Interview met Wilma van de Akker

Over hooi en fietsen door de woestijn

 

Wilma van den Akker (1960) was een aantal jaren redacteur van Meander, waarvoor zij o.a. de rubriek ‘Dichters’ coördineerde. In 2008 verscheen in de Windroosserie van Uitgeverij Holland haar dichtbundel Nageljongenstraat. Haar literaire activiteiten groeiden zo sterk, dat ze deels met het werk voor Meander stopte. Nu is zij alleen nog recensente en schrijft zij voor De Klassiekers regelmatig een  poëzieanalyse.

Wat was er nou zoveel boeiender dan Meander?
Er is heel veel boeiend en belangrijk. Het lastige is om daarin de goede keuzes te maken. Bij mij bestaat altijd het gevaar dat ik teveel hooi op mijn vork neem. Het werk voor Meander deed ik naast een pittige baan in de hulpverlening en ik ontdekte dat de combinatie te zwaar was. Helemaal weggeweest ben ik nooit. Af en toe bespreek ik een klassiek gedicht voor Meander Klassiekers en ik ben weer recensies gaan schrijven. Dat vind ik fijn werk, omdat het me dwingt een bundel aandachtig te lezen en er een zorgvuldige mening over te formuleren.

Regelmatig komt hier een nieuwsbrief van ‘mevrouw Schrijftaal’ voorbij.
In 2010 heb ik mijn eenmanszaak ‘SchrijfTaal’ opgericht; op een gegeven moment heb ik mezelf omgedoopt tot Mevrouw SchrijfTaal. De eerste doelstelling van SchrijfTaal was het opzetten van schrijfgroepen voor traumaverwerking. Ik weet en heb zelf ervaren dat je van schrijven gelukkiger en gezonder wordt. Die therapeutische doelstelling heb ik voorlopig helemaal losgelaten. In de toekomst wil ik daar een heldere visie en degelijke aanpak voor ontwikkelen. Momenteel wordt er in mijn groepen creatief geschreven, door jong en oud.
Zo kwam ik op het spoor van de opleiding tot Docent Creatief Schrijven (DOCS), waar ik steeds meer materiaal verzamel voor het geven van cursussen creatief schrijven. Het accent ligt op lesgeven, maar we leren ook veel over zelf schrijven van poëzie, proza en non-fictie. Met als gevolg dat ik veel kritischer ben geworden over wat ik zelf schrijf. Afstand nemen en herschrijven zijn veel belangrijker geworden dan de eerste inval, de oplichtende gedachte. Die laatste is meestal voor jezelf een piekervaring maar de vraag is of die voor lezer ook zo interessant is.

Lesgeven zit in je bloed?
Dat weet ik niet, maar ik ben wel altijd leergierig geweest. En ik heb veel ervaring met het begeleiden van mensen in uiteenlopende leerprocessen. De leukste momenten in een cursus vind ik als bij iemand de ogen opengaan, bijvoorbeeld voor het verschil tussen vertonen en vertellen. Als je dat eenmaal gezien hebt, schrijf je voor altijd anders.

Maar het is vooral plezier in taal?
Mijn plezier in taal heeft altijd geconcurreerd met ‘mensenwerk’. Wellicht dat ik er nu de juiste mix voor heb gevonden.
Zoals ik al aangaf, denk ik na over een eigen visie en aanpak van schrijfonderwijs. Ik denk dat ik in de toekomst mensen ga begeleiden met het schrijven van levensverhalen, ofwel autobiografisch schrijven. Een nieuwe dichtbundel zou mooi zijn natuurlijk, maar ik schrijf ook steeds vaker proza. Er ligt nog een boek in de dreumesfase op me te wachten. Dat inzicht heb ik ook verworven: wat een hels karwei het schrijven van een roman is. Respect voor mensen die zichzelf jaren lang opsluiten en de discipline opbrengen om zo’n werk te maken.

Lezen en schrijven.
Ik ken veel dichters, schrijfdocenten en een aantal schrijvers. Lezen doe ik vooral om inspiratie op te doen en de kunst bij anderen af te kijken. Naast de neiging om teveel hooi op mijn vork te nemen heb ik nog een makke: het kost me moeite om erbij te horen.
In de literaire wereld wordt nogal eens neergekeken op dat therapeutische aspect van schrijven. Ik vind dat jammer. Waarschijnlijk hebben schrijvers en dichters dat nodig om hun werkterrein af te bakenen. Het is als dichter natuurlijk ook niet handig om al je emotionele bagger te publiceren, wat tegenwoordig nogal makkelijk is. Van mijn hand slingert er ook wel troep rond. Zoals gezegd: ik word steeds kritischer en zuiniger met publiceren.

Poëzie in jezelf.
De poëzie in mezelf zit momenteel vanwege al dat hooi en de innerlijke critica wat in de knel en moet nodig bevrijd worden. Meestal heeft mijn poëzie te maken met waarnemingen van kleinigheden waaraan anderen voorbijgaan, zoals in het tweede van de bij dit interview geplaatste gedichten ‘Moeten’. Ik leg dan verband tussen verschillende betekenissen van het woord.
Mijn waarnemingen passen over het algemeen het best in poëzie met een vrije vorm. Maar ik heb ook veel geleerd van het imiteren van gedichten met vaste vormen, zoals het sonnet ‘Woninglooze’ van Slauerhoff. Het kan bevrijdend werken om je eigen inhoud in een bestaande vorm te gieten.

Onder de pannen

Alleen met mijn gedichten kan ik leven
nooit had ik lang een ander in mijn huis
voor mij geen samen hangen voor de buis
steeds kwam een eind’ aan ‘t nemen en het geven

Alleen met mijn gedichten kan ik leven
zij leggen niet op alle slakken zout
verdwenen liefdes heb ik van mij afgeschreven
met schrift en pen blijf ik getrouwd

En vroeg of laat zal het moment aanbreken
dat mijn gehavend lijf het helemaal begeeft
dan heb ik met de poëzie geleefd
een tuin, een poes, een enkele vriend
de muze in mijn eigen stijl gediend
ik hoop dat iemand daar nog iets aan heeft

Wilma van den Akker, 19 maart 2010 Naar: Woninglooze – Jan Slauerhoff, gepubliceerd in: De Haarlemse Dichtlijn 2011
 


Je fascinatie voor Lucebert is vervangen door een andere?
Nee. Hij blijft voor mij het allergrootste voorbeeld, qua vrijheid, speelsheid van de taal en levensvisie, die ik persoonlijk nog steeds interpreteer als het verenigen van ‘het schone en het voze’. Natuurlijk zijn er veel meer goede dichters, maar Lucebert werkt voor mij altijd. Laatst schreef ik een kort verhaal, alweer een imitatio, dit keer van korte  verhalen van Guus Middag ‘Ik maak nooit iets mee’. Het format vraagt dat ieder verhaal wordt afgesloten met een passend gedicht. Ik sloeg Lucebert open en had meteen een perfect gedicht beet. (naar het korte verhaal)

De lezer is de uiteindelijke schrijver?
Daar moet ik over nadenken. Fifty/fifty zou ik zeggen. De schrijver doet de ene helft van het werk, de lezer de andere. Het is wel goed om na te denken over hoe wat je schrijft op de lezer overkomt. Efficiënt communiceren blijft ongelooflijk ingewikkeld. Dat merk je al in gesprekken, laat staan in poëzie, waar vaak toch een snufje mysterie in zit.

Als je maar twintig woorden kreeg om te zeggen wat schrijven voor jou is.
Dan zou ik zeggen: ‘Schrijven is voor mij de lol inzien van door de woestijn fietsen met een lekke band, dit roepen en gehoord worden.’
Goh, dat zijn er precies twintig. Dat gehoord worden, daar zit natuurlijk het probleem. Zie het eerste van de bijbehorende gedichten.