Guy Dierckx

Tegendraads gedachten strelen

 

In deze aflevering van Dichters laten we Guy Dierckx (1958) aan het woord. Deze dichter verdiende al enige sporen in literaire tijdschriften zoals Deus ex Machina en De Brakke Hond, en ook in andere kunstdisciplines is hij actief. Graag stellen we hem nu voor in Meander.

In de gedichten bij deze aflevering vindt u de beelden en onderwerpen vrij dicht bij huis. Is dat een algemene voorliefde, dichten over de kleine dingen?
In mijn eerste gedichten betrapte ik mezelf vaak op een overdreven gebruik van grote woorden, wat me in veel poëzie van anderen nu net tegen stond. Heel bewust ben ik me dan gaan beperken tot eenvoudige beelden en ervaringen en die vind ik nu eenmaal dicht bij huis. Toch wil ik met die kleine dingen wel iets grootser aankaarten, niet te expliciet, liefst binnen een organisch gegroeide vorm die, naar ik hoop, de lezer genoeg ruimte laat voor eigen gedachtesprongen.

Wie zijn uw voorbeelden in de poëzie of daarbuiten?
Ik hou wel van het ‘miniature’ van poëzie. Net zoals in de muziek en de beeldende kunst hou ik eerder van de etude of de schets dan van het grote werk. Ik lees bijvoorbeeld liever de verhalen van Isaak Babel of de dagboeken van Paul Léautaud dan een lijvige, streng gecomponeerde roman.
Ik beken, ik lees weinig of geen poëzie. Een dichter die me wel steeds heeft kunnen bekoren is Eddy Van Vliet, bij wie ik steeds het gevoel had dat ik hem begreep. Misschien omdat ik in het diepst mijner gedachten ook wel een (neo)romanticus ben. Bij Billy Collins hou ik van de gelaagde helderheid en de ongedwongen vertelstijl van zijn gedichten.
Wat ik zelf betracht en zoek in het werk van anderen is het tegendraads gedachten strelen. Als dichter kan ik dit enkel met woorden die, in tegenstelling tot zuiver klank en kleur en vorm, altijd een toch wel afgebakende betekenis in zich dragen. Daarom hou ik van poëzie die een zintuiglijk genot kan oproepen en die kan worden gezongen als een lied. Bij voorkeur in mineur, weerloos en met een wat weemoedige ondertoon.

U vertelde eerder over uw gedichten dat ze ‘geen roofdieren (meer) zijn, en ook geen prooien’. Wat bedoelt u daarmee?
Deze beeldspraak is eigenlijk ontleend aan een tekst die ik ooit schreef over mijn eigen beeldend werk. Zowel in mijn gedichten als met mijn beelden wil ik niets (meer) bewijzen, maar weiger ik evenmin iets te creëren dat betekenisloos of te achteloos zou kunnen zijn.
Dichten blijft voor mij een voortdurend zoeken naar hoe ik een spoor kan nalaten waarmee ik de ander kan raken. Het zaaien van twijfel en het hanteren van een zekere dubbelzinnigheid zijn daarbij mijn tweede natuur. Eigenlijk wil ik dingen maken die én ruw én teder zijn, tegelijk stoer en kwetsbaar, grillig en onbeholpen, natuurlijk en artificieel. Om uiteindelijk, met een boos vertrouwen, alle verlies betekenis te kunnen geven en de daarbij horende onrust te temmen.

Eerder publiceerde u al in tijdschriften als De Brakke Hond en Deus ex Machina. Wat betekent publiceren voor u?
Toen twee literaire tijdschriften vijf jaar geleden werk van mij publiceerden –  ik was toen net begonnen met het schrijven van poëzie – was ik aangenaam verrast. Maar de reacties bleven, zoals te verwachten, uit. In diezelfde periode trad ik regelmatig op, onder andere bij De Sprekende Ezels. Het directe contact met een onverbiddelijk publiek kon me wel bekoren, maar ook dit gaf me na een tijdje een toch wat uitzichtloos gevoel.
Mijn gedichten blijven voor mij miniaturen waaraan ik wil blijven schaven, die ik moeilijk kan loslaten en die ik uiteindelijk alleen naakt en zwart op wit op papier zou willen zien verschijnen. Ik bewonder het wel, dat jonge dichters zoals Maarten Inghels niet alleen goede poëzie schrijven maar ook andere podia opzoeken. Maar niet voor niets schrijf ik dat traagheid mijn zonde is.

Waar ziet u uw poëtische zelf over, pakweg, twee jaar?
Een vijfhonderdtal gedichten, ik noem ze ook wel madrigalen, heb ik nu bijeengeschreven. Darvan kan er, volgens mijn bescheiden mening, wel één vijfde overleven. De overige ben ik nu stelselmatig aan het remixen. Ook schrijf ik de laatste tijd af en toe meer anekdotische, ietwat cynisch gestemde gedichten binnen hetzelfde strikte, mezelf opgelegde kader van mijn madrigalen. Eigenlijk zou ik beide soorten gedichten willen mengen in één bundel, waarbij de lezer dan maar moet uitmaken waar de ironie eindigt en de ernst begint. Of andersom. Het geheel zou ik willen publiceren met complementair, eigen grafisch werk, zonder dat het geheel té illustratief wordt. De (trage) vorderingen kunnen op mijn weblog op de voet worden gevolgd.