Interview met de Deense schrijver Niels Hav

Poëzie is niet voor watjes

 

Onlangs verscheen Als ik blind word, de ‘debuutbundel’ van de Deense schrijver Niels Hav (1949) in het Nederlandse taalgebied. Eindelijk, want Hav is een boeiende dichter, die al eerder onder meer in het Engels, Italiaans, Arabisch en Chinees publiceerde. Nu z’n gedichten dankzij de inspanningen van vertaler Jan Baptist ook in de Lage Landen in boekvorm beschikbaar zijn, werd het hoog tijd voor Meander om de Deen een mailinterview af te nemen.

Waar “staat” u in de hedendaagse Deense poëzie?
Ik ben geboren aan de westkust van Denemarken, ver weg van mijn huidige woonplaats Kopenhagen. Dus in zekere zin ben ik een nieuwkomer in de hoofdstad, net als de Arabische, Pakistaanse en Turkse immigranten bij mij in de buurt. Als kind sprak ik een provinciaal dialect. Natuurlijk hoor ik bij het literaire landschap van Denemarken, maar ik heb mij nooit onderdeel gevoeld van een bepaalde generatie of beweging in de Deense poëzie. Ik heb volslagen andere ervaringen dan de ‘stedelijke’ dichters. Ik weet bijvoorbeeld nog goed hoe blij ik was toen ik kennismaakte met de poëzie van Ted Hughes en Seamus Heaney. Zij schreven over dingen buíten het stedelijke getto, over voor mij herkenbare ervaringen met de natuur en met dieren. Vandaag de dag ben ik een stadsduif en ik voel me thuis in Kopenhagen, maar toch blijf ik een buitenstaander met andere banden, iemand uit een andere context.

In het gedicht ’Mijn fantastische pen’ schrijft u: ”Poëzie is niet voor watjes!”. Is dit ook uw persoonlijke mening over poëzie?
Dat is een goede vraag met verschillende lagen. Poëzie is er natuurlijk voor iedereen, en gedichten zijn aan niemand in het bijzonder gericht. Maar hier heb ik het over het beroep, de kunst, het dagelijkse schrijven van poëzie. Het vergt namelijk nogal wat moed en uithoudingsvermogen om dit vak uit te oefenen. Plús de wil om af te zien van particuliere lyriek en ongebreidelde sentimentaliteit – twee grote gevaren voor de poëzie. Kenmerkend voor goede dichters zijn de slechte gedichten die ze nooit schreven.
Poëzie behelst muzikale en grappige elementen, maar ook nog zoveel meer. De tijd schrijdt voort; we leven en sterven; de wereld staat in brand; onze planeet wordt bedreigd door de politiek, bommen, ideologieën en religies – dát zijn de gespreksonderwerpen van veel volwassenen. Voor de kunst is dit dé uitdaging om aan dit gesprek deel te nemen: om te ontdekken wat er gebeurt, er begrip voor trachten te vinden en de dingen bij hun naam te noemen. Dus ja, poëzie – het beroep – is niet voor watjes weggelegd. Je moet goed naar jezelf kijken en de werkelijkheid (God, of hoe je het ook wilt noemen) recht in de ogen kijken. Poëzie moet in de eerste plaats een dialoog met de lezer op gang brengen over de diepste mysteries van ons bestaan.

Is er een dichter die naar uw mening met zijn gedichten tot zo’n diepgaand “begrip” is gekomen?
Er zijn veel grote dichters, en sommigen hebben een handvol prachtige gedichten geschreven vol met inzichten over fundamentele levensvragen. Maar in onze cultuur is er een tendens om poëzie in een speciaal getto te isoleren. De Pool Czeslaw Milosz was iemand die serieus over wezenlijke zaken sprak en de relevantie van poëzie benadrukte. Zijn honderdste geboortedag werd in 2011 niet alleen in Polen maar ook op andere continenten gevierd, omdat hij aandacht schonk aan essentiële, nog immer actuele dingen. Maar als ik hier een aantal verzen van een dichter zou moeten citeren, dan is dat de Chinees Li Bai (701-762). Hij zei iets over het belang van poëzie en niemand zou het vandaag de dag beter kunnen zeggen:

Perfecte gedichten zijn de enige gebouwen
die altijd overeind blijven staan.
Waar zijn de trotse paleizen gebleven
die hier ooit hoog torenden?
Wanneer de kracht in mij is laat mijn pen
vijf heilige bergen schudden.
Wat kan mij het schelen wat mensen zien
in glorie, macht, rijkdom – wat
is dat vergeleken met het schrijven van poëzie?
Voordat ik voor hen zal knielen
moet de Gele Rivier terugstromen naar de bron.

Kunt u ons iets vertellen over het ontstaan van het gedicht ‘Bezoek van mijn vader’, met die fraaie verzen: “(…) Aan het prikbord / hangen zeventien rekeningen. Gooi ze weg, / zegt hij, ze komen wel weer!”?
Mijn vader was boer en koster (hij zorgde voor de begraafplaats in het dorp). Hij had niks met economie en zijn portemonnee was vaak leeg. Wanneer de postbode was geweest, stond mijn moeder met de rekeningen in haar hand en vroeg aan mijn vader wat ze ermee moest doen. Hij zei steevast: “Weggooien, ze komen wel weer terug.” Mijn vader is jaren geleden gestorven maar op eenzame momenten komt hij nog steeds op bezoek om met mij over de toestand in de wereld te praten. En net als landbouw is poëzie niet bepaald een beroep waar je rijk mee kunt worden. Er zit weinig geld in poëzie, maar er is in ieder geval een soort balans, want er schuilt ook weinig poëzie in geld.
Dit wat betreft het persoonlijke aspect van dit gedicht, maar wil het ook voor anderen interessant zijn dan moet het in zekere zin ook emblematisch zijn. Wanneer ik een gedicht over mijn vader schrijf, moet het gedicht zó exemplarisch zijn dat het de lezer raakt en dat deze tijdens het lezen met zijn eigen vader vertoeft. Ik wil de lezer niet belasten met mijn gevoelens en overpeinzingen – dat zou hem beletten om het gedicht ergens anders voor te benutten, het zou enkel over mijzelf gaan. Een gedicht moet zodanig gemaakt zijn dat de lezer er zich in thuis voelt met zijn eigen gedachten en gevoelens, en dat hij zich de woorden tot de zijne kan maken. Uiteindelijk zijn mijn persoonlijke ervaringen volledig onbelangrijk. Ik heb het gedicht geschreven en vervolgens aan de lezer overhandigd. Mijn vader had geen paspoort, maar het gedicht over hem is voorgedragen in China en Dubai, en het lijkt te werken in het Arabisch en Chinees. Iedereen heeft een vader.

Hoe begint u gewoonlijk een gedicht? Met een woord? Een vers? Een beeld? Iets anders misschien?
Poëzie is zo’n futiele bezigheid. Ik weet wel zeker dat de meeste dichters eenzelfde gevoel hebben. Mijn vrouw is concertpianiste. Iedere morgen oefent ze aan de piano en ga ik naar kantoor. Vaak gebeurt er niks. Ik zit daar, de woorden zijn er, maar er gebeurt niks. Op een goede dag leiden mijn verwarring en twijfels wellicht tot een gedicht. Door de dagelijkse arbeid en het contact met het geschreven woord krijgt de taal soms elektriciteit en gaan de woorden schitteren. Ik schrijf óf langzaam óf heel snel, maar ik laat een gedicht meestal nog enige tijd rijpen alvorens het te publiceren. Soms herlees ik een tekst pas veel later en besef dan plotseling dat het een echt gedicht is. Dit gebeurt wanneer een tekst mijzelf verrast. Het schrijfproces is dus nogal een mysterie. Een nieuw gedicht is een geschenk, het kan zomaar ontstaan, op straat, in het verkeer, bij dagelijkse klusjes – een soort openbaring. Maar een werkelijk goed gedicht is zeldzamer dan een dode das op de snelweg of een UFO.

Ware verzen als: “Pas verliefden kussen elkaars vingertoppen, / dat weet ik best.” lijken het product van een goed observator. Kijkt u veel om u heen voor inspiratie?
Kussen is een zeer interessant onderwerp, bedankt dat u het aansnijdt! We hebben elkaar lief, we kussen. In deze tak van sport zijn de meesten van ons zowel toeschouwer als acteur. Ik weet niet of ik meer veldonderzoek heb gedaan dan anderen, maar ik heb gemerkt dat pasverliefden alles van elkaar prachtig vinden. De manier waarop ze spreekt, haar jas, haar pen, haar tas. Én haar lach, haar polsen, haar heupen. Maar ook haar kam, haar boeken en platen, haar fiets. Én het is de manier waarop ze eet, het zijn haar teennagels, haar groentewinkel, het is de straat waar ze woont. Zíj is het!
Dus, om op uw vraag terug te komen: ik zeg niet dat ik veel om mij heen kijk voor inspiratie. Meestal leef ik eenvoudigweg en ben ik bezig met mijn dagelijkse klusjes. Inspiratie komt wanneer ze komt. Maar ik schrijf ook korte verhalen en voor proza heb je natuurlijk wel meer onderzoek nodig.

U spreekt vloeiend Engels. Zou u in die taal kunnen dichten of is poëzie voor u honderd procent verbonden aan uw moedertaal?
Misschien geen honderd procent, maar ik spreek helaas niet zó goed Engels. Ik schrijf vrijwel uitsluitend in het Deens, en mijn Deens is beïnvloed door het dialect dat ik in mijn jeugd sprak. Ik heb maar een paar gedichten in het Engels geschreven. Ik ben gehecht aan mijn moedertaal en ik zit vast in het Latijnse alfabet. Zelfs als ik Engels spreek, ben ik nog geïsoleerd van de helft van de wereld. Hoeveel alfabetten zijn er op onze planeet? Niemand weet het precies, maar alleen al het Chinees, Hindi, Bengaals en andere Aziatische alfabetten worden door meer dan een derde van de wereldbevolking gebruikt. En ruim een miljard mensen benutten het Arabische alfabet. Veel Arabische en Chinese schrijvers hebben het voordeel dat ze met twee alfabetten kunnen omgaan. Ik wilde graag dat ik wat minder onwetend was…
Ik ben dus afhankelijk van mijn vertalers. Per Brask, Patrick Friesen, Martin Aitken en enkele anderen hebben vertalingen van mijn werk in het Engels verzorgd. En wat Nederland betreft, heb ik het grote geluk dat Jan Baptist mijn gedichten vertaalt. Hij spreekt vloeiend Deens en begrijpt zelfs de kleinste taalnuances. Hij heeft met veel liefde allerlei klassieke auteurs vertaald, waaronder Andersen, Leonora Christina en J.P. Jacobsen – dat ik tot zijn ‘stal’ behoor, ervaar ik als een groot voorrecht. Jan gaat heel onzelfzuchtig te werk en is niet op zoek naar applaus.

Wat zijn uw poëtische doelstellingen voor de naaste toekomst?
Ik zit altijd vol plannen, maar vaak belanden ze stuurloos, als papieren vliegtuigjes op de grond. Bovendien ben ik net als alle andere schrijvers nogal bijgelovig. Ik waag het nooit om over ongeschreven werk te praten, maar ik werk wél altijd aan nieuwe gedichten en verhalen. Ik wilde graag iets groots schrijven over de grandeur en schoonheid van ons universum, als dank voor het feit dat ik op onze planeet mag rondlopen. Deze ambitie botst almaar met het ontbreken van vaardigheden en met de realiteit. Ik kan dit gevoel misschien uitleggen met een nieuw gedicht:

Iets is er gebeurd

We willen onze sporen achterlaten
                       in woorden.
Maar de taal is geen privé-uitvinding.
Houden van, verlaten worden;
de klok gewaar worden die de seconden aftelt
in het lichaam. De zichtbare pijn,
                       razernij,
onoverkomelijk verdriet. De taal weet het allemaal.

Wat is er van mijzelf? Is het mogelijk
eigen ervaringen op te doen
                       en onder woorden te brengen,
die meer zijn dan conventioneel?
Bij te dragen met een toevoeging?

Iets is er gebeurd, iets groots,
maar ik kan niet uitleggen,
                       wat het is.
Postulaten verraden zichzelf.
Ik moet mijn verlegenheid erkennen –
en luisteren naar de woorden,
die zich voortplanten met de werkelijkheid
                       overal.

© Niels Hav
© vertaling uit het Deens door Jan Baptist

Niels Hav – Als ik blind word  (vertaling Jan Baptist)
Uitgever: Jan Baptist; 92 pagina’s, € 15,00
ISBN 97890815325717
Zie hier voor de eerdere recensie in Meander.