Recensie van Mensen die je misschien kent - Frouke Arns

Poëzie als grensgebied tussen herinnering en werkelijkheid

Frouke Arns
Mensen die je misschien kent
Uitgever: Marmer
2013
ISBN 9789460681523
€ 12,50
72 blz.

Bij zo’n debuutbundel als die van Frouke Arns, Mensen die je misschien kent, vraag je je wel eens af vanuit welke levensperspectief zo’n bundel is geschreven. Wat heeft Arns ertoe aangezet? Valt dat op te maken uit haar bundel? Thema’s, onderwerpen kleine aanwijzingen in de gedichten? Ik werd al direct nieuwsgierig, toen ik las dat de ‘ik’ de kindertijd in Beiroet heeft liggen en de ‘jij’ wellicht geworteld is in Damascus. We hebben hier met een dichter van doen die van kindsbeen af aan Duits en Nederlands heeft leren spreken, Engelse taal en literatuur heeft gestudeerd en onder meer een reis door Azië heeft gemaakt. Een wereldwijze vrouw, werkzaam als vertaler. 

Mijn eerste leeservaring was divers: kindertijd, sprookjesachtige elementen. verliefdheden, afscheid, verlies, verlangen, herinnering: ‘je gaat op pad en maakt herinneringen nieuw, aan plaatsen, mensen,/’. Ze zegt dat aansprekend in het gedicht ‘Blijf”: ‘van die dag bleef niet de warmte/ in de stenen of de smaak van salie/ aan je handen hangen, maar een/ onbevangen zwijgen bij het kijken.//’. Dat strelend aquarelleren doet Arns vaker in haar gedichten. Tastend en zoekend ontvouwen zich gaandeweg herinneringen aan een geliefde, de moeite met het verlies daarvan en de herinnering daaraan. Er was voor mij bij tweede lezing sprake van sterk verlangen, pijn en moeite, maar ook hoop op wat er nog te schrijven valt.
Arns opent haar gedichten veelal anekdotisch, blijft dicht bij huis, maar verglijdt al snel in observaties die onder de radar van het alledaagse, het voor de hand liggende en het vertrouwde doorgaan. Het is een bundel geworden niet alleen met een observerende nuchterheid, krachtige en dan weer subtiele penseelstreken waarmee sommige beelden op papier worden gezet, maar ook met ‘streetwise’ geschreven teksten: ‘Er is een feest dat zo stomdronken is dat niemand het zich herinnert,/’, met feminiene detaillering als in een gedicht als ‘Actrice’:

Zij doet iets met het licht
hoe ze het vangt in haar ogen,

Het zeeft, verzacht of breekt,
hoe haar blik het licht bespeelt.

Zij doet iets met de huid
hoe ze streelt met haar stem,

plooit, verzacht of ruwt,
hoe haar stem de huid bekruipt.

Maar als haar rol is uitgespeeld
valt zij uiteen in loze zinnen,

straks in de auto door de nacht
een roze koek en zelfs geen hond
die op haar wacht.

En gelaagde formulering zoals in het gedicht ‘Polaroid 1’: ‘Eén ding: wind is ongrijpbaar, laat zich slechts kennen/ in wat hij beweegt.//’. In die feminiene detaillering, wendbare en gelaagde formulering zit de kracht van Arns. Daarin breekt de verwondering door uit het wit tussen de woorden. Prachtig zoals zij in het gedicht ‘Actrice’ haar uitwerking op zichzelf en het publiek penseelt en vervolgens in een enkele strofe de eenzaamheid peilt waarin de actrice terugvalt na afloop van de voorstelling.
Het is voor mij duidelijk geworden, dat ‘de wereld [voor haar niet] ophield/ te bestaan als [de] ik sliep/’.

De kinderwereld met zijn sprookjesachtige fantasie komt op een aantal plaatsen in deze bundel naar voren, zoals in een gedicht als ‘Kinderdingen’: ‘Het leek alsof de bomen snikten van de regen/ die de bodem ontvankelijk had gemaakt/ en je zat verstopt onder een varen/ te kijken hoe je er niet was// tot ze kwamen, vader en moeder/’. Dat snikken van die bomen is een prachtige personificatie. Dit verstoppertje spelen vindt zijn waarde in het gevoelde vertrouwen tussen de ouders en het kind. Hoe vreemd de wereld zich soms ook aan de ik voordoet, de ik blijft telkens opnieuw zoeken naar dat vertrouwen en houvast uit de jeugd, vooral in de herinnering aan het verlies van de ander. Daarin ligt voor de ik het emotioneel fundament van haar bestaan, wat er ook gebeurt.

Arns werkt vaak met een gelijktijdigheid van gebeurtenissen uit heden en verleden, maar ook met de fenomeen dat de ik gelijktijdig denkt aan iets wat niets te maken heeft met hetgeen waarmee de ik bezig is. Dat geeft een interessante gelaagdheid aan haar gedichten die je weer even weghalen bij de anekdotische oppervlaktelaag.
In de eerste afdeling ‘Vreemde huizen kraken anders’ word je direct geconfronteerd met haar wijze van observeren, maar ook met wat zich thematisch in deze bundel gaat ontvouwen:

Bij het repareren van een dakkapel
valt je blik naar buiten op het groen
en het pad waarlangs je elke dag
je hakken zet. Wat je ziet is dit: een wereld

zonder jou erin en toch is dit jouw wereld
en alles wat je kent is daar: het huis,
de straat, het kind lacht/ kinderdingen uit zijn keel.

Jij staat op het trapje met spijkers in je mond
en wankelt; die over het tuinpad komt
hoort niet je roept, hoe je haar
van grote hoogte met je ogen roept.

Vanaf een trapje naar de wereld kijken die de jouwe is maar waar je je niet in bevindt, dat biedt een tweezijdigheid van perspectief die het mogelijk maakt werkelijkheid en een herinnering aan die werkelijkheid te laten samenvloeien. Dat brengt tevens verleden en heden weer bijeen. De jij is uit het perspectief verdwenen maar is er toch wel. De jij wankelt op het trapje. Degene die ‘over het tuinpad komt/ hoort niet hoe je haar roept, hoe je haar/ van grote hoogte met je ogen roept.//’. Deze plotse verdwijning van de jij leeft voort in de herinnering van de ander. Vanuit deze onuitwisbare ervaring ontwikkelt zich deze bundel door.

Dit perspectief van het verlies, het afscheid is denk ik een belangrijke drijfveer die Arns ertoe heeft aangezet te gaan schrijven over mensen die je misschien kent. Of beter gezegd, misschien wel niet blijkt te kennen. Ken je jezelf eigenlijk wel, is voor mij de onderliggende vraag geworden in deze bundel? Is het zoeken te midden van al die herinneringen aan mensen misschien niet een goede manier om jezelf terug te vinden? Ik lees deze gedichten als een hommage aan (een) geliefde(n), ook al heeft de ik zelf wel eens afstand gedaan, zo lezen we in het gedicht ‘Hoge hoed’, omdat het de ik nog altijd zwaar valt het afscheid een plaats te geven. Het dode konijn werd begraven naast ‘de vergeet-mij/-niet’/’. En toch ‘Kort daarop verliet ik jou.//’. Bovenal wil de ik niet vergeten en niet vergeten worden.

Het was in de eerste afdeling al aanwezig, maar in de tweede en derde afdeling ‘Big Sur’ en ‘Brieven van het eiland’ dringt zich de liefde voor de jij onontkoombaar aan je op. De ‘goesting’ naar liefde is volop in de bundel aanwezig: ‘het zachte walsen, het mondjesmaat/ proeven en iemand riep aan de trap hé// waar blijven jullie nou//’. Het wijnproeven dient in dit gedicht ‘Goesting’ als een metafoor voor de liefdeswals. ‘Zo was het dat hij op die koude nacht en vrouw besteeg,/’ zo staat er in het gedicht ‘Geboorte van de poëzie’, een lied over de driftige vereniging van een man en een vrouw, die uiteindelijk uitmondt in een jacht op de mammoet die hem zijn drift ontneemt en hem aanzet zijn woorden ‘oe oe’ op de rots te schrijven. Maar het was ook ‘een spel van de wilde jacht’. Poëzie schrijven is wellicht voor Arns een vorm van geversificeerde hartstocht, in lief en leed.

Er gaan nogal wat mannen en vrouwen naar boven ‘om iets met ritme te doen.’ De liefde laat haar onuitwisbare sporen achter. Zo ook in het titelgedicht van deze bundel, waarin de jij naar een foto tuurt waarop ze staat afgebeeld met een vroegere geliefde die haar deed denken ‘aan een ballon vol helium die je met een touwtje/ om je pols draagt. Hij kan het ook niet helpen, al die ruimte.//’. Die laatste versregel geeft zo’n sterke dubbelzinnigheid aan die kortstondige relatie waaraan zich al van meet af laat aflezen dat hij onbestaanbaar is. En toch leeft er nog het heimwee naar en na: ‘je zou zweren/ dat hij opstijgt, steeds als je wegkijkt.//’. Tegen beter weten in nog geloof hechten aan wat ooit even was. Dit soort gedichten over de liefde dragen een aantrekkelijke spanning in zich die verder reikt dan de observatie van iets wat in het verleden is gebeurd. Arns weet iets van de sensatie van een dergelijke escapade op te roepen. Daar past het Italiaanse ‘dolce far niente’ bij: het ijdele nietsdoen aan de Californische kusten: ’wij/ gingen zitten, werden deel van het geheel// dat anderen zagen die na ons/ het pad afdwaalden naar de rivier/’. Momenten waarin de tijd lijkt stil te staan.

Wat ik de hele bundel door als een grondhouding ben gaan ervaren, is wat er staat in het eerste gedicht ‘Perspectief’: ‘Wat je ziet is dit: een wereld// zonder jou erin en toch is dit jouw wereld/ en alles wat je kent is daar: het huis, de straat, het kind lacht/ kinderdingen uit zijn keel.//’ Dat de wereld bestaat buiten jezelf om. Het leven gaat door, kan bestaan buiten ons om, buiten die ander om, wat je ook hebt beleefd, zeker als het om de natuur gaat. Eenzelfde notie is te lezen in het titelgedicht van de bundel ‘Mensen die je misschien kent’: ‘Ook wat je niet ziet of hoort gebeurt: snelheid van licht/ deling van cellen, de spin die men plet in een stiltecoupé.//’ Vanuit die houding is het begrijpelijk dat de ik al observerend in verwondering om zich heen ziet. Ze zegt het ook in de derde afdeling in het gedicht ‘Grensgebied’: ‘Wat maakt het uit dat de straat geen perspectief heeft,/ evenwijdig loopt tot aan het eind/ – er is een verte waar geluid uit komt.//’. De lokroep van de poëzie. Die perspectiefloosheid houdt de verwondering en de herinnering juist in stand in plaats van dat zij haar ontneemt: ‘als we de huizen achter ons laten/ de nacht ons overmant,/ uit je mond de zilvermeeuw vliegt//’. Jonathan Livingstone Seagull (1970) van Richard Bach vliegt hier nog even door het beeld heen met zijn cultboek over hoe word ik en blijf ik gelukkig. Leef in het moment, zo lijkt ook hier haar motto.

Arns weet ons op een beeldrijke manier mee te nemen door de wereld van haar liefdesherinneringen. Haar gedichten zijn bovenal anekdotisch in aanvang en ontvouwen zich gaandeweg in een beschrijving met raffinement. In zulk soort uitwerkingen komt opnieuw de gelijktijdigheid van denken voor: ‘Het meisje van frituur Galaxy/ ruikt naar mayo en als ze met je praat/ kijkt ze naar je mond// terwijl hij aan Damascus denkt/ en aan die lente,/ het woeden in de grond.//’.
In haar laatste gedicht ‘Waarover ik nog moet schrijven’ geeft Arns aan waarover zij nog wil schrijven. Het geeft een interessant zicht op de wijze waarop de ik naar zichzelf kijkt: ‘Foto’s waarop ik figureer in andermans leven/ zonder te weten dat ik zo kan bestaan.//’. Bovenal dient de tijd voor dit soort eerlijkheid rijp te zijn, voordat we iets zien van onszelf en anderen van wat we nog niet eerder in beeld hebben gekregen: ‘Things that seemed right at the time.//’ […] ‘tot je het nog juiste antwoord geeft en de dag/ openbarst als een rijpe meloen.//’.
Wat dat aangaat kunnen we nog heel wat verrassende observaties van Arns verwachten met betrekking tot ervaringen en gebeurtenissen die ons heel vertrouwd kunnen voorkomen, maar ons ineens weer verrassend nieuw voor de geest gezet kunnen worden. Arns is druk bezig zich in de traditie van Paul van Ostaijen de ‘Gebruiksaanwijzingen’ van de lyriek eigen te maken in de werkelijkheid die haar fascineert en die ze ‘nog moet lezen/ om te weten hoe het werkt.//’.
Ze is een dichter met potentie waar we nog heel wat van te verwachten hebben.

***
Frouke Arns werd in 1964 geboren in het Duitse Handorf. Ze werd – Nederlands en Duits – tweetalig opgevoed. Na na haar middelbare schooltijd woonde ze in Israël en reisde ze rond in Azië. Zij studeerde Engelse Taal- en Letterkunde in Nijmegen. In 2009 werd zij voor Meander geïnterviewd door Jeroen Dera. In 2010 werd won zij de Meander Dichtersprijs en had zij een gesprek met Sander de Vaan. Naar aanleiding van de publicatie van haar debuutbundel sprak zij ook met Elly Woltjes.