Recensie van Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin - Edwin Fagel

Een verkenning van het dichterschap

Edwin Fagel
Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin
Uitgever: Nieuw Amsterdam ,Nieuw Amsterdam ,Nieuw Amsterdam
2011
ISBN 9789046811207
€ 14,90
48 blz.

In het titelloze openingsgedicht gaat de ‘ik’ in een station op de vloer liggen. Hij valt in slaap. Dan dreint een stem door de ruimte: ‘iedereen leeft’. Het eerste wat de ‘ik’ constateert: ‘mijn lichaam is me vreemd’. Later ziet hij zichzelf in de draaideur terug. De existentie van de ‘ik’ wordt verder geproblematiseerd met de strofe

Wie is mijn vader? Wie is mijn moeder?
Waar is mijn huis? Waar is mijn lichaam?

De relatie tussen de ‘ik’ en zijn lichaam is problematisch – een van de belangrijkste thema’s van deze bundel – en dat blijkt even later ook uit de zin: ‘Het lijf waarmee ik worstel is me vertrouwd.’

Stilistisch is Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin een zeer sterke bundel. De tekst hangt continu tussen twee tegengestelden, wat nogal wat wrijving veroorzaakt: tussen worsteling en vertrouwd zijn, tussen helder en raadselachtig verhaal, tussen ernst en humor. Omdat die wrijving tussen tegengestelden onophoudelijk aanwezig is, weet je nooit precies waar je aan toe bent. De schaduw die over alle gedichten hangt (een wrijving met de ogenschijnlijk onbezorgde vertellingen!) versterkt die onzekerheid nog.

De cyclus ‘Ineens stond alles in een ander licht’ begint op een sterfdag. Enkele dagelijkse klusjes gaan eraan vooraf. Vooral de zin ‘Hij was vergeten / zijn horloge om te doen en bleef zich die dag / bewust van de naaktheid van zijn pols.’ blijft hangen: die zin, wrijving tussen ernst en humor, is ook de wrijving tussen een onbezorgde dag en een sterfdag. De afsluitende zin ‘Wij bleven met hem omgaan alsof / er niets aan de hand was, al voelden we / wel dat er iets niet klopte.’ sorteert het juiste effect: de wrange boodschap komt duidelijk naar voren door de luchtige klank van het gedicht.
In de volgende gedichten van deze cyclus volgt de ‘ik’ hem: ‘Ik besloot hem te volgen / alsof hij mijn broer was.’ Zijn broer blijkt een kwetsbaar kind dat zich vernederd voelt. Hij zoekt vrijheid. Of zoekt hij bevestiging? Een van de weinige plaatsen in de bundel, waar de toon echt venijnig wordt, gaat in op die vraag:

Ik wil dat je me aankijkt. Ik wil dat je weet
dat ik het ben. Ik wil dat je trots op me bent.
Ik wil dat je van me houdt. Ik trap je dood
als je niet van me houdt. Ik trap je
dood. Ik trap je dood. Ik trap je dood.

In de cyclus ‘Contouren’ komt de wrijving tussen tegengestelden her en der scherper naar voren, onontkoombaar soms, met nauwelijks nog ruimte in de tekst.

TOEN ZE STIERF

verloor ze water, oneindig
terwijl ik in bed lag
te kijken naar het licht onder de deur,

was ze een huilende man met zachte gedachten,
een vloekende vrouw aan de ontbijttafel
en wist ze dat ik dichtbij was

De cyclus bestaat uit zeven gedichten die allemaal beginnen met ‘TOEN ZE STIERF’, en ja, de clichés liggen op de loer, maar Fagel ontwijkt ze met deze stapeling van wrijvende beelden en treffende scènes die niet zozeer over sterven blijken te gaan, maar over afscheid van een moeder. Opvallend is de aandacht die de natuur krijgt in enkele gedichten van de cyclus:

TOEN ZE STIERF

rook ik haar geur in de lome westenwind,
ik snoof haar op,

het landschap kwam daar uit het weiland omhoog,
de bomen zaten vol vogels, een kerkklok sloeg

In dit gedicht blijkt moeder een klein, kwetsbaar meisje, dat geborgenheid zoekt bij de ‘ik’, haar zoon. Ook aan het begin van de cyclus, als de zoon naar zijn moeder wil maar hard van de trap valt, blijkt moeder, zodra hij bloedend op de grond ligt, kwetsbaar, wanneer ze huilt ‘luid en hevig / als een pasgeboren baby’.

Geestig vind ik de drie afsluitende gedichten, een gesprek tussen dichter en serveerster. ‘Je stem is als het / lamplicht achter één enkel raam van een leeg / kantoorgebouw.’ De serveerster adviseert de dichter ermee te stoppen. ‘Het zijn maar / woorden.’ De tekst neemt een venijnige wending:

Er stijgt een unisono gemompel op,
iemand staat op: Gefeliciteerd jongen, met die prachtige
gedichten van je! Je staat naast me en zegt:
Wat wil je eigenlijk? Je zit maar te schrijven
over je kleine leven, het (ja, ja) goddelijke meisje

Om af te sluiten met: ‘Het is niets, zeg je. Het is voor niets.’ In het tweede gedicht reageert de serveerster met:
Je zit aan tafel te schrijven, ik kijk naar je en voel me
een moeder langs de zijlijn. Je rent over het gras, verliest
een schoen, je bent al bijna vergeten.

Het zou een battle kunnen zijn, de laatste ronde van een poetry slam, waarin twee dichters elkaar poëtisch aanvallen. Wat bezielt die dichter, hoor je de serveerster denken. In het laatste gedicht bevinden ze zich op het strand. ‘Hij kijkt naar me, ik zie hem / naar mijn lichaam kijken / terwijl ik de zee in loop.’
Dit is het open einde van een enigszins verhalende dichtbundel. Meer nog is dit een verkenning van het dichterschap: de waarnemer die overal buiten staat, die zoekt maar geen écht menselijk contact kan vinden, die de wrijving tussen tegenstellingen gebruikt om zijn taalmessen aan te slijpen. Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin is een bundel óver poëzie.

***

Edwin Fagel (1973) is neerlandicus en is werkzaam als journalist. Daarnaast is hij redacteur van het poëzietijdschrift Awater en het webzine de Recensent.
In 2007 verscheen zijn dichtbundel Uw afwezigheid, die genomineerd werd voor de C. Buddingh’prijs-2008 en bekroond met de Jo Peters PoëziePrijs 2008.