Recensie van zet af en zweef - Hélène Gelèns

Ongeremd rennen

Hélène Gelèns
zet af en zweef
Uitgever: Cossee
2010
ISBN 9789059362499
€ € 16,90
64 blz.

Na haar eigenzinnige debuut Niet beginnen bij het hoofd in 2006 is er met zet af en zweef nu de tweede bundel van Hélène Gelèns. Haar muzikale omgang met de taal, humor, filosofische ondertoon en experimenteerdrift levert weer een bijzondere bundel op.
De titel intrigeert: voorspelt tempo, positie bepalen en loslaten en vooral veel lichtheid; het is een vriendelijke uitnodiging om, maar kan ook worden opgevat als een commando tot. Wie mag of moet er gaan zweven? Waar zet hij of zij zich van – of tegen – af?  Op dergelijke commando’s in vele ‘toonaarden’ heeft de dichter patent, er wordt in deze bundel heel wat aangeroepen. Soms dwingend van toon, soms totaal los en vrij. Een herhaald ‘Doe dit, laat dat’ zou kunnen gaan irriteren als het niet zo’n fris, ik zou zelfs zeggen ‘origineel’ ingezet stijlkenmerk was van de dichter.
Ook ruimt de dichter een belangrijke plaats in voor stilte, een pas op de plaats… De woorden stuiteren over elkaar heen, de dichter snelt de paden van haar verbeelding af (maar nooit zonder het doel van haar exercitie uit het oog te verliezen) en dan trapt ze vaardig op de rem, zet alles stil om vervolgens weer met onstuitbare energie vooruit te stormen. In met name het eerste deel, dat de subtitel ‘ongeremd rennen’ draagt, buitelt de dichter met vallen en opstaan door de wereld.

Haar thema’s zijn ondermeer de kracht van het katatonisch moment binnen het leven van alledag: ‘of je ruim ademt je thuis waant / hier in dit rap voortrollend nu’. Een leven geleefd door doodgewone mensen. De stad is vaak het decor, met een wetenschappelijk lab om de hoek, rennen langs ‘vondel’ – het is lastig om niet aan Amsterdam te denken, wetend dat de dichter er woont, fiets, rent, leeft.  Ook de ruimte die zij in haar gedichten geeft aan klank, nadruk op lawaai, behoefte aan en uitdrukking van dadendrang en actie, en wat verderop zal blijken, een vasthoudend knokken om een verbinding met het betere buiten aan te gaan, lijkt een door veel stadsmensen van vandaag de dag gedeelde, en dus urbane wens. Dat geeft aan het werk van Gelèns iets heel actueels. en geeft de vragen die zij stelt zonder ze te stellen importantie zonder er zelf veel poeha over te maken.
Ook prettig: de onbedwongen luchtigheid die in veel gedichten wordt ingezet, heeft meestal een donkere ondertoon. Al is donker niet het juiste woord, het is ongrijpbaar, moeilijker te duiden dan de eerste laag of ‘stem’ die zo overduidelijk te lezen en te horen is. Want deze gedichten vragen om stem! Doe jezelf als lezer een plezier en lees ze hardop!

zet af en zweef bestaat uit vier delen, zoals in een (traditionele) klassieke symfonie. Gedichten hebben op hun beurt vaak weer een twee- of driedeling, met bijvoorbeeld een tegenstem in het middendeel. Refreintjes komen op de juiste momenten, motieven verknopen met andere motieven middels korte anticiperende motiefcellen. Met Gelèns’ liefde voor de muzikale vorm, is dit nauwelijks een verrassing te noemen. Het geeft structuur en samenhang aan de speelse, wat dadaïstische insteek van het werk.

In het eerste deel (‘ongeremd rennen’) kiest een enthousiaste volwassene voor een kinderlijk gevoelsleven, een ware onderdompeling in fysieke sensaties. Ook spreekt er een verlangen uit naar een eenwording met de natuur. In het tweedelig gedicht ‘Niet wij rennen’ dendert dit verlangen regel voor regel van de bladzij. Een gedicht met een kleine clou op het end. De sfeer dromerig, schurkend tegen een nachtmerrie aan. De vrolijkheid heeft een beschouwende ondertoon, dreigend? Als je teveel nadenkt zou je kunnen vallen. Het is de ratio van de volwassene die de pret van het kind in hem een beetje bederft.

Niet wij rennen
I

we denken aan doelloos aan ongeremd rennen
we rennen en rennen vertragen het beeld
zet af zweef en land

Mooi hoe het denken aan doelloosheid wordt gekoppeld en door een als mechanisch op te vatten ingreep in feite een uitnodiging is om terug te keren naar de wens om gewichtloos te zijn. Om in de volgende alinea op ‘lichaamswet’ en wilskracht uit te komen. En weer het refrein ‘zet af zweef en land':

elke pas rolt van de hak
naar de bal van de voet naar de grote teen
elke afzet vol kracht elke pas wordt een sprong
zet af zweef en land zet af en zweef
 
we zweven en zweven in ongeremd rennen
we luchtklieven meer dan we grond raken
zet af zweef en land zet af zweef land zet af

De muzikale herhaling werkt bezwerend en hypnotiserend. Het denken zit in de weg of is juist een hulpmiddel. Dat ellendige dubbelding dat de mens tot mens maakt, het bewustzijn van deze ‘super tool’ tot het menselijke lichaam verdinglijkt tot een pijl:

we denken ons doelloos ons ongeremd rennend
we lopen ons leeg het lijf tot een pijl
moeiteloos rennen we niets doet nog pijn

En hier is het menselijke losgelaten, de pijn voorbij, boven zichzelf uitgestegen:

niet wij rennen
het pad rent

Zonder zweverig (!) te willen worden, lijkt de dichter toch te duiden op iets van een ideaal, een beter, lichter, abstracter ergens, variant op het beperkt menselijk zijn of juist niet. Een ogenschijnlijk eenvoudig leuk klinkend gedicht herbergt geheimen, veert op vele lagen, die hardop lezend eerder tot onthulling worden gebracht.
Ook in de andere gedichten van dit deel komen dergelijke sleutels voor. Observaties, wensen, aanmoedigingen, veel aanmoedigingen (‘bevries in dat moment – een en al ren / wen!’)
De ik wil ergens heen, ergens door, het is een strijd tegen de eigen beperkingen, een renpartij om deze te boven te komen, er heel hard aan voorbij te kunnen gaan. Rennen alsof je leven ervan afhangt wordt ‘rennen en wennen alsof mijn zweven ervan afhangt.’
Is dit een greep uit de nieuwe manieren van voortbewegen in het kader van de behoefte aan onthaasting? Hoe bewust is de bezitter van het renverlangen in ‘zet af en zweef’ een  kind van deze tijd dat een vrij tegengeluid wil bieden?

de hel, dat is niet eeuwige wederkeer
niet ommekeer niet je lijf als gevang
het zijn ook niet de anderen
de hel is een stilgezet hier

In deel II ‘hoe & wat’ verkent de ‘ik’ vormen van transgressie met iets buiten het ik, het bevelende geeft meer een vervreemdende sfeer dan eerst en de tocht gaat langs en tussen – ik zou haast zeggen – bezielde dingen.  Zij stelt zichzelf vragen: of ze bepaalde handelingen zal verrichten en balanceert daarbij op de grens van wat legitiem is in dit proces van het toe-eigenen van een ruimte tussen openbaar en privé in. Ruimtelijke en intermenselijke verhoudingen worden afgebakend aan de hand van de vertrouwde imperatieven, en wat buiten huis en haard ligt wordt met gezond wantrouwen gehouden tegen het licht.

In ‘hoe vleugels zonder lijf’ treedt de hybride in, een letterlijke versmelting tussen mens en dier, dier en ding. Een geweldige gekte (goed dus!) komt hier aan het woord, de onderdelen losgeschroefd en met een bigger than life vrolijkheid en absurd ernstige dialoog. Het zou een pseudo-filosofisch gesprek tussen twee net gekroonde hofnarren kunnen zijn: een dialoog die in een hedendaagse remake van Alice in Wonderland beslist niet zou misstaan.
Maar bij tweede lezing lijkt het meer te gaan om een verschil of geschil tussen twee kampen, de natuurliefhebber en de wetenschapper. Of tussen een vrije geest en zo een die zijn dingetjes graag ‘vierkant strak blauw’ heeft. Niemand die na het lezen van dit gedicht de duif nog met dezelfde ogen beschouwt. (Zoals ik na het lezen van Faverey’s ‘Zelfs een sneeuwuil’ uit de bundel Hinderlijke goden aan niets anders dan aan sneeuwuilen kon denken en mij er zelfs in dierentuinenvan moest vergewissen dat ze echt bestonden.) De vorm en energie van dit gedicht, de ogenschijnlijke willekeurige en dadaïstische woordenrijen roepen een vrolijke nieuwsgierigheid op, terwijl uit de verwijzingen naar hemel en aardsigheid blijkt dat het om meer gaat. Knap spel met referentiekaders en een lekkere mix van spreektaal en pompeuze psalmenboekerige galmzinnen.
Het is goed dat de gedichten zoals deze een tegenhanger krijgen, rustpunt aan de overkant van de bladspiegel. In het korte prozagedicht ‘hoe los blad’ wordt de vraag gesteld of wat de natuur geeft of loost terug te geven is.

Net als meer gedichten in de bundel kent ‘hoe boven alles uit’ twee delen, waarvan het eerste een introductie:

het knarst het buigt het zwiept paraplu’s klappen om
het huilt het valt het vliegt alarm na alarm slaat aan
we brullen van pret van schrik brullen
om de storm te overstemmen brullen
omdat niemand stil hoeft te zijn – het loeit
en hoog boven alles uit labbert schor gefluit

Wat ‘labbert’ betekent, weet ik niet maar het klinkt puik in deze setting. Na deze inleiding volgt een kakafonische display van massahysterie, een overkokend spreekkoor uit een opera, vragen vragen en nog eens vragen over wat er nu na de storm moet gebeuren. Ook te lezen als een lange uitwerking van een rebelse omgang met natuurgeweld. In de stad. ‘Hoog boven alles uit’ is een geluid, een dreiging en dan worden wanhopige hulpacties bedacht, of onzinnige protesten.
‘Blijven we doen wat we doen?’ vraagt de dichter na de lucht rebels gezwart te hebben en parapluies woest binnenstebuiten hebben te laten slaan.

Zoals de meerdelige gedichten tweedelig of meer van karakter zijn, zo zou je ook kunnen spreken van een andere toon, naast de ‘rebelse’ vrije. En helaas, zodra de toon wat conventioneel wordt, vind ik het een stukje minder. Dan wordt er weliswaar een voor iedereen te volgen ‘verhaal’ verteld, maar gebeurt er naar mijn idee in en door de taal te weinig. In het geval van het aan een vriend (?) opgedragen gedicht ‘Dat de gracht niet wist’ ligt het weer anders. Het is een portret, een flard van een gesprek opgedragen aan waaruit elke taaltovering zorgvuldig lijkt te zijn gewist. Ergens heel goed want ik denk heel bewust als keuze. De persoon over wie gedicht wordt, krijgt een monumentje en de dichter hanteert een rustiger, introspectievere toon. Dat het dan wat minder spettert, spreekt haast vanzelf.

In deel III met de subtitel ‘Stemmen en een klok’ leest het eerste gedicht ‘Gedicht voor twee stemmen en een klok’ als een libretto. Een absurdistisch spel met als inzet de pionnen van ontkennen, macht van het woord en de klank mondt uit in een duel tussen wie goed hoort en wie goed spreekt en wie echt leest. De klok tikt door de zijn onafwendbaarheid van de tijd. Via spel tot diepere waarheid komen, het zou zowaar een werk uit de school van de surrealisten kunnen zijn.  Ook hier metronomische middelen, en typografisch leest het bijna als een partituur.

Van individualistische actie naar de sleetsheid en de noodzaak tot doorbreken van deze sleetse houding door het collectief. Wie ‘we’ zijn wordt in het laatste deel IV (‘cirkels, cirkelen’) al snel helder. Een onderdeel van een groter geheel, het spreekwoordelijke radertje. We onderzoeken zelf het proefdier, of in het geval van Gélèns, de knikker of een ander absurd voorwerp, maar eigenlijk ontleden we te uit en te na onszelf.

het ruimtelijk geheugen van muizen

gedurende de vijf werkdagen van een week zwommen de muizen zes maal per dag in een zwembak met troebel water, onder het ondoorzichtig wateroppervlak lag een uitrustpunt verborgen, de muizen diende te leren waar
een x-tal muizen lieten wij oefenen op het moment dat hun nieuwe
hersencellen een week oud waren, andere muizen twee viier zes of acht
weken later. in week elf lieten we de muizen nogmaals zwemmen, zo
controleerden we of ze zich nog herinnerden wat ze hadden geleerd,
daarna braken we de muizen de nek.
[..]

In zet en af en zweef bedrijft een dichter op een onnavolgbare manier onderzoek, viert feest, wordt een met de natuur. Geraffineerd smeedt zij oer en futuur aaneen, put net zo makkelijk uit het hardloperslied van een Navajo indiaan als uit een steekproef in een wetenschappelijk tijdschrift. Het resultaat gedragen door een wel zeer wonderlijke en intrigerende wolk van taal en talen, die richting geven aan een mogelijk pad, terug naar een soort oerstaat, waarin mens en omgeving niet van elkaar te onderscheiden is, maar zoals de dichter zelf ergens zegt: ‘Alleen de mens kan dichten.’

Hélène Gelèns (1967) studeerde filosofie en publiceerde poëzie, proza en essays in literaire tijdschriften als Zwartwater, De brakke hond en De Contrabas waar zij in 2006 de publieksprijs won voor haar debuut Niet beginnen bij het hoofd dat in hetzelfde jaar werd genomineerd voor de C.Buddingh-prijs. Ook schreef zij het libretto van het oratorium Voices (2007) over een ongeneeslijk zieke vrouw.