Recensie van Liever brieven - Judith Herzberg

Toegift

Judith Herzberg
Liever brieven
Uitgever: De Harmonie
2013
ISBN 9789076168586
€ 15,90
56 blz.

Liever brieven gaf Judith Herzberg haar nieuwe bundel (de negentiende in totaal, de elfde bij De Harmonie) als titel mee. Het is zoals bijna altijd bij Herzberg een eenvoudige, pretentieloze titel, die niettemin wat te raden laat. Prefereert ze het schrijven van brieven boven bijvoorbeeld een e-mail of het plegen van een telefoontje, of zijn het brieven waarin ze uitdrukt wat ze allemaal liever zou willen hebben, willen doen, of laten? Of is ‘liever’ hier de vergrotende trap van ‘lieve’, en drukt de titel dus de verhouding uit waarin zij tot haar lezers wil staan?
In de inhoudsopgave tel ik 41 gedichten en bij de titels vallen me direct ‘De gulle schrijver’ en ‘Toegift’ op; ze lijken een verwijzing in te houden naar Herzberg zelf, die ons al zoveel mooie poëzie geschonken heeft, maar van wie toch ook mag worden aangenomen dat van haar hierna niet meer zo heel veel werk te verwachten valt. Met die titels blijkt het later volstrekt anders te liggen, maar zonder nog een letter gelezen te hebben, voel ik me thuis in de bundel.

Judith Herzberg heeft zich in de loop der jaren een positie verworven waarin ze ieder onderwerp ter hand mag nemen. Zij kan het zich veroorloven alles tot poëzie te verklaren, onbekommerd en ongecompliceerd, of het nu om kleine overpeinzingen en haast terloopse observaties gaat, of wat bijna als ready mades op haar weg komt. Zo weten ook ronduit zwakke gedichten zich bij haar zeker van een plaats, wonderlijk genoeg zonder een moment te detoneren. Het komt door het gemak waarmee ze schrijft en waarbij ze bij alle ernst en eerlijkheid, altijd ook iets zorgeloos houdt, een toets van onnadrukkelijkheid weet mee te geven, soms ronduit humoristisch. Maar de grondtoon wordt gevormd door een grote betrokkenheid op het menselijk bestaan, gevoed door een sterke gewetensfunctie, die zich niet opdringt, impliciet blijft, en zo toch de gedichten herkenbaar Herzberg maakt.

In een gedicht naar aanleiding van een interview met David Grossman, op 6 november 2009 in De Standaard, vraagt ze zich in de eerste strofe af wat zijn dit voor tijden zijn, waarin zonen sneuvelen of ernstig gewond raken. In de tweede strofe stelt ze dat blijven schrijven, of bijvoorbeeld over zoiets als bomen praten van belang blijft: dat is noch laf, noch ijdel, noch overbodig; met andere woorden: het leven moet menswaardig doorgaan. De derde strofe geeft de achterliggende gedachte:

Eén vindt cynisme
iets waar hij een te hoge
prijs voor moet betalen.
Dat weigert hij.

In ‘Ergens naar toe’ droomt ze verzeild te zijn in een jachtpartij en een aangeschoten kievit tegen zich aan te houden. ‘Hij klaagde dunne kreetjes.’ In de slotstrofe staat:

Ik liep met hem ergens naar toe
maar heb niet lang genoeg
door durven dromen
om te weten te komen
of hij het overleefd heeft.

Het suggereert dat Herzberg de uiterste consequenties van de werkelijkheid het liefst niet onder ogen zou zien, dat ze misschien in breder perspectief getrokken een bepaalde waarheid niet had willen kennen. Aan de andere kant: ze verwerpt in ‘Chemie’ het gebruik van slaaptabletten, omdat die ons de slapeloze nachten afpakken en zo ‘onze bespottelijke/ gektes, ons bijna ijlen/ […] het bloeiend/ spokende, het ware,/ eind van een eind zonder einde -‘.

Een van haar sterke punten is het suggereren van betekenis. In ‘Hoezo’ bijvoorbeeld, waarin uitgangspunt een ‘halverwege huis/ met windstille tinten’ is. Er ‘valt amper te gissen/ hoezo geen plooi/ die niet glad is gestreken. Vervolgens vraagt ze: ‘Wie is het/ die hier niet heeft gezeten/ niet gestruikeld is/ over geen mat?’ Het antwoord: ‘Geen minnaar geen kat./ Wanhopende vlooien/ wachten op benen.’
Alles wat er niet is, wordt zo aanwezig verklaard, met het leven dat er achter zit.

Uit ‘In een museum’ blijkt een ander aspect van Herzbergs verbeeldingskracht. Van het bekijken van schilderijen van Adriaen Coorte maakt ze een erotische ervaring, een intens genieten dat ze met veel plezier vrijmoedig deelt:

Wat een wellusteling die Coorte;
een man die naast me staat
zucht diep van graagte
als walnoten elkaar slotvast in dop
vergeefs begeren.

De bessen vonken. En de asperges
samengebonden volgens oud gebruik
zijn ook bezield, of ze daad
net deden, nagenieten.
Eén ligt er uitgevloerd, hangt
slap langs stenen plint
voldaan, lijkt het, omlaag.
Vandaag hoeft hij niet meer.

[…]

Zelden zo prikkelend vitaal en zo leuk een stilleven zien weergegeven!

Naast al het goede dat de bundel bevat, zijn er twee gedichten die er voor mij uitspringen. In de eerste plaats het langgerekte ‘Te willen hebben’, waarin ‘te willen hebben’ liefst 22 keer een bepaald verlangen naar iets inleidt, zoals een ‘huis in de duinen’, ‘verzamelde werken’, ‘de enige echte’, ‘kunnen vliegen’, ‘eigen vleugels’, ‘herinnerde dagen’ en ‘wat tot nu toe/ ontbrak.’ Maar er verschijnt ook de formulering ‘te willen hebben/ te willen hebben/ gehad.’, waarmee de nuchtere werkelijkheid met al haar beperkingen in één keer haar plaats terugkrijgt.

Het andere is een gedicht dat ze schreef als dichter van dienst voor Stariks ‘Eenzame uitvaart’.

Toegift

Natuurlijk haal je liever iemand uit het water
die nog te redden is. Maar stel dat hij nog leefde
wat hadden we dan voor hem kunnen doen. Hem vragen
waar zijn wanhoop op berustte, hem zijn geliefde
weer terugbezorgen, of zijn werk, of zelfvertrouwen?

Nu kunnen we een heel klein beetje rouwen
niet eens om hem, omdat we hem niet kennen,
maar uit een vaag gevoel van menselijk fatsoen.

De bijna-liefde, bijna aandacht die hij straks nog
meekrijgt in zijn kist was misschien nét dat
kleine beetje dat hem had kunnen redden,
dat hij bij leven heeft gemist.

Het was de plechtigheid van19 januari 2012. Er spreekt zo’n diep doorvoeld humanisme uit, dat ze er postuum een leven mee redt.
Liever brieven is een bundel die gedeeld mag worden.

***
Judith Herzberg (1934) debuteerde in 1961 in Vrij Nederland. In 1963 verscheen haar eerste bundel, Zeepost. Hierna volgden onder meer Beemdgras(1968), Strijklicht (1971), Botshol (1980), Dagrest (1984), Doen en laten (1994, een keuze uit de gedichten), Bijvangst (1999), Het vrolijkt (2008) en Klaagliedjes (2011).
Daarnaast schreef ze onder meer toneel- en tv-stukken en filmscripts.
Haar werk werd vaak bekroond, o.a. met de Jan Campert Prijs (voor poëzie én toneel), de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs.