Over het belang van doodgaan

0

Ja, kinderboeken zijn belangrijk. Nee. Niet alle kinderboeken zijn belangrijk, maar ze kunnen een grotere invloed hebben dan welke grote roman van welke grote schrijver dan ook.
Ik heb een vrouw gekend, die bij onze eerste ontmoeting vertelde over Rupsje Nooitgenoeg (Eric Carle), een kinderboek dat blijvende indruk op haar had gemaakt. Terwijl zij mij het verhaal van het rupsje vertelde, zat zij er helemaal bij te stralen. Om verliefd op haar te worden. Het boek kreeg ik later dan ook van haar cadeau. Sommige kinderboeken komen nooit te laat.
Eén van mijn oudste zoons kocht, toen hij al ruim volwassen was, het boek De clown van God (T. de Paola) dat als kind zo’n grote indruk op hem had gemaakt, dat hij het graag wilde herlezen. Sommige boeken wil je gewoon in je nabijheid hebben, om, als je er behoefte aan hebt, het destijds opgeroepen gevoel weer tot leven te wekken.

Ik heb hier voor mij Doodgewoon liggen, een dichtbundel voor kinderen, de tweede druk inmiddels. En het spijt mij werkelijk dat dit boek nog niet bestond toen mijn vader stierf.
Voor mij, als kind, was de dood een verschrikking. Het besef dat je eens zal komen te sterven, maar je kent het moment niet, het kan je elk ogenblik overkomen. Het idee van de hemel waar mijn vader zou verblijven, was echt geen troost: het beroofde mij alleen maar van de mogelijkheid om hem te rouwen. Hij had het goed, was gelukkig daar, dus ik moest blij voor hem zijn… Niet huilen. En er werd niet meer over hem gepraat.

Maar dat is niet de enige reden dat dit boek mij zo raakt. Het is een kunstwerk. Alleen de prenten al, waarin de teksten zijn afgedrukt. Een voorbeeld: Naast het gedicht ‘Hemel’ zie je links in het groene vlak twee zwarte balken van benen. Boven eindigen ze in het wit van grafisch prachtig opgeroepen wolken, aan de andere kant naast de tekst een ladder die half buiten het groen valt. De verhoudingen tussen het groen, de witte balken aan weerszijden, en de zwarte benen zijn zo perfect, dat ik in eerste instantie slechts het abstracte beeld zag. Het volmaakte evenwicht van de prent roept een bijna magisch beeld op. Er zijn meer prenten van die kwaliteit in dit boek te vinden.
Toen had ik het gedichtje nog niet gelezen:

Hemel

Kan het bestaan dat ergens, achter al die witte wolken,
een hemel is waar iedereen naartoe gaat na de dood?
Waar heggenmussen kwetteren, waar koele beekjes kolken,
waar boterbloemen bloeien langs de oevers van een sloot?

Kan het bestaan dat doden daar gewoon weer verder leven?
En is het waar wat opa zegt; dat oma daar nu is?
Zou oma wel om beekjes en om boterbloemen geven?
En voelt ze in de wolken wel hoe iedereen haar mist?

Wat moet ze er? Wat doet ze er? Wat heeft ze er te zoeken?
Ze las de hele dag, maar is er lezen na de dood?
Bestaat er ook een hemelbieb met groteletterboeken?
Heeft iedereen er kleren aan? Is iedereen er bloot?

En straks, als opa doodgaat, komt hij dan oma weer tegen?
Maar opa gaat nog lang niet dood, hij is nog kerngezond.
Hij heeft voor zijn verjaardag nog een nieuwe knie gekregen.
Hij staat met allebei zijn benen stevig op de grond.

Nu moet ik even die lezers van repliek dienen, die zich afvroegen wat een kinderboek in een poëzierubriek voor volwassenen doet. Wel, ik zou wensen dat poëzie voor volwassenen altijd het niveau heeft van bovenstaand gedicht. Het lezerspubliek wordt volstrekt serieus genomen. Een belangrijke zaak.

Ondanks de serieuze toon is het bepaald humoristisch: ‘Is er lezen na de dood?’ Hoe de dichteres het ‘in de wolken zijn’ een andere betekenis geeft: ‘En voelt ze in de wolken wel hoe iedereen haar mist?’ Je zou wensen dat elke zichzelf serieus nemende dichter zoveel verbeeldingskracht had en zo’n sterk taalgevoel. Dit is geen ‘Nijntje’-poëzie (Hoi hoi, zei Nijn, wat fijn…), die generaties kinderen laat geloven dat iets poëzie is als het maar rijmt. Toch is dat rijmen niet onbelangrijk. Eén gedichtje dat ik dus niet hoef op te zoeken, heeft zich na de eerste lezing al in mij vastgehecht:

IN DIT GRAS
LIGT DE AS
VAN WAT EENS
EEN VUURVLIEG WAS

Iets dat rijmt herinner je je gemakkelijk. Rijm creëert ritme, dynamiek, en schept orde, versterkt het gevoel van harmonie.

Het vuurvlieg gedichtje bevindt zich op een van de halve bladzijden die je door het hele boek door verspreid vindt. Zowel naar links als naar rechts omgeslagen wordt de tekening van de volgende of de vorige bladzijde voortgezet. Het wekt zowel de verwachting te weten wat er komt, als de neiging om terug te bladeren. Het boek wordt zo een levendige dwaaltuin.

Het gedichtje ‘Hemel’ was al een voorbeeld van de manier waarop dit boek vragen oproept. Vanuit allerlei invalshoeken wordt er tegen de dood aangekeken. Soms met de nuchtere botheid waar verdriet je toe kan brengen:

Rouwkaart

Wij willen geen bloemen,
wij willen geen kaarten
wij willen geen brieven
en ook geen bezoek.

Wij willen geen knuffels,
geen condoleances,
geen drankjes, geen broodjes,
een koffie, geen koek.

Geen handen op schouders, geen steun in de rug,
wij willen alleen maar ons zusje terug.

Deze tekst ligt, drie strofen breed, onder een pikzwarte, stormachtige regenwolk die doorloopt naar de vorige linker pagina, waar de wolk onderdeel is van het haar van een door verdriet getekend meisje naast het gedicht ‘Altijd overal’ waarvan de laatste strofe:

Ik mis je als ik keelpijn heb,
ik mis je als ik val.
Ik mis je nergens echt het ergst,
maar altijd overal.

Een gedicht over het verlies van een moeder. Het deed mij sterk denken aan het bekroonde filmpje ‘Vader en dochter’ van Michael Dudok de Wit: (..) Ik mis je als we – ik en papa –/fietsen op de dijk.
Hoe noodzakelijk het zonder omhaal benoemen van dingen kan zijn weet de dichteres van Doodgewoonook: pas als je werkelijk diep beseft dat iemand nooit meer terug komt, kun je werkelijk met rouwen beginnen:

Nooit meer is voor altijd

Nooit meer mijn neus in de geur van jouw jas
Nooit meer mijn snot aan jouw mouwen
Nooit meer jouw lievelingstrui in de was
Nooit meer mijn hand in de jouwe
Nooit meer jouw kus op mijn knie of mijn wang
Nooit meer jouw vouwfietsje nat in de gang
Nooit meer jouw meeneembrood
Nooit meer de kieteldood
Nooit meer op zaterdag papa-ontbijt
Nooit meer op schoot met jouw arm om mijn blootje
Nooit meer mijn kus op jouw wang, je bent dood je
bent dood je bent dood je bent dood
Voor altijd

Dat komt aan. Het gedichtje is omgeven door grote rode kruisen, twee benen op de vloer, waartussen één zwart kruis overeind staat als een grafkruis.

Twee dingen vallen op: het telkens opnieuw beginnen van een regel met een hoofdletter, alsof er telkens wordt gezegd: wat volgt is belangrijk, en het ontbreken van punten, waarmee voorondersteld wordt dat het niet afgelopen is, er wordt geen punt achter gezet. Waarachter niet? Achter de rouw. ‘Nooit meer mijn kus op jouw wang’ (dan volgt de enige komma) ‘je bent dood je/bent dood je bent dood je bent dood/ Voor altijd’. Hiermee komt de volledige nadruk te liggen op de onmogelijkheid om na iemands dood aan hem je liefde te uiten. Die rouw, geeft dit gedicht aan, is de diepste.

Doodgewoon is niet alleen een heel mooi, maar ook een erg leerzaam boek. Onder de kop ‘Leven met de dood voor ogen’ vind je informatie over euthanasie, zelfdoding, Narayama, bijna-dood-ervaring, hospice. In het hoofdstuk ‘Afscheid nemen’ kun je bijvoorbeeld lezen over crematie en de hemelbegrafenis, zoals die in Tibet plaatsvindt. Er is ook nog een hoofdstukje waarin verschillende opvattingen over leven na de dood worden uiteengezet. Maar een praktische tip kun je lezen in

Beter niet

Zeven dingen
die je beter
niet kunt zeggen
tegen iemand
die een tijdje terug
zijn vader
heeft verloren:

Went het al een beetje?
Gaat het al wat beter?
Lekker leuke dingen doen.
Ik weet precies hoe je je voelt.
Gelukkig heb je je moeder nog.
Voor hem was het het beste zo.
Kom op, je bent nog jong,
het komt wel goed.

Een noodzakelijke raad, en niet alleen voor kinderen. Kinderen onthouden het wel, maar sommige volwassenen lijken het nooit te leren.
Tot slot:

Verstrooid

Hij was mijn verjaardag vergeten.
Hij liep door de stad zonder jas.
Hij vroeg aan mijn zus hoe ze heette.
Hij stopte zijn krant in de was.
Hij kon geen spaghetti meer koken.
Hij smeerde de saus op zijn brood.
Hij was weer begonnen met roken.
En zomaar opeens was hij dood.
Gewoon in zijn slaap overleden.
Eerst was hij alleen maar verstrooid.
Nu dwarrelt zijn as naar beneden
en is hij verstrooider dan ooit.

In de illustratie vormt zich in de as die uit een vliegtuig wordt uitgestrooid,de gestalte van een forse man met ontblote bast, shawl om, stropdas om, hoed op, en in zijn hand een sigaret. Het is niet het enige gedicht dat de ouders die dit boek met hun kinderen lezen uitnodigt om dingen/begrippen uit te leggen. Daardoor wordt ook de dood tot één van de zaken waar je in je leven ongetwijfeld mee te maken zult krijgen.

Kinderboeken worden onthouden op hun titel. Het doet de scheppers ervan tekort, net zoals ik Bette Westera (tekst) en Sylvia Weve (beeld) tekort heb gedaan door ze tot nu toe niet éénmaal te noemen. Ik kan alleen maar schrijven dat ik diep respect heb voor de manier waarop ze dit prachtige en noodzakelijke boek hebben gemaakt. Ze verdienen een lintje.

***
Bette Westera (1958) en Sylvia Weve (1954) wonnen met Doodgewoon de Woutertje Pieterseprijs 2015. Zij maakten eerder al het boek Aan de kant ik ben je oma niet (2012) dat bekroond werd met een Gouden Penseel. Op de site van de uitgever staan als aanvulling op Doodgewoon nog kleurplaten en lessuggesties.

Leave A Reply

Your email address will not be published.