Gedichten

Droom

Toen de aarde eensklaps uit de bocht vloog
en stuurloos door het universum zeilde
vluchtten mijn zus en ik onder de grond
en reisden twintig jaar terug in de tijd
we kwamen Jean-Paul Sartre tegen die
niet wist dat hij de redacteur zou worden
van mijn twee eerste bundels, dat hij daarna
zou overlijden aan een hartaanval
en mijn derde boek zo in de kiem zou smoren
hij lachte glazig, geloofde er geen snars van
om hem te overtuigen wou ik al
een gedicht uit Als geen ander voor gaan dragen
toen ik bedacht: alles wat ik zeg
kan tegen mij gebruikt worden, straks doe ik
de toekomst van mijn poëzie teniet
er viel een stilte, door zijn brillenglazen
keek hij met één oog weg, terwijl het andere
minachtend aanzag hoe ik wakker werd
twee dingen intrigeren mij nog steeds
waarom schrok ik niet wakker toen de aarde
eensklaps met een noodvaart uit de bocht vloog
en wat zag Sartre met zijn andere oog


(ongepubliceerd, 2010)




Alles wat je nodig hebt

Ze weet dat ik geen ouders heb, ze slapen
onrustig onder de planken van mijn bed
soms timmert mijn vader ’s nachts met blote vuist
de Marseillaise vlak onder mijn hoofdkussen
want alles wat je nodig hebt is liefde
begint de schone slaapster naast mij zacht
te neuriën, mijn moeder vlak daaronder
lucht ook haar hart, hamert er dwars doorheen
de negende van Beethoven, verbroederd
in slapeloosheid vervloeken wij de nacht


(Uit: De uitputting voorbij, 2011, Nieuw Amsterdam)




Terug naar het vertrekpunt

Nog steeds geven de huizen tegenover
geen inkijkje op wat hier leeft, de ramen
weerspiegelen een weg, een verlaten weiland
wat bomen verderop, een heldere hemel
geen mens die staat te wachten of hij kijkt
of hij de zuigkracht van twee openende deuren
nu wel weet te weerstaan, de buschauffeur
is het gewend, de jeugd van tegenwoordig
weet zelden wat ze wil, ik draai mij af
ik hoor de bus weer optrekken, verder rijden
ik ga zitten in het bushokje waar zij
toen dromerig krullen in haar haren draaide
nu zie ik haar verschijnen, leunend tegen
de straatlantaarn waar ik die middag stond
te lachen om een brief, pas onderweg
kwamen we zij aan zij te zitten, raakten
we aan de praat, er kwam geen einde aan
nooit zijn we ergens aangekomen, niemand
bedekt zich met de echo van onze passen
niemand is de weg die wij nu kwijt zijn


(Uit: De uitputting voorbij, 2011, Nieuw Amsterdam)