Recensie van Het spook van de vrijheid - Erik Bindervoet

Uitstekend gemaakte kitsch

Erik Bindervoet
Het spook van de vrijheid
Uitgever: De Harmonie
2010
ISBN 9789061699484
€ 15,90
86 blz.

Erik Bindervoet is bekend geworden door de opvallende vertaalprojecten die hij, vaak met kompaan Robbert-Jan Henkes, aanpakt. Liedteksten van Bob Dylan en The Beatles, romans van James Joyce: Bindervoet is ambitieus. Ook als dichter schuwt hij een groot project niet, getuige zijn lange gedicht Aap (2002 – bij dit gedicht schreef Bindervoet trouwens, ter gelegenheid van de presentatie van Hout van Bas Belleman een epiloog die onder de titel ‘Epiloog voor B. B.’ is opgenomen in Het spook van de vrijheid). Daarom was ik bij het lezen van het eerste deel (‘Pessoa in het Vondelpark’) van Het spook van de vrijheid een beetje teleurgesteld. Bindervoets stijl van dichten hangt in zijn lichtvoetigheid altijd een beetje tegen het melige aan, maar met de korte gedichten waar Het spook van de vrijheid mee opent lijkt hij het zich toch echt een beetje te makkelijk gemaakt te hebben:

Dichter in New York

Stel
Het zijn geen auto’s die je
‘s Nachts
Hoort of gele taxi’s
Of politiesirenes
Maar wervelwinden van duiven
Gestreepte anemonen op wieltjes
Achternagezeten door een apatosaurus
Of cirkels en balken
Die terugkeren naar de werkelijkheid
Van een slapend meisje bij het raam?

Veel beelden, veel referenties naar de wereldliteratuur, maar wat staat er nou eigenlijk? Een apatosaurus, een slapend meisje, politiesirenes, het riekt naar effectbejag. In het gedicht dat deze afdeling zijn titel leende lezen we:

Ik ruk een tak van een boom
En weet dat ik elke keer
Als ik de tak in het zand plant
Een gedicht heb.

Bindervoet zal het vast ironisch bedoelen, maar het geeft wel goed het gevoel weer dat ik bij deze gedichten heb.
Niet dat er in dit eerste deel geen aardige gedichten staan. Als hij mededichters op de hak neemt is Bindervoet bijzonder geestig, zoals in ‘De Tjitske-cyclus’, waarin hij spot met Koerikoeloem, de tweede bundel van Tjitske Jansen (waar ik destijds ook het een en ander over te zeggen had):

Tjitskes dichtkunst

Een lezer vroeg op een gegeven moment aan Tjitske:
“Als ik niks in mijn hoofd heb, wat moet ik dan doen?”
Tjitske antwoordde:
“Gooi het eruit.”
De lezer vroeg:
“Maar ik heb niks, hoe kan ik het er dan uitgooien?”
En Tjitske antwoordde:
“Draag het er dan uit.”

Verderop in de bundel moet ook Anna Enquist het ontgelden: ‘Ze loeide over het eiland, / Waar het altijd waait. / Het was Anna E. / Zij had verdriet / En zij sprak de waarheid / Want zij had verdriet / En zij sprak de waarheid.’ (uit: ‘Paarse puntschoenen van vroeger’)

De volgende afdeling, ‘Toonladder naar de maan’, opent met de gelijknamige, rijmende, liedtekst en bevat verder rijmende en niet-rijmende sonnetten. De gekozen vormen geven Bindervoet uitgebreid de gelegenheid om te laten zien hoe geestig hij is en hoe hij de kneepjes van het dichtersambacht beheerst, maar ook hier ontbreekt meestal diepgang. Er is wel heel veel kitsch. Kunstige, uitstekend gemaakte kitsch, maar toch vind ik er niet zo veel aan:

Hadden mijn woorden voeten
Dan liep ik naar je toe
Ik beklom de hoogste ladder
En zong dan Love me do

(uit: Toonladder naar de maan)

De dagen vallen minder zwaar, ‘t is vreemd:
Ze zijn, als jij op dit moment, ontheemd
En wij door liefde, met geluk, bevrijd.

(uit: Blonde zon)

Het spook van de vrijheid wordt pas echt interessant na een pagina of 50, als de derde en laatse afdeling ‘Scènes uit een vorig leven’ begint. De lichtvoetigheid blijft, maar er komen diepgang en meerduidigheid bij. ‘In zekere zin heb ik mooie paarse schoenen’, opent het lange gedicht (‘Scènes uit een vorig leven’ bevat veel lange, proza-achtige gedichten) ‘Paarse puntschoenen van vroeger’. En Bindervoet blijft natuurlijk een dichter met een bijzonder ontwikkeld taalgevoel:

Mediterrane automobilisten karren af en aan
Dwars door de met met geluid verzwaarde lucht gevulde hitte.
Ze scheuren de hoek om
Zonder richting-
Aanwijzer maar met -sgevoel.

Het spook van de vrijheid is een onevenwichtige bundel. Enerzijds laat Bindervoet zien dat hij een erudiet en vakkundig dichter is en levert hij een groot aantal interessante gedichten af,  anderzijds staat er ook veel in deze bundel dat, hoe virtuoos ook, eigenlijk te ‘dun’ is.