad, vlakbij een riviertje dat Wantij heet (het bad heet dan ook voorspelbaar Wantijbad) dat vroeger verdeeld was in een jongens- en meisjesbad. Toen ik op de middelbare school zat plachten wij op mooie middagen rond te hangen op de dijk, achter het meisjesbad. De herinnering aan die middagen was aanleiding voor het gedicht. Het idee kwam op tijdens een gesprek in de Dordtse dichterskring, een kleine groep dichters die regelmatig bijeenkomt op initiatief van stadsdichter Jan Eijkelboom. Uiteraard impliceert het gedicht meer dan alleen een herinnering aan een groepje pubers dat zich ophield met illegaal peuken roken en fantaseren over meisjes in het verboden deel van het bad, maar ik laat het graag aan de lezers over om daarover hun gedachten te laten gaan.'
Historicus Kees Klok (gespecialiseerd in de geschiedenis van het Moderne Griekenland en Cyprus) is behalve zelf dichter (er verschenen vijf bundels) ook vertaler van poëzie uit het Engels en Nieuwgrieks (dit laatste samen met Stella Timonidou). Onlangs verscheen van hem een vertaling van Moniza Alvi's
Het land aan mijn schouder, een tweetalige uitgave van Wagner & Van Santen (ISBN 90 76569-36-3; 132 blz., € 19,50.)
Zie voor meer informatie zijn auteurspagina bij Meander en/of zijn eigen website home.planet.nl/~timeman.
Joop Leibbrand
(advertentie)
|
Lees. Schrijf. Lees Schrijven.
Het nieuwe nummer ligt nu in de winkel.
Deze keer: Publishing on demand, Schrijfstad Den Haag, Workshop levensverhalen en meer...
|
|
www.schrijven.org |
|
Interview
Dat heb ik zelf moeten afdwingen
Tine Moniek in gesprek met Philip Hoorne
Op vrijdag 14 mei 2004 wordt om 20 uur de nieuwe bundel van Philip Hoorne voorgesteld. Met Inbreng nihil is de dichter, schrijver, bloemlezer en recensent aan z'n tweede eigen dichtbundel toe. Tine Moniek had een gesprek met hem.
Philip, je moet vast een gelukkig dichter zijn: debuteren in november 2002 met de ruggensteun van Gerrit Komrij, het samenstellen van een succesvolle bloemlezing met 'Antwerpse' gedichten, opgenomen worden in dé poëziebijbel met drie gedichten en nu op 14 mei wordt je nieuwe dichtbundel 'Inbreng nihil' voorgesteld aan het publiek...
Mijn debuutbundel was er hoe dan ook gekomen. Ik had daarover een mondeling akkoord met Uitgeverij 521, maar doordat ik de keuze van Komrij was om de Sandwich-reeks te openen, kwam de bundel er vier maanden eerder dan gepland. Ik vond het een hele eer. Plots was er iemand met autoriteit, en niet zomaar de eerste de beste, die openlijk en welgemeend liet blijken dat hij van mijn poëzie hield. Daar groeit een mens van. Het feit dat ik een uitgever had gevonden die met mij nog meer boeken wilde maken, maakte me immens gelukkig. Net na het verschijnen van 'Niets met jou' dacht ik al aan mijn tweede bundel, deze dus, zoals ik nu al denk aan de opvolger van 'Inbreng nihil'. Het samenstellen van die stadsbloemlezing over Antwerpen vond ik bijzonder boeiend. Ik kan me heel hard in iets vastbijten en te werk gaan als een heuse researcher. Ik hoop in de toekomst nog bloemlezingen te mogen samenstellen, maar dan moet ik daartoe wel opdrachten krijgen.
Je gaat me toch niet vertellen dat verschijnen in de Sandwich-reeks als enige voordeel had, dat je bundel eerder verscheen? Met Komrij's zegen een dichtbundel publiceren, zal je wel extra aanzien gegeven hebben, toch? Denk je nooit dat je literaire loopbaan er anders had uitgezien zonder zijn jawoord? Jij mag dan wel overtuigd zijn van je literaire talent, maar denk je niet dat lezers, uitgevers, organisatoren,... daardoor beïnvloed zijn?
Ik heb daardoor ongetwijfeld meer aandacht gekregen in de pers. Er was zelfs een journalist die dacht dat Philip Hoorne één van Komrij's pseudoniemen was. Vond ik wel grappig. Ik heb op mooie festivals gestaan, maar dat heb ik zelf moeten afdwingen. Ik stond op het Bram Roza Festival omdat ik door het publiek van Jambe Delft werd verkozen tot "Dichter van het Jaar", en op de Nacht der Poëten te Aarschot mocht ik op de affiche omdat ik de poëzieprijs van die stad had gewonnen.
Een laatbloeier, zo omschrijf je jezelf vaak in interviews. Wat heeft je aangezet om met het dichten te beginnen?
Ik heb mijn talent te lang in mijn binnenste opgepot, ofwel onbewust gewacht tot ik voldoende maturiteit bezat, ik weet dat niet precies. Plots gulpte het er met schokken uit als een vulkaan. Voor ik het wist had ik een massa gedichten geschreven. 'Niets met jou' mocht, omdat het in een reeks kaderde, niet meer dan 48 pagina's tellen. Met enige pijn in het hart heb ik gedichten opzij moeten zetten voor een latere bundel. Anderzijds werd het door die doorgedreven selectie ook een kwalitatief hoogstaand boek. Ik hou trouwens van dunne bundels, als er maar sterke gedichten in staan natuurlijk.
"Vier jaar geleden las ik zelfs niet eens gedichten." (Menzo, mei 2003) Welke dichtbundel was de eerste die je in je handen had? Welke dichters zijn voor jou een voorbeeld of een aanleiding geweest tot het 'blootgeven 'van jouw pennenvruchten?
Die uitspraak in Menzo was eigenlijk een boutade. Eigenlijk bedoelde ik dat ik altijd veel proza heb gelezen en dan vooral Nederlandstalige schrijvers. Ik heb in mijn begintijd als dichter veel Kopland gelezen en nogal wat essays over poëzie, o.a. van Herman de Coninck, Hugo Brems en Simon Vestdijk. Er was geen verband tussen het bewonderen van dichters en het zelf naar buiten treden met mijn werk. Integendeel, het waren eerder de dichters waar ik niet zo van hield die mij ertoe dreven om te publiceren, in de zin van "dat kan ik beter".
Kan je namen noemen van dichters die je ertoe dreven om te publiceren in de zin van "dat kan ik beter"?
Doe ik liever niet. Smaken verschillen. Ik heb respect voor alle dichters, ben altijd benieuwd naar werk van nieuwe of gevestigde namen, en het gebeurt dan wel eens dat ik mij echt door een bundel heen moet ploegen. Een sterk gedicht moet iets verrassends hebben en uitnodigen om opnieuw en opnieuw gelezen te worden. Er komen helaas ook bundels uit met poëzie die afstoot en die, als ze wordt voorgelezen, over de hoofden heen waait.
Ik praat liever over de dichters die ik bewonder. Op puur poëtisch vlak is Menno Wigman één van mijn meest geliefde dichters. Ik betrap me er op dat ik zijn werk heel vaak opnieuw lees, omdat ik er steeds weer nieuwe dingen in ontdek. Maar ik kan ook enorm genieten van light verse à la Lévi Weemoedt. Ik heb tranen met tuiten gelachen om de gedichten en verhalen van Weemoedt en dat is een even grote verdienste als de ontroering die 'gewone poëzie' teweegbrengt.
Op 'Niets met jou' zal steeds het etiket 'debuut' prijken. Een nadeel vinden veel dichters, want in de loop van de jaren ontwikkelen ze vaak een andere stijl, terwijl ze nog steeds over hun debuutbundel worden aangesproken. Is er een evolutie in je schrijven waar te nemen in 'Inbreng nihil'? Of hanteer je identiek dezelfde stijl? Of nog: in wat verschilt 'Inbreng Nihil' met 'Niets met jou'?
Het probleem - of net niet het probleem - is dat ik een heel gamma van stijlen beheers, van ernstige, sentimentele poëzie tot grove gedichten gekruid met een flinke dosis harde humor. Ik laat me niet in een vakje stoppen, al ben ik wel van oordeel dat een bundel min of meer een bepaalde toon moet bevatten. Naar 'De Brakke Hond' stuur ik graag luchtig werk, maar voor 'Kunsttijdschrift Vlaanderen' bijvoorbeeld mag het iets serener zijn. 'Niets met jou' vind ik een nogal ernstige, maar toch wel schitterende bundel die ik nooit zal verloochenen. 'Inbreng nihil' is grappiger, scherper en minder sentimenteel.
Een tijdje terug las ik een boze mail van jou op de website van Epibreren i.v.m. het Fonds voor de Letteren? Is deze zaak intussen bekoeld? Vertel je nog eens bondig wat er precies gebeurd is? Als dichter die 'gelezen en goedgekeurd' werd door poëziepaus Komrij, had ik verwacht dat mijn werk in aanmerking zou komen voor een stimuleringsbeurs, maar dat bleek niet het geval. Ik kreeg een afwijzingsbrief, waarin mijn werk werd vergeleken met Komrij en Kopland, maar dat was niet als compliment bedoeld. Overal waar ik optreed wordt mijn mix van ernstig en luchtig werk geprezen door het publiek. Na mijn lezingen op het Bram Roza Festival en Sappho2003 hing bij manier van spreken mijn romp scheef van al de schouderklopjes die ik van publiek en organisatoren in ontvangst mocht nemen. Misschien ben ik te volks voor de wijze dames en heren die in de commissies van het Fonds voor de Letteren zetelen. Mijn gedichten gaan ergens over, ze zitten boordevol gedachten en vondsten. Humor ook. Ze lijken eenvoudig, maar hebben toch een hoog poëtisch gehalte.
Kijk, ik wil niet pretentieus klinken, maar ik weet intussen wel wat sterke gedichten zijn, en dat ik ze zelf ook kan schrijven. Wie dat ontkent en toch beweert kaas te hebben gegeten van poëzie is ofwel dom ofwel oneerlijk. Dit sluit niet uit dat ik open sta voor opbouwende kritiek en dat ik altijd wil luisteren naar mensen die het goed met mij voorhebben. Arie van den Berg heeft 'Niets met jou' gerecenseerd in NRC Handelsblad. Hij blies warm en koud, hij prees mij maar had ook dingen aan te merken. Een heel mooie recensie waar ik iets van heb opgestoken over mijn eigen poëzie, al was ik het niet eens met zijn mening over mijn gedicht 'Oevers'. Maar wat hij schreef was goed onderbouwd met zinnige argumenten.
Het klinkt inderdaad heel pretentieus als je beweert dat mensen die niet van je gedichten houden dom of oneerlijk zijn. Smaken verschillen toch? En gelukkig maar, stel dat iedereen van eenzelfde kunstwerk zou houden, dan zouden er helemaal geen nieuwe stijlen en stromingen ontstaan. Kortom, dan zou er helemaal geen evolutie waar te nemen zijn.
Dit gaat niet over smaken. Veel is subjectief in poëzie, en dat maakt het tot zo'n moeilijke en rijke discipline, maar er zijn ook zekerheden waarover geen discussie mogelijk is. Wie 'Sterfbed' van Rawie, 'Vertrek van dochters' van Kopland of mijn 'Vogeltje', om maar die drie te noemen, geen sterke gedichten vindt, zegt eigenlijk een dommigheid die te vergelijken valt met de uitspraak dat de aarde niet rond maar plat is'.
In een vorig Meander-interview opperde je de wens naar nog meer dichterlijke successen: wat is je ultiemste poëtische succes-wens?
Ik wil een oeuvre opbouwen, gevraagd worden voor optredens, literaire prijzen winnen, veel boeken verkopen, een groot dichter worden, maak daar een groot schrijver van, want naast poëzie wil ik ook nog andere dingen gaan doen. Ik ben ambitieus. Schrijven is een passie. Als ik iets graag doe, dan wil ik het perfect doen, dan 'smijt' ik me helemaal. Ik kan niet een klein beetje dichter zijn, het is 100% er voor gaan of het is niks. Aan de andere kant realiseer ik me dat ik na 'Niets met jou' een kerel was met één boekje en dat ik nu een kerel ben met drie boekjes en dat dit drie druppels zijn in de literaire oceaan. Niemand zat op de dichter Philip Hoorne te wachten. Objectief gezien stelt wat ik doe weinig voor en toch betekent dit zo enorm veel voor mij. Misschien is het daarom dat ik zo graag schrijf, omdat schrijven aan de ene kant een overbodige activiteit lijkt voor wereldvreemde stumpers die de hele dag op hun luie krent zitten, en aan de andere kant een haast mythische bezigheid. Schrijvers en vooral dichters dwingen een vreemd soort van respect af. Het publiek denkt dat dichters rare kwieten zijn, raar in een tezelfdertijd vertederende en angstaanjagende betekenis van het woord. Die visie bevalt me wel. Mijn schrijversschap heeft mij een identiteit gegeven die ik voorheen niet had. En natuurlijk publiceer ik ook een beetje voor de eeuwigheid. Wie de mens Philip Hoorne wil begrijpen, moet maar lezen wat hij geschreven heeft. En dat zal nog altijd kunnen als ik al lang onder de zoden lig. Dat is een ontroerende gedachte, maar ook niet meer dan dat.
warmmakertje:
TAFELREDE
Let goed op! Wie aan tafel zit ter korte zijde,
vrouw of man, die moet je vermijden, dat
weten wetenschappers nog niet zo lang.
Het blad was vaak rechthoekig en straffeloos
incognito het beklemde zitten tussen poot en poot,
het meubel schrijlings als een hoer op schoot.
Dit leek verleden tijd, maar sneller dan de wetenschap
evolueert de criminaliteit. Steeds vaker is zijde aan
zijde gelijk of hebben tafels helemaal geen hoeken.
Bevolking, wees op uw hoede, er is geen reden
voor hysterie, psychose of ordinaire woede,
maar u moet de moeilijkheden niet zoeken.
uit: 'Inbreng nihil'
Tine Moniek
Artikel
Het gepiep van een angstig konijn *
Een reactie op Het geklots van een puffer van Rutger H.Cornets de Groot
door Karel Wasch
Nederland is een vlak land en - het moet gezegd - er ontstaat zelden enige deining. Na het smakeloze optreden van Fortuyn verstomde het politieke debat. Voor een 'filosofenstrijd' zoals bij onze oosterburen hoeven we al helemaal niet bang te zijn zeker nu Jaap van Heerden in alle toonaarden zwijgt; sterker nog, de gemiddelde Nederlander is tot diep in zijn wezen bang. Bang voor griep, een goed inhoudelijk debat, ontslag, homo's, vliegende schotels, blaffende honden en lieden die boven een heg uitsteken. Dat Ilja Leonard Pfeijffer boven de heg uitsteekt, wordt duidelijk wanneer we zijn gebundelde essays en kritieken
Het geheim van het vermoorde geneuzel, lezen. Hoe angstig daarop gereageerd wordt, kunnen we recentelijk opnieuw ervaren na lezing van
Reputaties breken om zelf over te blijven door Serge van Duijnhoven op de site van
Epibreren en het artikel van Rutger H.Cornets de Groot in
Meander (nr. 238, 18 april 2004), ook verschenen in
Tirade (nr.204, maart 2004).
Over het stuk van Serge van Duijnhoven kan ik kort zijn. Wie in een essay zinnen opschrijft als: '
Het geheim van het vermoorde geneuzel is geschreven op dezelfde manier waarop George Bush nu buitenlandse politiek bedrijft. Op basis van al te simpele categorieën: fout en goed.(..)' gaat tussen zijn onderwerp en de lezer staan. Van Duijnhoven als de gefrustreerde 'leftie', die ieder onderscheidingsvermogen heeft ingeruild voor een tragische woordblindheid. Zijn levenswandel in de voetsporen van de door hem geĩdealiseerde literaire drugsaddicten wreekt zich hier. Pfeijffers kritiek
De ernst van de drillmaster, Over Bloedtest, de zwakke bundel van Van Duijnhoven, (eerder geplaatst in
NRC Handelsblad april 2003) is niet mals. Zij eindigt met de apocalyptische woorden: 'Poëzie die conventionele thema's nieuwe urgentie verleent door de kracht van vernieuwende taal, is goede poëzie. Maar poëzie die bekende dingen op een traditionele manier zegt, daarvoor kom ik mijn bed niet uit.' Het zal je maar gezegd worden, maar het is afdoende om de fletse versjes van de overschatte Van Duijnhoven krachtig te typeren. Poëzie voor 'tussen de schuifdeuren.'
Minder dom van toon, maar wel erg angstig, gaat het toe in het essay van Rutger H. Cornets de Groot (verder aangeduid als Cornets).
Al in de tweede alinea van het essay wordt Pfeijffer opgevoerd als een opschepper. Cornets heeft met klamme handen de tekst op de achterflap van
Het geneuzel gelezen en ja - dat is even slikken - er staat: 'Dit boek zal de Nederlandse poëzie veranderen.' Wel eens van een provocerende opmerking gehoord?, vraag je je bijna af. Leonard Pfeijffers eerdere badinerende uitspraken gevolgd? Geen gevoel voor humor?
Verderop slaat Cornets de plank nog luider mis. Pfeijffer probeert, volgens Cornets, heilige huisjes omver te trappen. Hij wil zich op deze wijze onderscheiden van de schrijversbent en stampt daartoe dino's als Mulisch, Faverey, Nooteboom en Kopland de grond in. Kopland krijgt er inderdaad ongenadig van langs. Maar op een inhoudelijke manier! Het is onzin dat (..)' Pfeijffer zich na het bekende niemendalletje 'Jonge sla' alleen waagt aan een paar mindere momenten uit diens [Koplands] ongelijke oeuvre', zoals Cornets ons wil laten geloven. Op blz.219 van
Het geneuzel bespreekt Pfeijffer 'Wil het ooit weer iets worden', het programmatische openingsgedicht van Koplands bundel
Alles op de fiets. Hij vergelijkt het met 'Fern Hill', een vers van Dylan Thomas. Op trefzekere manier wordt Koplands poëzie ontmaskerd als matig en bovendien van het soort 'doe-maar-gewoon-dan-doe-je-gek-genoeg.' Vreemd genoeg realiseer je je als lezer plotseling hoezeer Kopland al jarenlang overschat wordt en hoe flinterdun zijn thematiek eigenlijk is. De dochters gaan het huis uit? Rundvee in je uitzicht? Jonge sla in september? Kopland draait er zijn hand niet voor om. Maar zegt hij er iets mee? Iets meer dan dat er staat?
Baudelaire heeft, middels zijn gedicht 'Une charogne' het bereik van de poëzie aanzienlijk uitgebreid. Tijdens een wandeling, herinnert de dichter zich, zagen zijn geliefde en hij een stinkend kadaver op een pad liggen. De maden kruipen eruit. Maar hij wijst zijn geliefde erop dat zij ooit, après les derniers sacrements, in diezelfde staat onder de grond zal liggen. Baudelaire is in staat taalschoonheid te laten ontspringen uit wat dan ook. Helaas bewandelt Kopland de omgekeerde weg. Hij toont ons iets onbeduidends en voegt als momentum toe wat wij daarbij moeten voelen, door heel ongecontroleerd alvast zelf iets te voelen. 'Huilen of ik schiet!', roept hij schor, op z'n Grunnings.
Het is daarom logisch, dat het gedicht 'Fern Hill' van Thomas opeens zo fonkelend en spannend afsteekt bij de vlakke en burgerlijke poëzie van Kopland uit 'Wil het ooit weer iets worden'. De botsing van planeten is oorverdovend, maar ook dodelijk pijnlijk voor Kopland. Bovendien 'zingt' de poëzie van Thomas. En mooie 'zingende' gedichten 'klotsen' volgens Pfeijffer, termen waar Cornets minstens twaalf maal over valt. Met 'klotsen' wil Pfeijffer niets anders zeggen dan dat een gedicht spannend is om te lezen. Met 'zingen' plaatst Pfeijffer sommige verzen in de traditie van de troubadours, skaldenzangers en grijpt hij als classicus terug naar de wortels van onze Europese cultuurtraditie. Cornets: 'Tot dit begrip "klotsen" nu kan zijn (Pfeijffers-) hele poëtica worden teruggebracht. Hij laat er zich mee kennen als een typisch hedendaagse decadent, die alleen nog voor de sterkste prikkels ontvankelijk is. Als het niet klotst is het saai, dus weg ermee, ofwel: exit Faverey (..)'
Maar vreemd genoeg mist Cornets de portee volledig van hetgeen Pfeijffer over Hans Faverey te berde brengt. Pfeijffer spreekt namelijk verlossende woorden. Het overgrote deel van Favereys verzen is namelijk leeg en onduidelijk. Men neme bijvoorbeeld het onnavolgbare stukje poëticis uit
Chrysanten, roeiers:
Zelfs daartoe nog aangespoord;
en weggevlogen. Wetend dat licht
de ijzeren vlag onder schot houdt.
[...]
Mag Pfeijffer eindelijk toegeven dat hij de cryptogrammatische obstakels van Faverey niet goed kan nemen? 'Wat dit precies betekent, is mij niet duidelijk' (p.200) stelt Pfeijffer frank en vrij vast. Zouden er veel Nederlanders zijn, die Favereys gedichten begrijpen, als zij ze űberhaupt nog lezen? Tom van Deel vertrouwde mij eens toe: 'Faverey, tja daar noem je wat, we gaven hem wel de Jan Campertprijs in 1977, maar begrepen deden we hem niet!' Dat is dus wat Pfeijffer noemt 'lege taal' - ik leg het nog even uit , taal die versluierend werkt i.p.v. spanning opwekt. Dit is iets geheel anders dan de hermetische poëzie, die Pfeijffer liever ziet dan oppervlakkige. 'Ieder gedicht is een klein mysterie', zei W.B.Yeats eens en daardoor kan een hermetisch gedicht de fantasie prikkelen en een leeg, hol gedicht nimmer.
Dat Pfeijffer vervolgens H.H.ter Balkt bewondert en vindt dat diens gedichten 'stinken en klotsen' (p.246) brengt Cornets zelfs tot angstige wanhoop. En wederom - een argument dat hij tegen Pfeijffer gebruikt - er is bij hem sprake van onbegrip. Cornets denkt dat Pfeijffer 'decadent' als hij is, een nieuwe onbekende, nl. 'stinken' inbrengt. Maar voor wie ingevoerd is in de beeldentaal van Ter Balkt zal er onmiddellijk het galmende geluid van de klokken der herkenning opklinken..
Lezen we eens het begin van 'Trein genoemd
De blauwe engel':
Trein die De Blauwe Engel heet
rijdt stoppellandinwaarts, verder
de hete stoffigheid tegemoet
die kopergroen neerslaat
in de door dorst gelakte keel,
de maaiers en machines in de rogge.
[....]
Ziehier de spannende, dus 'klotsende,' regels, en bovendien ruik je het stof, het is visueel en zintuiglijk navoelbaar en dus 'stinkend.' Ik zal verder afzien van het geven van verklaringsonderwijs bij kwalificaties die Pfeijffer, zeer tot ongenoegen van Cornets, verder nog hanteert als 'orgelen' of 'gorgelen', maar ik moet eerlijk bekennen dat ze mij aan het denken hebben gezet, door de orginaliteit waarmee ze worden ingevoegd en last but not least - door het verfrissende effect dat ervan uitgaat.
Erg zwak vind ik de passage in het essay van Cornets waarin hij Pfeijffer verwijt 'al te graag' te oordelen. Hij haalt een aantal korte delen van zinnen uit z'n verband en doet net of Pfeijffer niet zou mogen zeggen wat hij van bepaalde gedichten vindt?! Wat een burgermansfatsoen en again - wat een angst. Wat kan de ontwerper van een poëtica anders doen, dan zijn serieuze stellingname adstrueren met voorbeelden. Of moet hij alles adouceren, zodat er een muffe puddingpunt van zijn stellingname rest?
Dat Pfeijffer T. van Deel als dichter niet serieus neemt is niet zo opzienbarend; Theepunt zoals Pfeijffer hem noemt, schrijft bijna geen poëzie meer. Bij Nooteboom, een ander doelwit van Pfeijffer, werpt Cornets zich opnieuw angstig op als redder. Jammer, dat de zoon van R.A. Cornets de Groot, schrijver van boeiende en gedurfde essays als gebundeld in
De Zevensprong, afkomstig uit Indonesië, zich niet meer durft op te stellen als een koppensneller aan de zijde van Pfeijffer. Nu tast hij met een cornetto in zijn handje naar een nieuw pampertje. Nooteboom aanvallen kan en mag niet en al helemaal niet wanneer je de mythen waarmee Nooteboom zijn gedichten lardeert aan de kaak stelt. Cornets probeert de man te spelen door te stellen: '(..) de kluit belazeren, daar komt hij (Pfeijffer) al een tijdje mee weg.' Maar wat is er werkelijk gebeurd? Pfeijffer fikt het gedicht 'Silesius droomt' uit de bundel
Het gezicht van het oog van Nooteboom af. Hij verwijt Nooteboom 'filosofietjes als gedichten te laten poseren' (blz.70). En Pfeijffer krijgt hier hulp uit onverwachte hoek, want wat Cornets gemist heeft is de uitspraak van Nooteboom zelf in een interview met
Avenue: 'Ik speel in mijn poëzie een spel tussen dichten en filosoferen, dat valt niet altijd even positief uit.' Dat is toch precies wat Pfeijffer alleen maar bevestigt?
Dat Pfeijffer zich verstout zichzelf aan te wijzen als het sluitstuk van de trits Pindarus-Hőlderlin-Lucebert is in het licht van het bovenstaande niet zo verwonderlijk. Ziet hij Pindarus als een jongleur met klanken, die voor zijn tijd als 'experimenteel' mag worden beschouwd, de poëta furens - de dichter te vergelijken met een natuurverschijnsel - zo laat hij de Duitse romanticus Hőlderlin dobberen tussen Sturm und Drang en Classisisme.
Bij de Sturm und Drang vond Hőlderlin het natuurideaal en in het Classisisme bewonderde hij het ideaal van de verstilde, harmonieuze grootsheid. (blz.150). Bij Lucebert bejubelt Pfeijffer zijn durf te experimenteren. En dat is niet verwonderlijk. De Vijftigers met hun ongekroonde koning Lucebert haalden heel wat heilige huisjes omver. Dichters als Bertus Aafjes vergeleken hen met de nazi's! Zo bang was men in de moerasdelta voor het experiment. Het is in dit verband te billijken dat Cornets, Lucebert neerzet als een dichter met kritiek op zijn medemens, de godsdienst en tenslotte ook op de maatschappij. Zijn verwijt aan Pfeijffer dat deze hier aan voorbij gaat met het argument 'maar het is zo mooi geschreven' doet voor het betoog van Pfeijffer niet terzake. De opvolgende rij Pindarus-Hőlderlin-Lucebert-Pfeijffer is in de eerste plaats een verregaande provocatie en Cornets trapt er weer eens met open ogen in. Maar aan de andere kant zijn het wel degelijk alle vier dichters balancerend tussen inspiratie en techniek. Wanhopig probeert Cornets er de aan Nietsche ontleende Apollinische en Dionysische tegenstelling overheen te stolpen. Waarom Pfeijffer niet gewogen naar de maatstaven die hijzelf aandraagt??
Het gedicht 'Vuurvogel' op blz. 81 t/m 83 van
Het geneuzel laat Cornets op zeven magere zinnetjes na onbesproken. Waarom mag een raadsel heten, want juist in dit lange wonderschone vers vertelt Pfeijffer - sotto voce - wat poëzie eigenlijk is, zou moeten zijn en vooral ook niet is. Waarom komt Cornets niet met kritiek op dit vers en probeert hij het vers 'Uit duizenden' te fileren? Misschien omdat hem de angst al in de schoenen zinkt bij de aanhef van de 'Vuurvogel'?
Vuurvogel
Poëzie is geen poging tot pogen te prevelen
wat de onuitsprekelijke sensibele ziel in eenzelvige stilte
denkt niet te vermoeden omtrent het onzegbare
van verstilde buitenmeren
want wie zich het zeggen ontzegt
zal niet zingen
[...]
'Zie hier, lezer, nogmaals de pijlers onder Pfeijffers poëtica: aan de ene kant is er de retorica, aan de andere kant de ontregeling', orakelt Cornets nadat hij via een klein fragment van het gedicht van Pfeijffer stelt dat diens gedichten niets anders zijn dan 'een formalisering van een aantal uiterlijke kenmerken van de experimentele poëzie.'
Maar het belangwekkende van de essays van Pfeijffer is juist dat er een poëtica wordt 'uitgespaard'. Door een wonderlandschap opgebouwd uit een veelheid van suggesties en subtiele uitspraken mag de poëzieliefhebber zelf zijn weg zoeken. Dat is betrekkelijk nieuw, daar waar de meeste recensenten en critici nimmer ook maar de geringste uitleg geven voor hun goed- of afkeuring van de besproken literatuur en wel in het speciaal de besproken gedichten. Wat Cornets Pfeijffer verwijt, is dat hij niet duidelijker is in zijn leerstellingen. Kan en moet het duidelijker of hebben we aan de soms speelse, vaak overduidelijke criteria van Pfeijffer genoeg om daarna zelf te kunnen oordelen?
Maar er is nog veel meer dat Cornets, bedoeld of onbedoeld, fragmentarisch bespreekt en slechts als hij het kan gebruiken om zijn afkeer kracht bij te zetten. Pfeijffers fascinatie voor het werk van bijvoorbeeld de dichter Hans Verhagen komt niet uit de lucht vallen. Hier is een dichter aan het werk die parafraseert maar ook balanceert het wordt eentonig - tussen inspiratie en techniek. Dat Nijhoffs 'De moeder de vrouw' uit 1934 nimmer zo indringend werd besproken als in het essay uit
Awater van Pfeijffer vermeldt Cornets niet. Het past niet in zijn strategie. Hij veroordeelt waar hij niet begrijpt en hij begrijpt waar niets is. En aan het einde van zijn essay wankelt hij gevaarlijk dicht langs de grenzen van het betamelijke en van, nog erger, de openbaar beleden jaloezie. Hoe komt het dat Pfeijffer 68.000 euro kreeg, als beurs van het Fonds der Letteren en dat Pfeijffer het, zover heeft geschopt, dat hij recensent is geworden bij
NRC Handelsblad,
Vrij Nederland,
De Revisor en
Awater?, stamelt Cornets. Hij grijpt vertwijfeld naar het moede hoofd: 'En misschien de belangrijkste vraag: wat voor cultuur is het, waarin zo'n figuur in een paar jaar tijd gestalte aan kan nemen?' Welnu, beste Rutger, het is een cultuur, die zichzelf ter discussie durft te stellen. Het is de cultuur in beweging. En niet het soort statische door wijnwinkel 'Apollo' gedicteerde burgermanscultuur, waarin de naar stinkend rioolwater riekende dakgoten, van de heilige huisjes aan het verroesten zijn. Of is je eigen carrièreplanning wat in het gedrang gekomen?
Gerrit Komrij wordt vervolgens vergeleken met Mat Herben en Pfeijffer met Fortuyn. Je houdt je hart vast, nog even en Hitler en Goebbels marcheren door het essay, zoals destijds bij Aafjes. Een onwaardig einde van een essay dat in zijn essentie de angst, misschien zelfs de oprechte bezorgdheid uitstraalt van de begenadigde schrijver die Rutger H. Cornets de Groot is, maar dat nu blijft steken in het angstige gepiep van een konijn.
*
Karel Wasch
* konijn staat in de alchemie voor de adept, die het pad verlaat. Hij is op zijn zoektocht naar de 'Steen der Wijzen' te angstig geworden om door te durven gaan.
Naschrift Rutger H. Cornets de Groot:
Ik heb de plank dus 'luid' misgeslagen; wie doet het me na? Daar 'zinkt' de angst je toch vanzelf bij 'in de schoenen'? Het puffertje zal wel in zijn nopjes zijn met deze paladijn, die met ieder woord dat hij schrijft bewijst niet te kunnen lezen. En zo krijgt eenieder de navolging die hij verdient.
Recensies
Een roedel vol loeders
Milla van der Have over Ik belde mijn muze van Ezra de Haan
Ik hou van woorden en van taal, maar ergens moet je een grens trekken. Zo haak ik altijd af als bij columnist Piet Grijs de anagrammagie losbarst. Mij zegt al dat gegoochel met letters niet zo veel, maar er zijn mensen die er van houden. Voor hen is
Ik belde mijn muze van E. de Haan dan ongetwijfeld een must. Maar dichten is méér dan spelen met taal...
Hoewel de achterflap wil laten geloven dat het taalspel in deze bundel geen doel op zich is, bewijzen de gedichten zelf echter het volstrekte tegendeel. Het wemelt in deze bundel van alliteraties, binnenrijm en jawel... anagrammen. Probleem is alleen dat de poëzie het spel nergens ontstijgt en dat de woordgrapjes zo halverwege danig beginnen te vervelen. Zoals in het volgende gedicht:
Droomoord
In iedere droom zit een moord
Een reis die van de Taag in een lijn
Naar de Nijl gaat. Of een krap park
De luim van God komt mij voor
Als de muil van een dog: fel, vol lef
Dat wel. Melk alles uit, maar sta klem
Ik snak naar een kans, ratel over later
Maar leed valt mij ten deel
Het lag aan je gal zegt Mo bedaard
Om de draad weer op te pakken
Slechts de dood is begin en einde
En als een man nam ik iedere trap
Keek ik door ieder luik, in elke kuil
Klom tot in de nok tot ik niet verder kon
Molk alles uit, nam part en deel
Kots in de keel, de snee waar eens een
Stok sloeg leek kort en trok
Naar de tol van mijn lot
p.36
Bovenstaande is het summum, maar ook elders blijkt de dichter last van anagramdwang te hebben. Daarbij pretenderen de gedichten ontzettend veelzeggend en diepzinnig te zijn, terwijl het allemaal vrij voor de hand liggend en clichématig is. Het diepere verband ontbreekt ten enenmale en veel gedichten zijn erg 'van de hak op de takkerig':
Prooi
De waarheid stond vandaag te recht
Het was te dom voor woorden
Ik hoor de hakkel van je mond
Het struikelen van je voeten
Naaktheid werd het been gelicht
Gedachten ontwricht tot krom
Nu waarheid stom, vermoeiend lijkt
Zeuren klerken vol vuur over dat
Wat nu bewijs, eens liefde was
En jij: de prooi. In afmanteling
Mijn valk zal je omarmen
Geen mens die je meer ziet
Hoogstens door mijn vleugels
De associaties zijn vaak van een erg persoonlijke aard. Poëtische vrijheid is prima, maar wat bedoeld wordt met
Mijn fabeldier, mijn hertekind / De vlekkentest die vrouwen toont ontgaat mij. Soms eindigt een gedicht met een mooie vondst, maar helaas zijn dat er te weinig om de rest goed te maken. Het laatste deel van de bundel, dat 's dichters hond tot onderwerp heeft, is beter te verdragen, omdat hier het dwangmatig geklier met taal overstegen wordt door de vaak ingetogen en liefdevolle beschrijvingen:
Vierkante hond
Mijn vierkante hond oogt oud
In haar te dunne winterjas
De staart die afhangt: een kwast
Inktzwarte vlekken lekken
Haar spierwitte kop tot clown
Blaarbont als de blaarkop
Lijkt te zwaar voor haar
Broodmagere poten die telkens
Tikkend: op hoge hakken
De rondgang voltooien:
Een bijzettafeltje
Waarop teveel ligt
p.47
Uit een dergelijk gedicht blijkt dat het wel kan, maar over het algemeen lijdt deze bundel aan een gebrek aan poëzie. Het verband en de bezieling ontbreken. Gedichten moeten de suggestie geven van een doorkijk, van een betekenis die zich schuilhoudt binnen en achter de woorden, maar die tegelijkertijd ongrijpbaar blijft. Die suggestie is niet hetzelfde als de vormkenmerken van een gedicht. Met het veelvuldig toepassen van binnenrijm en woordspelletjes speel je met taal, maar schrijf je geen gedicht en loop je het risico ruis te creëren. Dat is helaas precies wat er gebeurt in
Ik belde mijn muze. Uiteindelijk wil je hetzelfde doen als de hond in het laatste gedicht:
Taal
Mijn taal is het schaduwspel
Dat jij niet verstaat
een spelen met klanken
Terwijl jij liever kijkt
Naar het strikken van veters
Het horen van: Kom
Want dat zijn de tekens
Die lopen inhouden
En ook frisse lucht
Zolang die niet komen
Kies jij voor het slapen
De zucht en de rust
E. de Haan - Ik belde mijn muze
Uitg. In de Knipscheer, Haarlem 2003
64 blz.; € 12,50
ISBN 90 6265 559 9
Milla van der Have
De wereld gevat in streng geformuleerde zinnen
Bert van Weenen over Losse bedrading
van Eva Gerlach
In
Losse bedrading bundelde Eva Gerlach een vijftigtal columns die eerder verschenen in het dagblad
De Morgen. Wat vooral opvalt aan deze mooie stukjes tekst, is de precieze manier van kijken en formuleren die Gerlach eigen is. Soms zijn het bijna prozagedichten, waarin abstracte zaken als taal en waarheid fraai in evenwicht zijn met de pure, concrete gewaarwordingen van het lichaam. Zie alleen al de schitterende slotcolumn die Gerlach schreef over een bevroren sloot!
In column 32 gaat het over iemand die koorts heeft. Gerlach noteert dan: 'Geen lijn wil er komen in de hand aan mijn bloedeigen pols, zwervende werkelijkheid slaat er als een klem omheen, hoe kun je nog weten wat er gebeurt als alles voortdurend op hol slaat. Probeer iets concreets, krab de hand met de andere hand.' Steeds worden gedachten en mijmeringen afgewisseld door een blik op de tastbare dingen om de schrijfster heen. Dingen die een naam moeten krijgen en beschreven moeten worden, ook al kleeft aan alles vergetelheid, zoals op bladzijde 34 te lezen staat. 'Er is het paradijs van de dingen en er is jezelf, gedefinieerd aan de dingen, een terloops, onophoudelijk meten.' Overal proef je bij Eva Gerlach deze innerlijke noodzaak tot kritisch waarnemen en registreren.
Het columnkarakter blijkt bij de teksten uit
Losse bedrading onder andere uit het veelvuldig gebruik van anekdotes. Veel columns hebben één zo'n anekdote als uitgangspunt en er staat zelfs een hele serie columns in over een reis naar Brazilië (blz. 22-79). De belangrijkste ervaring van die reis is dat bij thuiskomst de dingen afstand bewaren en iets van hun vriendschappelijk karakter verloren hebben. 'Zoals de kinderen vroeger, als je ze een weekend had uitbesteed: wilden zich niet openbaren, hingen nors in hun walkman. Huisraad, prenten, kamerplanten, alles heeft een walkman op.'
Weer ergens anders staat een gave evocatie van de aarzelende houding van een oude vrouw. 'Wanneer zij een deur doorgaat, blijft zij halverwege altijd een poosje staan, alsof een zo groot en definitief besluit niet in een keer kan worden genomen. Als zij spreekt, blijft zij dikwijls steken, vooral bij de aanwijzende voornaamwoorden. Het is of er, zodra zij 'die' zegt, een aarzeling in haar ontstaat, een waaier dreigt zich te sluiten; zij staart, rekt de klinker.' (blz. 107)
Treffend vind ik ook de filosofische opmerking die een hele column over een snee in de vinger besluit: 'Er is een ernst in de stof, radicaal, waar de tijd aan voorbijgaat.' Dit is naar mijn gevoel meer dan wijsgerig, dit is wijs, op een nuchtere, integere manier.
Op één punt verschillen Gerlachs columns van het merendeel van de korte stukjes die in dagbladen en tijdschriften verschijnen. Humor komt er nauwelijks in voor; het zijn vooral 'ernstige' stukjes, teksten waar je net als bij poëzie toch iets meer moeite voor moet willen doen. In plaats van de geijkte grappen en grollen krijg je bij Eva Gerlach zaken als angst en vervreemding voorgezet. Maar dat getuigt mijns inziens alleen maar van lef, zowel bij de auteur als bij de krant die deze columns aan zijn lezers durfde aan te bieden.
Losse bedrading is een heel mooi boekje om te lezen tussen alle gedichten door. Van mij mag Gerlach nog vaker schrijven over al die 'losse bedrading van de binnenkant van [haar] hoofd'.
Eva Gerlach - Losse bedrading
Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 2003
140 blz.; € 13,95
ISBN 90-295-2235-6
Bert van Weenen
(advertentie)
Echt alles te weten komen over het schrijven van verhalen en/of gedichten?
www.writersathome.nl/WriteWedstrijd.htm
Proza
Metamorfose
Jeroen Dera
Waarschijnlijk was ik de enige die het kleine, donkere steegje zag. De mensen om mij heen wezen opgewonden naar de vele winkeletalages, die hen uitnodigden hun zuurverdiende geld uit te geven aan de modernste elektronica of de hipste mode. Het steegje werd door niemand gezien. Het werd slechts voorbijgelopen. Om eerlijk te zijn was het ook voor mij de eerste keer dat ik het kleine, haast verstopte straatje opmerkte. Ik was me er nooit bewust van geweest dat het er was, hoewel ik altijd goed om me heen keek in drukke winkelstraten, uit angst om te maken te krijgen met een godvergeten zakkenroller. Maar nu, op deze zonnige zaterdag in juni, viel het steegje me plots op. Sterker nog, het trok me aan, alsof het een magische kracht op mij uitoefende. Langzaam liep ik er op af. Ik moest weten waarheen het leidde, en of zich iets bijzonders bevond op de verregende klinkers uit welke het bestond. Gefixeerd als ik op het mysterieuze straatje was, viel het me nauwelijks op dat vele voorbijgangers tegen me op botsten, terwijl ik richting dat steegje ging. Ik struinde erop af als een honingbij die zoemend naar een schitterend bloeiende heester vliegt, en toen ik het bereikte, kwam ik tot de conclusie dat het werkelijk een betoverde steeg moest zijn.
Hoewel de hemel strak blauw was en de zon haar glanzende stralen over de winkelstraten deed schijnen, hing in het straatje een dichte mist en was het er onaangenaam koud. Ik kon nauwelijks tien meter in de verte kijken en de rillingen liepen over mijn rug, toen ik een meter of twintig van me vandaan iemand hoorde hoesten. Door de nevel was het onmogelijk te zien wie de veroorzaker was van dat gekuch, en dat wilde ik eigenlijk niet weten ook. Toch verliet ik het steegje niet; iets leek me daarvan te weerhouden. Ik schuifelde langzaam verder het straatje in en merkte een weeïge geur op. Hoe verder ik liep, hoe sterker de geur werd, en na een meter of twintig zag ik waarvan ze afkomstig was. In het midden van de steeg stond een bronzen kelk, waaruit een zoet ruikende, rode damp opsteeg. Ik ging op mijn hurken zitten om hem beter te bekijken en voelde de aandrang de vloeistof die erin zat te drinken. Ik pakte de kelk op, zette hem aan mijn lippen en dronk van de rode vloeistof. Het smaakte apart, maar zeker niet onaardig. Ik sloot mijn ogen om de smaak van de drank dieper tot me door te laten dringen, en stond op het punt ervan te genieten, toen ik mijn ingewanden voelde bevriezen. Het begon te draaien voor mijn ogen, een pijnscheut schoot door mijn lijf, en ik voelde hoe mijn beenspieren in stevigheid afnamen, hoe mijn heupen verbreedden, hoe mijn haren in rap tempo groeiden en hoe mijn andere mannelijke vormen veranderden in vrouwelijke. Ik werd een vrouw, een femina.
Vijf minuten later liep ik weer door de winkelstraat. Ik kon nauwelijks bevatten wat er met me was gebeurd, maar het stond vast dat ik van geslacht veranderd was. Mijn stevige mannenlijf was getransformeerd in het frêle lichaam van een jonge vrouw. Mijn donkere haren waren blond geworden, en op mijn eerst zo platte borstkas waren twee borsten gegroeid. Ik voelde een akelig leeg gevoel in mijn keel en broek en ik had het idee dat ik ieder moment met de wind meegevoerd kon worden, hoewel er slechts een aangenaam briesje tegen mijn kleine gezichtje opbotste. Ik was een vrouw, maar wel één in mannenkleren. Daar moesten we maar eens iets aan gaan doen. Ik liep een trendy kledingwinkel binnen en snuffelde er in de rekken kleren. Kleding had me nooit geïnteresseerd, maar nu maakte een apart gevoel zich meester van me: ik wilde graag honderden kledingstukken aanschaffen. Sexy bloesjes, korte rokjes, hippe truitjes: wat vond ik ze geweldig. Ik griste een roze jurkje uit een rek en besloot het te gaan passen. In het pashokje ontdeed ik me van mijn wijde jongenskleren en zag in de spiegel het naakte vrouwenlichaam dat me nu eigen was. Wat vond ik mezelf lelijk. Als man had ik nooit het idee gehad er slecht uit te zien, maar nu mijn geest opgesloten was in een vrouwelijk lijf was ik onmiddellijk ontevreden over de vormen van mijn lichaam. Mijn borsten vond ik te klein, mijn heupen vond ik te breed, mijn buik vond ik te dik. Het leek haast wel, alsof mijn geest ook in die van een vrouw was veranderd. Ik paste het jurkje en besloot het te kopen, ondanks het feit dat ik mezelf er niet in vond passen. Ik had echter iets nodig om me in te kleden, en dus moest ik wel iets aanschaffen. Na betaald te hebben en het jurkje in het pashok onmiddellijk aangetrokken te hebben, verliet ik de winkel.
Ik merkte dat ik honger kreeg, en zodoende begaf ik me naar de eerste de beste snackbar, zoals de meeste mannen doen als ze trek krijgen en toevallig in de stad zijn. Ik wierp een euro in de snackautomaat en trok een kroket uit de muur. Dat zou vast lekker smaken! Echter, zodra ik een hap van mijn tussendoortje had genomen, begon ik me schuldig te voelen. Ik had nooit aan deze snack moeten beginnen. Had ik zojuist niet gezien, hoe vet ik wel niet was? En nu stond ik hier extra kilo's te kweken! Wat was ik een blonde doos! Ik schrok van mijn eigen gedachtegang. Ik was toch zeker niet echt een vrouw? Ik zat alleen gevangen in het lichaam van een vrouw! Maar waarom begon ik dan in godsnaam te redeneren als een vrouw? Als man stond ik nooit stil bij mijn figuur, wanneer ik iets vets at. En nu stond ik me hier een potje schuldig te voelen! Ik leek wel vervloekt. Nooit had ik die drank moeten drinken. Zoals de meeste vrouwen kon ik het niet laten mijn kroket alsnog op te eten, en toen ik het laatste stukje had doorgeslikt, voelde ik mijn telefoon tegen mijn linkerdij trillen. Ik haalde de GSM tevoorschijn en las het SMS'je van mijn vriendin:
Schatje, zullen we straks iets gaan drinken samen? Ik moet je wat vertellen. Hopelijk tot gauw. xxx
Ik zuchtte diep. Wendy wist nog niets van mijn metamorfose. Ik wilde haar eigenlijk niet onder ogen komen. Maar aan haar SMS te zien was er ook iets dat ik niet van haar wist. Wat wilde ze me in hemelsnaam vertellen? Ik besloot toch met haar af te spreken en stuurde een berichtje terug:
Is goed. Ben benieuwd naar wat je te zeggen hebt. Om acht uur in De Zwanenhals?
Enkele minuten later ontving ik haar antwoord: ze zou komen. Ik zou dus iets met haar gaan drinken in mijn vrouwelijke gestalte. Ik zou haar moeten vertellen wat er gebeurd was, en ik vroeg me af of ze boos zou worden, en of ze het überhaupt zou geloven. Ik streek mijn haren achter mijn oren. Misschien was het helemaal nog niet zo gek geweest om met haar af te spreken. Als vrouw kon ik haar mooi uithoren over ons liefdesleven. Het was vast niet netjes van me om misbruik te maken van mijn metamorfose, maar ik kon mijn nieuwsgierigheid niet de baas.
Die avond ging ik rond acht uur De Zwanenhals binnen. Ik ging op een barkruk zitten en keek in het rond, op zoek naar Wendy. Ze zat aan een tafeltje voor twee, vlak naast het raam, en speelde met de asbak. Ze wachtte duidelijk op me. Ik zette gauw mijn mobiele telefoon uit, om te voorkomen dat deze af zou gaan als ze me zou bellen, en bestudeerde mijn vriendin. Haar donkerblonde haren waren samengebonden in een elegante knot en haar slanke lichaam was gehuld in een gitzwarte, fonkelende jurk. Tot mijn afschuw merkte ik dat ik een steek van jaloezie voelde toen ik haar bekeek; ik benijdde haar, omdat ze mooier was dan ik. Rond kwart over acht pakte ze haar telefoon om te bellen. Ze kreeg overduidelijk mijn voice-mail te horen, want ze vloekte zo luid, dat ik haar aan de bar kon horen. Ik keek toe hoe ze nijdig haar telefoon in haar tasje stopte en stapte toen op haar af.
'Je wacht zeker ook op iemand?' vroeg ik haar. Ze knikte. 'Mijn vriend. We hadden hier een kwartier geleden afgesproken, maar hij is nergens te bekennen.'
'Bah, wat vervelend. De mijne is ook niet komen opdagen, en wij hadden nog wel om zeven uur afgesproken. Mag ik je even gezelschap houden?' Ze glimlachte.
'Natuurlijk. We zitten in hetzelfde schuitje.'
Ik ging met mijn te dikke kont op de stoel tegenover haar zitten. 'Doet hij dat wel vaker, te laat komen?' vroeg ik belangstellend. Ze schudde haar hoofd.
'Nee, nooit. Hij is toch wel een man van de klok... Ik verwacht hem zometeen min of meer, maar het is niets voor hem om niets te laten weten wanneer hij wat later is. En hij heeft zijn telefoon ook al uit staan. Zo vreemd.'
'Ach, dat zal best goed komen. Bij mij vast niet... Volgens mij heeft die vent van me een ander.'
Ik keek haar scherp aan, terwijl ik dat zei. Ik verwachtte min of meer dat ze haar ogen neer zou slaan of zou blozen, omdat ook zij een ander had. Wat zou ze me anders moeten vertellen? Wendy keek me echter meelevend aan.
'Doe niet zo raar! Hij is vast niet zo laf dat hij vreemdgaat!' Nee, misschien was hij dat niet. Ik hoopte dat Wendy ook niet zo laf was om met een ander het bed in te duiken, en dat leek ze ook niet te zijn, gezien de verontwaardigde toon waarop ze over vreemdgaan sprak. Toch vertrouwde ik het niet. Ik besloot haar uit te horen.
'Nou, tegenwoordig gaan steeds meer mensen vreemd. Ik moet eerlijk bekennen dat ik zelf ook wel eens met een andere man naar bed ben geweest.'
Ze begon te giechelen en ik giechelde met haar mee, hoewel ik dat eigenlijk niet wilde.
'Nou, ik niet hoor,' zei ze vriendelijk. 'Nee, ik ben te gek op Jeroen om vreemd te gaan. Ik hoop maar dat onze relatie standhoudt.' Dat vond ik een vreemde opmerking.
'Hoezo dat?' vroeg ik scherp. Ze frommelde zenuwachtig aan het bandje van haar jurk.
'Ik ben drie weken over tijd,' zei ze zacht. Het leek of mijn hart stil was gaan staan, of een hogere macht op de remmen van mijn lichaamsmechanisme had getrapt. Drie weken over tijd? Grote god! Ik keek haar verafschuwd aan, stond op en rende De Zwanenhals uit.
Ik voelde me ellendig. Als man zou ik een woedeaanval hebben gekregen en met voorwerpen hebben gegooid, maar als vrouw kwamen mijn emoties door hysterisch gejank tot uiting. Ik bonsde met mijn vuisten tegen de muur van een kantoorgebouw en stelde me radeloos voor hoe het zou zijn om moeder - excuseer, vader - te worden. Nadat ik een tijdje snikkend door de stad had gezwalkt, bezatte ik mezelf in een discotheek. Ik hing er aan de bar en klokte het ene wijntje na het andere naar binnen. Toen ik mijn tijdsbesef was kwijtgeraakt, nam een charmante man naast me plaats. Ook hij had duidelijk een glaasje te veel op.
'Ik verzuip in de zee van je ogen,' schreeuwde hij in mijn oren. Een enorm clichématige openingszin, waar ik als man hard om gelachen zou hebben. Als vrouw kon ik hem echter waarderen; vraag me niet waarom. Ik nam een slok wijn en glimlachte.
'Dan zou ik maar zwembandjes omdoen,' antwoordde ik. Hij lachte luid, alsof ik een cabaretier eersteklas was.
'Misschien wil jij ze me omdoen? Dansen?' nodigde hij me uit. Onder de invloed van de alcohol besloot ik op zijn aanbod in te gaan en al snel stonden we hitsig tegen elkaar aan te dansen. Zijn handen streken door mijn haren, en al gauw voelde ik hoe hij me in mijn nek kuste. Zijn stoppelbaardje schuurde enorm, maar dat hinderde me niet. Ik draaide me om en we begonnen heftig te zoenen. Hij duwde zijn tong krachtig in mijn mond en betastte mijn in het roze jurkje gehulde borsten. Al zoenend liet ik me door hem naar de toiletten leiden, waar hij me een wc-hokje induwde. Hij knoopte zijn broek los en scheurde mijn jurk haast van mijn lijf, terwijl hij zijn T-shirt en boxershort uittrok. Hij kuste mijn borsten - het was een apart gevoel - toen mijn ingewanden bevroren. Het begon te draaien voor mijn ogen, een pijnscheut schoot door mijn lijf, en ik voelde hoe mijn beenspieren in stevigheid toenamen, hoe mijn heupen versmalden en gespierder werden, hoe mijn haren in rap tempo qua lengte afnamen en hoe mijn andere vrouwelijke vormen veranderden in mannelijke. Ik werd weer een man, een vir.
Na mijn transformatie stond ik even naakt tegenover mijn minnaar, die uiteraard een stomverbaasde uitdrukking op zijn dronken gezicht had.
'Wat zullen we nou beleven? Je bent een vent!' Ik stamelde wat, in een poging een verklaring te geven voor wat er was gebeurd, maar werd toen omhuld door een weeïge mist. Ik begon me bijzonder licht te voelen en had het idee vanaf de aarde omhoog te stijgen. Ik zag een rode flits en lag toen plots in dat steegje, naakt. Door de kou hoestte ik als een bezetene en ik krabbelde zo snel als ik kon overeind. Ik moest weg uit deze duivelse steeg. Ik moest met Wendy gaan praten, en wel nu meteen. Ik zou wel zien hoe ik aan kleren zou komen. Ik zette het op een lopen, maar keek nog eenmaal achterom. Een jongedame hurkte zachtjes bij de kelk, pakte hem op en nam een slok van de vloeistof die erin zat. Ik ben stiekem benieuwd naar hoe het haar vergaan is.
Jeroen Dera
Nieuws
Literaire Boeken Top 10
- In Europa - G. Mak
- Toen kwam moeder met een mes - N. Mizee
- Het dieptelood van de herinnering - H. Haasse
- Schaduwkind - P.F. Thomése
- Allerzielen - C. Nooteboom
- Slaap! - A. Verbeke
- Paravion - H. Bouazza
- Ik ben rijk en beroemd en ik heb nekpijn - H. Brusselmans
- Gloed - S. Márai
- De kraaien zullen het zeggen - A. MacDonald
De Boeken Top 10 is gebaseerd op de verkopen van boekhandel 'Het Verboden Rijk' te Roosendaal in de periode 20 april t/m 4 mei 2004.
Annelies Verbeke wint Vrouw & Kultuur Debuutprijs
Zondag 18 april werd in de Openbare Bibliotheek Eindhoven de Vrouw & Kultuur Debuutprijs 2004 uitgereikt aan Annelies Verbeke voor haar debuutroman Slaap!. Voor de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur Debuutprijs komen Nederlandstalige debuten van vrouwen in aanmerking. De twee vorige edities werden gewonnen door Lisa de Rooij (in 2000) met In de ogen van mijn broer en Maya Rasker (in 2002) met Met onbekende bestemming. De jury koos dit jaar unaniem voor Slaap! en noemde het 'één van de origineelse debuten van de laatste jaren!' Een half jaar na publicatie is de roman van Verbeke al toe aan een tiende druk en een voorlopige oplage van 20.000 exemplaren..
Arthur Japin wint Libris Literatuur Prijs
De Libris Literatuur Prijs 2004 is gewonnen door Arthur Japin voor zijn roman Een schitterend gebrek. Er dongen dit jaar 146 titels mee naar de prijs, waaraan een geldbedrag van 50.000 Euro is verbonden. Tijdens de uitreiking op 27 april in het Amstel Hotel was de glans er een beetje vanaf omdat door vermeende loslippigheid van één van de juryleden en een blunder op de website van de organisatie de naam van winnaar Japin voortijdig was uitgelekt.
Weer en poëzie bij 150 jaar KNMI
Het is dit jaar 150 jaar geleden dat de beroemde metereoloog Buys Ballot het KNMI oprichtte. Om die reden wordt het KNMI bij een andere jarige, het 100-jarige Museon, met een tentoonstelling in het zonnetje gezet. De KNMI-expositie wordt op dinsdag 11 mei geopend en is tot en met 2 januari 2005 te zien. Geinteresseerden kunnen een kijkje nemen op de site www.museon.nl. Wat heeft dit alles nu met poëzie te maken? Welnu, de KPN brengt ter gelegenheid van 150 jaar KNMI drie speciale telefoonkaarten uit. Weer en poëzie komen elkaar hier tegen. De telefoonkaarten zijn aan de achterzijde voorzien van op het weer geënte dichtregels van de dichters K. Schippers, Alfred Schaffer en Martin Reints. Voor meer informatie kan worden gebeld met de persvoorlichting van het KNMI, tel. 070 446 63 00.
De Windroos herrijst
Ruim vijftig jaar na het begin laat Uitgeverij Holland in Haarlem De Windroos herrijzen. Tussen 1950 en 1970 debuteerden diverse dichters in deze reeks. Met ingang van september 2004 brengt de uitgeverij halfjaarlijks een serie van vier bundels uit. Zie voor meer informatie en een interview met Chrétien Breukers: meander.italics.net.
Pen & Stem
Veertien schrijvers en dichters gaan schuil achter de tweeëntwintigste uitgave van het dichters- en schrijverscollectief Pen & Stem uit Grave. De 68 pagina's tellende bundel met als thema 'de natuur' is verschenen ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het collectief. De titel van het boekwerkje is Uit goed hout gesneden en kost 10 Euro. Op zaterdag 8 mei is tevens een aan de natuur verbonden tentoonstelling geopend in 't Kerkje te Velp (bij Grave). Pen & Stem is in daaropvolgende weekeinden met een programma present in 't Kerkje. Zo zullen vrijdag 14 mei twee basisscholen er hun licht komen opsteken over het maken van gedichten! Bel voor inlichtingen: 0486 473 819.
'Vader Bartje' herdacht
De provincie Drenthe herdenkt dat Anne de Vries, schrijver van de Bartje-boeken, honderd jaar geleden in Assen werd geboren. Vanaf zaterdag 22 mei reizen twee tentoonstellingen over het leven en werk van Anne de Vries langs de 45 bibliotheken in Drenthe.
Valse tongen
Van schrijfster Rim Sartori is de roman Valse Tongen verschenen. Eerder gaf Studio86/Almere een dichtbundel met cd-rom van haar uit met de titel Zoals de wind wil waaien, strooi hier en daar confetti om mij heen die in een oplage van 600 verscheen en inmiddels is uitverkocht. Zie voor meer informatie over de schrijfster en/of haar nieuwe roman haar eigen website run.to/rim en www.aldichter.nl.
De Vijftigers driemaal in Amsterdam
Op 12, 18 en 25 mei staan in De Balie aan het Kleine Gartmanplantsoen 10 te Amsterdam drie Vijftigers centraal. Respectievelijk zijn dat Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Remco Campert. Behalve Kouwenaar en Campert werken aan deze avonden onder anderen Maria Barnas, Anna Enquist, Kees Fens, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer en Mustafa Stitou mee. De aanvang is telkens om 20.00 uur. Voor nadere inlichtingen kan worden gebeld naar De Balie, tel. 020 553 51 00.
Kennen Sie Ihre Nachbarn?
Van 12 tot en met 18 mei is op negen locaties in Berlijn het festival Kennen Sie Ihre Nachbarn, waarmee de aandacht voor Nederlandstalige literatuur in Duitsland een nieuwe impuls moet worden gegeven. Tien jaar na de succesvolle Schwerpunkpresentatie op de Frankfurter Buchmesse nam het aantal vertalingen van Nederlandstalige literatuur in Duitsland flink toe. Achttien Nederlandse en Vlaamse auteurs, waaronder Hugo Claus, Adriaan van Dis, Arnon Grunberg, Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye en Geert Mak, zijn bij de manifestatie aanwezig. De organisatie is in handen van het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds.
Nieuwe film en nieuw boek over Louis Paul Boon
Zondag 1 mei 2004 werd de 25ste sterfdag van Louis Paul Boon in Aalst door het 'Louis Paul Boon Genootschap' herdacht.
De dag werd ingezet met de première van de Boon-documentaire Dagboek van Meneerke Boin. Deze film van Guido De Bruyn is gebaseerd op het dagboek dat Boon bijhield in het laatste jaar van zijn leven. Ook presenteerde Boonkenner Bert Vanheste zijn nieuwste literaire wandelboek, 'De baan op met Boon'.
|
Paul de Wispelaere, literator en Boonkenner, mocht zondag de Isengrimus in ontvangst nemen. Dat is de tweejaarlijkse prijs van het genootschap voor een persoon of instantie die zich op bijzondere wijze verdienstelijk heeft gemaakt voor het levend houden van Boons gedachtegoed. Derde gast tijdens deze herdenkingsbijeenkomst was de Vlaamse schrijver Kamiel Vanhole. Hij las een open brief aan Boon voor. De herdenkingsbijeenkomst werd opgeluisterd door de woordkunstenares Tine Ruysschaert, die enkele teksten over Boon voordroeg.
Nachoem Wijnberg winnaar Paul Snoek Poëzieprijs
De Nederlandse dichter Nachoem M. Wijnberg heeft de driejaarlijkse Paul Snoek Poëzieprijs van de Belgische stad Sint-Niklaas gekregen voor zijn bundel Vogels. De Paul Snoek Poëzieprijs (4000 euro) werd in 1991 gecreëerd ter nagedachtenis van de dichter die tien jaar eerder om het leven kwam. Om de drie jaar bekroont de jury een bundel Nederlandstalige poëzie die om zijn kracht, zijn vitaliteit en eigentijdse karakter wordt gekozen uit de productie van de drie voorafgaande jaren.
De bundel Vogels (2001) van Wijnberg presenteert zich volgens de jury "licht met een lage leesdrempel, maar al gauw blijkt dat je er toch niet meteen vat op krijgt. Er gebeuren raadselachtige dingen in deze poëzie: wat eerst onbeduidend leek, blijkt van groot belang. Het mysterie van het eenvoudige wordt met elk gedicht groter."
Do van Ranst wint Prijs Knokke-Heist
Met het manuscript Mijn vader zegt dat wij levens redden heeft Do van Ranst (29) uit Hamme de Prijs Knokke-Heist Beste Jeugdboek 2004 ter waarde van 12.500 euro gewonnen. De Prijs Knokke-Heist is de oudste en belangrijkste manuscriptenprijs voor jeugdboeken (12 tot 16 jaar) in het Nederlandse taalgebied en bestaat sinds 1970 door een samenwerking tussen de gemeente Knokke-Heist en Davidsfonds Uitgeverij.
Liefdesgedicht van Antwerps stadsdichter voor ABC2004
Aan de gevel van de Boerentoren in Antwerpen is sinds kort het nieuwste stadsgedicht van Tom Lanoye - de enige echte stadsdichter van Antwerpen, te lezen. De startdag van ABC2004, vrijdag 23 april, was de geschikte aanleiding om het gedicht bekend te maken. Lees: www.boek.be.
De jonge, mannelijke & viriele KBC-toren is weg van de statige oude dame die de Kathedraal is. Eén toren verklaart zijn liefde voor een andere toren. Benieuwd hoe zij zal reageren? De kathedraal houdt haar antwoord in beraad tot het openingsweekend De Klank van de Stad op zaterdagavond 8 mei (Groenplaats).
Snelnieuws
Donderdag 27 mei om 19.30 en 20.45 uur: poëziewandeling door Gent met Ivo Van Strijtem en Koen Stassijns. Deze 'Avond met Neruda' kost 3 euro. Reserveren is aanbevolen: www.huisvanalijn.be.
Op het 30ste Poëziefestival van Beavoorde staat het oeuvre van dichter Patrick Lateur centraal. Meer informatie in de volgende aflevering van het Meandermagazine.
Poëzie-avond in de reeks De Muzeval
Op donderdag 23 mei is om 20.00 in Café De Muziekdoos aan de Verschansingstraat 63 te Antwerpen de 66ste poëzie-avond in de reeks De Muzeval. KRIS KENIS' KEUS, een voordracht uit het werk van Paul van Ostaijen, Hugo Claus, I.K. Bonset e.a. Na afloop en pauze is er open podium. De organisatie is in handen van Stichting Pipelines. Mail voor informatie: .
Poëzie in de Consul
Op zondag 9 mei vindt om 13.45 uur een literaire middag plaats in Café De Consul aan de Westersingel 28 te Rotterdam. Er wordt uit eigen werk voorgelezen door de dichters Jan Eijkelboom, Hamit Yüksel, Perla Sepúlveda en Han Ruijgrok. Kaapverdische muziek wordt uitgevoerd door Manu Ramalho, Kiki Gomes en Manuel Ferreira. De lezer spreekt met een bijdrage van Lily Touwen en er is open podium voor drie dichters uit het publiek. De presentatie wordt gedaan door Marco Nijmeijer. Mail voor informatie naar .
Tenminste houdbaar tot:
Wedstrijddata om in het oog te houden
Voor de tweejaarlijkse poëziewedstrijd van de Cultuurraad van Keerbergen kan je nog héél snel in de pen kruipen: enkel onuitgegeven en niet eerder bekroonde gedichten komen in aanmerking. Deelnemen mag met maximaal twee gedichten! Houdbaarheidsdatum: 15/05/04. Het wedstrijdreglement is terug te vinden op de website van Keerbergen: www.keerbergen.be (bij cultuur).
Elk jaar organiseert De Brakke Hond, het literaire tijdschrift met neus, een verhalenwedstrijd voor Nederlandstalige auteurs. Met circa 3500 woorden kan de schrijver 1250 euro winnen! Houdbaarheidsdatum: 01/06/04. Het wedstrijdreglement en extra informatie: www.brakkehond.be.
Het Staring Instituut organiseert in samenwerking met de Dialectkring Achterhook en Liemers en de vereniging Vrienden van de Streektaal veur Lochem en Umgeving een schrijfwedstrijd. Iedere deelnemer mag maximaal vijf ongepubliceerde gedichten inzenden. De gedichten zijn geschreven in het standaard-Nederlands maar bij voorkeur in één van de streektalen van Achterhoek en Liemers. Het thema is vrij. Deelnemers moeten wonen in Achterhoek of Liemers of uit één van beide gebieden afkomstig zijn. Houdbaarheidsdatum: 01/08/04 De gedichten moeten worden ingestuurd naar het Staring Instituut, Postbus 686, 7000 AR Doetinchem. Zie voor het volledige reglement: www.staringinstituut.nl.
De Tijdlijn is een Vlaams tijdschrift vol verhalen, artikelen en achtergrondinformatie over literatuur, literaire prijzen en nieuwe boeken met veel aandacht voor science fiction, fantasy en griezel. Net als in 2003 organiseert De Tijdlijn ook in 2004 een schrijfwedstrijd voor fantastische literatuur: science fiction, fantastiek, fantasy, horror, magisch-realisme. Schrijf een fantasy-verhaal, load het up en maak kans op een boekenpakket. De wedstrijd staat enkel open voor leden van detijdlijn@smartgroups.com. Lidmaatschap is gratis. Houdbaarheidsdatum: 01/09/04. Informatie: users.skynet.be/peter.motte/de.tijdlijn.
Het nieuws werd samengesteld door Jan Boonstra en Tine Moniek.
Nieuwsberichten voor Meander 241 van zondag 23 mei dienen uiterlijk dinsdag 18 mei in ons bezit te zijn. Stuur geen attachments mee. Berichten kunnen worden gestuurd aan (de letters X uit dit adres verwijderen!)
|
Colofon
Site: meander.italics.net
E-mailadres: (de letters X uit dit adres verwijderen!)
Redactie:
Adelheid Bekaert, Yves Joris, Gerard Kool, Joop Leibbrand, Margo Verbiest, Rob de Vos
Vaste medewerkers:
Jan Boonstra, Annette van den Bosch, Yvonne Broekmans, Hans Hamburger, Milla van der Have, Tine Moniek, Elly Woltjes.
Verder werken mee:
Chris Coolsma, Rutger H. Cornets de Groot, Joris Lenstra, Bert van Weenen, Atze van Wieren.
De gedichten worden beoordeeld door: Yvonne Broekmans, Hans Hamburger en Joop Leibbrand.
De verhalen worden beoordeeld door: Annette van den Bosch, Yves Joris, Margo Verbiest, Rob de Vos en Elly Woltjes.
Financiën:
Meander is gratis, maar ook uw financiële bijdrage is nodig!
Bijdragen vanuit
Nederland kunnen worden overgemaakt op Postbank giro 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit
België: Rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.
Abonneren, opzeggen en uw adres wijzigen gaat het eenvoudigst op het adres:
http://meandermagazine.net/service
en omslachtiger door gebruik te maken van de volgende e-mailadressen:
Abonneren door een mail aan met als onderwerp: subscribe (de letters X uit dit adres verwijderen!)
Opzeggen door een mail aan met als onderwerp: unsubscribe (de letters X uit dit adres verwijderen!)
(U kunt ook de hele krant aan ons retour zenden met ergens bovenaan de uitroep 'Unsubscibe!' of iets dergelijks, maar dat is de meest onbehouwen manier ...)
Kopij is welkom bij Meander. Zie http://meandermagazine.net/kopij/
Verdere verspreiding van de in deze uitgave opgenomen teksten is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s)
Zie ook op onze site: gedichten * verhalen * artikelen * recensies * interviews * links * klassiekers * archief