Over liefdes en levensbeschouwelijke gedichten

0

Daan Zeijen (Goirle, 1992) won in januari 2015 het Nederlands Kampioenschap Poetryslam en mag zich nu Slampion 2015 noemen. Daan doet een master Humanistiek en geeft les. Eerder won hij het Rythm & Poetry slam in Delft en stond hij in de jaarfinale van de Utrechtse U-slam (2013). Hij publiceerde in Zzonettenhof en Mooiweerwolken bij uitgever Aquazz.

Hoe was de finale van de NK poetry slam?
Het was waanzinnig. Ongelofelijk spannend. Om de druk er af te halen, dacht ik: ‘Als ik de eerste ronde haal, kan ik daarna kijken hoever ik kom’. Twee weken daarvoor was de halve finale. Dat ging heel goed. Dat leverde veel vertrouwen op. Maar in de dagen voor de finale had ik nog twee slams die minder goed gingen.

Hoe ging het daarna?
Ik heb een heleboel interviews gehad. In Met het oog op morgen. Bij Giel Beelen. En heel veel optredens, veel op kleine podia. Ik krijg om de dag wel een mail of ik ergens kan komen. Zo was ik uitgenodigd voor de Dag van de literatuur in Rotterdam. Het is traditie dat als je het NK Slam hebt gewonnen je niet meer mee doet met slamwedstrijden. Dus nu draag ik voor het grootste deel gewoon voor in plaats van te slammen. Er wordt nu over een eigen bundel gesproken.

Zie je jezelf als dichter of als slamdichter?
Ik zie me in eerste instantie als dichter. Maar het zijn nuanceverschillen en het zijn geen van elkaar losstaande werelden de dichterswereld en de slamwereld. Ik ben allereerst student. De poëzie is een hobby van me die uit de hand is gelopen.

Je bent ook rapper?
Ik heb met vrienden een muziekgroep. We repeteren met een aantal groepen. Vooral covers, maar zo nu en dan eigen werk. Ik wil meer gedichten op muziek zetten. Dit staat nog in de kinderschoenen en is dus de volgende fase. Het is een ambitie van me om me als rapper te ontwikkelen en muziek te maken.
Ik ben altijd bezig met taligheid en nieuwe metaforen verzinnen. Ik merk dat ik goed ben in gedichten schrijven. Wat nog niet betekent dat ik automatisch goed ben in rapteksten. Ik schrijf gecomprimeerd; een gedicht kan kort zijn, er mag geen woord te veel in staan. Als ik een raptekst schrijf, ben ik daarom na één couplet wel klaar, maar dan moet er natuurlijk nog meer komen.
Ik heb wel gedichten waarin ik op een gegeven moment aan het rappen ben, of het zit er dicht tegenaan. Rappen en dichten ligt in elkaars verlengde. Je ziet dat rappers gaan dichten en andersom. Ik bewonder de rapper Typhoon heel erg. Zijn rapteksten zijn voor meerdere interpretaties vatbaar en hij heeft echt authenticiteit. Hij schrijft over wat hem bezighoudt en niet over wat van een rapper verwacht wordt om te doen.

Wanneer ben je met gedichten schrijven begonnen?
Ik weet nog dat ik tien jaar geleden slechte liefdesgedichten aan het schrijven was, maar wanneer het precies begon? Geen idee.
Het werd serieuzer vanaf dat ik een jaar of zestien was. Toen werd ik door een docent benaderd om voor een project gedichten te schrijven. Het project heette ‘Wolfsjong’, waarbij jongeren een expositie maakten bij een voorstelling.
Ik heb er echt tijd voor gemaakt en toen bleek dat ik het heel leuk vond. Het was de eerste keer dat ik met iets van mijn gedichten naar buiten trad.  Ik schreef gedichten vanuit de personages van de voorstelling. Toen ik zeventien was deed ik mee met de  Doe maar dicht maar jongerenwedstrijd en er werd een gedicht van mij geplaatst in de bundel daarvan.

Heb je wel eens in een dichterscollectief gezeten?
Jazeker. Rond 2013 in het Werktitelcollectief, een groep van zeven jonge dichters. Onder andere Maarten Buser, Jonathan Griffioen en ik. Wat we deden was gedichten op Facebook plaatsen en elkaar dan feedback geven. Dat werkte heel goed. Vijf van de zeven dichters van dit collectief stonden dit jaar in het NK poetry slam. Het was zinnige feedback en een stok achter de deur om te schrijven.

Speelt je studie Humanistiek een rol in je poëzie?
Voor een klein deel bewust en vrij veel onbewust. Soms kies ik ervoor om levensbeschouwelijke thema’s te gebruiken in mijn poëzie. Waar zowel in de studie als in de poëzie mijn interesse bij ligt, is hoe mensen betekenis geven aan hun leven. Die interesse kun je invullen door een onderzoek te doen of door een gedicht erover te schrijven.

In je gedichten ben je een goede observator.
Ja, ik denk dat de inspiratie voor een gedicht begint bij iets wat je ziet, wat je merkt, of wat iemand zegt. Ik laat vooral dat soort dingen zien in gedichten. Ik ben spaarzaam met uitleggen, want daardoor wordt het minder krachtig. Bijvoorbeeld, mijn gedicht waarin een persoon vergat te klappen, toen iemand aan haar haar zat, dat heb ik echt gezien. Je kan daar van alles achter zoeken, maar dat hoef je niet uit te leggen.

Je gedichten zijn erg verhalend.
Dat ik een verhalende dichter ben, herken ik wel. Soms schrijf ik prozagedichten. Veel van mijn gedichten zijn verhalend, zonder sluitend narratief te zijn. Observaties in een volgorde waar gaten in zitten. Het gedicht ‘Een kleine week geleden’ speelt zich af op één avond, maar lang niet alles wat zich toen afspeelde staat in dat gedicht.

Gebruik je soms vaste vormen?
Ik heb wel wat sonnetten geschreven voor een schrijfwedstrijd. Er zijn wel slammers die sonnetten schrijven. Maar ik gebruik die vorm nu niet zo snel meer. Het was wel een goede oefening. Je bent constant aan het leren hoe je je boodschap in zo’n vorm kan gieten.
Maar ook bij het slammen is de vorm heel belangrijk: hoe kan je in drie minuten slam zo goed mogelijk voor het voetlicht komen? Het heeft altijd te maken met de kaders die je hebt en waarbinnen je moet schrijven. Het is leuk om ermee bezig te zijn. Hoe word ik de baas van die vorm in plaats van andersom?
Ik heb ook wel trioletten geschreven en bij de bushalte bedenk ik altijd limericks. Het zijn mooie oefeningen met metrum om daar iets van te maken. Maar eigenlijk schrijf ik bijna geen vaste vormgedichten. Alhoewel ik me bij songteksten vasthoud aan het refrein en het couplet en het aantal maten. Misschien omdat ik daar nog niet zo handig in ben. Het lastige van poëzie is: wanneer is het af? Moet er nog wat bij of moet er iets weg? Bij een sonnet weet je precies hoe lang het wordt en dat kan een hulpmiddel zijn.

Hoe lang ben je met een gedicht bezig?
Dat wisselt nog al. Soms staan in twintig minuten de hoofdlijnen er wel en moet ik alleen nog wat schaven. Maar er zijn ook gedichten waar ik weken aan twijfel. De hoofdlijnen staan er meestal in één zit, maar dan is het nog een heel proces van redigeren en schrappen en dat duurt langer dan het schrijven zelf.

Wie zijn je voorbeelden?
Ik ken wel dichters, maar merk dat ik minder belezen ben dan veel collega-dichters uit de literatuur(wetenschap)hoek.
Bart Moeyaart lees ik graag. Hij is stadsdichter van Antwerpen geweest en bekend als kinderboekenschrijver. Hij schrijft toegankelijke gedichten. Wat voor sommige gedichtenliefhebbers een vies woord is. Maar er zitten genoeg lagen in voor interpretaties. Hij spreekt een groter publiek aan en schrijft ook verhalende gedichten.
Ik vind niet dat alle gedichten toegankelijk moeten zijn, maar de tegenstelling tussen gedichten die ergens over gaan en gedichten die toegankelijk zijn, zie ik niet. Een gedicht moet als je het honderd keer leest nog steeds interessant zijn.
Het hoeft niet zo te zijn, dat als je publiek meteen een voorstelling bij je gedicht heeft, het een slecht gedicht is. Ik heb weinig gedichten geschreven waarvan je aan het begin niks snapt of waar de lezer weinig mee kan. Toch zitten er dingen in die je er niet meteen uithaalt, waardoor het de moeite wordt om het terug te lezen. Goede poëzie heeft meerdere lagen. Het heeft ook te maken met laten zien en niet uitleggen. Het moet niet te voorgekauwd zijn: van dit is het gedicht en dit moet je ervan vinden. De lezer moet ook nog wat te doen hebben.

Leave A Reply

Your email address will not be published.