Interview met Maarten van der Graaff

'Een spel moet je ernstig spelen'

 
In het jongste nummer van nY vielen Jeroen Dera de gedichten van Maarten van der Graaff (1987) op. Wie is deze dichter die de kitsch en het sentiment in zijn poëzie wil opzoeken?

Het gebeurt niet vaak dat iemand debuteert in een tijdschrift als nY. Wat vind je zo aantrekkelijk aan dat blad?

nY heeft een voorkeur voor experimentele poëzie, daar passen mijn gedichten in zekere zin bij. Ik vind de bijdragen in het tijdschrift bovendien vaak interessant en de vormgeving mooi. De redactie vertelde dat Erik Spinoy enthousiast was over mijn werk en in een e-mail heeft hij dat nog een keer aangegeven. Hij zei dat hij vooral wil dat ik mijn eigen stem behoud. Dat zal ik doen.

Maarten van der GraaffHoe zou je zelf je eigen poëzie omschrijven?
Ik merk dat dit soort zelfbeschrijving onzeker maakt, maar ik zou graag poëzie schrijven die wat vorm betreft veel durft en thematisch gezien de grote onderwerpen niet schuwt. Geen keurige slimmigheidjes of gepolijst gebrabbel. De zogenaamde kitsch, het sentiment wil ik opzoeken en de beelden die ik gebruik, moeten onvervangbaar zijn. Verder wil ik niet voortdurend de schouders ophalen of de grote relativist uithangen. Als ik het schrijven van gedichten onbelangrijke bullshit zou vinden, zou ik het niet doen. Een spel moet je ernstig spelen.

Welke dichters uit het huidige literaire veld vind jij relevant?
Dichters die ik goed vind, zijn H.H. ter Balkt, Kopland, Vicky Francken, Alexis de Roode, Sylvie Marie, Nachoem Wijnberg, Mark Boog, Ducal. Ik noem er een stel. Verder, met gedeeltelijke verlating van het huidige veld, houd ik in willekeurige volgorde van Reve, T. S. Eliot, Prediker, Ginsberg, Vasalis, Baudelaire, Pessoa, Bukowski, Piet Paaltjens, de Jeugd van Tegenwoordig, Deelder, Nijhoff, Lucebert, Trakl, Gorter, Brecht, van Ostaijen, Rimbaud, Achterberg, David en Hugo Claus.

Dat is een behoorlijke lijst. Kun je er een paar dichters uitlichten en aangeven wat jou precies aantrekt in hun poëzie?
Bij Francken en Wijnberg waardeer ik het oog voor de subtiliteit van taal en betekenis. Bij Claus en Lucebert de manier waarop woeste, soms duistere metaforiek wordt verbonden met sentiment en expressie. En humor, niet te vergeten. Dat vind ik erg belangrijk. Hoe Reve ironie, schuine moppen en grootse passages over dood en liefde vermengt: dat is geweldig. Dichters zonder humor zijn onverdraaglijk. Daarbij moet wel worden vermeld dat mensen die niets te zeggen hebben nooit grappig zijn. Met David bedoel ik overigens die van de psalmen (hoewel ik natuurlijk weet dat zijn auteurschap zeer twijfelachtig is). De psalmen zijn überhaupt prachtig, gruwelijk, beeldrijk en ze barsten van de melancholie.

Die psalmen brengen me bij je studie: theologie. Dat is tegenwoordig een bijzondere keuze voor iemand van jouw leeftijd. Wat bracht je ertoe?
Ik vind religie een interessant, invloedrijk verschijnsel en wilde er meer over weten. Ik houd me momenteel vooral bezig met religie en kunst en dan met name de literatuur. Volgende maand mag ik in een collegereeks van Johan Goud een gastcollege verzorgen over religie en seks bij Reve. Mijn masterscriptie zal over Kopland gaan, over zijn verwondering bij het kijken naar het oppervlak van de dingen, zijn aversie tegen achterwerelden, om het zo te zeggen. Pessoa is een belangrijke dichter voor hem, ik wil ontdekken hoe zijn werk functioneert in dat van Kopland. Om terug te komen op je vraag: het lezen van veel religieuze en filosofische teksten heeft mijn taalgebruik als dichter denk ik sterk beïnvloed. Eén van de drie gedichten in het huidige nummer van nY heet ‘139’ en is geschreven naar aanleiding van psalm 139. Het gaat bij mij uiteindelijk om de beklemmende liefde die de ander wil overwoekeren. In een van de regels staat: ‘ik leg mijn hand op je./ Mijn hand is een eenzelvige korst op je’. Het menselijk verlangen naar nabijheid en de angst voor identiteitsverlies en verstikking vind ik fascinerend.

Je publiceert ook in het scrapbook van beeldend kunstenaar Daniël Labruyère. Kun je iets zeggen over die samenwerking?
De eerste keer dat ik iets als dichter deed, exposeerde ik met Daniël – een goede vriend van me – in de Singer Sweat Shop in Rotterdam. De expositie was een combinatie van zijn beeldend werk en mijn gedichten. Nog steeds praten we veel over wat we doen en dat vormt ons beiden. Ik vind Daniël een enorm talent en zie onze samenwerking als erg waardevol. Het scrapbook op Daniëls site bevat flarden beeld en tekst, waar je als bezoeker doorheen kunt dwalen. Het scrapbook geeft ons de mogelijkheid te experimenteren: ik kan zo alle hoeken, gaten en afgronden van de taal aanspreken.

Wat zijn je ambities op het vlak van de poëzie in 2011?
Ik ga veel schrijven, nog meer dan ik deed. Zo werk ik aan een ‘Gedicht in vijf Tabletten’. Dat is een lang gedicht waarin ik de zoektocht naar een nieuwe betovering wil verbeelden, een queeste. Verder zou ik graag meer in tijdschriften publiceren en op de podia staan. Het beviel me laatst goed om op te treden bij iPoetry en bij de bundelpresentatie van Alexis de Roode. Ook Onbederf’lijk Vers was een goede ervaring. Ik ben erg blij met mijn debuut in nY en zou graag een uitgeverij vinden. De opzet van een eerste bundel spookt soms door mijn hoofd.