Jan-Paul Rosenberg:

'Een goed gedicht moet verleiden'

 

Jan-Paul Rosenberg (Leiden, 1966) is oprichter, directeur en hoofdredacteur van de literaire uitgeverij Stichting Achterland. Onder diverse pseudoniemen is en was zijn poëzie te zien en te beluisteren op archeologie-tentoonstellingen in de Kunstlinie in Almere en in de radio- en televisieserie Geen dag zonder gedicht in Overijssel van RTV Oost. Ook diverse bloemlezingen namen deze dichter op.

Je bent niet echt meer een nieuweling noemen. Je mocht zelfs hier en daar al een bloemlezing aanvullen met werk van je. Hoe ben je er eigenlijk in verzeild geraakt, in poëzie?
Ik schrijf al sinds mijn middelbareschooltijd, maar pas de laatste jaren slaag ik erin een eigen stilistisch en thematisch idioom aan te boren waarmee ik oprecht uit de voeten kan. Een wezenlijke aanjager voor het schrijven van poëzie is zonder enige twijfel mijn werk als poëzieredacteur. In die hoedanigheid lees ik vrij veel en zeer verschillende gedichten, hetgeen zijn weerslag heeft op mijn eigen werk. Inmiddels vinden mijn gedichten inderdaad hun ‘weg naar de wereld’, zoals gezegd via verscheidene bloemlezingen en recentelijk ook binnen de context van literaire tijdschriften als Meander en Tzum.

Je gedichten roepen vaak een wirwar van beelden op die op hun beurt controverses oproepen, zoals ‘comfortabel profiel op zure benen’. Is dat bewust?
Ik schrijf tamelijk intuïtief, beelden en gedachten ‘overvallen me’, waarna ik probeer ze te ordenen binnen de vorm van een gedicht. Naast traditionele poëziethema’s als liefde, dood en landschap ben ik vooral gefascineerd door de absurditeit van onze samenleving en ons bestaan. Een mij geliefd onderwerp is de strijd tussen de mens als individu en als onderdeel van al of niet gewelddadige sociaal-maatschappelijk systemen. Ik geef daaraan inderdaad bewust uiting door een ietwat vervreemdend taal- en beeldgebruik dat mooi aansluit bij mijn beleving van de vaak chaotische processen die voor deze strijd zo kenmerkend zijn. Ook mijn voorliefde voor complexe en anderstalige titels is hieruit te verklaren. Mijn inspiratie put ik uit letterlijk alle vormen van communicatie: nieuwsberichten, reclameslogans, verkeersborden, krantenkoppen, tijdschriftartikelen en menukaarten, maar ook uit sms-berichten, brieven, muziek, beeldende kunst, (andermans) poëzie en proza. En niet te vergeten: de altijd vitale bron van menselijke conversatie.

Je gebruikt ook liever het tekentje ‘&’ in de plaats van ‘en’ in je gedichten. Waarom?
Leestekens vormen belangrijk elementen van (mijn) poëzie. Ze geven een gedicht dynamiek, ondersteunen de lezer of zetten die juist op het verkeerde been. Leestekens kunnen dienstbaar zijn aan een hechte typografie, versterken het effect van enjambementen. In een gedicht over een postmodern onderwerp beschouw ik het tekentje ‘&’ als een effectief, sfeerbepalend instrument. Dat kan trouwens ook het geval zijn met een uitroepteken of een komma.

Je richtte in 1992  de literaire uitgeverij Stichting Achterland op.  Wat voor een uitgeverij is dat?
Stichting Achterland beoogt de kloof tussen letteren en publiek te verkleinen. We doen dat door proza en poëzie te plaatsen in een context die voor veel mensen vertrouwd en herkenbaar is. Concreet geven we hieraan vorm door het samenstellen en publiceren van geïllustreerde bloemlezingen over Nederlandse streken, steden en provincies. Door de letteren te plaatsen in de context van de eigen stad of streek vergroot je de toegankelijkheid, ook wanneer het gaat om ‘moeilijke’ teksten of indien het publiek geen specifieke affiniteit met letteren heeft. Inmiddels hebben we zo’n dertig bundels het levenslicht doen zien. Naast het samenstellen van bloemlezingen organiseren we ook lezingen, voordrachten, vervaardigen we literaire of literair-historische boeken in opdracht en namen we zitting in een denktank over landschap en schone kunst.

Je bent zelf ook poëzieredacteur. Wat zijn jouw criteria voor een goed gedicht?
Zoals voor veel poëzieliefhebbers – denk ik – geldt dat een gedicht je iets moet ‘doen’; het moet je verleiden. Authenticiteit, originaliteit en oorspronkelijkheid zijn voor mij belangrijke ijkpunten daarbij. Er zijn zoveel mooie gedichten geschreven. Naar mijn idee is het zinvol je als startende dichter – en poëzielezer – te concentreren op een ‘niche’, zoiets als ‘dichter of lezer zijn van het ongeziene en onbeduidende’. Speelsheid, ironie en humor vind ik ook belangrijk, evenals hechtheid en virtuositeit. Wanneer ik als redacteur naar gedichten kijk, speelt ook de thematische inpasbaarheid een rol – een gedicht over Amsterdam past uiteraard niet in een bundel over Zeeland.

Laatste vraag: als je één wens mocht doen voor je poëzie, welke zou dat dan zijn?
Dat ze een plekje mag vinden binnen de rijke literaire traditie op wier schouders ze staat.