Meander op Zondag
Afl. 176   /   3 maart 2002
Gedichten - Mooi blauw - Recensie - Nieuws - Artikel - Colofon

Meander verschijnt wekelijks via e-mail  *  Site http://meander.italics.net
Abonneren, adres wijzigen of opzeggen? Kopij insturen? Zie onderaan de krant hoe dat kan.

<> Gedichten ..................................................
 

Zijn eerste keer

De dood komt, in wolken stapels
kracht. Ontroerend hoe hij moed
bijeen raapt. Naast het bed
fluistert Zeus namen in het water
die ik niet verliezen wil. Vlees is niets.

Het laken rimpelt onder zijn beweging.
Slagen als een stuiptrek. Macaber
zo'n ontvangst. Hij steelt de show
met vaardig uitgelokte beelden
achter ogen. Het moment is daar

waar hij zich bij mij voegt.


Annette van den Bosch



Bovenstaand gedicht van Annette van den Bosch is door de redactie van Meander gekozen tot Meander's gedicht van de maand maart 2002
'Zijn eerste keer' van Annette van den Bosch
Besproken door Milla van der Have

Ambiguïteit is het begrip waarmee taalkundigen het verschijnsel aanduiden dat één woord meerdere, verschillende, betekenissen heeft. In het Nederlands is het woord 'bank' een voor de hand liggend voorbeeld daarvan. Ambiguïteit komt ook voor in de poëzie, volgens sommigen is het zelfs het wezenskenmerk daarvan. Niet alleen omdat dichters natuurlijk ruimschoots gebruik maken van ambigue woorden, maar ook omdat een gedicht als geheel ambigu kan zijn. Een gedicht kan twee, of zelfs meer, verschillende interpretaties hebben, die elkaar geenszins uitsluiten. Iets dergelijks is aan de hand met Zijn eerste keer, Meanders gedicht van de maand maart. Het gedicht kan op meerdere manieren geïnterpreteerd worden, waarbij de verschillende betekenissen uiteindelijk mooi in elkaar grijpen.

De titel van het gedicht, Zijn eerste keer, zet ons meteen op een bepaald spoor. Deze zinsnede roept het beeld op van een onervaren minnaar, een jongeling die voor het eerst het bed zal delen met iemand. Deze gedachte wordt door het hele gedicht heen ondersteund. Er is sprake van een hij, waarvan ontroerd wordt toegezien hoe hij moed verzamelt. Naast het bed bevindt zich Zeus, behalve oppergod der Grieken ook notoire schuinsmarcheerder, die de jongen blijkbaar moed influistert: 'Ontroerend hoe hij moed / bijeenraapt. Naast het bed / fluistert Zeus namen in het water'. In de tweede strofe rimpelt het laken en voegt de minnaar zich bij de ik-figuur. De jongen, hoewel zenuwachtig, heeft de 'sprong' gewaagd.

Aan de andere kant staan er in het gedicht ook talloze verwijzingen naar de dood. Dat begint al in de eerste regel: 'De dood komt, in wolken stapels / kracht.' Woorden als 'macaber' en 'stuiptrek' en de bewering 'Vlees is niets' versterken dat. Men zou dus evengoed kunnen zeggen dat het woord 'hij' uit de tweede regel verwijst naar de dood: 'De dood komt, in wolken stapels / kracht. Ontroerend hoe hij moed / bijeen raapt.' Het gedicht laat zich evengoed lezen als een beschrijving van hoe de dood nadert en zich bij de ik-persoon onder de lakens voegt, haar doet sterven. Daarbij verschijnt de dood dan eens niet als de gevoelloze zeis-zwaaiende Magere Hein, maar als een zenuwachtige maar tedere minnaar.

Beide interpretaties grijpen in elkaar, met name middels het begrip 'water'. Water is van oudsher het symbool van leven en schepping (Gods geest die over de wateren zweeft) als van de dood (de wateren des doods). Water is aldus een dubbelzinnig symbool, dat de ambigue betekenis van dit gedicht benadrukt. Bovendien zijn seks en dood nauwer met elkaar verbonden dan op het eerste gezicht lijkt. Het orgasme (de 'vaardig uitgelokte beelden achter ogen' uit het gedicht) wordt immers ook wel omschreven als 'de kleine dood', omdat, volgens sommige wetenschappers, bij het sterven dezelfde chemische processen in de hersenen optreden als bij het orgasme.

Naast water wijst ook de aanwezigheid van Zeus op de sterke verbondenheid van seks en dood, want de oppergod speelt een verdachte dubbelrol in dit gedicht. Op het eerste gezicht duikt hij slechts op om een onervaren minnaar moed in te spreken. Hij is per slot van rekening, als 'lover par excellence', de uitgerekende persoon om dat te doen. Maar dat hij 'namen in het water' fluistert is een wat vreemde aanvuring, vooral als de dichter daarna opmerkt dat ze die namen niet wil verliezen. Vlees is niets, maar de namen zijn belangrijk. Niet voor niets werden namen vroeger (en door bepaalde stammen ook nu nog) gezien als het wezenskenmerk van de mens. Het verliezen van de naam staat gelijk met het verliezen van de ziel. Maar wat hebben Zeus en de jonge minnaar van doen met namen?

Zeus' vele vrijpartijen met godinnen van allerlei rang en stand in de Griekse mythologie wordt door wetenschappers wel uitgelegd als een mythische weergave van de weg die deze god aflegt naar totale suprematie, een weerslag van hoe hij in de loop van tijd steeds meer gezien wordt als oppergod. Zijn avontuurtjes met godinnen staan symbool voor het feit dat hij de plaats van die godinnen inneemt, hun functie als het ware overneemt. In feite berooft Zeus zijn geliefden van hun wezen en dus van hun namen, door seks met ze te hebben. En wie niet 'gedood' werd doordat Zeus ze 'overnam', die wachtte wel een nare wraakactie van Zeus' liefhebbende echtgenote Hera. Kortom: een escapade met de oppergod was nooit zonder levensgevaar.

De 'hij' in het gedicht kan dus ook nog verwijzen naar Zeus, evenals de 'wolken stapels kracht' uit de eerste regel, want wolken zijn bij uitstek attributen van de oppergod. Dan is de minnaar Zeus, die naast genot ook angst met zich meebrengt, angst om te sterven. Seks met Zeus staat in een bepaald opzicht gelijk aan de dood, vandaar dat het gedicht begint met 'De dood komt'. Vandaar ook dat de ik-persoon bang is om 'de namen' te verliezen. Een avontuurtje met Zeus kan namelijk heel goed leiden tot een 'mythologische' dood, het verliezen van je wezen.

Deze drie lezingen (de jonge minnaar, de naderende dood, Zeus) zijn als drie draden, die naast elkaar kunnen bestaan, maar zich ook samen laten vlechten tot één geheel: de vleselijke daad is aan de ene kant een scheppende daad en houdt het leven in stand, maar staat aan de andere kant gelijk met een beetje doodgaan, de kleine dood die het orgasme is. Bovendien draagt seks het risico in zich dat je je zelf verliest, je naam en je wezen kwijtraakt. De daad behelst zowel leven als (een mythische) dood. Zelfs seks is ambigu.

Milla van der Have



Oktober

Zachtjes bloeit de zomer leeg
de herfstwind laat de bladeren zingen
van het gezicht dat ik zo liefheb.

Steeds bleker smelt de zon.
Een laatste blik nog werpt zij
op de ogen door het haar omlijst.

Nog even en de mond verdwijnt
in schemer. Maar niet in leegte.
Niet in schaduw van de tijd.

Mijn hand raakt nu de aarde.
Het wintergras staat voor de deur.
Nog slechts heel traag wil ik bewegen.

Niet vruchteloos meer zwoegen
met een vergeefse frons van pijn.
Nooit meer verstarren in verwijt

aangeschoten door de kogels
van het onzegbare. Niet meer
zinloos sterven telkens weer.

Nooit meer die leegte van de nacht
als uit de hemel sterren vallen--
hou mij dan vast en noem mijn naam.

Laat ons groeien, langzaam aan.
Laat ons elkaar verkennen.
Op laatst lijkt niets meer vreemd

of onverwacht. Vinden wij ons
troebel bloed voorgoed gezuiverd.
Klinken wij op alles wat ons rest.

Op alles wat nog door het open
raam naar binnen waait.
Drinken wij op ons bestaan.


Henriette Faas




kaap de wanhoop

zo zijn we gaan liggen
hoe weten we niet

en praatten over de snelheid
van het licht

en werden omgekeerd
weer traag verliefd

en wisten dit niet

daarom misschien
in het donker
gingen we als zeevruchten
zitten

op de rotsen aan de rand
en keken naar de lichten van dover
aan de overkant

en zo op al wat door hen werd gezegd
hebben we ons
in hun bed
te slapen gelegd


Frans Thooft

luister




De langhaarpsychiaterkoorts

Wat hem bezielde weet beklaagde
Niet, tenzij een grote woede,
Een staande drukgolf uit den bloede,
Hem plots bevloeide of bevlaagde.

Een koortsaanval die door hem raagde?
Het is hem thans erg droef te moede
Hij schaamt zich en hij vreest de roede!
Waarom besprong hij toch belaagde?

O, Rechter van het hof van later:
Destijds vergat hij zich omdat
Een harig man het spreekvertrek betrad

Zijn eerste langhaarpsychiater
was net een kwade perzenkater!
Een kwelkat, die hem aan te staren zat!


Dirk van Babylon

 



advertentie

verbeter je schrijftalent via e-mail bij

WRITERS @T HOME
thuis in literatuurworkshops
klik hier voor meer informatie



<>

Mooi blauw

In Nederland

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om 't krijsen van mijn lust
zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkerend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenoten smaden mij: "Hij is mislukt."
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om 't welzijn van zijn medemensen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ranselen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandelen zonder reden
Getuigt van tuchteloze zeden.

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Lelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen...
Daar lopen allen met een stijve boord -
Uit stijlgevoel niet, om te tonen
Dat men wel weet hoe het behoort -
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerlozen gekweld,
Nooit wordt zo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.



Jan Jacob Slauerhoff
Uit: Verzamelde gedichten. Deel II. 7e druk. Nijgh & Van Ditmar, 1963. (Herspeld)

 

"Wat is jullie favoriete gedicht?" vroegen we aan Alexandra Ekkelenkamp, Yassine Ganouter, Diana van der Pluijm en Erik Verhaar.
Een van hen koos voor het 'In Nederland' van Slauerhoff. Nog zonder te weten wie het had uitgekozen gaf ieder zijn mening over dit gedicht.




U kunt op deze rubriek reageren via dit


           
Erik: Ik vrees dat dit soort gezellig ouderwetse ballades niet zo aan mij besteed zijn. Ik kan me er wel mee vermaken, daar niet van, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Het gedicht blijft ook wel heel erg aan de oppervlakte: over het beknottende zedelijke klimaat van nuchter Nederland is al meer geschreven, en beter ook. Het gedicht kan mij niet tot vernieuwde inzichten brengen, en het gerijm is af en toe zo aanwezig dat het storend wordt. Ik kan me indenken dat het gedicht prima werkt wanneer het, begeleid met stemmige accordeonmuziek, gezongen wordt door de door heimwee en rum gebroken stemmen van zeewaarts varende matrozen, maar helaas, mij doet het weinig...

Yassine:.....begeleid met stemmige accordeonmuziek, gezongen wordt door de door heimwee en rum gebroken stemmen van zeewaarts varende matrozen.... (geestig)

                      
Yassine: Dit gedicht, van JJ Slauerhoff, zonder twijfel de allergrootste dichter ooit van Nederland - en wie anders beweert heeft er niet veel van begrepen - is mij het meest dierbaar van alle gedichten omdat dit het gedicht was dat mij leerde dat poëzie geen verwijfd tijdverdrijf hoeft te zijn, louter ter vermaak van literatuursnobs. Dit gedicht 'hoorde' ik voor het eerst op zestienjarige leeftijd, tijdens een les Nederlands die zich voor altijd in mijn geheugen heeft gegrift. De desbetreffende leraar Nederlands was merkwaardig genoeg een grote fan van Giphart. Maar van overheidswege moest hij gelukkig zijn enthousiasme voor deze schrijver wat temperen om ons kennis te laten maken met de wat oudere en wat minder oversexte literatuur van Nederland. En wat een heerlijke sensatie voor de oren! Erik Verhaar noemt het gedicht oubollig en sentimenteel. Ik noem dit gedicht een vlijmscherpe ontleding van een mentaliteit, waar een zestienjarige Havo-scholier het alleen maar eens mee kan zijn. "Men moet er altijd naar iets streven" Dat is toch een zin die je een vrijbriefje geeft om al je schoolboeken te verbranden en voor altijd de wereldzeeën te bevaren, naar plaatsen waar het altijd beter dan hier zal zijn ?! En als je leest: 'Maar niet een facie ranselen dat het knalt/Alleen omdat die trek mij niet bevalt', dan vouw je je handen ineen en val je neer op je knieën en bedank je de goeie Heer dat je niet de enige bent die een facie wil ranselen dat het knalt, alleen omdat die trek, zoals de lompe bakkershumor van de Amsterdammers, je niet bevalt. Maar dit gedicht reikt zijn climax wat betreft het kwajongensgehalte in de laatste twee zinnen: 'Nooit wordt zo'n plompe boerenkop gesneld/En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.' En nooit, neen nooit, heb ik als zestienjarige zo mijn gelijk gekregen over Nederland als toen ik dit gedicht hoorde. Ik merk nu dat ik dol word van de geestdrift over hoe geweldig ik dit gedicht vind. Ik zou ook dan dagen kunnen doorgaan, maar laat mij nu volstaan met te zeggen dat dit gedicht mij heeft gewonnen voor dat tijdverdrijf van enkele fijne luyden, genaamd: poëzie.

              
Diana: Vreemd gedicht. Ik weet eigenlijk niet echt wat ik er nou van moet maken. Op zich vind ik het een goed gedicht om te lezen, maar de doorbraak van het ritme door de zinnen die op elkaar rijmen hier en daar om te draaien zorgde er voor dat ik soms even stokte bij het hardop voorlezen.

In de eerste 'alinea' uit de persoon uit het gedicht (of dit nu de dichter zelf is of niet) zijn ongenoegen over het feit dat je in Nederland je lusten niet uit mag leven, omdat de buren niets beters te doen hebben dan te letten op jou en of je je wel gedraagt. Nu hangt het er toch van af wat voor lusten dat zijn, en zodra deze sociaal gezien niet geaccepteerd worden vind ik het toch niet vreemd dat je deze niet mag zomaar mag botvieren. In andere landen zou dat ook niet mogen.
In het tweede gedeelte gaat hij over op het feit dat hij niet wil sterven in Nederland, omdat de mensen daar niet zouden leven. Natuurlijk zijn er van die mensen die het leven aan zich voorbij laten gaan, maar betekent dat meteen dat dit voor alle Nederlanders geldt? Beetje negatief hoor.
Om je medemensen denken, zoals de persoon uit het gedicht in het derde stuk zegt, is echt niet verkeerd, hoor. Daar zou de wereld een heel stuk beter van worden juist. Ook doet dit stuk mij vermoeden dat de schrijver graag meer zinloos geweld zou willen in de samenleving. De manier waarop hij beschrijft dat hij het vreselijk vindt dat hij niet zomaar iemand's 'facie' mag ranselen omdat dit hem niet aanstaat, roept bij mij een gemeend "Huh?" op.
Het vierde stuk valt een beetje buiten de gezette toon. Want zeg nou eerlijk, niemand vindt ALLE huizen die ooit gebouwd zijn mooi! En dat er mensen zijn die nog op zondag naar de kerk gaan en nette kleding aantrekken "om te tonen dat men wel weet hoe het behoort", wat is daar nou fout aan? Ik zou het toch bijzonder vreemd vinden als iemand die zo is opgevoed plots met gescheurde spijkerbroek en een zwart t-shirt met satanisch aandoende opdruk op zondag in een kerk zou verschijnen! Zonder dit stuk zou het gedicht in mijn ogen beter zijn, want dit is gewoon muggeziften.
Als laatste verwijt de schrijver de mensen in Nederland dat zij zich nooit ergens druk om maken en nooit risico's nemen. En dat er nooit een passiemoord wordt gepleegd? Dat gebeurt al sinds de mens wapens ter hand kon nemen om een ander de kop in te slaan. Dus dat is onzin. Overigens zijn moorden nooit mooi.
Het enige gevoel dat dit gedicht bij mij losmaakt is een gevoel van willen provoceren op een bijna botte manier. Mensen die in Nederland wonen zijn volgens de dichter in feite geen knip voor de neus waard. Toch kan je het niet opvatten als een aanklacht tegen de Nederlandse samenleving, want in feite dicht de dichter de Nederlanders positieve eigenschappen (medemenselijkheid, gedragen zoals het hoort, niet zomaar iemand aftuigen en/of vermoorden) toe. Tja, ach, gut, meer kan ik er eigenlijk niet over zeggen.

Yassine: Ik geef toe dat ik het zeer vervelend vind dat mijn enthousiasme voor dit gedicht niet door jullie (Erik en Diana) gedeeld wordt, maar daar staat weer tegenover dat ik zeer vertederd raak over de naïeve manier waarop jullie dit gedicht hebben geïnterpreteerd. Diana, sta mij toe om je de verbijsterende onthulling te doen dat een gedicht, althans een verteerbaar gedicht, geen zedenles moet/hoeft te zijn. Dus als Slauerhoff geweld en moord verheerlijkt betekent dat niet dat we met keukenmessen en bijlen de straat op moeten rennen om iedereen wiens kop ons niet aanstaat naar het hiernamaals te steken. Dat lijkt mij toch zeer logisch. Slauerhoff maakt gebruik van een geestige overdrijving die tegelijk de spot drijft met de Nederlands/calvinistische mentaliteit als met zijn eigen frustraties over deze mentaliteit. En is de overdrijving niet de perfecte stand-in van de werkelijkheid? Erik heeft niet veel op met dit gedicht. We leven in een democratisch land (België toch ook?) waar iedereen mooi of slecht mag vinden wat hij of zij zelf wil. Het is dit democratisch voorrecht dat mij de gelegenheid biedt om zijn oordeel in de prullenbak van al te makkelijke oordelen te gooien. Het zou zinloos zijn om de anciënniteit van dit gedicht te betwijfelen, maar het als een anachronisme bestempelen op basis van haar rijm en thema is, ja, hoe zeg je dat... erg kort door de bocht. Enfin, net zo min als je het bestaan van cornflakes kunt ontkennen, kun je ook niet ontkennen dat dit gedicht -dat door tientallen generaties erkend wordt als een briljant staaltje vakmanschap- goed is. I rest my case.

Erik: (Overigens, Yassine, ben ik geen Belg; ik ben een Nederlander die verzeild geraakt is in België, omdat hij in Nederland niet wil leven, laat staan sterven).
Ik heb nooit gezegd dat ik echt tégen dit gedicht ben; wat mij vooral van het hart moest, was het feit dat het mij niet echt kon boeien. Geen wereldschokkende ideeën daalden bij het lezen neer op mij, en de verwoordingen lieten mij ook vrijwel koud, eigenlijk. De 'drive' van Slauerhoff is duidelijk niet aan mij besteed. Waarvoor sorry ...

                           
Alexandra: Na het lezen van het commentaar van Yassine weet ik dat ik niet de enige ben. Ook voor mij was het juist Slauerhoff die de deur naar poëzie echt openzette. Ik was 15 toen ik voor het eerst een strofe uit het gedicht Woningloze las: 'Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. / Zolang ik weet dat ik in wildernis, / In steppen, stad en woud dat onderkomen / Kan vinden, deert mij geen bekommernis.' Het sloeg in als een bom: hier schreef iemand dat hij alleen in zijn gedichten kon wonen! Dat gevoel had ik ook- en nu zag ik het eindelijk verwoord door een bekende dichter. Voor het eerst las ik 'volwassenenpoëzie' waar ik me in kon vinden, oude poëzie die niet alleen maar wollig was. Slauerhoff leerde mij hoe spánnend poëzie kan zijn. Vanaf dat moment is hij niet meer van mijn zijde geweken- en nog steeds is het prettig verdwalen in zijn gedichten.

Dit gedicht, 'In Nederland', is één van zijn bekendere gedichten. Hoewel niet mijn favoriete gedicht, kan het me wel bekoren. Waar vind je immers nog 'bejaarde' gedichten die ook nu zó actueel zijn? Bij het zien van de zoveelste Vinex-locatie bijvoorbeeld bekruipt mij vaak het gevoel dat Slauerhoff zo treffend verwoordt: 'Ik wil niet in die smalle huizen wonen, / Die Lelijkheid in steden en in dorpen / Bij duizendtallen heeft geworpen...' En dan de kleinburgerlijkheid die ook nu nog regeert in Nederland: 'Men moet er steeds zijn lusten reven, / Ter wille van de goede buren. / Die gretig door elk gaatje gluren.' Dingen dragen omdat dat zo hoort, alsmaar stijf blijven (zie de 'inburgeringscursus' van Máxima), alsmaar rekening houden met wat anderen van je zullen denken... Dat is toch nog aan de orde van de dag?

Dit gedicht is zo herkenbaar dat het haast griezelig wordt. Bij leven joeg Slauerhoff menig landgenoot al het schaamrood naar de kaken, maar nu, bijna 70 jaar na zijn overlijden, doet hij dat nog steeds. Natuurlijk kun je het rijm als oubollig aanmerken, maar de passie, het vuur achter zijn woorden spreekt nog steeds. Je merkt dat dit gedicht een kern heeft, een urgentie, een 'drive'. Dát is de kracht van Slauerhoff. Zelfs in woorden en soms in een spelling die voor ons ouderwets zijn, weet hij de lezer te overtuigen. Hem lukt het, in tegenstelling tot sommige moderne dichters, altijd om je mee te slepen: de haven uit, het avontuur in. In zijn gedichten kun je váren, eindeloos.
En als je dan 's ochtends weer eens op de trein staat te wachten of in de file staat, begrijp je hem ineens veel beter: 'In Nederland wil ik niet blijven, / Ik zou dichtgroeien en verstijven.'

 
Yassine: Na lezing van alle commentaren, incluis die van mij: "Mijn god, wat gaat het er toch klinisch aan toe! Het lijkt wel alsof we allemaal college lopen bij M.Doorman."

Alexandra Ekkelenkamp, Yassine Ganouter, Diana van der Pluijm Erik Verhaar



<> Recensie ........................................
 

Het werd, het was, het is gedaan

Een recensie door Joop Leibbrand


M. Vasalis (Margaretha Drooglever Fortuyn-Leenmans, 1909-1998) debuteerde in 1940 met Parken en Woestijnen. Hoewel de bundel slechts eenentwintig gedichten telde, was hij van een ongekende rijkdom: veel gedichten eruit werden bij verschijning al klassiek, zoals Afsluitdijk ("De bus rijdt als een kamer door de nacht"), De idioot in het bad, Tijd ("Ik droomde dat ik langzaam leefde..."), Fanfarecorps ("eerbied voor de gewoonste dingen"), Onweer in het moeras en De krekels. Geen wonder dat er meer dan dertig (!) herdrukken van volgden.
Hier was een dichteres aan het woord met een direct aansprekende eigen toon, een zelfbewuste, betrokken jonge vrouw die zich op een rustige, heldere en ogenschijnlijke eenvoudige wijze uitsprak over nauwelijks benoembare, maar wel herkenbare gevoelens die vooral cirkelden om de onzekerheid over het menselijk bestaan en de eeuwige spanning tussen het tijdelijke en het tijdloze. "Er is geen einde, en geen begin / aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden, / alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.", luidt het slot van Afsluitdijk. En dat van De krekels is: "Geen groot verlangen, geen enkele wil / kan maken, dat hij even wacht, / de eenmaal aangevangen tijd. / Ondanks de schijn van eeuwigheid / in enkle stille ogenblikken / hoor ik voortaan een fijn, schor tikken, / word ik geschonden door het weten: / ook dit wordt langzaam opgesleten."

In 1947 volgde het één vers meer tellende De vogel Phoenix, waarover critici schreven dat haar dichterschap door persoonlijk en algemeen verdriet (respectievelijk het overlijden van een kind en de oorlog) nog aan diepte gewonnen leek te hebben. Opnieuw is er de spanning. In Appelboompjes schrijft zij met overtuiging: "Voller wordend met de dagen, / vastgegroeid in 't ogenblik, / bestemd, mijn zustertjes, - als ik - / te wortlen, rijpen en vrucht te dragen." Maar in Tussen de lage kamer... zegt zij: "En ik weet niet wat mijn eigenlijke wetten zijn, / ik zoek een ver, onmenselijk en zeker teken / uit deze wildernis van pijn / en zelve ben ik te verward, te warm, te klein." En in Wat moet ik doen... geeft zij aldus uiting aan het gevoel dat een mens te klein is om het leven te omvatten: "Hoe sterk de werkelijkheid, hoe zwak / mijn instrument, dat alles duidt / en zoekt t' omvatten. Maar het deinst / terug en klein als sterren beven / de grote waarheden van het leven."

In 1954 verscheen de bundel die bijna vijftig jaar lang haar laatste zou zijn: Vergezichten en gezichten. Liefst 58 gedichten dit keer, waaronder opnieuw zeer veel aansprekende, zoals Aan een boom in het Vondelpark en Streng en aanbiddend... (zie voor een bespreking hiervan http://meander.italics.net/klassiekers/), Paard gezien bij circus Straszburger, Eb ("Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?") Er zijn dingen, die alleen het oppervlak beroeren ("Maar er zijn soorten van verdriet, / die iets verandren aan het lied. / Men wordt bespannen met heel andre snaren / en wie het niet ervoer, die weet het niet.") Of het nu gaat om gevoelens van onrust en onzekerheid, van liefde, geluk of verdriet, telkens treft de toon van warme, wijze, nooit sentimentele aandacht. Geen wonder dat de eerste strofe van Sotto voce vaak gebruik wordt in overlijdensadvertenties. Vaak is dat een twijfelachtige eer voor een dichter, maar deze regels behouden ook daar hun zuiverheid: "Zoveel soorten van verdriet, / ik noem ze niet. / Maar één, het afstand doen en scheiden. / En niet het snijden doet zo'n pijn, / maar het afgesneden zijn."

En dan is er nu, als bij verrassing – maar toch al eerder aangekondigd – De oude kustlijn, een bundel met 53 'nieuwe' gedichten uit de nalatenschap (al werden enkele ervan, zoals bijvoorbeeld het indringende Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder reeds eerder gepubliceerd), die het beeld bijstelt van een dichteres die geen poëzie meer zou schrijven en evenmin nog geïnteresseerd zou zijn geweest in publicatie. Vasalis is blijven dichten en besloot enkele jaren voor haar dood zelfs om opnieuw een bundel samen te stellen. Tot twee maanden voor haar overlijden hield zij zich hiermee bezig – en schreef ze nog nieuw werk. Uiteindelijk, toen bleek dat zij haar werk niet meer voltooien kon, vroeg zij haar kinderen de keuze te maken uit oud en recent werk en de uitgave ervan te verzorgen. Lous, Hal en Maria Drooglever Fortuyn hebben zich voor zover valt vast te stellen gewetensvol van hun taak gekweten; in hun sympathieke nawoord zetten zij uiteen hoe zij de chronologie in de volgorde van ontstaan als uitgangspunt genomen hebben en deze zo goed mogelijk hebben gereconstrueerd.

De titel blijkt hun moeder zelf ooit genoemd te hebben. "Ze vertelde", zo schrijven zij, "dat haar vader haar vroeger eens tijdens een strandwandeling wees op een vlucht vogels boven de zee: 'Die volgen de oude kustlijn'."

In tegenstelling tot veel andere uitgaven van nagelaten werk – vaak tegenvallend, niet voor niets had de dichter zelf publicatie ervan niet wenselijk geacht – hebben we hier te maken met een in alle opzichten volwaardige bundel, die niet onderdoet voor Vergezichten en gezichten en die in één opzicht zelfs interessanter is, omdat een periode van zo'n vijftig jaar wordt omspannen en we dus een lange ontwikkeling kunnen volgen. Eén ding valt onmiddellijk op: de zo kenmerkende toon van Vasalis, haar zo speciale 'stemming' blijft tot het einde toe onveranderd, verzwakt niet, wordt zelfs pregnanter. Ook wat haar onderwerpen betreft is zij consistent: natuur, eigen natuur, gezin (moeder, kinderen, geliefde) keren telkens terug, waarbij heel duidelijk is hoe groot haar behoefte aan veiligheid en bescherming is – gevend en nemend – en met hoeveel bescheiden waardigheid zij zich telkens uitspreekt.

Heel fraai is het openingsgedicht van de bundel:


De wind is het al begonnen
je profiel te slijpen, je haar te fronsen
je ogen donker aan te blazen
de wind is het al begonnen
het papier om mij los te maken
mij uit te pakken, om te woelen.
Er is iets groots, iets wilds en rustigs gaande
in ons, aan de kant van het water staande
als stemvorken staan onze hoge benen
en zoemen op de zoemende grond,
het is te horen als we even
stilstaan, luistrend, mond op mond.


En schrijnend – ondanks de duidelijke onthechting – het slot:


Sub finem

En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten -
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.


Het is superieure poëzie van een dichteres die tot het einde toe ongebroken is. Zuiver, en vervuld van een groot mededogen. Niemand die zich in het eerdere werk van Vasalis gevonden heeft, mag zich deze fraai uitgegeven bundel laten ontgaan.


M. Vasalis – De oude kustlijn
Uitgeverij Van Oorschot
ISBN 90 282 0965 4
72 blz., € 20,00


Joop Leibbrand
 



advertentie

tijdschrift
SCHRIJVEN
tussen fascinatie en publicatie
Diamonds r 4 ever
klik hier



<> Nieuws ......................................

 

22e Nacht van de Poëzie in Vredenburg
In de tweeëntwintigste Nacht van de Poëzie treden tweeëntwintig Nederlandstalige dichters uit België en Nederland op. Zij lezen voor uit eigen werk, afgewisseld met muzikale en andere entr'actes.
De dichters (in alfabetische volgorde): Mark Boog, Anneke Brassinga, Jozef Deleu, Arjen Duinker, Jan Eijkelboom, Geert van Istendael, Esther Jansma, Frans Kuipers, Joke van Leeuwen, Erik Menkveld, Ramsey Nasr, Roel Richelieu Van Londersele, Hans Tentije, Eddy van Vliet, Elly de Waard, Rogi Wieg, Menno Wigman, Nachoem Wijnberg en Joost Zwagerman.
Datum en tijd: zaterdag 9 maart, 20.00 uur
Locatie: Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht
Toegang: € 24,-
Meer informatie: tel. 030 231 45 44

Liefde en zo
Het duo Hoed en de Rand (Jelle van der Meulen, zang en accordeon en Peter van der Stee, zang en gitaar) komt in het kader van de boekenweek met 'Liefde, geluk en andere problemen', een programma van ongeveer een uur met op muziek gezette liefdesgedichten van Hans Andreus, Nico Scheepmaker, Gerrit Komrij, Jean Pierre Rawie, Piet Paaltjens en J.J. Slauerhoff. Daarnaast brengen ze eigen liedjes.
Datum en tijd eerste optreden: woensdag 13 maart, 20.30 uur
Locatie: Openbare Bibliotheek, Cor Gordijnsingel 3, Leiderdorp
Datum en tijd tweede optreden: zaterdag 16 maart, 14.00 uur
Locatie: Openbare Bibliotheek Regentessekwartier, Newtonstraat 8, Den Haag
Meer informatie: hoedenderand@tiscalimail.nl
Zie ook: http://www.iskra.demon.nl

De Moor in Breda
In het kader van de boekenweek organiseert Bibliotheek Breda een literaire avond met schrijfster Margriet de Moor. Zij vertelt over haar laatste boek Kreutzersonate, een roman over liefde, noodlot en jaloezie. André Telderman (piano) en Ruggiero Vitalis (viool) brengen het eerste deel van de Kreutzersonate van Beethoven ten gehore.
Na de pauze heeft Jan Hein de Nobel een gesprek met Margriet de Moor over haar werk, over muziek en literatuur. Vragen aan haar kunt u vóór 14 maart mailen naar of sturen naar Bibliotheek Breda, Molenstraat 6, 4811 GS Breda. Een selectie van deze vragen wordt voor het interview gebruikt.
Datum en tijd: vrijdag 15 maart, 20.15 uur
Locatie: Concertzaal De Nieuwe Veste, Molenstraat 6, Breda
Toegang: € 7,50
Meer informatie: http://www.bibliotheekbreda.nl

Giphart in Boxtel
Ook in het kader van de boekenweek zal auteur Ronald Giphart in Boxtel een lezing houden over zijn werk. Thema's in zijn werk zijn liefde, seks en literatuur. Giphart debuteerde met Ik ook van jou, zijn jongste boek heet Ten liefde.
Datum en tijd: dinsdag 19 maart, 20.00 - 22.00 uur
Locatie: Jacob-Roelandslyceum, Grote Beemd 3, Boxtel
Toegang: € 6,- voor leden van Bibliotheek Boxtel, € 7,- voor niet-leden
Organisatie: Bibliotheek, Boekhandel Elckerlyc en Jacob-Roelandslyceum
Inlichtingen: Marlies Mertens, tel. 0411 67 29 70

Schrijversfestival Steenwijk
Van vrijdag 1 t/m dinsdag 26 maart vindt in Steenwijk en omstreken voor de vijftiende keer een schrijversfestival plaats met voorleesavonden, film, theater en de presentatie van een boekje. Meer informatie: http://www.schrijversfestival.nl/sfwelkom.htm

Bal des refusés
De tijdschriften De Koperen Ploert en Propria Cures houden op dinsdag 12 maart in Paradiso een alternatief Boekenbal - terwijl op een steenworp afstand het echte Boekenbal plaatsvindt. Het Bal des Refusés wordt geopend door Gerrit Komrij. Ook Jeroen van Merwijk, Gummbah, Hans Teeuwen en Huub van der Lubbe zijn aanwezig. Het bal is ook en vooral bedoeld voor latente schrijvers, dichters, beeldmakers, muzikale- en andere podiumtalenten. De bezoekers wordt gevraagd als 'lookalike' te verschijnen.

Vijfde Dag van de Poëzie in Landgraaf
Op zaterdag 20 en zondag 21 april vindt in het Nederlands-Limburgse Landgraaf de (vijfde) Dag van de Poëzie plaats. Een dertigtal dichters uit Nederland en Vlaanderen treedt op voor jeugd en volwassenen. Er is een keur aan afwisselende entr'actes.
Op zaterdag 20 april vindt een forum plaats, georganiseerd i.s.m. De Gids, over het thema 'Dichten en vertalen'; deelnemers zijn o.a. Anneke Brassinga en Menno Wigman. Op het Jeugdpoëziefestival op zondag 21 april treden Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, Erik van Os en Arjan Witte op. In het hoofdprogramma, eveneens op 21 april, treffen we dichters aan als Ramsey Nasr, Cees Nooteboom, Peter van Lier, Anne Vegter, Jo Govaerts, Leo en Tineke Vroman, Jules Deelder, Erik Menkveld, Marjoleine de Vos, Esther Jansma en Mark Boog.
Meer informatie: http://www.poeziefestival.nl
Tel.: 045 569 52 92 (Frans Bremen/Laura Wolf).

Verhalenwedstrijd van De Brakke Hond
De Brakke Hond, literair tijdschrift met neus, organiseert voor de achttiende keer een verhalenwedstrijd.
* Eerste prijs: € 1.250
* Deadline: 1 juni 2002
* Lengte: ± 3.500 woorden
* Onderwerp: naar keuze
* Aantal verhalen per persoon: 1
Het reglement is ook te vinden op http://www.brakkehond.be/reglem.html
Een overzicht van eerdere winnaars: http://www.brakkehond.be/vhw.asp

Poëzie en proza in de Bonnenpolder
Stichting De Bonnen en Stichting Promotie Hoek van Holland, organisatoren van Poëzie en Proza in de Bonnenpolder Editie II, zijn op zoek naar dichters, vertellers en sponsoren uit de regio Hoek van Holland die op of voor zondag 21 juli een literaire en/of financiële bijdrage willen leveren aan de tweede editie van dit literaire festival op de Bonnendijk in de natuurrijke en natuurlijke omgeving van de Bonnenpolder.
Meer informatie: Dirk Tempelaar, tel. 0174 38 88 38 of

Libris-prijs
Gerrit Komrij, Harry Mulisch, Karel Glastra van Loon, Margriet de Moor en zestien anderen staan met hun jongste boek op de longlist voor de Libris-prijs. De shortlist volgt over een maand, de bekendmaking van de winnaar op 8 mei.
Uitgeverij Conserve heeft medegedeeld dat het geen boeken meer inzendt voor de Libris- en de AKO-prijs: "Kleinere uitgeverijen hebben al jaren het nakijken (...). De winnaars komen altijd uit het Amsterdamse grachtencircuit of de periferie eromheen, terwijl ik de kwaliteit ervan betwist." U. Kiekens van de Stichting Libris Literatuur Prijs noemt deze uitspraken ongenuanceerd: kwaliteit is het enige criterium.

Hoezo dode dichters?
Een medewerkster van TV-producent Endemol heeft per e-mail aan uitgeverij Querido gevraagd, of de dichters J.C. Bloem en Gerrit Achterberg voelden voor deelname aan het KRO-programma Tien voor Taal.
In de praktijk een beetje lastig: Bloem overleed in 1966 op 79-jarige leeftijd en Achterberg zou als hij nog geleefd had -maar dat is al veertig jaar niet meer het geval- 97 zijn geweest.
Beide dichters kunnen zich er vanaf hun plekje op de Olympus in elk geval over verheugen, dat hun teksten nog springlevend zijn.
(Bron: ANP)

Het nieuws werd samengesteld door Yves Joris en Raymond Noë

 


Maandagavond 4 maart is er van 20.00 tot 21.00 uur weer de mogelijkheid tot chatten met lezers en redactieleden van Meander op het adres
meander.italics.net/chat


<> Artikel ..................................................
 

Louis-Ferdinand Céline, profeet in de woestijn? (1)

Guy Dupré


Van Courbevoie naar Meudon

Louis Destouches, zoon van Ferdinand Destouches en Marguerite Louise Céline Guillou, wordt op 27 mei 1894 te Courbevoie geboren. Vader Fernand is bediende bij de verzekeringsmaatschappij Le Phénix en moeder Marguerite heeft een winkeltje in de Passage Choiseul, hartje Parijs. Louis groeit dus op in een modaal middenstandsmilieu, waar men belang hecht aan de 'juiste', algemeen gangbare waarden en opinies waar patriottisme en antisemitisme deel van uitmaken.

Echte geldzorgen kent het gezin niet; de jonge Louis volgt taalcursussen in Engeland en in Duitsland, wat hem een basis moet verschaffen voor de door zijn ouders uitgestippelde carrière in de handel. Zijn jeugd neemt in 1912 vrij bruusk een andere wending wanneer hij in dienst gaat en kennismaakt met het twaalfde regiment Kurassiers in Rambouillet. De ontnuchterende confrontatie met het brutale kazerneleven is nog maar de prelude tot de traumatiserende ervaring die hij opdoet op het veld van eer. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt het regiment waartoe wachtmeester Destouches behoort de Vlaamse vlakten ingestuurd. De jonge wachtmeester wordt in oktober 1914 aan de arm verwond. Na een periode van herstelverlof vertrekt hij naar Londen, overdag werkt hij op het paspoortenbureau van het Franse consulaat, 's nachts pierewaait hij er duchtig op los, gebruik makend van zijn aureool van jonge oorlogsheld. Hij treedt in 1916 in het huwelijk met Suzanne Nebout, maar keert kort daarop alleen naar Parijs terug. In Frankrijk is het huwelijk ongeldig.

De oorlogsheld beproeft zijn geluk in Kameroen, maar het klimaat bekomt hem slecht en dus begint de inmiddels oud-strijder en oud-koloniaal in 1918 aan een tournee in Frankrijk als spreker voor de Rockefeller-Stichting die een campagne lanceert ter bestrijding van tuberculose.

In Rennes maakt hij kennis met dokter Athanase Follet, directeur van de Medische Hogeschool en vader van een charmante dochter, Edith die, jawel, mevrouw Destouches zal worden. Het is bijna een sprookje: de ambitieuze jongeling krijgt de hand van de dochter als hij zijn diploma van dokter in de geneeskunde behaalt. In 1924 promoveert Louis Destouches op een literair proefschrift Leven en werk van P.I. Semmelweis. De kersverse arts krijgt bovendien een betrekking bij de Volkenbond. Hij maakt verschillende reizen, o.m. naar de VS en Afrika. Mevrouw Destouches-Follet apprecieert het vrijgezellenbestaan van haar echtgenoot niet en verkrijgt in 1926 de echtscheiding. Het contract bij de Volkenbond wordt niet verlengd. Dokter Louis Destouches zoekt en vindt troost bij zijn Amerikaanse vriendin Elizabeth Craig, werkt in de polikliniek van Clichy en begint met vliegend vaandel en slaande trom aan zijn literaire carrière.

In 1932 zorgt Voyage au bout de la nuit voor een eerste schandaal. De publicatie van zijn (niet bepaald geslaagde) toneelstuk L' Église gaat vrij onopgemerkt voorbij, maar van 1936 af zal Louis-Ferdinand Céline de meest omstreden schrijver van Frankrijk worden. De roman Mort à Crédit wordt omwille van de schunnige taal niet op algemeen gejuich onthaald. Céline bezoekt de USSR en publiceert zijn eerste 'pamflet' Mea Culpa. Daarna zien de beruchte antisemitische teksten het licht: Bagatelles pour un massacre, 1937, L' École des cadavres, 1938 en in 1941 Les Beaux Draps. In 1943 treedt Louis Destouches voor de derde maal in het huwelijk, deze keer met Lucette Almanzor, tot op vandaag mevrouw weduwe Destouches. De dame heeft onlangs een niemendalletje laten publiceren over haar leven met de auteur. (1)

Wat Philippe Alméras de clochard-periode (2) noemt, begint in 1944 wanneer Céline de geliefde Franse bodem ontvlucht. Na een bewogen reis door Duitsland arriveert het gezin (Lucette, Louis en de legendarische kat Bébert) in Denemarken waar hun nieuwe akelige ervaringen wachten. Om een lang verhaal kort te maken: Céline leeft tot 1951 in ballingschap. Wanneer hij amnestie krijgt en naar Frankrijk mag terugkeren, verbetert zijn lot niet echt. Hij vestigt zich in Meudon, leeft en sterft er als outcast te midden van de schaarse wezens die hem nooit hebben verloochend: zijn vrouw en zijn huisdieren.

Feiten en mythe

Voor een goed begrip van het werk van Céline is het noodzakelijk feiten en mythe van elkaar te scheiden, zeker wanneer we de beruchte pamfletten in de juiste context willen plaatsen. Er is in 2002 geen discussie meer over de mythen die door de auteur zelf in het leven werden geroepen en vrij lang zijn biografie hebben vertroebeld.

Céline heeft geen ongelukkige jeugd gekend, zijn ouders waren geen armelui, hij heeft niet in een fabriek gewerkt tijdens zijn schooltijd, hij heeft geen schedeldoorboring ondergaan (hij had wel last voor oorsuizingen), hij was geen arbeider in de Ford-fabrieken, Rajchman (zijn chef bij de Volkenbond) heeft hem niet onheus behandeld, hij heeft in 1934 geen gevecht geleverd met de maffia om Elizabeth Craig te redden... deze overigens goed en lang volgehouden beweringen en nog een aantal fantasietjes van minder belang horen in de prullenmand. Hij was geen (rechtse) anarchist, noch een linkse rakker, maar hij is in wezen burgerlijk gebleven, zowel in de gedaante van een rokkenjagende dandy als in die van een clochard-heremiet. Hij was niet van opportunisme gespeend en hechtte wel belang aan het slijk der aarde; hij was geen doetje, maar kon buitengewoon innemend en charmant zijn.

Céline is nooit lid geweest van welke politieke partij dan ook, hij was het niet bepaald eens met de antisemitische doctrines zoals die door zijn landgenoten tijdens de bezetting werden begrepen en hij werd niet, zoals Sartre heeft durven te schrijven, door de nazi's betaald om propaganda te voeren.

Eenheid van stijl, eenheid van gedachte

Het Céline-epos begint met de publicatie van Voyage. De roman, die Marie-Christine Bellosta (3) niet geheel onterecht een filosofische roman noemt, is anti-alles: antikoloniaal, antipatriottisch, antibourgeois... en maakt brandhoutjes van de gevestigde waarden: tabula rasa. Filosofie van het boek: de dood is de enige waarheid van de menselijke conditie. Het is een literair schandaal, de academische schrijftaal wordt vrolijk verkracht, Céline schept zijn proza in gesproken taal, maar slechts weinigen nemen aanstoot aan het 'nihilisme' van de auteur; het boek is zo briljant dat de crue boodschap – het leven is klote, de mens is onveranderlijk boosaardig – door de wrange humor en het denderende ritme waarmee de sequenties elkaar opvolgen, verteerbaar wordt gemaakt.

Antikapitalistisch, antibourgeois, dat hebben de linkse jongens gelezen. Zij concluderen nogal vlug dat Céline een van hen is. Van zijn kant doet Céline, teleurgesteld en boos omdat de Goncourt hem is ontzegd, niets om die bewering te ontkrachten. Integendeel, hij dobbert mee op de populistische stroming en creëert een autobiografie die perfect aansluit bij het beeld dat het publiek van een links auteur nu eenmaal moet hebben: kind van het volk, autodidact, arbeider in de Fordfabriek, minzame dokter der armen, zelf een harde werker (wat juist is), geen academisch geschoolde literator, maar een gedegen vakman. Dat laatste zal hij tot aan het eind van zijn leven volhouden.

L' Église dateert van 1927, maar wordt pas in 1933 door Denoël gepubliceerd. Het stuk bevat een clichématige parodie op de jood: een krom, slecht verzorgd, bijziend, sjofel gekleed sluw mannetje dat met kruiperige intriges de macht naar zich toetrekt. Model staat Rajchman, hoofd van het departement hygiëne van de Volkenbond, Célines vroegere werkgever en vriend. Het toneelstuk is een kladje voor Voyage, doch verdient verder weinig aandacht.

In 1933 heeft de antisemitische karikatuur beslist geen spectaculaire reacties uitgelokt. Dat zegt wel een en ander over de heersende mentaliteit: anti-joodse opinies en uitlatingen zijn courant. Drumont wordt, zeker door de burgerij, gretig gelezen, Dreyfus ligt de Fransen nog fris in het geheugen en zwaar op de maag.

Drie jaar later, in 1936, wordt Mort à Crédit niet onverdeeld gunstig onthaald. Céline maakt net zoals Gide een reis naar de USSR. Hij schrijft een eerste essay, waarin hij niet bepaald zacht is voor de communistische doctrine. Mea Culpa verschijnt samen met het proefschrift van dokter Destouches, gewoon omdat het pamflet slechts een dertigtal bladzijden telt. Het politieke klimaat is gunstig, qua verkoopcijfers is het een succes, voor Céline een revanche na Mort. Het wordt nu (pas) overduidelijk dat hij geen linkse sympathieën koesterde, wat hij trouwens in zijn correspondentie volmondig toegeeft. Politiek rechts lijkt in hem een geestesverwant te vinden. Het lijkt wel alsof Céline door zijn Russische reis helemaal opgezweept is, alsof hij nu eens en vooral altijd alles wil uitspuwen wat hij allang had opgekropt. Woede is ook hier de overheersende emotie. Daarbij komt duidelijk angst: zijn observatie van de politieke scène voert hem naar de logische conclusie dat een onafwendbare catastrofe op til is.

Op 28 december 1937 verschijnt Bagatelles pour un massacre, opnieuw een commercieel succes, opnieuw aansluitend bij de sociaal-politiek situatie: economisch gaat het zeer slecht, het socialisme wordt in vraag gesteld en de oorlogsdreiging wordt zeer prangend. Het werk staat bol van anti-joodse uitlatingen die niets meer zijn dan de voor die periode welhaast klassieke gemeenplaatsen, voor het grootste deel overgenomen uit andere anti-joodse literatuur (4), maar het bevat ook Célines stellingname inzake stijl en letteren: zijn stijl tegenover de dorre, academische stijl van zijn verjoodste landgenoten; zijn transpositie van de gesproken taal, zijn geheim om het proza te doen zinderen van emotie. Velen zien het in de eerste plaats als een reactie op de kritiek die hij heeft moeten slikken na Mort à Crédit. Woede, angst en het benoemen van de verantwoordelijken (de joden) vormen hier de achtergrond van het werk, dat qua genre het midden houdt tussen een essay en verhalend proza.

Begin 1938 verlaat dokter Destouches de polikliniek van Clichy; in november van hetzelfde jaar gaat Louis met L' École des cadavres resoluut op de politieke toer, wat hem zeer slecht zal bekomen. We krijgen in essentie een breed uitgesmeerd betoog over de oorlogszuchtige joden, communisten of kapitalisten, zowel in Londen, New York als in Moskou, een kliek die de verloederde Fransen zal meesleuren in een gruwelijk conflict.

Na het debacle, tijdens zijn ballingschap en later ook gedurende de laatste jaren van Meudon, zal Céline slechts herhalen dat hij de pamfletten heeft geschreven om zijn landgenoten voor de catastrofe te behoeden.

Het valse probleem

Toen, na zijn dood, (5) de stilte rond de auteur eindelijk werd doorbroken, leken de Franse literatuurhistorici en critici met een vervelend probleem te zitten: een der belangrijkste Franse auteurs van onze tijd had onmiskenbaar antisemitische teksten geproduceerd. Céline werd de woestijn ingestuurd, de smet op het blazoen der Franse letteren moest worden uitgewist. Terwijl het antisemitisme in Frankrijk tussen de beide Wereldoorlogen op zijn zachtst uitgedrukt werd gedoogd, kreeg het woord na .W.O. II een heel andere lading.

Noten:
1 Véronique Robert avec Lucette Destouches, Céline secret, Grasset, Paris, 2001. terug
2 Philippe Alméras, Céline entre haines et passion, Laffont, Paris, 1994. terug
3 Marie-Christine Bellosta, Céline ou l'art de la contradiction, P.U.F., 1990. terug
4 Bronnen: Régis Tettamanzi, Esthétique de l'outrance, Idéologie et Stylistique dans les pamphlets de Céline, Du Lérot, 1999 - Alice Yaeger Kaplan, Relevé des sources et citations dans Bagatelles pour un massacre, Du Lérot, 1987. terug
5 André Derval, L'actualité célinienne et la presse francophone, p. 125-151, in Cahier Céline nr. 5. terug

Guy E. Dupré


Guy E. Dupré (Gent 1942) - lerarenopleiding (talen) - studeerde filosofie en toegepaste linguïstiek - gaf les aan athenea in Vlaanderen - verliet in 1990 het traditionele onderwijs - nu freelance docent talen - Recente publicaties: Mythe en stijl, Céline, de erfenis van een reus, in WEL, juni 1996; Céline van Semmelweis tot Les beaux draps, Uitgeverij Flanor, 2001; De jood en de antisemiet, in Streven, november 2001; Reis naar het einde van de nacht, in WEL, oktober 2001.
 



<> Site ..................................................
  Al de vorige afleveringen van Meander op Zondag (MoZ) en alle andere e-mailuitgaven zijn terug te vinden in het   MoZ-archief

In het archief vindt u de weg naar alles wat in de afgelopen jaren op de site van Meander is gepubliceerd.

Verder op de site: gedichten * verhaal * artikelen * recensies * poëziekaarten * klassiekers * hedendaagse dichters * links
 


< Colofon ..................................................
  Redactie
Adelheid Bekaert, Edith de Gilde, Milla van der Have, Yves Joris, Gerard Kool, Joop Leibbrand, Vincent Scholze, Marnix Speybroeck, Rob de Vos, Elly Woltjes.

Vrijwillige bijdragen voor Meander zijn vanuit Nederland welkom op Postbank giro 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: Rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.

Vragen over Meander? Stuur een

Verdere verspreiding van de in deze uitgave opgenomen teksten is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s)
  Kopij is welkom bij Meander. Zie:
http://meander.italics.net/kopij/

Abonneren: stuur een bericht aan met als inhoud: subscribe meander-l
(het laatste teken is de letter 'l' van lijst)

Opzeggen: stuur een bericht aan met als inhoud: unsubscribe meander-l
(het laatste teken is de letter 'l' van lijst)
Verstuur het bericht vanaf het e-mailadres waarop u de krant ontvangt. Als u van de listserver bericht krijgt dat u niet in de lijst voorkomt ontvangt u de krant op een ander e-mailadres dan dat waarvanaf u probeerde op te zeggen.

Adres wijzigen: zeg op vanaf uw oude adres en neem een abonnement vanaf uw nieuwe adres.
 

naar begin krant