Interview met Jóanes Nielsen

Gezouten pantheïsme en de republiek

 

In november 2008 verschijnt bij uitgeverij Wilde Aardbeien de bloemlezing Windvlinders. Poëzie van de Faerøer, de eerste Nederlandstalige anthologie op dit gebied. Het boek bevat werk van acht Faerøerse dichters, van wie sommigen nooit eerder vertaald werden. Samensteller Roald van Elswijk had een ‘ongezouten’ mailgesprek met dichter Jóanes Nielsen (*1953) over literatuur, politiek en visgronden.

Achtergrond

Enigszins verscholen in de Noord-Atlantische Oceaan liggen 18 kleine eilanden: de Faerøer, letterlijk ‘schapeneilanden’. De archipel heeft een status aparte binnen het koninkrijk Denemarken en telt 48.000 inwoners. Op het gebied van binnenlandse zaken heeft de Faerøer een hoge mate van zelfbestuur. Het Faerøers (føroyskt) is sinds 1948 de eerste officiële taal van de eilanden en is met haar ca. 65.000 sprekers de kleinste van de vijf Scandinavische talen. De tweede officiële taal is het Deens. Literatuur uit dit deel van Europa is in Nederland vrijwel onbekend. Het enige wat is vertaald, is werk van de (Deenstalige) auteur William Heinesen (1900-1991).

Jóanes Nielsen, dit is de eerste keer dat uw poëzie vertaald wordt in het Nederlands. Wat is uw ervaring met vertalers en vertalingen in het algemeen? Denkt u dat het mogelijk is om poëzie te vertalen?
Het meeste wat ik gelezen heb in mijn leven was in vertaling en ik hoop altijd dat de vertalingen zowel inhoudelijk als esthetisch van een hoog niveau zijn. Vrijwel al mijn literaire vorming, of literaire waarde, komt voort uit vertalingen. Of het nu de Bijbel is, Rumi, Vladimir Majakovski, Nazım Hikmet of Neruda. Wanneer ik eraan zou twijfelen dat poëzie vertaald kan worden, zou ik tegelijkertijd vraagtekens zetten bij de basis van mijn bestaan. Dat bedoel ik meer vanuit een existentieel oogpunt.
Verder ben ik qua taal weinig onderlegd. Ik ben gestopt met school toen ik 14 was. Ik kan de overige Scandinavische talen lezen en verstaan en spreek wat Engels.

Uw poëzie komt op mij soms erg ‘Faerøers’ over, met veel thema’s en termen uit de Faerøerse samenleving en geschiedenis. Vormt uw vaderland de enige inspiratie voor uw gedichten?
Het was liefdesverdriet waardoor ik op mijn zestiende begon te schrijven. Ik las een aantal dichtbundels die gingen over kapotgegane liefdes, waaronder het verzameld werk van de Faerøerse dichter Poul F. Joensen (1898-1970). Maar wat me voornamelijk inspireerde, was het werk van Líggjas í Bø (*1938) en ook de poëzie van Rói Patursson (*1947), die in 1986 de prestigieuze Literatuurprijs van de Noordse Raad won. Ik las een Deens boek over modernisme in de poëzie en er ging een wereld voor me open: van Rimbaud tot aan dichters uit de jaren zestig. Dat Deense boek werd het longenapparaat waarmee ik ademhaalde, ik ademde letterlijk door de letters in dat boek.
Als 18-jarige jongen werd ik lid van een communistische leeskring. In de jaren zeventig waren we allemaal erg pragmatisch en plaatsten we het geschreven woord in dienst van de politiek. Niet dat ik daar iets op tegen heb, want ik zou niet weten of ‘pure poëzie’ überhaupt bestaat. Literatuur is altijd gekleurd door de tijd waarin je leeft.
Hoewel ik ingesteld was op het collectief, vergat ik nooit wie ik zelf was. Ik denk dat dát mijn poëtische vuur brandend hield. Het geïnteresseerd zijn in jezelf is namelijk een deel van het dichter zijn, wellicht het belangrijkste deel. Niet zozeer het zelfzuchtig zijn, maar de kunst om je eigen persoon in relatie tot het poëtische object te plaatsen. Je moet nooit zó objectief worden, dat je je eigen gevoelens en opvattingen uit het zicht verliest – zeker niet als poëet.

Op de Faerøer is de visvangst nog steeds een belangrijke bron van inkomsten; slechts weinig Faerøerse dichters kunnen leven van hun schrijfkunst alleen. Hoe ervaart u de schijnbare paradox tussen het harde bestaan van een visser en het door sommigen als elitair ervaren beroep van dichter?
Ik ben bijna acht jaar lang fulltime visser geweest; we visten op Groenland, IJsland, New Foundland en in de buurt van de Faerøer. Op zee heb ik niets geschreven. Het leven op het water is zwaar. Bij het lijnvissen werkten we dertien uur per dag en daarna hadden we vijf uur wacht. Op een trawler was het iets beter, daar werkten we zes uur en hadden we zes uur wacht. Wanneer we met werphengels visten, werkten we overdag en was de nacht voor het fileren en zouten van de vis, en om wat te slapen.
En dat was het dagelijkse ritme. Wat ik probeer aan te geven is dat je op zee niet kunt schrijven. Soms schreef je brieven wanneer je even aan land ging om olie en zout in te slaan, en ik heb een paar maanden een dagboek bijgehouden. Maar ik heb er geen gedichten geschreven. Ik zag daarentegen steeds meer de schoonheid in van de Faerøerse natuur, noem het ‘gezouten pantheïsme’, dat ik graag wilde verwoorden in mijn gedichten en verhalen.
Ik had altijd boeken bij me op zee en hoe moe ik ook was, ik besteedde altijd dertig tot veertig minuten van iedere wacht aan lezen. Dit deed ik omdat ik behoefte had aan literatuur, maar ook omdat ik een bepaalde intellectuele discipline belangrijk vind. Ik heb van 1967 tot 2000 als visser gewerkt en in die periode ging al mijn vrije tijd op aan lezen.

De koloniale geschiedenis van de eilanden en de verhouding tot het ‘vaderland’ Denemarken worden vaak gethematiseerd in de moderne Faerøerse literatuur, ook in uw poëzie. In het gedicht ‘Ik ben een Faerøerse nationalist’ schrijft u “[…] waar ik diep van binnen op vertrouw, / is de dagelijkse, mooie strijd om het bestaan. / Dat is de oorsprong van mijn droom over een Faerøerse republiek, / de oorsprong van mijn woorden.” Hoe levend is de idee van de Faerøer als een onafhankelijke republiek? Ik kan me voorstellen dat jonge auteurs wellicht een minder negatieve houding ten opzichte van Denemarken hebben.
Het gaat niet zozeer om een negatieve houding, als wel om het realiseren van een politiek doel dat de meeste vergelijkbare landen al bereikt hebben. In 1905 kregen de Noren een republiek; Rosa Luxemburg bespotte hen, noemde de Noren ‘kleinburgerlijk’ toen ze hun republiek tooiden met een monarch. Ierland voerde de republiek in 1923 in, IJsland in 1944.
De Faerøerders en de Denen hebben wel vaker meningsverschillen. In 1978 wilden we onze visgronden uitbreiden, zodat minder buitenlandse schepen rond de Faerøer mochten vissen. In het begin waren de Denen tegen, omdat dit de Deense export naar Groot-Brittannië negatief kon beïnvloeden: het waren voornamelijk Britse trawlers die hier visten. Pas na veel druk van onze kant konden de Faerøerse vissers hun plannen doorvoeren. Een ander voorbeeld: Denemarken is lid van de Europese Unie, wij niet. Dat wil niet zeggen dat wij niet geïnteresseerd zijn in lidmaatschap, maar dan wel als zelfstandige republiek, niet als Deense gemeente. De roep om een republiek is altijd op de achtergrond aanwezig en zorgt voor onnodige complicaties. De dag dat we geen staatssubsidies meer nodig hebben en daarmee een ‘geldslang’ hebben liggen in de Deense staatskas, zijn we gelijken en kunnen Denemarken en de Faerøer elkaar ontmoeten als volwassen partners.

Hoe moet ik me het literaire klimaat op de Faerøer voorstellen, de eilanden zijn immers dermate klein dat ik vermoed dat iedereen elkaar kent?
De Faerøer heeft van oudsher een aantal schrijversfamilies gekend, die veel van ’s lands bekende auteurs hebben voortgebracht. De familie Djurhuus is waarschijnlijk de bekendste, met veelgelezen schrijvers als Janus en Hans Andrias Djurhuus. Ook de families Paturson en Hoydal zijn schrijversfamilies, denk maar aan auteurs als Sverre en Rói Patursson, en Karsten Hoydal. En dan zijn er plotseling bastaardkinderen als Carl Jóhan Jensen en ikzelf, die uit onbekende families komen.
De meeste Faerøerders die schrijven zijn lid van Rithøvundafelag Føroya, de Faerøerse Schrijversvereniging. Op het moment telt deze vereniging ongeveer honderd leden. Van de 48.000 Faerøerders die nog op de eilanden wonen, woont bijna de helft in de hoofdstad Tórshavn. De meeste auteurs kennen elkaar dus wel. Hoewel we elkaar kennen komt het voor dat we de ander haten, graag mogen of dat het ons weinig kan schelen wat de ander doet. De structuren in een kleine samenleving zijn wat dat betreft weinig anders dan die in een grote.

Interview en vertaling: Roald van Elswijk
Redactie: Sander de Vaan

Bibliografie

In 2004 werd Nielsens bundel Brúgvar av svongum orðum (‘Bruggen van hongerige woorden’) genomineerd voor de Literatuurprijs van de Noordse Raad. Drie eerdere bundels werden ook al voor deze prijs genomineerd. In 2001 ontving Nielsen de Noordse Toneelprijs voor het stuk Eitur nakað land week-end? (‘Bestaat er een land dat weekend heet?’). Zijn meest recente poëziebundel is Tey eru, sum taka mánalýsi í álvara (Er bestaan mensen die het maanlicht serieus nemen, Tórshavn 2007).

Windvlinders. Poëzie van de Faerøer. Samengesteld en vertaald door Roald van Elswijk. Met een nawoord door prof. Malan Marnersdóttir (Universiteit van Tórshavn). Groningen: Wilde Aardbeien 2008.

Het eerste exemplaar van de bundel wordt gepresenteerd tijdens het symposium ‘Cultural Transfer and Minor Language Areas’, dat op 5 en 6 november plaatsvindt aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hierbij is ook de dichteres Sigri Gaïni aanwezig en de Faerøerse letterkundige Malan Marnersdóttir, die het nawoord bij de bundel schreef. Een van de onderdelen van het symposium is een vertaalworkshop Faerøerse poëzie, die vrij toegankelijk is (wel graag van tevoren aanmelden). Meer informatie vindt u op www.rug.nl/let/scandinavisch.